Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:8124

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-10-2016
Datum publicatie
13-10-2016
Zaaknummer
21-007517-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van mensenhandel (prostitutie) gepleegd jegens een minderjarige, Bulgaarse vrouw. Bewijsoverweging ten aanzien van betrouwbaarheid getuigen en overweging ten aanzien van medeplegen. Strafmotivering mensenhandel aan de hand van verschillende factoren. Oplegging van gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-007517-14

Uitspraak d.d.: 13 oktober 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 8 december 2014 met parketnummer 18-730571-13 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1979] , land van geboorte onbekend,

wonende te [adres] .

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 29 september 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met toewijzing van de vordering van de benadeelde partij alsmede oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, verbeurdverklaring van de personenauto, verbeurdverklaring van de Volkswagen Golf, teruggave van de inbeslaggenomen Sony Ericsson Xperia aan de rechthebbende en teruggave van de overige inbeslaggenomen goederen aan verdachte. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. V.A. Vitanov, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft verdachte ter zake van mensenhandel, gepleegd door twee of meer verenigde personen en ten aanzien van een persoon die de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van de tijd die door verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht. De rechtbank heeft voorts de onder verdachte in beslag genomen Volkswagen Golf verbeurd verklaard en met betrekking tot de onder verdachte inbeslaggenomen Sony Ericsson Xperia de teruggave aan de rechthebbende [adres] gelast. De rechtbank heeft gelast dat de overige inbeslaggenomen goederen aan verdachte worden teruggegeven. Voorts heeft zij de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] deels toegewezen tot een bedrag van

€ 3.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente, in hoofdelijkheid met verdachtes mededader en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Bevestiging van het vonnis van de rechtbank van 8 december 2014

Het hof is van oordeel dat de eerste rechter op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist, behalve voor wat betreft de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf en de motivering daarvan en voor wat betreft de beslissingen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij. Daarom dient het vonnis, met overneming van die gronden te worden bevestigd. Gelet op de in hoger beroep gevoerde verweren, die overigens grotendeels een herhaling zijn van hetgeen in eerste aanleg is aangevoerd, zal het hof hierna die gronden kort aanvullen.

Ten aanzien van de duur van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf en de beslissingen op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] zal het hof de beslissing van de rechtbank vernietigen en opnieuw rechtdoen.

Aanvulling van gronden

Overweging met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaring van getuige [getuige] voor het bewijs

Door verdachte en zijn raadsman is bepleit de verklaringen van getuige [getuige] als onbetrouwbaar aan te merken waardoor deze zouden moeten worden uitgesloten van het bewijs voor het ten laste gelegde.

Het hof acht, anders dan de raadsman, de verklaringen van [getuige] wel betrouwbaar en geloofwaardig omdat deze op hoofdlijnen in lijn zijn met de verklaringen die aangeefster [benadeelde] tegenover de politie en de rechter-commissaris heeft afgelegd. Op dezelfde gronden als de rechtbank heeft gedaan is het hof van oordeel dat deze verklaringen van [benadeelde] ook betrouwbaar zijn nu deze in aanzienlijke mate worden ondersteund door de verklaringen die verdachte zelf en zijn medeverdachte [medeverdachte] tegenover de politie hebben afgelegd, alsmede door hetgeen verdachte ter zitting van de rechtbank op 24 november 2013 heeft verklaard.

Aanvullende overweging met betrekking tot het bewijs van medeplegen

Door de raadsman is betoogd dat geen sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking met een ander of anderen. Er zijn geen gedragingen vast te stellen die erop duiden dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] over en weer een bijdrage hebben geleverd in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het tenlastegelegde feit.

Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Ook indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.

Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Tegen de achtergrond van bovengenoemd beoordelingskader en op grond van de in het hierna te bevestigen vonnis van de rechtbank opgenomen bewijsmiddelen, is het hof - met de rechtbank - van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte wettig en overtuigend is komen vast te staan. Het op vrijspraak gerichte verweer op dit punt wordt dan ook verworpen.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf.

De advocaat-generaal heeft - evenals de officier van justitie - gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf van 42 maanden wordt opgelegd.

Door de raadsman is bepleit, indien het hof aan strafoplegging toekomt, een straf op te leggen conform de uitspraak in eerste aanleg.

Bij het bepalen van de straf gaat het hof uit van de strafdoeleinden, te weten de vergelding, speciale en generale preventie. In verband met die strafdoeleinden acht het hof voor strafoplegging in mensenhandelzaken in het algemeen de volgende omstandigheden van belang:

- de periode waarin sprake is geweest van uitbuiting;

- het aantal slachtoffers dat is uitgebuit;

- de omstandigheid dat sprake is van een georganiseerd verband;

- de wijze (zoals de mate van geweld) waarop het slachtoffer is gedwongen/bewogen de prostitutiewerkzaamheden te doen;

- de leeftijd en/of kwetsbaarheid van het slachtoffer;

- het aantal dagen per week en het aantal uren per dag waarop er gewerkt moest worden;

- de werkzaamheden die verricht moesten worden;

- de werkomstandigheden (werken op straat of binnen, werken tijdens ziekte en zwangerschap, zonder condoom);

- de hoeveelheid geld die werd afgedragen;

- het percentage van de verdiensten dat moest worden afgedragen;

- overige omstandigheden zoals gedwongen abortus, tatoeages en borstvergrotingen;

- de rol van verdachte met betrekking tot die uitbuiting (vervulde hij een kernrol of was hij ‘slechts’ faciliterend);

- de houding van de verdachte (heeft hij inzicht getoond in het kwalijke van zijn gedrag);

- relevante recidive.

Verdachte heeft samen met medeverdachte [medeverdachte] aangeefster [benadeelde] meegenomen uit Bulgarije en als prostituee laten werken. [benadeelde] heeft in Nederland weliswaar een korte periode van enkele weken als prostituee gewerkt, maar daar staat tegenover dat ze nog heel jong was, te weten pas 15 jaar oud. Aangeefster bevond zich mede daardoor in Nederland in een volstrekt afhankelijke positie van verdachte en zijn medeverdachte. Door van die situatie misbruik te maken en [benadeelde] te bewegen tot het verrichten van prostitutiewerkzaamheden hebben verdachten een vergaande inbreuk gepleegd op de lichamelijke en seksuele integriteit van aangeefster.

Reeds uit oogpunt van vergelding is een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf geboden.

Voor wat betreft de speciale preventie geldt dat verdachte – door zijn grotendeels ontkennende houding – geen inzicht heeft getoond in het kwalijke van zijn gedrag dat geleid heeft tot het bewezenverklaarde feit.

Ten aanzien van de generale preventie geldt dat een kwetsbare (minderjarige) vrouw als [benadeelde] beschermd dient te worden tegen mensen (zoals verdachte) die dergelijke vrouwen zien als object om aan te verdienen en (dus) uit te buiten. Daarom is ook uit generaal preventief oogpunt een langdurige gevangenisstraf gerechtvaardigd. Het hof acht de geringe mate van het toepassen van geweld geen reden tot strafvermindering.

Het hof heeft eveneens in aanmerking genomen het verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 31 augustus 2016 waaruit blijkt dat verdachte in Nederland niet eerder ter zake strafbare feiten is veroordeeld.

Op grond van het vorenstaande ziet het hof aanleiding verdachte tot een substantieel langere gevangenisstraf te veroordelen dan de rechtbank heeft gedaan, zij het dat het hof niet toekomt aan de oplegging van een gevangenisstraf van de duur zoals die door de advocaat-generaal is gevorderd.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt 4000 euro. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van 3000 euro. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering - hoofdelijk - geheel zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als gelijkgesteld aan een in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en de beslissingen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering met betrekking tot de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 4.000,00 (vierduizend euro) bestaande uit

€ 1.000,00 (duizend euro) materiële schade en € 3.000,00 (drieduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 29 augustus 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van

€ 4.000,00 (vierduizend euro) bestaande uit € 1.000,00 (duizend euro) materiële schade en

€ 3.000,00 (drieduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële en immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 29 augustus 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door

mr. L.T. Wemes, voorzitter,

mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo en mr. A.J. Rietveld, raadsheren,

in tegenwoordigheid van G.G. Eisma, griffier,

en op 13 oktober 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Zijnde mr. L.T. Wemes buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.