Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:8089

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-10-2016
Datum publicatie
13-10-2016
Zaaknummer
21-003800-15
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2015:4077, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplichting met vorderingenpartefeuilles, valsheid in geschrift en witwassen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003800-15

Uitspraak d.d.: 12 oktober 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 19 juni 2015 met parketnummer 05-862179-13 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1953] ,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 28 september 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het gerechtshof verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur 48 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Voorts vordert de advocaat-generaal de verbeurdverklaring van een villa in Thailand. Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen vordert de advocaat-generaal de toewijzing of niet-ontvankelijk verklaren als opgenomen in de bijlage die bij het schriftelijk requisitoir is gevoegd. De vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman,

mr. D.P. Poppe, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof is van oordeel dat de eerste rechter ten aanzien van de bewijsmotivering en de vindplaatsen van het bewijs op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist. Daarom dient het vonnis ten aanzien van dit onderdeel in zoverre met overneming van die gronden te worden bevestigd, behalve voor wat betreft de op pagina 34 van het vonnis met betrekking tot het bewijs van het feit 6 opgenomen motivering. Voorts wordt het vonnis aangevuld met een aanvullende bewijsoverweging met betrekking tot feit 6.

Gezien het vorenstaande zal het vonnis waarvan beroep op deze onderdelen worden vernietigd en zal in zoverre opnieuw worden rechtgedaan.

Aanvullende bewijsoverweging met betrekking tot feit 6

De advocaat-generaal acht dit feit wettig en overtuigend bewezen.

De verdediging stelt dat er salarisbetalingen zijn gedaan waaruit kan worden afgeleid dat er sprake is van een dienstverband.

Het hof acht op grond van de bewijsmiddelen als opgenomen in het vonnis van de rechtbank het feit bewezen. Op de werkgeversverklaringen is informatie ingevuld die niet overeenkomt met de werkelijkheid. De verdediging stelt dat er salarisbetalingen zijn gedaan waaruit kan worden afgeleid dat er sprake is van een dienstverband.

Om te kunnen aannemen dat een overeenkomst een privaatrechtelijke dienstbetrekking doet ontstaan, is onder meer vereist dat uit die overeenkomst een verplichting voortvloeit tot het persoonlijk verrichten van arbeid.1 Uit de verklaringen van onder meer [getuige 1] en [getuige 2] komt naar voren dat [betrokkene 1] niet werkzaam was voor [naam rechtskundig adviesbureau] en/of [andere naam rechtskundig adviesbureau] . Daarnaast kan ook uit de verklaring van verdachte zelf worden afgeleid dat er geen sprake was van een dienstbetrekking, maar dat het salaris dat werd betaald moest worden aangemerkt als een verkapte vergoeding voor de goodwill in de (oude) vennootschap. Op het moment dat verdachte de werkgeversverklaring bij de ondertekende hypotheekofferte voegde had hij niet alleen kunnen maar ook moeten zien dat de verklaringen onjuist waren ingevuld. Door toch de werkgeversverklaringen bij de offerte te voegen heeft verdachte naar het oordeel van het hof met opzet gebruik gemaakt van een valselijk opgemaakt geschrift.

Anders dan de rechtbank acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat de ondertekening van die werkgeversverklaringen door [betrokkene 2] heeft bijgedragen aan de valsheid van die geschriften.

Het hof acht evenmin bewezen dat sprake is van medeplegen nu niet blijkt van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [betrokkene 1] .

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 18 juli 2011 tot en met 19 augustus 2011, te [plaats] en/of [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk gebruik heeft gemaakt van

- een model-werkgeversverklaring d.d. 19 juli 2011, afgegeven door [naam rechtskundig adviesbureau] ten behoeve van [verdachte] , en /of

- een model-werkgeversverklaring d.d. 19 juli 2011, afgegeven door [naam rechtskundig adviesbureau] ten behoeve van [betrokkene 1] ,

zijnde een model-werkgeversverklaring een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware ( n ) die model-werkgeversverklaring ( en ) echt en onvervalst,

bestaande dat gebruikmaken hierin, dat hij en/of zijn mededader(s) die model-werkgeversverklaring ( en ) hebben heeft gevoegd of hebben heeft doen voegen bij de stukken voor de aanvraag van een hypothecaire lening op het pand [adres] te [plaats] ,

en bestaande die valsheid hierin, dat in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven –

- in de model-werkgeversverklaring ten behoeve van [verdachte] was vermeld dat geen sprake was van directeur- en/of aandeelhouderschap, en /of

- in de model-werkgeversverklaring ten behoeve van [betrokkene 1] was vermeld dat sprake was van een dienstverband tussen [naam rechtskundig adviesbureau] enerzijds en [betrokkene 1] anderzijds, waarbij [betrokkene 1] de functie van directrice zou uitoefenen, en/of

- de model-werkgeversverklaring ten behoeve van [verdachte] en/of de model-werkgeversverklaring ten behoeve van [betrokkene 1] was/waren ondertekend door [betrokkene 2] namens de werkgever .

De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1:

Oplichting, meermalen gepleegd;

Feiten 2, 3 en 4 telkens:

De meerdaadse samenloop van valsheid in geschrift en opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift als bedoeld in artikel 225 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, meermalen gepleegd;

Feit 5A

Een gewoonte maken van witwassen;

Feit 5B

Witwassen

Feit 6:

Opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift als bedoeld in artikel 225 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, meermalen gepleegd.

Oplegging van straf en/of maatregel

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 48 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Als bijkomende straf heeft advocaat-generaal gevorderd dat de villa in Thailand verbeurd zal worden verklaard.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft een gevangenisstraf bepleit die gelijk is aan de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Voor zover het hof besluit een langere gevangenisstraf op te leggen, verzoekt de raadsman het meerdere in voorwaardelijke vorm op te leggen. De raadsman heeft verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. In dit verband heeft hij gewezen op de gezondheidstoestand van verdachte. Ook heeft de raadsman erop gewezen dat verdachte aan het onderzoek heeft meegewerkt en het laakbare van zijn handelen inziet. Volgens de raadsman kan geen rekening worden gehouden met de eerdere veroordeling nu dit oude feiten betreffen.

De raadsman heeft verder verzocht de vordering tot verbeurdverklaring van de villa van de officier van justitie af te wijzen.

Beoordeling door het hof

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich heeft schuldig gemaakt aan oplichting, valsheid in geschrift en witwassen. Hij heeft meerdere malen potentiële investeerders, waarvan een deel uit de kennissenkring van verdachte, benaderd en hen voorgehouden dat hij vorderingen-portefeuilles had gekocht van banken. Hij vertelde daarbij dat die banken in verband met de financiële crisis van dit soort portefeuilles af wilden. Ter onderbouwing hiervan heeft hij hen (door hem valselijk opgemaakte) koopovereenkomsten laten zien waaruit zou blijken dat hij eigenaar was van de betreffende vorderingenportefeuille. Verdachte spiegelde de potentiële investeerders voor dat ze een lucratief rendement konden behalen door te participeren in de portefeuilles en gaf hen onder meer informatie over die portefeuilles. Deze potentiële investeerders werden daardoor bewogen tot de aankoop van de aangeboden, doch niet-bestaande, portefeuille(s) en investeerden vervolgens grote bedragen. Verdachte stelde zelf valse koopovereenkomsten en opdrachtovereenkomsten op naar voorbeeld van bestaande modellen. Vervolgens ondertekende hij die valse geschriften en liet deze door de investeerders tekenen.

De investeringen zouden nimmer kunnen leiden tot het uitbetalen van de rendementen, zoals dat aan de slachtoffers werd voorgespiegeld. Niet-bestaande vorderingen kunnen immers niet worden geïncasseerd. Uit nieuw verkregen investeringsgelden werden enkele malen onder de titel van rendementsuitkering bedragen aan de investeerders uitgekeerd.

Verdachte heeft vervolgens de ontvangen gelden witgewassen. Hij wist dat de gelden op niet-legale wijze waren verkregen. Verdachte heeft verder werkgeversverklaringen van hem en van [betrokkene 1] die valselijk waren opgemaakt, gebruikt om een hypotheek af te sluiten.

Het is volstrekt onaanvaardbaar om op deze geraffineerde wijze mensen grote geldbedragen afhandig te maken en daarbij koos verdachte ook nog personen om op te lichten uit die hij goed kende. Verdachte heeft voor de eerste maal aldus gehandeld om een schuld te kunnen voldoen, waarna is hij doorgegaan om zijn (luxe) levensstijl op peil te kunnen houden. Het totale bedrag van de door verdachte gepleegde oplichtingen loopt in de vele miljoenen euro’s.

Het hof rekent het verdachte zwaar aan dat hij, kort na een eerdere veroordeling voor belastingfraude, op stelselmatige wijze geld afhandig heeft gemaakt van niets vermoedende personen/rechtspersonen. De eerste oplichting vond ook al plaats in de voor die veroordeling vastgestelde proeftijd van het voorwaardelijk opgelegde gedeelte van die straf. Veel van deze personen kende hij. Hij onderhield met een aantal personen zelfs een langdurige vriendschappelijke relatie. Verdachte heeft het vertrouwen van de investeerders ernstig beschaamd. Dat er een eind aan zijn praktijken is gekomen is niet aan hemzelf te danken. Zelfs toen hij op het punt stond door de mand te vallen heeft hij investeerders ervan weten te overtuigen dat er niets aan de hand was en hen opnieuw geld laten investeren in niet-bestaande portefeuilles.

Gelet op het aantal investeerders dat verdachte heeft benadeeld, de hoogte van de door hen geïnvesteerde bedragen, het door verdachte daarmee verkregen voordeel, de lange duur van verdachtes verwerpelijke gedragingen als hiervoor aangehaald, de geraffineerdheid van de wijze van oplichting en mede gelet op hetgeen in soortgelijke zaken wordt opgelegd acht het hof de door de advocaat-generaal gevorderde straf volstrekt geen recht doen aan de strafbare gedragingen van verdachte. Het hof acht een gevangenisstraf van 60 maanden passend en geboden. Gelet op de leeftijd van verdachte en diens gezondheidstoestand acht het hof oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf als stok achter de deur om verdachte er van te weerhouden wederom de fout in te gaan niet noodzakelijk.

Het hof is zich bewust van de impact die het opleggen van een vrijheidsbenemende straf heeft op het leven van verdachte maar is van oordeel dat normhandhaving en de vergelding van het de door de verdachte begane strafbare feiten in dit geval dienen te prevaleren boven het persoonlijk belang van verdachte. Verdachtes gezondheid hoeft niet aan een detentie in de weg te staan.

Beslag

Door de advocaat-generaal is verbeurdverklaring gevorderd van de woning in Thailand. Anders dan de rechtbank en de verdediging is het hof van oordeel dat het feit dat er geen beslag op die woning rust of dat het beslag dat is gelegd op de woning in Thailand, niet meer voortduurt, niet aan de weg staat om op grond van artikel 33a van het Wetboek van Strafrecht tot verbeurdverklaring over te gaan.

Het hof zal echter niet tot een verbeurdverklaring overgaan omdat verbeurdverklaring de hierna te noemen benadeelde partijen in hun verhaalsmogelijkheden zou kunnen beperken.

Benadeelde partijen

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft zich gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde. De schade waarvoor een vergoeding wordt gevorderd betreft de aankoop van de vorderingenportefeuilles. [benadeelde 1] heeft in dit verband verwezen naar de aangifte en de daarbij gevoegde bijlagen die hij tevens heeft gevoegd bij het voegingsformulier.

De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 52.948,64 gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde. De schade waarvoor een vergoeding wordt gevorderd betreft de overeenkomst WSNP-portefeuille.

De benadeelde partij [benadeelde 3] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 52.948,64 gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde. De schade waarvoor een vergoeding wordt gevorderd betreft de overeenkomst WSNP-portefeuille.

De benadeelde partij [benadeelde 4] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 65.272,00 gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde. De schade waarvoor een vergoeding wordt gevorderd betreft deelname in de Ribank -portefeuille inclusief wettelijke rente.

De benadeelde partij [benadeelde 5] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 94.938,00 gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde. De schade waarvoor een vergoeding wordt gevorderd betreft deelname in de IDM -portefeuille, de wettelijke rente en onderzoekskosten.

De benadeelde partij [benadeelde 6] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 371.359,00 gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde. De schade waarvoor een vergoeding wordt gevorderd betreft:

- de aankoop van drie vorderingenportefeuilles;

- wettelijke rente;

- kosten van onderzoek;

- kosten van juridische bijstand.

De benadeelde partij [benadeelde 7], gemachtigde [benadeelde 6] , heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 92.647,67 gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde. De schade waarvoor een vergoeding wordt gevorderd betreft:

- de aankoop van een vorderingenportefeuille;

- wettelijke rente;

- kosten van onderzoek.

De benadeelde partij [benadeelde 8] . , gemachtigde [benadeelde 6] , heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van

€ 116.357,88 gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde. De schade waarvoor een vergoeding wordt gevorderd betreft huurderving en imagoschade.

De benadeelde partij [benadeelde 9] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 565.000,00 gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde. De schade waarvoor een vergoeding wordt gevorderd betreft de aankoop van de vorderingenportefeuilles.

De benadeelde partij [benadeelde 10], gemachtigde [gemachtigde 1] , heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 369.183,06 gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde. De schade waarvoor een vergoeding wordt gevorderd betreft de aankoop van een vorderingenportefeuille verhoogd met de wettelijke rente.

De benadeelde partij [benadeelde 11] , gemachtigde [gemachtigde 2] , heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 239.751,00 gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde. De schade waarvoor een vergoeding wordt gevorderd betreft de aankoop van twee portefeuilles te verhogen met de wettelijke rente.

De benadeelde partij [benadeelde 12] , gemachtigde [gemachtigde 3] , heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 297.307,00 gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde. De schade waarvoor een vergoeding wordt gevorderd betreft de aankoop van twee portefeuilles (A en B) te verhogen met de wettelijke rente.

De benadeelde partij [benadeelde 13] , gemachtigde [gemachtigde 4] , heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 61.721,02 gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde. De schade waarvoor een vergoeding wordt gevorderd betreft de aankoop van een portefeuille (C) te verhogen met de wettelijke rente.

De benadeelde partij [benadeelde 14] , gemachtigde [gemachtigde 3] , heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 58.845,92 gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde. De schade waarvoor een vergoeding wordt gevorderd betreft de aankoop van een portefeuille (D) te verhogen met de wettelijke rente.

De benadeelde partij [benadeelde 15], gemachtigde [gemachtigde 3] , heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 36.213,76 gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde. De schade waarvoor een vergoeding wordt gevorderd betreft de aankoop van een portefeuille (E) te verhogen met de wettelijke rente.

De benadeelde partij [benadeelde 16], gemachtigde [gemachtigde 5] , heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 1.936.705,47 gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde. De schade waarvoor een vergoeding wordt gevorderd betreft:

- de betaalde hoofdsommen op valse overeenkomsten;

- verstrekte geldlening op valse grond;

- incassokosten;

te verhogen met de wettelijke rente.

De benadeelde partij [benadeelde 17], heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 565.008,64, zijnde de aankoopbedragen van de vorderingenportefeuilles, gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de bedragen die verdachte heeft ontvangen van de benadeelde partijen dienen te worden terugbetaald. De advocaat-generaal heeft gesteld dat alle vorderingen, die worden toegewezen, behoudens de vorderingen van [benadeelde 6] , , [benadeelde 7] , [benadeelde 8] en [benadeelde 16] , dienen te worden verhoogd met de wettelijke rente en dat steeds de schadevergoedings-maatregel dient te worden opgelegd.

Ten aanzien van de vorderingen van [benadeelde 6] , [benadeelde 7] , [benadeelde 8] is de advocaat-generaal van oordeel dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vordering dienen te worden verklaard omdat de behandeling van die vordering een onevenredige belasting van het strafproces vormt.

Ten aanzien van de vordering van [benadeelde 16] is de advocaat-generaal van oordeel dat nu de benadeelde is overleden artikel 51f lid 2 van het Wetboek van Strafvordering aan toewijzing van de vordering in de weg staat.

Standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich evenals de rechtbank en de advocaat-generaal op het standpunt dat de vorderingen [benadeelde 6] , [benadeelde 7] , [benadeelde 8] niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard omdat de behandeling van die vordering een onevenredige belasting van het strafproces vormt.

Voorst stelt de verdediging zich op het standpunt dat aan benadeelde partijen die rechtspersonen zijn geen schadevergoedingsmaatregel dient te worden opgelegd en dat ook geen schadevergoedingsmaatregel dient te worden opgelegd voor de vorderingen die niet ontvankelijk worden verklaard.

Voor het overige heeft de verdediging de inhoud en de hoogte van de ingestelde vorderingen niet inhoudelijk betwist.

Oordeel hof

Anders dan de rechtbank, de advocaat-generaal en de verdediging acht het hof de vorderingen van [benadeelde 6] en [benadeelde 7] voor toewijzing vatbaar. De vorderingen worden gestaafd door de door de benadeelde partijen overgelegde schriftelijk bescheiden.

Daar waar de benadeelde partijen in de hoogte van hun vordering al een concreet bedrag aan wettelijke rente hebben opgevoerd tot aan de dag van indiening van hun vordering, gaat het hof uit van de aangegeven geleden materiële schade, waarbij in de toewijzing een verwijzing wordt opgenomen met betrekking tot de wettelijke rente.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt gelet op de door [benadeelde 1] overgelegde bescheiden € 1.291.825,72. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep tot een bedrag van € 1.191.825,72 toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden van € 1.291.825,72. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 52.948,64. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot voormeld bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 52.948,64. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot voormeld bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 60.323,00 inclusief wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot voormeld bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 82.427,08 inclusief wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot voormeld bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 7]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 92.647,67 inclusief wettelijke rente en kosten onderzoek. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden ten bedrage van € 82.427,08. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Voor het overige is uit het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is in zoverre niet tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering voor het overige zal worden afgewezen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 6]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 371.860,38 inclusief wettelijke rente, kosten juridische bijstand en onderzoekskosten. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 338.494,45 . In dit bedrag is opgenomen een bedrag van € 82.427,08 dat [benadeelde 6] voor [benadeelde 7] aan verdachte heeft betaald. De vordering van [benadeelde 7] is tot dit bedrag toegewezen zodat dit bedrag op de vordering van [benadeelde 6] in mindering wordt gebracht.

Voorst blijkt uit de bescheiden dat door verdachte een bedrag van € 29.359 aan [benadeelde 6] is terugbetaald zodat ook dit bedrag in mindering moet worden gebracht.

Voor toewijzing is daarom vatbaar € 338.494,45 - € 82.427,08 - € 29.359 = € 226.708,37

Voor het overige is uit het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is in zoverre niet tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering voor het overige zal worden afgewezen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 8]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 116.357,88. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Onvoldoende is gebleken dat de gestelde schade door het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte is veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 9]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 565.000,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot voormeld bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 10]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 369.183,06 inclusief wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 324.479,61. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden ten bedrage van € 324.479,61. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 11]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 239.751,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De vordering is ingediend door [gemachtigde 2] die volgens het uittreksel uit het register van de Kamer van Koophandel sinds 22 januari 2015 bestuurder is van [benadeelde 11] en daarom bevoegd om de vordering in te dien.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 12]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 297.307,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 13]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 61.721,02. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 14]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 58.845,92. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 15]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 36.213,76. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.


Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 17]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 565.008,64. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 261.154,75. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot € 261.154,75. Hierbij is uitgegaan van de investering van € 325.000,- met aftrek van de gelden ten bedrage van € 63.845,25 die als “rendement” aan [benadeelde 17] zijn terugbetaald.

[benadeelde 17] zal voor het meer en anders gevorderde, met name de contant aan verdachte betaalde gelden, niet-ontvankelijk worden verklaard nu dat deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd.

Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Ten aanzien van alle hiervoor genoemde benadeelde partijen

Om te bevorderen dat de schades door verdachte wordt vergoed, zal het hof bij iedere benadeelde partij de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 16]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.936.705,47. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard.

[benadeelde 16] is overleden. Het hof is van oordeel dat door de bewezenverklaarde feiten geen rechtstreekse schade aan de erven van [benadeelde 16] is toegebracht en ook is niet aannemelijk geworden dat [benadeelde 16] als gevolg van de bewezenverklaarde feiten is overleden. Derhalve kunnen de erven geen vordering indienen op grond van artikel 51f, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering. De benadeelde partij noch de erven hebben zich in hoger beroep gevoegd, zodat het hof zich niet hoeft uit te laten over die vordering.

De erven kunnen de oorspronkelijk vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Echter, om te bevorderen dat de schade door verdachte desalniettemin wordt vergoed, zal het hof ambtshalve de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 56, 57, 225, 326 en 420ter van het wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de hiervoor weergegeven onderdelen en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 (zestig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Benadeelde partijen

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.297.722,81 (eenmiljoen tweehonderdzevenennegentigduizend zevenhonderdtweeëntwintig euro en eenentachtig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.297.722,81 (eenmiljoen tweehonderdzevenennegentigduizend zevenhonderdtweeëntwintig euro en eenentachtig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 22 (tweeëntwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 52.948,64 (tweeënvijftigduizend negenhonderdachtenveertig euro en vierenzestig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van

€ 52.948,64 (tweeënvijftigduizend negenhonderdachtenveertig euro en vierenzestig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 22 (tweeëntwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 52.948,64 (tweeënvijftigduizend negenhonderdachtenveertig euro en vierenzestig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3] , ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 52.948,64 (tweeënvijftigduizend negenhonderdachtenveertig euro en vierenzestig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 22 (tweeëntwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 4] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 60.323,00 (zestigduizend driehonderddrieëntwintig euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 23 december 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 4] , ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 60.323,00 (zestigduizend driehonderddrieëntwintig euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 22 (tweeëntwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 23 december 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 5] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 82.427,08 (tweeëntachtigduizend vierhonderdzevenentwintig euro en acht cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 9 maart 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 5] , ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 82.427,08 (tweeëntachtigduizend vierhonderdzevenentwintig euro en acht cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 22 (tweeëntwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 9 maart 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 7]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 7] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 82.427,08 (tweeëntachtigduizend vierhonderdzevenentwintig euro en acht cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 31 mei 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 7] , ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 82.427,08 (tweeëntachtigduizend vierhonderdzevenentwintig euro en acht cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 22 (tweeëntwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 31 mei 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 6]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 6] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 226.798,37 (tweehonderdzesentwintigduizend zevenhonderdachtennegentig euro en zevenendertig cent) als vergoeding voor materiële schade, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

17.863,50 (zeventienduizend achthonderddrieënzestig euro en vijftig cent).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 6] , ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 226.798,37 (tweehonderdzesentwintigduizend zevenhonderdachtennegentig euro en zevenendertig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 22 (tweeëntwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 9]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 9] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 565.000,00 (vijfhonderdvijfenzestigduizend euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 9] , ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 565.000,00 (vijfhonderdvijfenzestigduizend euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 22 (tweeëntwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 10]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 10] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 324.479,61 (driehonderdvierentwintigduizend vierhonderdnegenenzeventig euro en eenenzestig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 18 mei 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 10] , ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 324.479,61 (driehonderdvierentwintigduizend vierhonderdnegenenzeventig euro en eenenzestig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 22 (tweeëntwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 18 mei 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 11]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 11] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 239.751,00 (tweehonderdnegenendertigduizend zevenhonderdeenenvijftig euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente

- over een bedrag van € 78.357,25 met ingang van 16 april 2002;

- over een bedrag van € 161.393,75 met ingang van 17 augustus 2009,

telkens tot aan de dag van de algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 11] , ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 239.751,00 (tweehonderdnegenendertigduizend zevenhonderdeenenvijftig euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 22 (tweeëntwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente

- over een bedrag van € 78.357,25 met ingang van 16 april 2002;

- over een bedrag van € 161.393,75 met ingang van 17 augustus 2009,

telkens tot aan de dag van de algehele voldoening.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 12]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 12] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 297.307,00 (tweehonderdzevenennegentigduizend driehonderdzeven euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente

- over een bedrag van € 78.357,25 met ingang van 16 april 2009;

- over een bedrag van € 218.949,75 met ingang van 17 augustus 2009,

telkens tot aan de dag van de algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 12] , ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 297.307,00 (tweehonderdzevenennegentigduizend driehonderdzeven euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 22 (tweeëntwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente

- over een bedrag van € 78.357,25 met ingang van 16 april 2009;

- over een bedrag van € 218.949,75 met ingang van 17 augustus 2009,

telkens tot aan de dag van de algehele voldoening.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 13]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 13] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 61.721,02 (eenenzestigduizend zevenhonderdeenentwintig euro en twee cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente

- over een bedrag van € 22.500,00 met ingang van 30 juli 2012;

- over een bedrag van € 39.221,02 met ingang van 13 augustus 2012,

telkens tot aan de dag van de algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 13] , ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 61.721,02 (eenenzestigduizend zevenhonderdeenentwintig euro en twee cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 22 (tweeëntwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente

- over een bedrag van € 22.500,00 met ingang van 30 juli 2012;

- over een bedrag van € 39.221,02 met ingang van 13 augustus 2012,

telkens tot aan de dag van de algehele voldoening.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 14]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 14] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 58.845,92 (achtenvijftigduizend achthonderdvijfenveertig euro en tweeënnegentig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 31 juli 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 14] , ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 58.845,92 (achtenvijftigduizend achthonderdvijfenveertig euro en tweeënnegentig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 22 (tweeëntwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 31 juli 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 15]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 15] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 36.213,76 (zesendertigduizend tweehonderddertien euro en zesenzeventig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 15 november 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 15] , ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 36.213,76 (zesendertigduizend tweehonderddertien euro en zesenzeventig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 22 (tweeëntwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 15 november 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 17]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 17] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 261.154,75 (tweehonderdeenenzestigduizend honderdvierenvijftig euro en vijfenzeventig cent) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 17] , ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 261.154,75 (tweehonderdeenenzestigduizend honderdvierenvijftig euro en vijfenzeventig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 22 (tweeëntwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Ten aanzien van alle hiervoor genoemde benadeelde partijen:

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij(en) in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij(en) daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 16]

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 16] , ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.448.701,19 (eenmiljoen vierhonderdachtenveertigduizend zevenhonderdéén euro en negentien cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 22 (tweeëntwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 8]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 8] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door

mr. R. de Groot, voorzitter,

mr. P.L.M van Gorkom en mr. H.J. Biemond, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. G.W. Jansink, griffier,

en op 12 oktober 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Biemond en mr. Van Gorkom zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 12 oktober 2016.

Tegenwoordig:

mr. W. Foppen, voorzitter,

mr. L.H.J. Vijlbrief-Smit, advocaat-generaal,

K. Elema, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte

[verdachte] ,

geboren te [plaats] op [1953] ,

wonende te [woonplaats] ,

is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

1 Hoge Raad, 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1354