Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:8168

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-10-2016
Datum publicatie
24-10-2016
Zaaknummer
200.,171.572/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek tot heropening van de vereffening van een stichting derdengelden van een voormalig advocatenkantoor. De derdenrekening is niet op een normale wijze gebruikt. Ook bij een terughoudende toetsing is het bestaan van de vordering onvoldoende aannemelijk geworden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/3075

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.171.572/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/108352 HA RK 14-56)

beschikking van 12 oktober 2016

in de zaak van

[appellant] , voorheen genaamd [A]

wonende te [B] ,

appellant,

in eerste aanleg: verzoeker,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. S.G. Rissik, kantoorhoudend te Roden,

tegen

de (ontbonden) stichting Stichting Beheer Derdengelden Koers c.s. Advocaten,

voorheen gevestigd te Roden,

verweerster,

in eerste aanleg: verweerster,

hierna: de Stichting,

advocaat: mr. M.G. Doornbos, kantoorhoudend te Assen.

Het hof verwijst naar de beschikking in het incident tot zekerheidsstelling van 26 februari 2016.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Van partijen is bericht ontvangen dat door [appellant] zekerheid is gesteld voor de proceskosten in hoger beroep ad € 2.499,-. Vervolgens heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden op 28 september 2016. Uitsluitend mrs. Rissik en Doornbos zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is proces-verbaal opgemaakt.

De beschikking is bepaald op 9 november 2016, maar wordt heden bij vervroeging gegeven.

2 De feiten

2.1

Tussen partijen staan in hoger beroep als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken en op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van overgelegde producties de volgende feiten vast.

2.2

[appellant] was voorheen genaamd [A] . Hij was (in elk geval) in de periode 2003 tot april 2006 cliënt van mr. Chr. Koers die toen samen met mr. H. Veldman (hierna respectievelijk: Koers en Veldman) een advocatenpraktijk uitoefende. Koers en Veldman waren beiden bestuurders van de Stichting, die bij de Rabobank twee rekeningen had: de derdenrekening RABO [00000] en de spaarrekening RABO [00001] . Op 4 april 2006 heeft de politie een inval gedaan in het kantoor waar voornoemde advocatenpraktijk was gevestigd en zijn Koers en [appellant] gearresteerd op verdenking van strafbare feiten, onder andere in relatie tot de derdengeldrekening.

De dossiers van Koers zijn strafrechtelijk in beslag genomen. Koers is van het tableau geschrapt. Koers en Veldman zijn ontslagen als bestuurders van de Stichting en tot bestuurders zijn benoemd de deken en de waarnemend deken, mr. M.G. Doornbos en

mr F. de Vries (hierna respectievelijk: Doornbos en De Vries). Het ontslag van Veldman is omgezet in een schorsing.

2.3

Het saldo op de derdenrekening bedroeg op 6 september 2006 € 48.299,02 en dat van de spaarrekening € 249.579,18. Door Veldman zijn deze saldi aangezuiverd met een bedrag van € 21.492,46 en het totaal bedrag is verdeeld onder een zestal partijen die als rechthebbenden daarop zijn aangemerkt. In een door Doornbos en De Vries opgestelde rapportage genaamd "Onderzoek Derdenrekening Koers en Veldman" van 22 september 2006 (hierna: de rapportage) is beschreven wat hen is gebleken uit een onderzoek naar alle bankafschriften met betrekking tot de derdenrekening en de spaarrekening in de periode vanaf 1 januari 2003 tot dan toe. Daaruit blijkt dat door [appellant] of aan hem gelieerde partijen in die periode aanzienlijke bedragen op de derdenrekening zijn gestort en dat vanaf die derdenrekening vele malen betalingen hebben plaatsgevonden aan [appellant] of aan hem gelieerde partijen.

2.4

Bij besluit van 10 juli 2008 (op 17 juli 2008 geregistreerd bij de Kamer van Koophandel) is de Stichting ontbonden bij gebrek aan baten. Veldman is aangewezen als bewaarder van de boeken en bescheiden als bedoeld in artikel 2:24 lid 1 BW.

3 Het verzoek en de beslissing in eerste aanleg

3.1

Het verzoek van [appellant] strekt tot heropening van de vereffening van de Stichting als bedoeld in artikel 2:23c BW. De rechtbank heeft dat verzoek afgewezen en [appellant] in de kosten van de procedure veroordeeld.

4 De bespreking van de grieven

4.1

De negen grieven hebben als strekking dat de rechtbank het verzoek ten onrechte heeft afgewezen en lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

4.2

[appellant] stelt zich op het standpunt dat (ook) hij schuldeiser was van de Stichting en dat hij ten onrechte niet heeft gedeeld in het positieve saldo op de rekeningen. Daarnaast heeft hij gesteld dat voor zover de Stichting gelden heeft uitgeleend, er nog sprake is van een bate, te weten de vordering tot terugbetaling van die leningen. Tijdens de mondelinge behandeling is echter namens [appellant] door zijn advocaat aangegeven dat het bestaan van bedoelde leningen niet meer is dan een vermoeden en dat het verzoek tot heropening daarop (het bestaan van een bate) dan ook niet is gebaseerd.

4.3

[appellant] onderbouwt zijn standpunt dat hij schuldeiser is van de Stichting door te stellen (zie onder meer pleitnota mr. Rissik in hoger beroep onder 4 e.v.) dat blijkens bijlage 2 bij de rapportage (een door Veldman opgesteld "overzicht derdengelden [A] ") op

1 januari 2003 een saldo op de derdenrekening stond van € 607.982,19 als "toebehorend aan [appellant] " en dat op 6 september 2006 het saldo op de derdenrekening ongeveer € 300.000,- bedroeg. Uit genoemde bijlage 2 blijkt voorts "wat er aan derdengeld van [appellant] in en uit is gegaan". Voor een aantal op die lijst met naam en toenaam genoemde betalingen heeft

[appellant] echter geen toestemming gegeven. Het gaat om betalingen aan [C] , [D] , [E] , [F] en [G] ten bedrage van in totaal € 132.000,-. Bewijs voor het niet geven van zijn toestemming kan [appellant] niet leveren, maar dit bewijs zal wel kunnen blijken uit de administratie van de Stichting, waarin de schriftelijke toestemming van alle rechthebbenden wordt bijgehouden, aldus [appellant] . [appellant] vermoedt dat de Stichting geld heeft uitgeleend aan [C] en [F] .

4.4

Mr. Doornbos heeft verwezen naar zijn rapportage en heeft voorts, samengevat, het volgende aangevoerd. Er is door Koers en [appellant] crimineel gebankierd met de derdenrekening en er is geld witgewassen. Er was sprake van een netwerk van aan [appellant] gelieerde personen en bedrijven aan wie gelden werden uitgekeerd. Deze betalingen zijn door Koers verricht buiten medeweten van Veldman. Volgens het overzicht van Veldman heeft [appellant] per saldo geen aanspraak op de Stichting. Er is onvoldoende informatie om tot een andere conclusie te kunnen komen. Uit niets blijkt dat [C] , [F] en de anderen niet tot het netwerk behoren. Er zijn geen bankafschriften met daarop "lening" of iets dergelijks aangetroffen.

4.5

Het hof stelt voorop dat bij de beoordeling van een verzoek als het onderhavige de rechter met terughoudendheid behoort te toetsen of de door de verzoeker gestelde vordering en/of bate voldoende aannemelijk is om toewijzing van het verzoek te rechtvaardigen. Afwijzing van het verzoek kan immers onder omstandigheden, zoals in het geval dat geen bestuurder/vereffenaar van de ontbonden rechtspersoon meer te achterhalen valt of tot optreden in staat is, tot gevolg hebben dat verzoeker de door hem gepretendeerde rechten niet meer daadwerkelijk geldend kan maken. Zie HR 11 oktober 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC03666, NJ 1992, 132 en HR 2 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2727, NJ 1999, 194.

4.6

Een derdenrekening van een stichting derdengelden van een advocatenkantoor is normaal gesproken bedoeld voor het in ontvangst nemen van derdengelden, het tijdelijk beheren van hetgeen de stichting heeft ontvangen en het uitbetalen van gelden aan rechthebbenden of degenen die rechthebbenden zullen blijken te zijn, dit alles met als doel deze bedragen niet te vermengen met het vermogen van het advocatenkantoor en aldus veilig te stellen voor de rechthebbenden. Naar het oordeel van het hof blijkt uit het onderzoek en de rapportage van Doornbos en De Vries dat de derdenrekening van Koers en Veldman door [appellant] en aan hem gelieerde partijen voor geheel andere doeleinden is gebruikt. Door [appellant] en aan hem gelieerde partijen zijn over een periode van drie jaar grote sommen op de derdengeldrekening gestort en die bedragen zijn vervolgens door middel van velerlei betalingen overgeboekt aan allerlei partijen. Het zou gaan om "geld afkomstig uit de handel" (aldus mr. Rissik tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg). De storting in 2003 van € 607.982,19 zou volgens de toelichting op grief 1 zijn gedaan "ten behoeve van een deelneming in een bouwproject te België", zonder dat die stelling verder is toegelicht. Omtrent de latere stortingen als vermeld in genoemde bijlage 2 bij de rapportage (bedragen van € 310.000,- , € 2.982.111,- en een zestal andere stortingen) is hoegenaamd niets gesteld. [appellant] heeft weliswaar gesteld dat hij en Koers zijn vrijgesproken van witwassen (zonder de uitspraken in het geding te brengen) maar dit laat onverlet dat de derdenrekening niet op een normale wijze is gebruikt.

4.7

Nu stelt [appellant] jaren na dato (de betalingen vonden plaats in 2003-2006 en het inleidend verzoek dateert van 17 december 2014) dat hij voor een aantal van de boekingen "ten laste van zijn saldo" geen toestemming zou hebben gegeven. Enige nadere mondelinge toelichting op dit standpunt heeft hij echter niet aan het hof kunnen geven, nu hij niet op de mondelinge behandeling is verschenen. Zijn advocaat kon die informatie ook niet geven. Bijlage 1 bij de rapportage (bevattende de namen van alle aan [appellant] gelieerde partijen) is door [appellant] niet overgelegd. [appellant] beroept zich op bijlage 2 bij de rapportage (een overzicht waar Doornbos bij gebrek aan meer informatie van is uitgegaan) maar stelt tevens dat "dit geen brondocument is", dat er van "alles is op te schrijven" en dat uit de administratie van de Stichting zal moeten blijken of "wellicht een deel van de vordering over het hoofd is gezien" (proces-verbaal zitting in eerste aanleg). Een verzoek ex artikel 2:24 lid 4 BW tot het verkrijgen van inzage in de administratie is door hem echter niet gedaan. Het hof merkt op dat de termijn van zeven jaar als bedoeld in artikel 2:24 lid 1 BW inmiddels is verstreken. Verder heeft [appellant] niet met producties aangetoond dat hij voor de overige (niet betwiste) transacties wel schriftelijke toestemming zou hebben gegeven. Ook in zijn eigen administratie zou daar toch iets van terug te vinden moeten zijn. Voorts heeft Doornbos ter zitting onweersproken gesteld dat door hem geen bankafschriften met daarop "lening" of iets dergelijks zijn aangetroffen.

De verwijzing door [appellant] naar een deel van een getuigenverklaring van [C] in een proces-verbaal van de FIOD werpt weinig licht op de zaak, temeer nu die verklaring is "geknipt" in die zin dat deze halverwege begint en daar waar [C] gaat verklaren over zijn relatie tot [appellant] het vervolg ontbreekt. De e-mail van Veldman aan Koers d.d.

10 september 2006 en de e-mail van 13 oktober 2006 van [F] aan Koers waar [appellant] nog naar heeft verwezen, roepen vragen op maar acht het hof in het licht van het voorgaande niet voldoende om de vordering aannemelijk te achten.

4.8

Al met al concludeert het hof dat ook bij een terughoudende toetsing de vordering onvoldoende aannemelijk is geworden. Daarmee is niet voldaan aan het vereiste voor toewijzing van het verzoek. Op deze constatering stuiten de grieven af; een nadere afzonderlijke bespreking van de grieven is niet nodig.

4.9

[appellant] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding, tot heden aan de zijde van de Stichting begroot op € 711,- aan verschotten en overeenkomstig 2 punten in tarief II aan geliquideerd salaris van de advocaat.

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van 10 april 2015, waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot op heden aan de zijde van de Stichting begroot op € 711,- aan verschotten en € 1.788,- aan salaris advocaat.

Deze beschikking is gegeven door mrs. L. Janse, M.M.A. Wind, I. Tubben en in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2016.