Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:8227

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-10-2016
Datum publicatie
19-10-2016
Zaaknummer
200.198.642/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Machtiging gesloten jeugdhulp. Het hof acht het een ongewenste maatschappelijke ontwikkeling dat een kwetsbare minderjarige, met een zeer complexe problematiek als gevolg van zijn woonplaats mogelijk niet de gewenste hulp kan krijgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.198.642/01

(zaaknummer rechtbank C/08/186355 / JE RK 16-821)

beschikking van 13 oktober 2016

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat voorheen: mr. M. Mulderij-Anker te Zwolle,

thans geen advocaat gesteld,

en

de gecertificeerde instelling

Jeugdbescherming Overijssel,

gevestigd te Zwolle,
verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

[belanghebbende] ,

geboren [in] 2002,
verder te noemen: [belanghebbende] ,

verblijvend in [B] te [C] ,
verder ook te noemen: [B] ,

advocaat: mr. F. Leemans te Apeldoorn.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle (verder te noemen: de rechtbank), van 9 juni 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 9 september 2016;

- het verweerschrift van de GI;

- een brief van de raad voor de kinderbescherming, regio Overijssel (verder te noemen: de raad), van 15 september 2016, waarin de raad mededeelt niet ter zitting aanwezig te zullen zijn;

- een journaalbericht van 23 september 2016 van mr. Mulderij-Anker met productie(s).

2.2

Bij beschikking van 12 september 2016 heeft dit hof last gegeven aan de Raad voor Rechtsbijstand te ’s-Hertogenbosch om mr. Leemans als advocaat aan [belanghebbende] toe te voegen.

2.3

Op 28 september 2016 is [belanghebbende] voorafgaand aan de zitting buiten aanwezigheid van partijen door een raadsheer-commissaris gehoord. Zijn advocaat is bij dit gesprek aanwezig geweest.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 28 september 2016 plaatsgevonden. De moeder is ter zitting verschenen, vergezeld van mr. Mulderij-Anker. Mr. Mulderij-Anker heeft zich ter zitting onttrokken als advocaat van de moeder en heeft de zitting verlaten. Voorts is ter zitting verschenen mevrouw [D] namens de GI. Ook [belanghebbende] is ter zitting verschenen, bijgestaan, door mr. Leemans.

2.5

Het hof heeft op 29 september 2016 een beschikking gegeven in de zaak met zaaknummer 200.191.146/01, betreffende het hoger beroep van de moeder van de beschikking van de rechtbank van 8 februari 2016, verbeterd bij beschikking van 11 maart 2016. Zoals ter zitting besproken en door partijen en belanghebbenden akkoord bevonden, heeft het hof deze beschikking ambtshalve aan het dossier in de onderhavige zaak toegevoegd.

3 Het geding in hoger beroep

3.1

[belanghebbende] is geboren uit het - inmiddels door echtscheiding ontbonden - huwelijk van de moeder en [de vader] (verder te noemen: de vader). Uit dit huwelijk is [in] 1999 ook geboren de minderjarige [de minderjarige] (verder te noemen: [de minderjarige] ).

3.2

De moeder is in Polen geboren. Sinds medio 2012 heeft zij alleen het gezag over [belanghebbende] (en [de minderjarige] ). Tot 2006 heeft het gezin afwisselend in Nederland en Polen gewoond. In 2007 zijn de vader en de moeder uit elkaar gegaan. [de minderjarige] en [belanghebbende] zijn bij de moeder blijven wonen. Sinds eind 2007 hebben zij geen contact meer met de vader.

3.3

Van september 2010 tot september 2014 is [belanghebbende] onder toezicht gesteld geweest. De ondertoezichtstelling is beëindigd nadat de rechtbank het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [belanghebbende] heeft afgewezen.

3.4

Bij beschikking van de rechtbank van 30 november 2015 is - voor zover hier van belang - [belanghebbende] opnieuw onder toezicht gesteld voor de duur van één jaar, derhalve tot 30 november 2016.

3.5

Bij afzonderlijke beschikking, eveneens van 30 november 2015, is - voor zover hier van belang - een spoedmachtiging verleend tot uithuisplaatsing van [belanghebbende] gedurende dag en nacht in een pleeggezin, met ingang van 30 november 2015 tot 13 december 2015.

3.6

Bij beschikking van de rechtbank van 7 december 2015 is - voor zover hier van
belang - een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [belanghebbende] gedurende dag en nacht in een pleeggezin, met ingang van 13 december 2015 tot uiterlijk 30 maart 2016.

3.7

Bij beschikking van de rechtbank van 8 februari 2016, hersteld bij beschikking van 11 maart 2016, is een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [belanghebbende] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder met ingang van 8 februari 2016 tot 30 november 2016. Deze beschikking is bekrachtigd bij voornoemde beschikking van dit hof van 29 september 2016.

3.8

De GI heeft ingevolge artikel 6.1.2 lid 5 Jeugdwet (Jw) op 11 mei 2016 bepaald dat een voorziening op het gebied van jeugdhulp en verblijf niet zijnde verblijf bij een pleegouder voor [belanghebbende] nodig is. Een gekwalificeerde gedragswetenschapper die [belanghebbende] met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht, heeft ingestemd met het verzoek.

3.9

Bij inleidend verzoekschrift, ingekomen ter griffie van de rechtbank op 13 mei 2016, heeft de GI verzocht op grond van artikel 6.1.2 lid 1 Jw machtiging te verlenen om [belanghebbende] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg voor de duur van zes maanden.

3.10

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank een machtiging gesloten jeugdhulp betreffende [belanghebbende] verleend met ingang van 9 juni 2016 tot uiterlijk 9 december 2016.

3.11

[belanghebbende] heeft in de periode van medio december 2015 tot begin januari 2016 bij drie (netwerk)pleeggezinnen gewoond. Van begin januari 2016 tot 11 juni 2016 heeft [belanghebbende] op de crisisopvang [E] te [A] verbleven. Sindsdien verblijft hij, op grond van de bij de bestreden beschikking verleende machtiging, in [B] .

4 De omvang van het geschil

4.1

De moeder is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen.

4.2

De moeder heeft het hof verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende te bepalen dat de machtiging gesloten jeugdhulp van [belanghebbende] niet wordt verleend, althans wordt ingetrokken.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge artikel 6.1.2 lid 1 Jw kan de kinderrechter op verzoek een machtiging verlenen om een jeugdige in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven. Een machtiging kan ingevolge artikel 6.1.2 lid 2 Jw slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren en de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken.

5.2

Een machtiging voor een jeugdige die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, kan ingevolge artikel 6.1.2 lid 3 Jw bovendien slechts worden verleend indien:

a. de jeugdige onder toezicht is gesteld,

b. de voogdij over de jeugdige berust bij een gecertificeerde instelling, of

c. degene die, anders dan bedoeld onder b, de wettelijke vertegenwoordiger is, met de opneming en het verblijf instemt.

5.3

Ingevolge artikel 6.1.2 lid 5 Jw kan een machtiging voorts slechts worden verleend indien het college van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft, of de gecertificeerde instelling die de ondertoezichtstelling uitvoert of de voogdij uitoefent, heeft bepaald dat een voorziening op het gebied van jeugdhulp en verblijf niet zijnde verblijf bij een pleegouder nodig is. Het verzoek behoeft ingevolge artikel 6.1.2 lid 6 Jw instemming van een gekwalificeerde gedragswetenschapper die de jeugdige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht.

5.4

Ingevolge artikel 6.1.10 lid 1 Jw hoort de kinderrechter alvorens een machtiging te verlenen de jeugdige, degene die het gezag over de minderjarige uitoefent en degene die de jeugdige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt (tenzij de kinderrechter vaststelt dat een persoon niet bereid is zich te doen horen) alsmede de verzoeker en, in gevallen als bedoeld in artikel 6.1.7 Jw, de jeugdhulpaanbieder.

5.5

De beschikking is ingevolge artikel 6.1.12 lid 1 Jw bij voorraad uitvoerbaar. Ingevolge het tweede lid van dit artikel bepaalt de kinderrechter de geldigheidsduur van de machtiging op ten hoogste één jaar, de eerste voorwaardelijke machtiging op ten hoogste zes maanden en verlengingen van voorwaardelijke machtigingen op ten hoogste een jaar. De spoedmachtiging geldt tot het tijdstip waarop een beslissing op een verzoek om een machtiging is genomen, doch ten hoogste vier weken.

5.6

Het hof is van oordeel dat de rechtbank in de bestreden beschikking op goede gronden heeft geoordeeld dat jeugdhulp in een gesloten accommodatie voor [belanghebbende] noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en dat de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat [belanghebbende] zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het hof sluit zich aan bij de overwegingen van de rechtbank in deze en maakt deze, na eigen onderzoek, tot de zijne. Niet gebleken is dat thans niet langer aan bovenstaande gronden is voldaan. Het hof heeft in het kindgesprek met [belanghebbende] , en ook ter zitting, een jongen gezien die ernstig klem zit in het complexe gezinssysteem waarin hij verkeert en die een zeer ongelukkige en verdrietige indruk maakt.
is binnen [B] geobserveerd. Uit observatiediagnostiek is onder meer naar voren gekomen dat bij [belanghebbende] sprake is van een hechtingsstoornis en dat er sprake is van een verstoorde ouder-kindrelatie. [belanghebbende] voelt zich door zijn moeder niet geaccepteerd. Op 19 september 2016 is [belanghebbende] overgeplaatst naar de afdeling ' [F] ' binnen [B] , alwaar gestart is met een traject van 13 weken waarin observatie- en testdiagnostiek zal plaatsvinden, een kind- en jeugdpsychiatrisch onderzoek zal worden gestart en een neuropsychologische screening zal plaatsvinden om te komen tot een juiste behandeling van [belanghebbende] , met als uiteindelijk doel om toe te werken naar zelfstandig wonen. Het hof is van oordeel dat dit traject, en met name ook nader onderzoek naar [belanghebbende] , in het belang van [belanghebbende] moet worden geacht. [belanghebbende] kampt met een fors belast verleden waarbij het hem aan veiligheid en stabiliteit in de thuissituatie heeft ontbroken. Er is sprake geweest van huiselijk geweld, veel verschillende woonplekken en onveiligheid in de vorm van aanwezigheid van forse psychiatrische problematiek bij de vader. Er zijn al lange tijd forse zorgen over het welzijn van [belanghebbende] . [belanghebbende] maakt onderdeel uit van een ingewikkeld gezinssysteem waarin hij moet balanceren. In het belang van de ontwikkeling van [belanghebbende] en het kunnen bieden aan hem van de juiste zorg en hulp, is het hof van oordeel dat het in de rede ligt dat niet alleen [belanghebbende] , maar ook de moeder (psychiatrisch) zal worden onderzocht, nu uit het dossier diverse aanwijzingen naar voren komen dat ook bij haar sprake is van persoonlijke/psychiatrische problematiek. Hoewel de moeder stelt dat uit onderzoeken is gebleken dat dit niet het geval is, heeft zij deze stelling niet nader met stukken onderbouwd. Zowel de moeder als [belanghebbende] hebben in hoger beroep naar voren gebracht dat zij vinden, hoewel de moeder daarbij wel problemen voorziet, dat [belanghebbende] weer thuis kan wonen bij de moeder. Zo lang echter onvoldoende zicht is op de problematiek van zowel [belanghebbende] als de moeder, kan naar het oordeel van het hof van een thuisplaatsing van [belanghebbende] geen sprake zijn. De moeder dient zich daarnaast te realiseren dat het om zicht te houden op een thuisplaatsing van [belanghebbende] noodzakelijk is dat zij samenwerkt met de hulpverlening. Uit de overgelegde stukken is het hof gebleken dat bij de moeder tot op heden sprake is van een zeer afwerende houding ten opzichte van de hulpverlening. De moeder heeft het de pleeggezinnen waar [belanghebbende] eerder verbleef dermate moeilijk gemaakt dat deze plaatsingen zijn mislukt en zij mag [belanghebbende] op dit moment niet bezoeken op [B] omdat zij wegens haar gedrag een terreinverbod opgelegd heeft gekregen. De GI heeft verder gesteld dat de moeder druk en onrustig overkomt, waardoor zij moeilijk te volgen is, en dat zij strijd blijft voeren met de GI. Het hof heeft dit ter zitting ook zelf waargenomen. De moeder zocht herhaaldelijk de strijd met de jeugdzorgwerker en bleef haar eigen zorgen over de uithuisplaatsing van [belanghebbende] herhalen, zonder daarbij open te staan voor mogelijke oplossingen. De moeder is op 19 september 2016 bovendien niet verschenen op het behandelgesprek ten behoeve van [belanghebbende] , voor welk gesprek zij wel uitgenodigd was. Dit alles baart het hof grote zorgen.
In haar verklaring van 12 mei 2016 heeft de gedragswetenschapper de verwachting uitgesproken dat de problematiek van [belanghebbende] te complex is voor de reguliere gesloten jeugdzorg en dat voor zijn behandeling ook gedacht kan worden aan de zeer intensieve en kortdurende observatie- en stabilisatiegroep ( [G] ) van gesloten jeugdzorginstelling
[H] in [J] , waarbij ook de relatie met zijn moeder een belangrijk onderdeel moet zijn van de behandeling. Ter zitting heeft de GI echter naar voren gebracht dat een plaatsing bij [H] niet haalbaar is gebleken vanwege de woonplaats van [belanghebbende] . Het hof acht het een ongewenste maatschappelijke ontwikkeling dat een kwetsbare jongen als [belanghebbende] , met een zeer complexe problematiek, als gevolg van zijn woonplaats mogelijk niet de hulp kan krijgen die hij nodig heeft. Daarbij tekent het hof wel aan dat [belanghebbende] zelf ter zitting naar voren heeft gebracht niet achter een plaatsing bij [H] te staan, nu dit een gesloten jongensgroep betreft en het voor hem belangrijk is dat hij, zoals in [B] , op een gemengde groep zit. De GI heeft ter zitting naar voren gebracht dat naar deze wens van [belanghebbende] wordt geluisterd. Het hof gaat ervan uit dat er ook in de toekomst oog blijft voor deze wens van [belanghebbende] .

5.7

Gelet op al het vorenstaande is het hof van oordeel dat de gronden voor een machtiging gesloten jeugdhulp nog onverkort aanwezig zijn. Het hof zal de bij de bestreden beschikking verleende machtiging gesloten jeugdhulp bekrachtigen voor zover het de periode tot 30 november 2016 betreft, nu de ondertoezichtstelling van [belanghebbende] per die datum eindigt, en vernietigen voor zover het de periode vanaf 30 november 2016 betreft, onder afwijzing in zoverre van het inleidend verzoek.

5.8

Op grond van het vorenstaande zal het hof beslissen als na te melden.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 9 juni 2016, voor zover daarbij een machtiging gesloten jeugdhulp is verleend betreffende de minderjarige [belanghebbende] , geboren [in] 2002, doch uitsluitend voor zover het de periode van 9 juni 2016 tot 30 november 2016 betreft;

vernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 9 juni 2016, voor zover daarbij een machtiging gesloten jeugdhulp is verleend betreffende [belanghebbende] voor zover het de periode vanaf 30 november 2016 betreft, en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst het inleidend verzoek af voor zover het de periode vanaf 30 november 2016 betreft.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.P. den Hollander, G. Jonkman en I.A. Vermeulen en is op 13 oktober 2016 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.