Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:8201

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-10-2016
Datum publicatie
18-10-2016
Zaaknummer
200.174.360/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Incident tot schorsing ex artikel 225 Rv en tot hervatting ex artikel 227 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.174.360/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 74937 / HA ZA 09-656)

arrest in het incident tot schorsing ex artikel 225 Rv en tot hervatting ex artikel 227 Rv van 11 oktober 2016

in de zaak van

[appellante] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
hierna: [appellante] ,
thans zonder advocaat

alsmede:
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
beoogd overnemende partij aan de zijde van appellante,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. H.J. Ligtenbarg, kantoorhoudend te Velp,

tegen

Plus Retail B.V.,

gevestigd te De Bilt,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna: Plus Retail,

advocaat: mr. A.M.A. Canta, kantoorhoudend te Utrecht.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 1 december 2015 hier over.

1.2

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- de akte uitlating van [appellant] ,
- de akte uitlating van [appellante]
- de antwoordakte uitlating van Plus Retail.

1.3

Vervolgens heeft Plus Retail de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof op één dossier arrest bepaald. Ten gevolge van achterstanden en administratieve onderbezetting bij het hof heeft het wijzen van dit arrest vervolgens langer geduurd dan wenselijk is.

2 De verdere beoordeling in het incident

2.1

Bij voornoemd tussenarrest heeft het hof [appellante] opgedragen om bij akte alsnog aan te tonen dat zij haar vordering op Plus Retail rechtsgeldig aan [Holding appellant] heeft verpand.
[appellante] en [appellant] hebben bij hun akte uitlating de "Overdracht economische eigendom tevens vestiging pandrecht", gedateerd oktober 2009, overgelegd. Deze overeenkomst bevat onder andere de volgende passages:
"in aanmerking nemende dat:
- [appellante] uit hoofde van diverse overeenkomsten aangegaan met Plus Retail B.V. (…) vorderingen op Plus Retail pretendeert te hebben van in hoofdsom per saldo circa € 2.000.000,- (zegge: twee miljoen euro); de alhier omschreven vordering van [appellante] op Plus Retail hierna te noemen: 'Vordering';
(…)


verklaren te zijn overeengekomen als volgt:
Artikel 1 Koop en overdracht economische eigendom en uitstel levering
1. Per datum ondertekening van deze overeenkomst verkoopt [appellante] aan [Holding appellant] , gelijk koopt [Holding appellant] van [appellante] , het volledige economische belang (de zogenaamde economische eigendom) van de Vordering.
2. Met betrekking tot deze koopovereenkomst zijn partijen overeengekomen dat reeds thans het volledige economische belang (de zogenaamde economische eigendom) op de [Holding appellant] overgaat, doch dat de juridische levering van Vordering op een later tijdstip zal geschieden.
(…)
Artikel 5 Juridische levering
(…)

4. De juridische levering zal uiterlijk op 1 oktober 2013 plaatsvinden.
(…)
Artikel 7 Pandrecht vorderingen op Plus Retail
1. Tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen [Holding appellant] blijkens haar administratie van [appellante] te vorderen heeft of te vorderen mocht hebben uit hoofde van deze overeenkomst, met inbegrip van enige boete als bedoeld in artikel 9, verpandt [appellante] aan [Holding appellant] , die in pand aanneemt, alle vorderingen die [appellante] heeft of mocht krijgen op Plus Retail, uit welke hoofde dan ook, inclusief de in de considerans omschreven Vordering, met alle daaraan verbonden rechten en zekerheden, zoals onder meer maar niet uitsluitend blijken uit de administratie van [appellante] .
(…)"

De overeenkomst is op iedere pagina geparagrafeerd en ondertekend door [appellant] , namens [Holding appellant] , [appellante] , de heer [Y] , mevrouw [Z] en de heer [Q] , echtgenoot van [appellante] .
Op de laatste pagina van de overeenkomst is een stempel geplaatst met de volgende tekst:


"GEREGISTREERD IN
ENKEL-VOUD
TE AMSTERDAM D.D. 06-01-2010
IN REG. 4 ONDER NUMMER: 4.0000166.001
RENVOOI(EN) : GEEN
KOSTEN VAN REGISTRATIE: € ******0,00
DE INSPECTEUR,
W TAAL"

2.2

[appellante] en [appellant] hebben ter toelichting op de overeenkomst opgemerkt dat deze weliswaar een verbintenisrechtelijke titel tot overdracht van de vorderingen van [appellante] op Plus Retail aan [Holding appellant] inhoudt, terwijl de goederenrechtelijke levering op grond van artikel 5 uiterlijk op 1 oktober 2013 zou plaatsvinden, maar dat de levering van de vorderingen nooit heeft plaatsgevonden en als gevolg van de toelating van [appellante] tot de schuldsaneringsregeling ook niet meer plaats kon vinden. Om die reden is [Holding appellant] overgegaan tot het uitwinnen van het in artikel 7 van de overeenkomst aan haar verleende pandrecht, aldus [appellante] en [appellant] .

2.3

Plus Retail heeft in haar laatste akte haar twijfels geuit over de authenticiteit van de akte verpanding en de cessie die heeft plaatsgevonden. Zij voert daartoe, onder verwijzing naar haar antwoordakte wijziging procespartij d.d. 18 augustus 2015, aan dat de gang van zaken omtrent de cessie wonderlijk te noemen is. Nu [appellante] heeft nagelaten de originele akte en de brief van de belastingdienst waarin wordt bevestigd dat de akte ter registratie is aangeboden in het geding te brengen, kan de authenticiteit van de akte daarbij niet door Plus Retail geverifieerd worden. Plus Retail verzoekt daarom [appellante] op te dragen deze stukken over te leggen.

2.4

Het hof overweegt als volgt. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv rust in beginsel op [appellante] de last de feiten te stellen, en bij voldoende gemotiveerde betwisting ook te bewijzen, waaruit de gegrondheid van haar (incidentele) vordering blijkt. [appellante] heeft in dat kader het bewijs opgedragen gekregen dat haar vordering op Plus Retail in oktober 2009 rechtsgeldig aan [Holding appellant] is verpand. [appellante] heeft zich vervolgens beroepen op de hiervoor (ten dele) geciteerde overeenkomst, waarvan zij een kopie in het geding heeft gebracht. Deze overeenkomst betreft een onderhandse akte, waaraan in het onderhavige geval vrije bewijskracht toekomt.

2.5

Plus Retail heeft in haar akte weliswaar haar twijfels geuit over de authenticiteit van de akte van verpanding, maar zij heeft in dat kader volstaan met een herhaling van hetgeen zij eerder in haar antwoordakte wijziging procespartij heeft aangevoerd. Het hof heeft te dien aanzien in rechtsoverweging 3.6 van zijn tussenarrest reeds overwogen dat aan die in die akte geuite twijfels van Plus Retail voorbij wordt gegaan. Het hof ziet in hetgeen Plus Retail heeft aangevoerd dan ook geen aanleiding om, zoals Plus Retail heeft verzocht, [appellante] op te dragen de originele akte verpanding en de brief van de belastingdienst waaruit blijkt dat de akte verpanding ter registratie is aangeboden over te leggen. Op grond van de thans overgelegde kopie van de akte, voorzien van een stempel van de belastingdienst ter bevestiging van de registratie, alsmede de omstandigheid dat in de akte van cessie expliciet is verwezen naar de overeenkomst van oktober 2009 en de registratie daarvan op 6 januari 2010, is het hof van oordeel dat [appellante] voldoende heeft aangetoond dat haar vordering op Plus Retail rechtsgeldig aan [Holding appellant] is verpand.

2.6

Nu aldus vast is komen te staan dat de verpanding van de vordering aan [Holding appellant] rechtsgeldig heeft plaatsgevonden, komt de vordering van [appellante] tot schorsing en hervatting van de procedure, mede gelet op hetgeen het hof in de rechtsoverwegingen 3.6 tot en met 3.9 van het tussenarrest reeds heeft overwogen, voor toewijzing in aanmerking voor zover de procedure betrekking heeft op de oorspronkelijke reconventionele vordering van [appellante] op Plus Retail.
De slotsom

2.7

De vorderingen tot schorsing en hervatting van de procedure zullen worden toegewezen voor zover de procedure betrekking heeft op de oorspronkelijke reconventionele vordering van [appellante] op Plus Retail.

2.8

Gelet op de aard van dit incident zijn er geen termen voor het uitspreken van een kostenveroordeling ten laste van één van partijen, zodat iedere partij de eigen kosten dient te dragen.

2.9

De hoofdzaak zal naar de rol worden verwezen om voort te procederen. Nu thans een nieuwe, ingrijpend gewijzigde versie van het procesreglement (LPR) van kracht is geworden, ziet het hof aanleiding, gelet ook op hetgeen daarover reeds in het tussenarrest was overwogen, het volgende te bepalen. De zaak wordt verwezen voor het stellen van advocaat/ nemen memorie van grieven aan de zijde van [appellant] .

Dit is een laatste termijn waarop, op straffe van verval van recht gediend moet worden en waarvoor geen automatisch uitstel meer mogelijk is. Alleen met toepassing van artikel 2.13 van het LPR kan op die rol nog uitstel worden verkregen (zie ook artikel 6.3 LPR). Stelt zich geen advocaat dan wijst artikel 6.4 LPR Plus Retail de weg.

De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

in het incident

verstaat dat het geding, voor zover dat betrekking heeft op de oorspronkelijke reconventionele vordering van [appellante] op Plus Retail, zal worden voortgezet door [appellant] als procespartij in plaats van [appellante] ;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten dient te dragen;

in de hoofdzaak

verwijst de (hoofd)zaak naar de rol van dinsdag 25 oktober 2016 voor het stellen van een nieuwe advocaat en het nemen van een memorie van grieven aan de zijde van

[appellant] onder verwijzing naar hetgeen onder 2.9 is overwogen.

Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, voorzitter, mr. L. Groefsema en mr. D.H. de Witte en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken op dinsdag 11 oktober 2016