Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:8133

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-10-2016
Datum publicatie
17-10-2016
Zaaknummer
200.157.768/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geschil over fiscale advieswerkzaamheden. In het licht van de gemotiveerde betwisting is niet aannemelijk gemaakt dat de in rekening gebrachte werkzaamheden zijn verricht. Vordering tot schadevergoeding afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.157.768/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/2375100 \ CV EXPL 13-7404)

arrest van 11 oktober 2016

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. J.F. Veenstra, kantoorhoudend te Leeuwarden, die ook heeft gepleit,

tegen

[geïntimeerde] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. R.W. de Casseres, kantoorhoudend te Leeuwarden, die ook heeft gepleit.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van
26 november 2013, 15 april 2014 en 20 mei 2014 die de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft gewezen.

2 Het (verdere) verloop van het geding in hoger beroep

2.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 25 november 2014 hier over. Ter uitvoering van dat arrest heeft op 14 januari 2015 een comparitie na aanbrengen plaatsgehad. Het proces-verbaal daarvan bevindt zich bij de stukken. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep blijkt uit:

- de memorie van grieven, tevens wijziging van eis (met producties),

- de memorie van antwoord (met producties),

- de op 8 september 2016 gehouden pleidooien, ter gelegenheid waarvan mr. Veenstra nog een aantal stukken in het geding heeft gebracht en heeft gepleit aan de hand van een pleitnota. Het proces-verbaal daarvan bevindt zich bij de stukken.

2.2

Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald op het pleitdossier.

2.3

[appellant] vordert in het hoger beroep, na wijziging van eis bij memorie van grieven (en na verbetering van een kennelijke verschrijving bij akte):

“Voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad;

I. tot vernietiging van het vonnis d.d. 20 mei 2014, met het zaak- en rolnummer C172375100 \ CV EXPL 13-7404, gewezen tussen partijen door de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden;

II. in zoverre opnieuw rechtdoende:

A. de vordering van [geïntimeerde] (in eerste aanleg in conventie) af te wijzen en
B. de navolgende hierbij te wijzigen vordering van [appellant] (in reconventie) toe te wijzen,

voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling aan [appellant] van al hetgeen [appellant] aan [geïntimeerde] heeft voldaan ter uitvoering van het bestreden vonnis, waaronder mede begrepen het op 29 augustus 2013 onder protest en voorbehoud van rechten voldane bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de betaling tot aan de dag van gehele terugbetaling;

- te verklaren voor recht: dat [geïntimeerde] jegens [appellant] toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht, door de blijkens de lijst aangehecht als productie 29 bij de memorie van grieven niet bij [geïntimeerde] aangetroffen stukken, dan wel de stukken betreffende de telefoonkosten, pensioenen, verzekeringen, congreskosten en autokosten van [appellant] , te vernietigen, dan wel weg te maken;

- [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling aan [appellant] van schadevergoeding ad € 48.006,11, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf 1 september 2013 tot aan de dag van gehele terugbetaling;

C. [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van deze procedure (in conventie en

reconventie), zowel in eerste aanleg, als in hoger beroep.”

3 De vaststaande feiten en de bespreking van grief II.

3.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.10 van het bestreden vonnis van 20 mei 2014, behoudens voor zover het de in r.o. 2.3 vermelde datum van het e-mail bericht van
[geïntimeerde] betreft. Daartegen is grief II gericht. Tussen partijen staat vast dat dit bericht niet van 8 maart 2011 dateert maar van 8 maart 2012. In zoverre is de grief terecht voorgedragen, maar dat kan op zichzelf niet tot vernietiging van het vonnis leiden.
Hetgeen [appellant] in het kader van deze grief verder heeft opgemerkt over de vraag of
[geïntimeerde] haar werkzaamheden mocht opschorten naar aanleiding van het onbetaald blijven van de factuur van 9 mei 2011, kan verder onbesproken blijven, nu dit – naar de raadsvrouwe van [appellant] ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep zelf heeft bevestigd – niet relevant is voor het oordeel over het onderhavige geschil.
Aangevuld met hetgeen in dit hoger beroep verder is komen vast te staan, mede op basis van de niet weersproken inhoud van de in het geding gebrachte stukken, kan tussen partijen van het volgende worden uitgegaan.

3.2

Sinds 1994 heeft [geïntimeerde] (fiscale) advieswerkzaamheden verricht voor [appellant] .

3.3

Bij brief van 31 mei 2010 heeft [appellant] [geïntimeerde] in verband met zijn aangifte inkomstenbelasting 2005 onder meer het volgende geschreven:
"(…) Nu wordt gevraagd om alle bankafschriften van 2004 en 2005 (dat is weinig specifiek). Die van 2004 heeft u enkele jaren geleden al gehad en dat moet dus nu weer over. Van het jaar 2005 heeft u de bankafschriften van de [bedrijf] reeds vanaf mei vorig jaar in uw bezit.

Indien onze indruk juist is, heeft u aan 2005 nog niets gedaan en betreft het een duplicaat van 2004 (dat stelt de belastingdienst ook). En omdat de gestelde termijn erg kort is en de kosten voor ons zo laag gehouden dienen te worden (met het oog op de reeds verrichte betalingen) is ons voorstel als volgt:

De mappen met de inhoud van de rest zijn nu opgezocht zodat u hierover kunt beschikken en u aan de hand van de uw ter beschikking gestelde gegevens via de USB stick (girale overboekingen Postbank en Friesland bank) en mbv het hier zelf samengestelde overzicht over de aangifte IB+PVV 2005 R.J. [appellant] uw reeds ingediend aangifte 2005 kunt aanpassen. In dit overzicht staan de afschrijving goodwill, pensioenpremies, afschrijving investeringen, congresbezoek en cursuskosten etc achtereenvolgens gemeld. Deze gegevens kunt u o.i. gewoon volgen.

De WOZ-"aanslagen" zitten voorin de rode map 2005 evenals de jaaroverzichten van de

diverse banken.

Dan ontstaat er vast een beeld hoe e.e.a eruit zal zien. Ook de leasekosten van de auto's

vormen een belangrijk onderdeel (wanneer er geen lease-overeenkomst e.d. is dan is er

afschrijving). Het pensioengat (dit speelt vanaf 2001) dient ook fiscaal invulling te krijgen(…)"

3.4

Bij e-mail van 7 december 2010 heeft [geïntimeerde] [appellant] bericht:
"Ik heb 2005 nog niet helemaal klaar. Dit zal morgen wel het geval zijn. Dan stuur ik e.e.a. wel per e-mail toe. (…)." [geïntimeerde] heeft dat vervolgens niet gedaan.

3.5

Bij e-mail van 17 februari 2011 deelt [geïntimeerde] [appellant] mede:
"(…) De aangifte inkomstenbelasting 2005 zal ik nu kunnen indienen. Het concept kunt u eerdaags van mij tegemoet zien. (…)".

3.6

Bij e-mail van 22 februari 2011 schrijft [geïntimeerde] [appellant] onder meer:
"De meeste gegevens heb ik in mijn bezit. De aangiften over de jaren 2005 en 2006 kan ik samenstellen. Zij het dat ik nog een voorbehoud moet maken ter zake van de autokosten i.v.m. de leaseconstructie van de diverse auto’s.(…)"

3.7

In antwoord op de e-mail van 22 februari 2011 bericht de echtgenote van [appellant] [geïntimeerde] bij e-mail van 23 februari 2011 onder meer:
"Auto’s: Je hebt in 2004/2005 de leaseconstructies al ontvangen onder de naam "operational

lease" van de 3 auto's. Je hebt ze toendertijd persoonlijk bij ons thuis in ontvangst genomen. Dat wordt zoeken dus, maar [appellant] vraagt de gegevens nog een keer op bij de [bedrijven] . (als dit nog lukt). De financial lease overeenkomst van de BMW5 krijg je nog."

3.8

Op 29 maart 2011 doet de echtgenote van [appellant] [geïntimeerde] een overzicht toekomen van zaken die nog moeten worden afgehandeld. Daarbij wordt vermeld:
"(…)Tot op heden hebben we nog steeds geen jaarrekening 2005 ontvangen, laat staan over de jaren daarna. (…)Vraag is dus…wat moet er gebeuren om 2005 af nu eindelijk af te ronden."

3.9

Bij declaratie met nummer [nr] , gedateerd 9 mei 2011, heeft [geïntimeerde] een

bedrag van € 2.760,80 aan [appellant] in rekening gebracht. De betaaltermijn bedroeg veertien dagen.

3.10

Op 18 januari 2012 ontvangt [appellant] een zogenoemde informatiebeschikking van de belastingdienst d.d. 17 januari 2012 waarin wordt vermeld dat [geïntimeerde] de toezeggingen om de door de belastingdienst benodigde informatie met betrekking tot [appellant] te verstrekken keer op keer niet is nagekomen en dat na het onherroepelijk worden van de informatiebeschikking sprake zal zijn van een omkering en verzwaring van de bewijslast.

3.11

De echtgenote van [appellant] schrijft [geïntimeerde] bij e-mail van dezelfde datum:
"Dit kan niet zo langer…ik moet voor het weekend een reactie hebben!!!"

3.12

[geïntimeerde] antwoordt per e-mail van 20 januari 2012:
"Zoals eerder al besproken is de afhandeling van de jaren t/m 2008 nagenoeg afgerond.
Voor de berekening van de investeringsaftrek ontvang ik nog graag de aanvragen voor de milieu-/energieaftrek zoals die door [appellant] zijn ingediend. (…)"

3.13

De echtgenote van [appellant] heeft de gegevens omtrent de investeringsaanvragen bij e-mail van 26 januari 2012 aan [geïntimeerde] toegezonden.

3.14

[geïntimeerde] heeft [appellant] bij e-mail van 20 februari 2012 een herinnering gezonden met betrekking tot de onder 3.9. bedoelde declaratie van 9 mei 2011:
"Op 6 februari jl. heb ik gevraagd om mijn nota [geïntimeerde] 2011 te betalen. Tot op heden heb ik hier niets van vernomen."

Omdat betaling uitbleef, heeft [geïntimeerde] bij e-mailbericht van 8 maart 2012 het volgende

- voor zover hier van belang - aan [appellant] geschreven:

"Het is inmiddels 8 maart en ik heb nog geen betaling ontvangen. De nota is [geïntimeerde]

vorig jaar! Ik heb daarom besloten mijn werkzaamheden vooreerst op te schorten."

3.15

Bij brief van 20 april 2012 heeft [geïntimeerde] het volgende - voor zover hier van

belang - aan [appellant] geschreven:

"Eind januari hebben wij in [woonplaats] de stand van zaken met betrekking tot de controle van de Belastingdienst besproken. Daarnaast zijn een aantal andere zaken aan de orde geweest, o.a. uw vermogenspositie in relatie met uw liquiditeitspositie.

Stilgestaan is bij het punt dat door mij geen werkzaamheden kunnen worden gedaan zonder dat hier een betaling van declaraties tegenover staat. Ik heb u er toen op geattendeerd dat er nog sprake was van een openstaande nota en dat er bovendien naderhand nog werkzaamheden zijn verricht die nog niet in een declaratie waren uitgemond.

(…) Op 8 maart heb ik vervolgens een e-mailbericht gezonden waarin ik melding heb gemaakt van het vooreerst opschorten van mijn werkzaamheden.

Inmiddels heb ik aan de hand van mijn onderhandenwerk-administratie een declaratie opgemaakt, die u bijgaand aantreft.

(...)

Ik verzoek u dringend het verschuldigde bedrag binnen twee weken te voldoen. U zult begrijpen dat ik aandring op spoedige betaling. (…)"

3.16

Bij declaratie met nummer [nr] , gedateerd 20 april 2012, heeft [geïntimeerde] een

bedrag van € 7.408,94 aan [appellant] in rekening gebracht. De betaaltermijn bedroeg veertien

dagen. Op de nota is de volgende omschrijving gegeven van de verrichte werkzaamheden:

"Werkzaamheden mei t/m november betreffende:

- het boekenonderzoek fiscus, w.o. een drietal besprekingen met de heren [X] en [Y] van de Belastingdienst op 1/9, 20/9 en 25/10;

- samenstellen aangiften inkomstenbelasting 2005 en 2006;

- procedure inkomstenbelasting 2004 en 2005 inz. uw echtgenote;

- procedure inkomstenbelasting 2005 van uzelf;

- bezwaarschrift inkomstenbelasting 2006 t.n.v. uw echtgenote;

- bespreking te [woonplaats] d.d. 27januari jl."

3.17

Op 11 mei 2012 heeft [appellant] de onder 3.9 genoemde declaratie van 9 mei 2011 voldaan.

3.18

Bij brief, gedateerd 4 februari 2013, heeft de gemachtigde van [appellant] het volgende

- voor zover hier van belang - aan [geïntimeerde] geschreven:

"De factuur waaraan u refereert is onbetaald gelaten om de reden dat de werkzaamheden waarvoor u factureert, tot op heden niet zijn uitgevoerd. Zo zijn cliënten nog in afwachting van de stukken over de jaren 2004 en 2005 (aangiftes en andere stukken ten behoeve van de procedure van mevrouw [appellant] ) en is tevens de toegezegde jaarrekening over 2006 nog niet door cliënten ontvangen. Deze stukken zijn essentieel voor de procedure waarin zijn echtgenote thans in is verwikkeld. Na ontvangst van deze stukken zal het openstaande factuurbedrag aan u worden voldaan. Tot die tijd schorten cliënten het doen van betalingen aan u op.

(...)

Derhalve verzoek ik u namens cliënten om binnen 14 dagen na heden de stukken (aangiftes) over de jaren 2004 en 2005 alsnog aan cliënt te overleggen evenals de jaarrekening van 2006 aan hen toe te zenden. Na ontvangst zal het door u gefactureerde bedrag alsnog worden voldaan."

3.19

Bij brief, gedateerd 17 mei 2013, heeft de gemachtigde van [appellant] het volgende

- voor zover hier van belang - aan [geïntimeerde] geschreven:

"Uit uw schrijven maken cliënten op dat de stukken waarop hun vordering toeziet, reeds bij u gereed liggen. Cliënten snappen niet waarom deze stukken niet door hen zijn ontvangen. Inmiddels zijn er al de nodige jaren verstreken. Voorts is u bekend dat cliënten de onderhavige stukken nodig hebben in de procedure met de Belastingdienst. Voor zover alsnog wettelijk is vereist stel ik u hierbij in gebreke en verzoek ik u om binnen 7 dagen de stukken zoals genoemd in mijn schrijven aan u van 4 februari jl. alsnog aan cliënten te doen toekomen.

Cliënten zijn van mening dat zij de afgelopen jaren voldoende aan u hebben betaald ter zake van de door u voor hen verrichte werkzaamheden. Cliënten zijn bereid, mits u de verzochte stukken tijdig aan hen toestuurt, in eerste instantie een bedrag van € 500,00 aan u te voldoen betreffende uw factuur [geïntimeerde] vorig jaar."

3.20

Bij brief van 27 mei 2013 heeft [geïntimeerde] de gemachtigde van [appellant] onder meer geschreven:
" (…) doe ik u eenmalig het volgende voorstel:
Uw cliënten voldoen per ommegaande het deel van de factuur d.d. 20 april 2012 dat betrekking heeft op de werkzaamheden ter zake van besprekingen die hebben plaatsgevonden c.q. verzorgde correspondentie: a. het boekenonderzoek, b. de procedures inkomstenbelasting 2004 en 2005 van mevrouw [appellant] , c. de procedure inkomstenbelasting 2005 van de heer [appellant] , d. het bezwaarschrift inkomstenbelasting 2006 van mevrouw [appellant] en e. de bespreking te [woonplaats] .
Het bedrag dat met die werkzaamheden is gemoeid bedraagt € 5.802,44.
Zodra dit bedrag is bijgeschreven op mijn rekening zal ik u daarvan op de hoogte stellen. Uw cliënten hebben dan 5 werkdagen de tijd om de stukken bij op te komen halen. Na afgifte van de stukken dient het resterende bedrag (€ 1.606,50) van de factuur d.d. 20 april 2012 te worden voldaan binnen 14 dagen na afgifte van de stukken. (…)"

3.21

Bij brieven van 13 juni 2013 en 4 juli 2013 heeft de gemachtigde van [geïntimeerde]

[appellant] verzocht - en voor zover nodig gesommeerd - om binnen veertien dagen over te gaan

tot betaling van de onder 3.6 bedoelde declaratie van 20 april 2012 en de bijkomende (incasso)kosten.

3.22

Op 29 augustus 2013 heeft [appellant] declaratie van 20 april 2012 gedeeltelijk

voldaan door een bedrag van € 5.802,44 over te maken aan [geïntimeerde] met daarbij de vermelding:
"Omschrijving: I.o.m. DAS Rechtsbijstand betaling v. vlgns mr [Z] niet betwiste deel onder voorbehoud van rechten ic verhalen v. vroegere nota.s"

3.23

Op 7 november 2014 zijn op verzoek van [appellant] , na daartoe op 21 oktober 2014 verkregen verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, onder [geïntimeerde] berustende administratieve bescheiden in conservatoir beslag tot afgifte genomen en vervolgens ter bewaring afgegeven aan [gerechtsdeurwaarders] te [woonplaats] .

3.24

Ter gelegenheid van de comparitie na aanbrengen in hoger beroep zijn partijen overeengekomen dat het door [appellant] gelegde beslag wordt opgeheven en dat [geïntimeerde] ermee instemt dat de door de deurwaarder in beslaggenomen stukken aan [appellant] worden overhandigd. Partijen hebben uitvoering gegeven aan die regeling.

4. Het geschil en de beslissing van de kantonrechter

4.1

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg (in conventie) na vermindering van eis gevorderd om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [appellant] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 2.660,75 (te weten het restant van de declaratie van 20 april 2012 ad € 1.606,50 vermeerderd met wettelijke rente en een bedrag van € 745,45 excl. BTW aan buitengerechtelijke incassokosten), te vermeerderen met wettelijke rente vanaf
29 augustus 2013 en met de proceskosten.

4.2

[appellant] heeft in eerste aanleg (in reconventie) gevorderd dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht verklaart dat [geïntimeerde] gehouden is om de stukken zoals genoemd in productie 15 bij de dagvaarding, binnen één maand na de datum van dit vonnis aan [appellant] af te geven, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag dat [geïntimeerde] daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 25.000,00.

4.3

De kantonrechter heeft bij vonnis van 20 mei 2014 [appellant] veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 1.606,50 vermeerderd met wettelijke rente vanaf
29 augustus 2013. Verder heeft de kantonrechter voor recht verklaard dat [geïntimeerde] gehouden is om de nota's telefoonkosten, de nota's en bonnen congreskosten en de facturen van de verbouwing en de bankafschriften aan [appellant] af te geven, voor zover zij dat nog niet heeft gedaan. [appellant] is veroordeeld in de kosten van het geding in conventie en in reconventie. Het meer of anders gevorderde is afgewezen.

5 De beoordeling van de overige grieven

5.1

De grieven I en III zijn gericht tegen r.o. 4.3 van het bestreden vonnis, waarin de kantonrechter de verweren van [appellant] heeft verworpen en de vordering van [geïntimeerde] ten dele voor toewijzing vatbaar heeft geacht. Deze grieven lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

5.2

De kantonrechter heeft in r.o. 4.3 van het bestreden vonnis overwogen dat [appellant] heeft aangevoerd dat hij de declaratie van 20 april 2012 onbetaald heeft gelaten omdat hij de concept jaarrekeningen niet van [geïntimeerde] heeft ontvangen, maar dat [geïntimeerde] onweersproken heeft gesteld dat zij daartoe geen opdracht had en ter zake bij genoemde factuur ook geen kosten aan [appellant] in rekening heeft gebracht.

5.3

[appellant] heeft erop gewezen dat waar in zijn processtukken in eerste aanleg en in de correspondentie tussen partijen werd gesproken over (concept) jaarrekeningen 2005 en 2006, door hen werd gedoeld op de aangiftes inkomstenbelasting (hierna: aangiftes IB) van hem en zijn echtgenote. [geïntimeerde] heeft dat vervolgens niet weersproken.

5.4

Met betrekking tot de aangiftes IB heeft de kantonrechter in r.o. 4.3 van het bestreden vonnis overwogen:
"Voor zover [appellant] zijn verweer heeft willen gronden op het feit dat hij onvoldoende op de hoogte is gebracht van de stand van zaken met betrekking tot de belastingaangiftes over de jaren 2005 en 2006, gaat de kantonrechter daaraan eveneens voorbij. [geïntimeerde] heeft ter comparitie verklaard dat zij niet over alle gegevens beschikte om de aangiftes af te maken, om welke gegevens [geïntimeerde] wel per emailbericht van 20 januari 2012 heeft gevraagd, maar dat zij de aangiftes voor zover mogelijk wel heeft afgerond. Gelet hierop kon (de gemachtigde) van [appellant] naar het oordeel van de kantonrechter niet volstaan met de enkele - ter comparitie namens [appellant] geponeerde - stelling dat 'hij er niet van op de hoogte is dat [geïntimeerde] wacht op stukken van [appellant] inzake de milieu- en energieaftrek'."

5.5

[geïntimeerde] heeft bij memorie van antwoord in hoger beroep (randnummers 7 en 8) gesteld dat zij in juni 2007 een ‘pro forma’ aangifte IB 2005 heeft ingediend, waarbij zij gebruik heeft gemaakt van de cijfers van 2004 omdat zij op dat moment over veel te weinig gegevens beschikte om de aangifte IB 2005 op te kunnen stellen. [geïntimeerde] verwachtte in de tijd daarna voldoende informatie te krijgen om alsnog een juiste aangifte te kunnen doen. Doordat zij die informatie niet kreeg, werd in 2009 een ambtshalve aanslag opgelegd. Het daartegen ingestelde bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard, maar die beslissing werd op 10 maart 2011 in beroep vernietigd, zodat de inspecteur alle gegevens met betrekking tot 2005 alsnog diende te beoordelen.
heeft voorts gesteld dat de aangiftes IB 2005 op 8 augustus 2012 klaar waren, maar dat de aangiftes IB 2006 bij gebreke van door [appellant] aan te leveren gegevens niet gereed waren.

5.6

[appellant] heeft aangevoerd dat hij van de inspecteur van belastingen heeft moeten vernemen dat [geïntimeerde] voor 2005 een duplicaat van de aangifte IB van 2004 had ingediend. Voor zover [appellant] weet, heeft [geïntimeerde] niet of nauwelijks werkzaamheden verricht voor de aangiftes IB 2005 en 2006. [geïntimeerde] is hier naar eigen zeggen al jaren mee bezig en heeft [appellant] hiervoor al meerdere zeer hoge facturen gezonden die – op de laatste na – ook door [appellant] zijn voldaan. Alleen voor 2005 heeft [geïntimeerde] al meer dan € 17.000,- in rekening gebracht. Desondanks heeft [appellant] nooit een concept aangifte IB 2005 of 2006 van [geïntimeerde] ontvangen. Dit terwijl [geïntimeerde] op 7 december 2010 al aankondigde dat de aangifte IB 2005 de volgende dag gereed zou zijn. De stelling dat [geïntimeerde] de aangiftes niet heeft kunnen afronden omdat zij nog wachtte op stukken is onjuist. [geïntimeerde] beschikte over alle noodzakelijke stukken, aldus [appellant] .

5.7

Het hof overweegt als volgt.
Voor zover de raadsman van [geïntimeerde] ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep heeft betoogd dat [appellant] bij akte had moeten reageren op de bij memorie van antwoord overgelegde stukken en dat hij dat niet meer bij pleidooi mocht doen, verwerpt het hof dat standpunt. Het stond [appellant] alleszins vrij om pleidooi te vragen en bij die gelegenheid in te gaan op de eerst bij memorie van antwoord in het geding gebrachte stukken.

5.8

Uit de brief van [geïntimeerde] van 27 mei 2013, gelezen in samenhang met de op de factuur van 20 april 2012 gegeven specificatie, volgt dat het door de kantonrechter toegewezen bedrag van € 1.606,50 zag op het samenstellen van de aangiften IB 2005 en 2006. Bij memorie van grieven in hoger beroep heeft [appellant] alsnog gemotiveerd betwist dat [geïntimeerde] deze bij genoemde factuur in rekening gebrachte werkzaamheden met betrekking tot de aangiftes IB 2005/2006 daadwerkelijk heeft verricht.

5.9

Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] , in het licht van deze gemotiveerde betwisting door [appellant] , niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij genoemde werkzaamheden heeft verricht. [geïntimeerde] heeft bij memorie na antwoord weliswaar een nadere specificatie met bijlagen overlegd waaruit zou volgen dat zij in oktober en november 2011 15 uur aan de aangiften IB 2005 en 2006 zou hebben besteed, maar zij heeft geen verklaring gegeven voor het feit dat de deurwaarder genoemde bijlagen – waaronder concept aangiften – op
7 november 2014, toen hij beslag tot afgifte van stukken kwam leggen, in het geheel niet heeft aangetroffen.
heeft evenmin duidelijk gemaakt waarom zij in oktober en november 2011 nog 15 uur aan de aangiften heeft moeten besteden, terwijl zij [appellant] al op 7 december 2010 heeft medegedeeld dat de aangifte 2005 de volgende dag gereed zou zijn en op 22 februari 2011 dat zij ook de aangifte 2006 kon samenstellen.
[geïntimeerde] heeft evenmin een aannemelijke verklaring gegeven voor het feit waarom zij, terwijl zij al sinds 2007 doende was met deze aangiften en – naar [appellant] onweerspoken heeft gesteld – alleen al voor het opstellen van de aangifte 2005 € 17.000,- aan [appellant] in rekening heeft gebracht, nimmer concept aangiften aan [appellant] heeft voorgelegd.
De stelling van [geïntimeerde] bij memorie van antwoord dat de aangifte 2005 op 18 augustus 2012 gereed was, is niet alleen in strijd met haar eerdere mededeling dat die aangifte al in december 2010 gereed was, maar ook niet aannemelijk in het licht van het feit dat [geïntimeerde] haar werkzaamheden per 8 maart 2012 heeft opgeschort. Het ligt dan immers niet in de rede dat zij in de periode nadien nog aan de aangifte heeft gewerkt. Zoals hiervoor overwogen heeft de deurwaarder genoemde aangifte ten tijde van de inbeslagname in 2014 ook helemaal niet aangetroffen.

5.10

Voor zover [geïntimeerde] in dit verband heeft aangevoerd dat [appellant] haar ondanks haar herhaalde verzoeken niet voorzag van de noodzakelijke gegevens, verwerpt het hof die stelling als onvoldoende onderbouwd. Uit het dossier komt immers een heel ander beeld naar voren. Zo blijkt uit de overlegde correspondentie dat van de zijde van [appellant] herhaaldelijk naar de stand van zaken werd geïnformeerd en dat [geïntimeerde] toezeggingen deed die zij vervolgens niet nakwam. Slechts een enkele keer blijkt van het opvragen van gegevens door [geïntimeerde] , maar daarop werd van de zijde van [appellant] vlot gereageerd. Uit de informatiebeschikking die op 17 januari 2012 door de belastingdienst is opgelegd, blijkt dat [geïntimeerde] een grote mate van inactiviteit aan de dag legde. De inspecteur van belastingen geeft daarin aan dat [geïntimeerde] keer op keer toezeggingen om informatie te verstrekken niet nakwam. Niet gesteld of gebleken is dat [geïntimeerde] aan die toezegging niet heeft kunnen voldoen doordat [appellant] ondanks daartoe strekkende verzoeken van [geïntimeerde] haar niet van de betreffende informatie heeft voorzien.

5.11

De grieven I en III slagen voor zover zij zien op terugbetaling van genoemd bedrag van € 1.606,50 tot de betaling waarvan de kantonrechter [appellant] heeft veroordeeld. Zij falen echter voor zover zij ten betoge strekken dat ook het bedrag van € 5.802,44 door [geïntimeerde] moet worden terugbetaald. Daartoe wordt het volgende overwogen.

5.12

Het betreffende onderdeel van de vordering van [appellant] in hoger beroep luidt:
" [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling aan [appellant] van al hetgeen [appellant] aan [geïntimeerde] heeft voldaan ter uitvoering van het bestreden vonnis, waaronder mede begrepen het op 29 augustus 2013 onder protest en voorbehoud van rechten voldane bedrag (…)" [onderstreping door het hof].
Het bedrag van € 5.802,44 is niet ter uitvoering van het vonnis voldaan. Reeds daarop stuit de vordering af.

5.13

Voor zover het hof de stellingen van [appellant] ter gelegenheid van het pleidooi zo zou moeten begrijpen dat de grondslag van deze vordering een beroep op onverschuldigde betaling is, kunnen zij ook niet toe toewijzing van het gevorderde leiden.
heeft bij de betaling van genoemd bedrag immers vermeld dat deze in overleg met zijn toenmalige gemachtigde geschiedde en het onbetwiste deel van de rekening betrof. Weliswaar heeft [appellant] daarbij een voorbehoud gemaakt, maar dat zag, blijkens zijn omschrijving, niet op het bedrag van € 5.802,44, maar op het verhalen van vroegere nota’s. Een vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling van vroegere nota’s ligt in dit hoger beroep evenwel niet voor.
Bovendien heeft [appellant] ook in dit hoger beroep niet voldoende gemotiveerd betwist dat de werkzaamheden waarop het bedrag van € 5.802,44 betrekking had – te weten: het boekenonderzoek, de procedures inkomstenbelasting 2004 en 2005 van mevrouw [appellant] , de procedure inkomstenbelasting 2005 van de heer [appellant] , het bezwaarschrift inkomstenbelasting 2006 van mevrouw [appellant] en de bespreking te [woonplaats] – daadwerkelijk door [geïntimeerde] zijn verricht.

5.14

Grief IV is gericht tegen het in r.o. 4.10 van het bestreden vonnis gegeven oordeel van de kantonrechter dat het aan [appellant] is om te stellen en, gelet op de gemotiveerde betwisting van [geïntimeerde] , te bewijzen dat [geïntimeerde] het resterende deel van de administratie onder zich heeft en dat het enkele opsommen van onderdelen waaruit die administratie zou bestaan, niet volstaat.

5.15

[appellant] vordert dat het hof voor recht verklaart dat [geïntimeerde] jegens [appellant] toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht, door de blijkens de lijst aangehecht als productie 29 bij de memorie van grieven niet bij [geïntimeerde] aangetroffen stukken, dan wel de stukken betreffende de telefoonkosten, pensioenen, verzekeringen, congreskosten en autokosten van [appellant] , te vernietigen, dan wel weg te maken en [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling aan [appellant] van schadevergoeding ad € 48.006,11, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf 1 september 2013 tot aan de dag van gehele terugbetaling.

5.16

Ter onderbouwing van de gestelde schade heeft [appellant] een brief van mr. [Q] , fiscalist d.d. 25 maart 2015, overgelegd, waarin hij schrijft:
"Naar aanleiding van uw vraag welke extra kosten zijn opgeroepen door het niet aanwezig zijn van adequate stukken uit het verleden bericht ik u als volgt.

De kosten die zijn opgeroepen kunnen worden gerubriceerd in een aantal posten;

1. Reconstructie gegevens voorafgaand aan en 2005;

2. Oplossen losse eindjes met betrekking tot lopende fiscale procedures tot en met 2009;

3. Fiscale winstbepaling op basis van incomplete stukken;

4. Redresseren effecten optreden adviseur met name rond de informatiebeschikking (omkering van de bewijslast);

5. Organiseren van acceptabele heffingen op basis van incomplete documentatie voorgeschiedenis.

De uren gemoeid met de hiervoor genoemde punten betreffen in totaal 201,35, waarop in mindering komen de uren voor reguliere nieuwe advisering 35 uren, zodat resteert een extra aantal uren van 166,35 waarop verschuldigd is een bedrag van € 48.006,11 inclusief kantoorkosten en btw. Hierbij is rekening gehouden met het feit dat de heer [appellant] de omzetbelasting niet kan verrekenen."

5.17

Ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep heeft [appellant] medegedeeld dat [Q] niet alleen werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van hem, maar ook ten behoeve van zijn echtgenote en de besloten vennootschap. In deze procedure is echter alleen een vordering door [appellant] privé ingesteld, zodat de vraag aan de orde is welke schade [appellant] zelf heeft geleden als gevolg van de omstandigheid dat [geïntimeerde] stukken die hij onder zich zou hebben gehad, niet aan [appellant] heeft afgegeven.

5.18

[appellant] heeft als productie 29, pagina 9 e.v. bij memorie van grieven een lijst in het geding gebracht van stukken die de deurwaarder niet bij [geïntimeerde] heeft aangetroffen. [geïntimeerde] heeft gemotiveerd betwist dat zij alle op pagina 9 e.v. van productie 29 genoemde stukken onder zich heeft/heeft gehad. [appellant] heeft in het bijzonder stukken met betrekking tot telefoonkosten, pensioenen, verzekeringen, congreskosten en autokosten genoemd. Uit pagina 1 e.v. van productie 29, waar de in beslaggenomen goederen staan vermeld, blijkt echter dat zich bij de in beslaggenomen stukken onder meer een mapje en ordners met diverse nota’s bevonden met betrekking tot congreskosten, telefoon- en autokosten. Ook zijn stukken van de Stichting pensioenfonds medische specialisten en stukken van Delta Lloyd in beslag genomen. [appellant] heeft nagelaten specifiek aan te geven dat [geïntimeerde] nog meer stukken onder zich had maar niet heeft afgegeven, welke stukken dat dan waren en waaruit een en ander blijkt. Ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep heeft de raadsvrouwe van [appellant] desgevraagd medegedeeld dat een en ander lastig is vast te stellen.
Er is door [appellant] ook geen duidelijke relatie gelegd tussen enerzijds specifieke, ontbrekende stukken en anderzijds de extra kosten die [Q] als gevolg daarvan louter voor [appellant] privé heeft moeten maken.
Ook uit de brief van [Q] valt dat niet af te leiden. Hij spreekt in zijn brief van ‘adequate stukken uit het verleden’ maar welke dat precies zijn en of dat stukken zijn die [appellant] , zijn echtgenote of de besloten vennootschap betroffen, blijkt niet uit de brief. Nu bij de brief geen specificatie is gevoegd van de gemaakte uren, kan het hof ook aan de hand daarvan niet vaststellen welke uren ten behoeve van [appellant] privé zijn besteed.

5.19

[appellant] heeft bij memorie van grieven een algemeen bewijsaanbod gedaan. Zijn raadsvrouwe heeft ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep aangeboden een nadere verklaring van [Q] over te leggen. Het hof passeert het aldus gedane bewijsaanbod, omdat [appellant] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. Zoals hiervoor is overwogen, heeft hij immers niet duidelijk gesteld welke specifieke, [appellant] zelf regarderende stukken, [geïntimeerde] onder zich had maar niet heeft afgegeven en evenmin welke extra werkzaamheden [Q] als gevolg daarvan heeft moeten verrichten ten behoeve van [appellant] zelf en welke kosten met uitsluitend die werkzaamheden gemoeid waren. Om die reden is voor bewijslevering geen plaats.

5.20

Gelet op hetgeen hiervoor in de rechtsoverwegingen 5.14 tot en met 5.19 is overwogen, komt de vordering tot schadevergoeding niet voor toewijzing in aanmerking.
Nu de raadsvrouwe van [appellant] ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep heeft verklaard dat de gevraagde verklaring voor recht uitsluitend is gevraagd met het oog op de in deze procedure gevorderde schadevergoeding, heeft [appellant] bij een zodanige verklaring hoe dan ook geen belang meer.

5.21

Grief IV faalt.

6 De slotsom

6.1

Het vonnis van de kantonrechter te Leeuwarden van 20 mei 2014 zal worden vernietigd. Het hof zal, opnieuw rechtdoende, de vordering van [geïntimeerde] alsnog afwijzen. De in hoger beroep gewijzigde vordering van [appellant] zal worden toegewezen voor zover deze strekt tot terugbetaling door [geïntimeerde] van hetgeen [appellant] haar ter uitvoering van het vonnis van de kantonrechter heeft voldaan, vermeerderd met wettelijke rente, en zal voor het overige worden afgewezen.

6.2

[geïntimeerde] zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in eerste aanleg in conventie. Deze worden aan de zijde van vastgesteld op:

- salaris advocaat € 500,- (2 punten x tarief € 250,-).

6.3

Het hof ziet aanleiding de kosten van het geding in eerste aanleg in reconventie te compenseren, zoals hierna vermeld, nu de vordering van [appellant] in eerste aanleg gedeeltelijk was toegewezen.

6.4

Nu beide partijen in het hoger beroep voor een deel in het ongelijk worden gesteld, zullen de kosten van het hoger beroep worden gecompenseerd zoals hierna vermeld.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de kantonrechter te Leeuwarden van 20 mei 2014 en doet opnieuw recht:

wijst de vorderingen van [geïntimeerde] af;

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant] van al hetgeen [appellant] aan [geïntimeerde] heeft voldaan ter uitvoering van het vonnis van de kantonrechter te Leeuwarden van 20 mei 2014, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de betaling tot aan de dag van terugbetaling;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in eerste aanleg in conventie en begroot deze tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant] op € 500,- voor salaris gemachtigde;

compenseert de kosten van het geding in eerste aanleg in reconventie aldus dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep aldus dat ieder van partijen de eigen kosten draagt:

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders door [appellant] gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. M.M.A. Wind, mr. D.H. de Witte en mr. W.J. Overtoom en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op dinsdag 11 oktober 2016.