Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:8028

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-10-2016
Datum publicatie
07-10-2016
Zaaknummer
21-004364-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake van twee brandstichtingen, meerdere malen belaging, diefstallen en vernielingen veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met aftrek van voorarrest en de maatregel van TBS met verpleging van overheidswege. Voorts wijst het hof de vorderingen van de benadeelde partijen toe met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Overwegingen met betrekking tot weigerende observandus.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2016-0400

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004364-15

Uitspraak d.d.: 7 oktober 2016

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel van 14 juli 2015 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 08-760117-14,

08-165364-13, 08-187378-13 en 08-196829-13, tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

thans verblijvende in de PI Zuid Oost - HvB Ter Peel Evertsoord te Evertsoord.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 23 september 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:

- bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3, 5, 6, 7, 8, 9, 10 en 11 tenlastegelegde;

- oplegging van gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met aftrek van voorarrest;

- oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege (in verband met een delict dat gericht is tegen en gevaar oplevert voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen);

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] tot een bedrag van

€ 19.648,81, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] tot een bedrag van

€ 25.906,70, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] tot een bedrag van € 350,00, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] tot een bedrag van € 2.810,72, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en haar raadsman,

mr. E.M. Rengelink, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Voor zover het hoger beroep is gericht tegen de door de rechtbank gegeven vrijspraken van het onder parketnummer 08-760117-14 onder 4 en onder parketnummer 08-196829-2 onder 2 tenlastegelegde, kan zij daarin niet worden ontvangen.

Voorwaardelijk verzoek tot nader onderzoek/contra-expertise

De raadsman heeft aangevoerd dat de contra-expertise die in de fase van het hoger beroep heeft plaatsgevonden, niet voldoet aan de wettelijke eisen en aan de opdracht van het hof. Ter onderbouwing daarvan heeft hij er onder meer op gewezen dat de observatie niet heeft plaatsgevonden in een kliniek die de status van een huis van bewaring heeft maar in een TBS kliniek en dat in het bevel tot observatie niet staat vermeld naar welke Forensisch Psychiatrische Kliniek verdachte zou dienen te worden overgebracht. Het bevel bevat ook niet de inhoudelijke opdracht voor het nadere onderzoek en de verdediging heeft te laat een afschrift van het bevel ontvangen. Het rapport van de psycholoog is niet gedagtekend en tenslotte heeft er geen multidisciplinair onderzoek plaatsgevonden nu verdachte alleen door de psycholoog is onderzocht. De contra-expertise zoals deze is verricht, kan niet gelden als tegenonderzoek van het door het Pieter Baan Centrum verrichte onderzoek. Het recht op tegenonderzoek is daarom blijven bestaan en de opdracht van het hof dient alsnog te worden uitgevoerd, aldus de raadsman. De raadsman heeft vervolgens verzocht de zaak wederom te verwijzen naar de raadsheer-commissaris teneinde uitvoering te geven aan het door het hof opgedragen nader onderzoek.

Het hof overweegt het volgende.

Op verzoek van de verdediging heeft door tussenkomst van de raadsheer-commissaris een contra-expertise plaatsgevonden. Verdachte is door de raadsheer-commissaris - na tussenkomst van het Ministerie van Justitie - ter observatie in de Van der Hoeven kliniek geplaatst. Plaatsing ter observatie in de Woenselse Poort, zoals door de verdediging voorgesteld en in beginsel door het hof in de tussenbeslissing van 22 oktober 2015 ook als locatie stond opgenomen, bleek niet mogelijk. Verdachte was ter zitting van het hof d.d. 22 oktober 2015 zelf niet verschenen, maar haar toenmalige raadsman heeft bij die gelegenheid namens haar uitdrukkelijk aangegeven dat zij haar medewerking wilde verlenen aan nader persoonlijkheidsonderzoek. Al snel na plaatsing in de Van der Hoeven kliniek bleek dat verdachte niet haar (volledige) medewerking verleende. Ook na gesprekken met haar raadsman en na een gesprek met de raadsheer-commissaris, heeft verdachte niet meegewerkt aan het onderzoek. Een volledig onderzoek heeft daardoor niet plaatsgevonden. Verdachte heeft weliswaar helemaal aan het einde van de observatieperiode in de Van der Hoeven kliniek nog aangegeven terug te willen komen op haar eerdere weigering, maar op dat moment was een onderzoek niet meer mogelijk. Dit brengt mee dat verdachte aan de door het hof aan haar toegekende mogelijkheid voor tegenonderzoek geen inhoud heeft gegeven. Het hof beschouwt het observatieverslag en het rapport van de psycholoog, opgemaakt in de Van der Hoeven kliniek dan ook als rapportages van verdachtes weigering. Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat die rapportages niet hoeven te voldoen aan de eisen die de wet stelt aan rapportages betreffende de persoon van verdachte in de zin van artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. De door de raadsman aangevoerde bezwaren behoeven om die reden geen bespreking meer. Het hof ziet, gelet op het vorenstaande en gelet op het rapport van het Pieter Baan Centrum van 28 november 2014 betreffende verdachte, aan welk onderzoek zij eveneens haar medewerking heeft onthouden, ook ambtshalve geen noodzaak meer aanwezig voor een (nadere) contra-expertise en wijst op die grond het verzoek van de raadsman af. Het hof kent in dit verband geen bijzondere betekenis toe aan de door de raadsman ter zitting van het hof gedane mededeling dat zijn cliënte nu wel serieus zou willen meewerken aan het tot stand komen van een rapportage in het licht van verdachtes eigen uiteindelijk consistente weigering.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover dat aan het oordeel van het hof is onderworpen. Het hof zal opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is – voor zover in hoger beroep aan de orde - tenlastegelegd dat:

parketnummer 08-760117-14:
1.
zij op of omstreeks 06 juni 2014 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk een (grote) ruit van het politiebureau, althans van een pand en/of gebouw gelegen en/of gevestigd aan de [adres 1] , in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Politie Oost-Nederland, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door meermalen, althans eenmaal met een steen, althans een hard voorwerp tegen die ruit te gooien;

2.
zij op of omstreeks 11 juni 2014 te [plaats] opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met karton en/of met één of meer goederen in en/of in de directe nabijheid van het voorportaal en/of de hoofdentree van het politiebureau (gelegen en/of gevestigd aan de [adres 1] , althans met een brandbare stof ten gevolge waarvan dat voorportaal en/of die hoofdentree geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor [benadeelde partij 3] en/of dat politiebureau, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor [benadeelde partij 3] , in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor die [benadeelde partij 3] , in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;

3.
zij op of omstreeks 11 juni 2014 te [plaats] opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met één of meer goederen in en/of in de directe nabijheid van een woning (gelegen aan de [adres 2] ) en/of één of meer stuk(ken) karton brandend door de brievenbus van die woning te gooien en/of te duwen, althans met een brandbare stof ten gevolge waarvan de inboedel, althans een groot gedeelte van de inboedel, in elk geval één of meer goederen in die woning geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor de complete inboedel van die woning, in elk geval voor een (groot) deel van de inboedel van die woning en/of [benadeelde partij 1] en/of één of meer andere persoon/personen in die woning, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor [benadeelde partij 1] , in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor die [benadeelde partij 1] , in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;

5.
zij op of omstreeks 08 december 2013 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk één of meer kerstdecoratie spullen (te weten één of meer kaarsen en/of een rendier), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door deze spullen en/of goederen in de container te gooien, althans door met deze spullen en/of goederen te gooien;

6.
zij in of omstreeks de periode van 04 december 2012 tot en met 13 december 2013 te [plaats] , in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] , in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer 1] , in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft en/of is zij, verdachte,

- ( in voornoemde periode) een of meer poststukken/brieven verstuurd naar het adres (van) en/of geadresseerd (aan) die [slachtoffer 1] en/of

- ( in voornoemde periode) meermalen telefonisch contact gelegd en/of gezocht met die [slachtoffer 1] en/of

- ( in voornoemde periode) meermalen een e-mailbericht verzonden gericht aan en/of bestemd voor die [slachtoffer 1] en/of

- ( in voornoemde periode) meermalen een bericht via Facebook gepost en/of geplaatst met daarin de verwijzing naar die [slachtoffer 1] en/of

- ( in voornoemde periode) meermalen, althans eenmaal bij en/of rond de woning en/of op het adres van die [slachtoffer 1] geweest (en/of daarbij één of meer goederen rond die woning vernield en/of bekrast en/of beschadigd);

7.
zij in of omstreeks de periode van 23 augustus 2012 tot en met 18 oktober 2013 te [plaats] , in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 2] , in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer 2] , in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft en/of is zij, verdachte,

- ( in voornoemde periode) meermalen, althans eenmaal telefonisch contact gelegd en/of gezocht met die [slachtoffer 2] en/of

- ( in voornoemde periode) meermalen een e-mailbericht verzonden gericht aan en/of bestemd voor die [slachtoffer 2] en/of

- ( in voornoemde periode) meermalen een bericht via Facebook gepost en/of geplaatst en/of verstuurd met daarin (direct en/of indirect) een verwijzing naar die [slachtoffer 2] en/of

- ( in de voornoemde periode) meermalen een emailbericht gestuurd en/of verzonden en/of gericht aan de werkgever van die [slachtoffer 2] en/of

- ( in voornoemde periode) meermalen, althans eenmaal bij en/of op het werk van die [slachtoffer 2] geweest (en/of daarbij één of meer goederen heeft vernield en/of bekrast en/of beschadigd en/of op meerdere plaatsen teksten achtergelaten, o.a. " [slachtoffer 2] leugenaar misbruiker 2003/2004");

8.
zij in of omstreeks de periode van 26 november 2012 tot en met 31 oktober 2013 te [plaats] , in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [benadeelde partij 2] , in elk geval van een ander, met het oogmerk die [benadeelde partij 2] , in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft zij, verdachte,

- ( in voornoemde periode) een of meer poststukken/brieven verstuurd naar het adres (van) en/of geadresseerd (aan) die [benadeelde partij 2] en/of

- ( in voornoemde periode) meermalen telefonisch contact gelegd en/of gezocht met die [benadeelde partij 2] en/of

- ( in voornoemde periode) meermalen een e-mailbericht verzonden gericht aan en/of bestemd voor die [benadeelde partij 2] en/of

- ( in voornoemde periode) meermalen een sms-bericht verzonden en/of verstuurd aan die [benadeelde partij 2] en/of

- ( in voornoemde periode) meermalen een bericht via Facebook gepost en/of geplaatst met daarin de verwijzing naar die [benadeelde partij 2] ;

parketnummer 08-165364-13:

1. primair:
zij op of omstreeks 3 augustus 2013 in de gemeente [plaats] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een stropdas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

1. subsidiair:
zij op of omstreeks 3 augustus 2013 in de gemeente [plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een stropdas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, de winkel van die [slachtoffer 3] is binnengelopen en/of (vervolgens) die stropdas en een hemdje heeft gepakt en/of (vervolgens) met die stropdas en dat hemdje een kleedkamer is ingegaan en/of (vervolgens) die stropdas in haar (rug)tas heeft gestopt en/of (vervolgens) die kleedkamer heeft verlaten en dat hemdje heeft teruggehangen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

parketnummer 08-187378-13:

zij op of omstreeks 16 oktober 2013 in de gemeente [plaats] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meer shirtjes, in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [naam winkel] [plaats] (op of aan de [adres 3] ), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

parketnummer 08-196829-13:

zij op of omstreeks 16 oktober 2013 in de gemeente [plaats] , opzettelijk en wederrechtelijk een of meer ruiten/ramen (van een pand op of aan het [adres 3] ), in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [naam B.V.] (en in gebruik bij [benadeelde partij 4] ), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Feit 3

De raadsman heeft aangevoerd dat het hof niet tot een bewezenverklaring van de onder parketnummer 08-760117-14 onder 3 tenlastegelegde brandstichting kan komen, nu de verklaring van verdachte niet strookt met de technische bevindingen en de verklaring van verdachte getuigt van ernstige verwardheid en daarmee onbetrouwbaar is en derhalve niet gebezigd kan worden voor het bewijs. Voorts heeft hij betoogd dat de herkenningen door verbalisanten geen, althans onvoldoende, bewijswaarde hebben, nu deze herkenningen niet hebben plaatsgevonden aan de hand van specifieke en onderscheidende persoonskenmerken.

Het hof overweegt als volgt.

Op grond van de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden, ziet het hof - evenals de rechtbank - geen aanleiding te twijfelen aan de herkenning van verdachte door verbalisant [verbalisant 1] op de beelden en de herkenning van verdachte door verbalisant [verbalisant 1] ter plaatse.

Deze herkenningen worden voorts ondersteund door de bekennende verklaring van verdachte die zij bij de politie heeft afgelegd. Anders dan de raadsman ziet het hof namelijk geen aanleiding deze verklaring van verdachte onbetrouwbaar te achten. De verklaring van verdachte zoals deze zich in het dossier bevindt, geeft er wel blijk van dat verdachte niet vlot spreekt over het gebeuren en haar gedragingen, maar dat doet niet af aan de betrouwbaarheid, temeer daar zij in de verklaring ook blijk geeft van daderwetenschap. Zo verklaarde verdachte onder meer over het stuk karton wat zij door de brievenbus heeft gedaan, het openstaande raam, de in brand gestoken gordijnen en grote vlammen die tegen het raam sloegen.

Haar verklaring vindt bovendien op belangrijke onderdelen steun in andere bewijsmiddelen in het dossier, zoals het handelen van verdachte op de beelden opgenomen door de camera's van [bedrijf] en de opnamen vanuit de [adres 4] . Ook het aantreffen van verbrand karton onder de brievenbus in de woning aan de [adres 2] en de verklaring van de getuige [getuige] die heeft waargenomen dat er gordijnen voor de ramen van de woning in brand stonden, ondersteunen het relaas van verdachte.

Anders dan de raadsman is het hof op grond van vorenstaande vaststelling van oordeel dat de verklaring van verdachte voor het bewijs kan worden gebezigd.

Met de rechtbank overweegt het hof voorts dat hoewel het scenario dat verdachte de gordijnen in brand heeft aangestoken niet is genoemd in de technische bewijsmiddelen, het strafdossier verschillende bewijsmiddelen bevat die de lezing van verdachte ondersteunen. Zo heeft eerdergenoemde getuige [getuige] waargenomen dat de gordijnen van het pand aan de [adres 2] in brand stonden, heeft de ter plaatse gekomen verbalisant [verbalisant 2] waargenomen dat twee kozijnen van de eerste verdieping in brand stonden en heeft de brandweer ook vuurverschijnselen aan de buitenkant op de eerste verdieping van de woning aan de [adres 2] waargenomen. Ook de eerdergenoemde camerabeelden ondersteunen de lezing van verdachte alsmede het proefondervindelijke onderzoek dat heeft plaatsgevonden.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat op dit punt - gelet op het vorenstaande - meer waarde moet worden gehecht aan de verklaring van verdachte. Bedacht dient daarbij te worden dat het technische onderzoek de mogelijkheid dat het desbetreffende gordijn via een geopend raam of door een gat in het raam is aangestoken ook niet uitsluit.

Het hof verwerpt de gevoerde verweren en acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierna bewezen wordt verklaard.

Feiten 6, 7 en 8

Ten aanzien van de onder parketnummer 08-760117-14 onder 6, 7 en 8 tenlastegelegde feiten heeft de raadsman telkens vrijspraak bepleit. Naar zijn mening is omtrent de aard en intensiteit van de contacten tussen verdachte en de aangevers te weinig uit het dossier gebleken om tot een bewezenverklaring van belaging te kunnen komen.

De hiervoor genoemde bewijsverweren met betrekking tot de feiten 6, 7 en 8 zijn ook in eerste aanleg gevoerd. Het hof sluit zich aan bij hetgeen door de rechtbank hieromtrent is overwogen, te weten:

“De aangiftes worden allereerst ondersteund door een aantal overgelegde e-mail- en

Facebookberichten en brieven. Het standpunt van de verdediging dat de door aangevers

overgelegde berichten en brieven niet voor het bewijs mogen worden gebruikt omdat deze

niet via een officiële weg zijn opgevraagd, vindt geen steun in de wet. Voor zover de

raadsman heeft beoogd aan te voeren dat de overgelegde teksten mogelijk zijn bewerkt, is dit standpunt onvoldoende gemotiveerd en niet aannemelijk geworden.

Behalve de hiervoor bedoelde stukken vinden de aangiftes steun in een aantal processen-verbaal van bevindingen en de verklaring van [slachtoffer 4] en [benadeelde partij 1] . Blijkens

het proces-verbaal van bevindingen, nummer PLO4ZC-2014048968-40 is na onderzoek naar de laptop van verdachte gebleken dat zij met deze laptop vele malen op verschillende

tijdstippen de Facebookpagina’s van [benadeelde partij 2] . [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]

heeft bezocht. Daarnaast is blijkens het proces-verbaal van bevindingen, nr. PL04ZC-2014048968-43, de agenda van verdachte onderzocht. In deze agenda is veelvuldig de naam

[benadeelde partij 2] in combinatie met [benadeelde partij 2] vader en ook de naam [slachtoffer 2] genoemd.

Verdachte heeft bij de politie dan wel op de terechtzitting van 12 maart 2015 - zakelijk

weergegeven - onder meer het navolgende verklaard:

- ze heeft voor het laatst met [slachtoffer 1] de Kluiver contact gehad via Facebook. Ze heeft

een envelop naar de moeder van [slachtoffer 1] gebracht met geld voor een

verjaardagscadeau dat ze [slachtoffer 1] terug wilde geven. Ze heeft ook wel met [slachtoffer 1]

gebeld;

- ze heeft [slachtoffer 2] vanaf augustus 2012 berichten gestuurd via Facebook en ze

heeft hem ook gebeld. Ze heeft hem de vraag gesteld: ’Je hebt op het [naam school]

gezeten, wat waren jouw intenties met een Aziatisch meisje’. Ze heeft

[slachtoffer 2] op zijn werk gebeld. Ze heeft op het werk van [slachtoffer 2] vernielingen

aangericht en met stuff een boodschap achtergelaten. Ze heeft zich op dat moment

misbruikt gevoeld door [slachtoffer 2] . Ze heeft ook berichten/brieven naar vrienden van

[slachtoffer 2] over [slachtoffer 2] gestuurd;

- ze heeft via Facebook en ook via de mobiele telefoon contact met [benadeelde partij 2]

gezocht. Ze is drie keer bij de vader van [benadeelde partij 2] aan de deur geweest. Ze heeft [benadeelde partij 2]

drie enveloppen met geld teruggegeven.’

Vooropgesteld moet worden dat bij de vaststelling of sprake is van belaging als bedoeld in

art. 285b, eerste lid, Sr van belang zijn de aard, de duur en de intensiteit van de

gedragingen van de verdachte. De omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden

en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer. Blijkens de aangiftes en de hiervoor genoemde ondersteunende bewijsmiddelen heeft verdachte gedurende een periode van ongeveer een jaar stelselmatig en op verschillende wijze contact met alle drie de aangevers gezocht. Met name de aard en inhoud

van dit contact, zoals onder meer blijkt uit de e-mail- en Facebookberichten, kleuren de

intensiteit van die gedragingen. Verdachte heeft vanaf het begin beschuldigingen en

verwensingen in de richting van de aangevers geuit en heeft hen voor onder meer “kakkers”

uitgescholden. Verdachte heeft door haar gedrag, en het feit dat zij ook feitelijk in de privé

omgeving van de aangevers is gekomen bewust een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer

van die aangevers gemaakt en heeft hen door haar handelwijze gedwongen dit gedrag te

dulden. De rechtbank acht het voor de bewezenverklaring niet van belang op welk moment

verdachte door de aangevers afzonderlijk kenbaar is gemaakt dat zij met haar gedrag moest

stoppen. Het moet verdachte gezien het hiervoor overwogene vanaf aanvang duidelijk zijn

geweest dat dit contact ongewenst was.”

Op grond van bovenstaande aangehaalde bewijsoverweging acht het hof - met de rechtbank - wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 6, 7 en 8 aan verdachte is ten laste gelegd.

Feiten parketnummers 08-165364-13 en 08-178378-13

Met betrekking tot de onder parketnummer 08-165364-13 en onder parketnummer

08-178378-13 tenlastegelegde diefstallen heeft de raadsman bepleit dat verdachte geen opzet had om zich als heer en meester van de goederen te gedragen, zodat vrijspraak van die feiten dient te volgen.

Het door de raadsman gevoerde vrijspraakverweer wordt weerlegd door de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze zullen blijken uit de eventueel nader op te maken aanvulling op dit arrest en waaruit onverkort de voor diefstal in de zin van artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht voor strafbaarheid benodigde toe-eigeningshandeling blijkt.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 08-760117-14 onder 1, 2, 3, 5, 6, 7 en 8 en in de zaak met parketnummer 08-165364-13 primair en in de zaak met parketnummer 08-187378-13 en in de zaak met parketnummer 08-196829-13 onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

parketnummer 08-760117-14:

1.
zij op 06 juni 2014 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk een grote ruit van het politiebureau aan de [adres 1] , toebehorende aan Politie Oost-Nederland, heeft vernield door met een steen tegen die ruit te gooien.

2.
zij op 11 juni 2014 te [plaats] opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met karton en in de directe nabijheid van het voorportaal en/of de hoofdentree van het politiebureau, aan de [adres 1] , ten gevolge waarvan dat voorportaal en/of die hoofdentree gedeeltelijk is/zijn verbrand, en daarvan gemeen gevaar voor dat politiebureau te duchten was.

3.
zij op 11 juni 2014 te [plaats] opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met één of meer goederen in en/of in de directe nabijheid van een woning, gelegen aan de [adres 2] , en karton brandend door de brievenbus van die woning te gooien en/of te duwen, ten gevolge waarvan een groot gedeelte van de inboedel, geheel of gedeeltelijk is verbrand, en daarvan gemeen gevaar voor de complete inboedel van die woning en [benadeelde partij 1] en levensgevaar voor die [benadeelde partij 1] te duchten was.

5.
zij op 08 december 2013 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk kerstdecoratie (te weten een rendier), toebehorende aan [slachtoffer 4] , heeft vernield door dit goed in de container te gooien.

6.
zij in de periode van 04 december 2012 tot en met 13 december 2013 te [plaats] , wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] , met het oogmerk die [slachtoffer 1] te dulden, immers heeft en/of is zij, verdachte,

- in voornoemde periode een of meer poststukken/brieven verstuurd naar het adres van en/of geadresseerd (aan) die [slachtoffer 1] en

- in voornoemde periode meermalen telefonisch contact gelegd en/of gezocht met die [slachtoffer 1] en

- in voornoemde periode meermalen een e-mailbericht verzonden gericht aan en/of bestemd voor die [slachtoffer 1] en

- in voornoemde periode meermalen een bericht via Facebook gepost en/of geplaatst met daarin de verwijzing naar die [slachtoffer 1] en

- in voornoemde periode bij en/of rond de woning en/of op het adres van die [slachtoffer 1] geweest (en daarbij een goed rond die woning vernield).

7.
zij in de periode van 23 augustus 2012 tot en met 18 oktober 2013 te [plaats] , wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 2] , met het oogmerk die [slachtoffer 2] te dulden, immers heeft en/of is zij, verdachte,

- in voornoemde periode meermalen telefonisch contact gelegd en/of gezocht met die [slachtoffer 2] en

- in voornoemde periode meermalen een e-mailbericht verzonden gericht aan en/of bestemd voor die [slachtoffer 2] en

- in voornoemde periode meermalen een bericht via Facebook gepost en/of geplaatst en/of verstuurd met daarin (direct en/of indirect) een verwijzing naar die [slachtoffer 2] en

- in de voornoemde periode meermalen een emailbericht gestuurd en/of gericht aan de werkgever van die [slachtoffer 2] en

- in voornoemde periode op het werk van die [slachtoffer 2] geweest (en daarbij goederen heeft vernield en/of bekrast en/of beschadigd en op meerdere plaatsen teksten achtergelaten, o.a. " [slachtoffer 2] leugenaar misbruiker 2003/2004").

8.
zij in de periode van 26 november 2012 tot en met 31 oktober 2013 te [plaats] , in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [benadeelde partij 2] , met het oogmerk die [benadeelde partij 2] , te dulden, immers heeft zij, verdachte,

- in voornoemde periode een of meer poststukken/brieven verstuurd naar het adres (van) en/of geadresseerd (aan) die [benadeelde partij 2] en

- in voornoemde periode) meermalen telefonisch contact gelegd en/of gezocht met die [benadeelde partij 2] en

- in voornoemde periode meermalen een e-mailbericht verzonden gericht aan en/of bestemd voor die [benadeelde partij 2] en

- in voornoemde periode meermalen een sms-bericht verzonden aan die [benadeelde partij 2] en

- in voornoemde periode meermalen een bericht via Facebook gepost en/of geplaatst met daarin de verwijzing naar die [benadeelde partij 2] .

parketnummer 08-165364-13 (gevoegd):

1. primair:
zij op 3 augustus 2013 in de gemeente [plaats] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een stropdas, toebehorende aan [slachtoffer 3] .

parketnummer 08-187378-13 (gevoegd):
zij op 16 oktober 2013 in de gemeente [plaats] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meer shirtjes, toebehorende aan [naam winkel] [plaats] (op of aan de [adres 3] ).

parketnummer 08-196829-13 (gevoegd):

zij op 16 oktober 2013 in de gemeente [plaats] , opzettelijk en wederrechtelijk een of meer ruiten/ramen (van een pand op of aan het [adres 3] ), toebehorende aan [naam B.V.] (en in gebruik bij [benadeelde partij 4] ), heeft vernield en beschadigd.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het in de zaak met parketnummer 08-760117-14 onder 1 en 5 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Het in de zaak met parketnummer 08-760117-14 onder 2 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Het in de zaak met parketnummer 08-760117-14 onder 3 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, en

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is.

Het in de zaak met parketnummer 08-760117-14 onder 6, 7 en 8 bewezen verklaarde levert op:

belaging.

Het in de zaak met parketnummer 08-165364-13 primair en in de zaak met parketnummer 08-187378-13 bewezen verklaarde levert op:

diefstal.

Het in de zaak met parketnummer 08-196829-13 onder 1 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen en beschadigen.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft naast een aantal vernielingen en diefstallen, zich ook schuldig gemaakt aan belaging van drie personen en tweemaal brandstichting, waarbij in één geval levensgevaar voor de bewoner van de woning waar brand is gesticht, te duchten was. Vooral deze laatste feiten betreffen ernstige delicten. Verdachte heeft door haar (gewelddadige) handelen inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers en gevoelens van angst bij hen teweeg gebracht. Als gevolg van de brand in zijn woning is [benadeelde partij 1] zeer ernstig gewond geraakt en heeft hij langdurig in het ziekenhuis gelegen. Ook thans ervaart hij nog steeds de gevolgen van deze brandstichting. Ook [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] hebben in psychische zin veel last gehad van de gebeurtenissen. Ter zitting van het hof is dat, door de toelichting op de vordering van zowel [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] , nog eens te meer gebleken.

Uit het uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 22 augustus 2016 blijkt dat verdachte weliswaar eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van het plegen van strafbare feiten, maar niet voor soortgelijke delicten.

Tevens heeft het hof in aanmerking genomen de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals daarvan ter zitting van het hof en uit het dossier is gebleken.

In dat kader heeft het hof acht geslagen op het omtrent verdachte opgemaakte rapport van M.F. de Vries, psychiater, en G.M. Jansen, psycholoog, van het Pieter Baan Centrum (PBC) van 28 november 2014.

Het hof is van oordeel dat dit rapport, hoewel meer dan een jaar oud, door het hof gebruikt kan worden. Hoewel er door het hof gelegenheid is geboden voor tegenonderzoek, heeft verdachte van die geboden gelegenheid geen gebruik gemaakt door haar medewerking hieraan ondanks een eerdere toezegging, te weigeren.

Verdachte heeft kort voor het einde van de observatieperiode nog wel aangegeven alsnog aan het onderzoek te willen meewerken en haar raadsman heeft haar bereidheid om mee te werken herhaald. In het licht echter van haar eerste weigering bij het PBC en later bij de Van der Hoevenkliniek, leidt het hof hier niet uit af dat zij niet langer als weigerachtig in haar medewerking aan een onderzoek aan de geestvermogens moet worden beschouwd. Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat gebruik kan worden gemaakt van het hiervoor genoemde rapport van meer dan een jaar oud. Ondanks - als gezegd - de weigering van verdachte om aan het onderzoek mee te werken komen de deskundigen, zakelijk weergegeven, tot de volgende adviezen en bevindingen.

Bij verdachte is sprake van een gebrekkige stoornis van de geestvermogens in de zin van een ernstige borderline persoonlijkheidsstoornis. Er is sprake van een sterk wisselende reactieve stemming, een duidelijke impulsiviteit en een beperkte agressieregulatie, resulterend in (verbaal) agressieve en destructieve impulsdoorbraken. Verdachte is niet goed in staat op constructieve wijze uiting te geven aan haar emoties, gevoelens en driften. Tevens lijkt sprake van een instabiel zelfbeeld, waarbij zij zich zeer wisselend presenteert en weinig doel en richting in haar leven lijkt te ervaren. Ook verdachtes (seksuele) identiteit maakt een diffuse indruk. Opvallend is ook het wantrouwen naar de ander. Daarbij lijkt zij het zicht op de realiteit te verliezen en is er sprake van (rand)psychotische achterdocht naar anderen. Omdat de borderline persoonlijkheidsstoornis langdurig en hardnekkig van aard is, kan aangenomen worden dat deze aanwezig was ten tijde van de tenlastegelegde feiten. De stoornis en de beperkingen die hieruit voortvloeien, hebben aanzienlijk doorgewerkt in de tenlastegelegde feiten (indien bewezen). Hoewel verdachte wisselend over de verschillende feiten verklaard heeft, lijkt bij al deze feiten van een zelfde onderliggende dynamiek sprake. Geadviseerd wordt verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

Met betrekking tot de kans op recidive wordt overwogen dat zelfs in het PBC, waar sprake is van intensieve begeleiding en veel structuur, er nog sprake was van forse gedragsproblemen bij verdachte. Zij heeft een ambivalente houding ten opzichte van hulpverlening en eerdere behandelingen zijn steeds afgebroken. Daarnaast is bij verdachte geen probleembesef en ziekte-inzicht aanwezig. Tevens is sprake van een gebrek aan ondersteunende factoren, zoals een goed steunsysteem, een zingevende en gestructureerde dagbesteding en financiële zelfstandigheid. Ook is onduidelijk of verdachte nog een woonplek heeft. Daarnaast lijkt verdachte steeds meer de confrontatie op te zoeken. Waar zij eerst personen lastig valt via sociale media, bezoekt ze hen later thuis of in hun werksfeer, richt ze vernielingen aan, tracht zij zich te bewapenen en sticht ze meermalen brand. De kans op herhaling van soortgelijke feiten, wordt als hoog ingeschat. Gelet op de ernst en de chroniciteit van de stoornis, is een langdurige behandeling van jaren nodig om het recidiverisico te reduceren. Een intensieve klinische behandeling is hierbij noodzakelijk nu verdachte met forse beperkingen kampt en de responsiviteit voor behandeling laag is. Een behandeling in het kader van een voorwaardelijk strafdeel of een behandeling in het kader van de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden, wordt niet haalbaar geacht. Verdachte heeft aangegeven zich niet aan de voorwaarden te willen houden en zij zal, gelet op de stoornis en voorgeschiedenis niet geneigd zijn zich hiernaar te voegen. Gelet op de mate van toerekenbaarheid, komt ook plaatsing op grond van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht niet in aanmerking. De onderzoekers adviseren aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege op te leggen.

Ter zitting van de rechtbank op 29 mei 2015 hebben de deskundigen De Vries en Jansen een uitvoerige toelichting op hun rapport gegeven, waarbij zij hun bevindingen hebben bevestigd en verduidelijkt.

Nu er naar het oordeel van het hof, gelet op de weigerende opstelling van verdachte zoals hiervoor nader omschreven, sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 37, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht, maakt het hof gebruik van voornoemd rapport van het Pieter Baan Centrum d.d. 28 november 2014. Het hof neemt voornoemde conclusies van de deskundigen De Vries en Jansen over en maakt die tot de zijne, in zoverre dat het hof vaststelt dat verdachte ten tijde van het plegen van het bewezenverklaarde feit leed aan een gebrekkige ontwikkeling van haar geestvermogens, waardoor de feiten in verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Gevangenisstraf

Alles afwegende, is het hof met de advocaat-generaal van oordeel dat de in eerste aanleg opgelegde gevangenisstraf passend en geboden is. Het hof zal dan ook een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren opleggen, met aftrek van voorarrest.

Maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege

Zoals hiervoor reeds is vastgesteld, bestond bij verdachte ten tijde van het begaan van de bewezen verklaarde feiten een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Er is ten aanzien van het onder parketnummer 08-760117-14 onder 2 en 3 bewezen verklaarde sprake van geweldsdelicten zoals bedoeld in artikel 37a, eerste lid, onder 1 van het Wetboek van Strafrecht.

De veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen eist het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. Het hof zal deze maatregel dan ook opleggen. Het hof heeft hierbij de ernst van de stoornis zoals door de deskundigen hiervoor beschreven in aanmerking genomen en de lange behandeling die benodigd is, alsmede dat verdachte zich niet wil houden aan voorwaarden, het gebrek aan ziekte-inzicht en probleembesef en verdachtes weigerachtige houding om mee te werken aan enige vorm van diagnostiek in het kader van de totstandkoming van de rapportages in deze strafzaak waardoor een behandeling in een minder streng regime als de TBS met dwangverpleging naar het oordeel van het hof niet tot de mogelijkheden hoort

De maatregel van terbeschikkingstelling wordt opgelegd ter zake van misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dit heeft gelet op artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht als gevolg dat deze maatregel niet gemaximeerd is en derhalve een periode van vier jaren te boven kan gaan.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.100,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 350,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd, zodat het bedrag van de oorspronkelijke vordering aan de orde is.

Het door de benadeelde gevorderde bedrag is gevorderd als “ voorschot”. Het hof begrijpt dit als een vordering tot schadevergoeding van slechts een deel van de schade. De benadeelde behoudt zich kennelijk het recht voor een ander deel van de schade buiten het strafgeding te vorderen.

De vordering is namens verdachte betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 08-760117-14 onder 2 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

He hof is van oordeel dat de behandeling van de vordering voor het overige een onevenredige belasting is voor het strafproces.

Beoordeling van de vordering wordt immers bemoeilijkt omdat [benadeelde partij 3] reeds voor het strafbare feit aan longproblemen leed en het daarom niet eenvoudig is te bepalen welke verdere beperking door het strafbare feit is veroorzaakt. Behandeling van dit deel van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde wordt dan ook in zoverre niet-ontvankelijk verklaard, zodat dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze. Het hof neemt bij de duur van de vervangende hechtenis in aanmerking dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege wordt opgelegd.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 19.648,81. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 18.148,81. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd, zodat het bedrag van de oorspronkelijke vordering aan de orde is.

Het door de benadeelde gevorderde bedrag is gevorderd als “ voorschot”. Het hof begrijpt dit als een vordering tot schadevergoeding van slechts een deel van de schade. De benadeelde behoudt zich kennelijk het recht voor een ander deel van de schade buiten het strafgeding te vorderen.

De vordering is namens verdachte betwist ten aanzien van de post smartengeld.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 08-760117-14 onder 3 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat die schade voldoende is onderbouwd. Met betrekking tot de immateriële schade is uitvoerige informatie verstrekt over de langdurige ziekenhuisopname, de medische informatie en het leed wat benadeelde hierdoor heeft geleden. Met betrekking tot de schade aan de auto overweegt het hof dat uit de door [benadeelde partij 1] verschafte nadere informatie in hoger beroep blijkt dat er sprake is van rechtstreekse schade. De schade is ontstaan door het niet-gebruiken van de auto gedurende de tijd dat [benadeelde partij 1] als gevolg van het door verdachte begane feit niet in staat was de auto te besturen. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze. Het hof neemt bij de duur van de vervangende hechtenis in aanmerking dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege wordt opgelegd.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 25.906,70. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep geheel toegewezen, zodat de vordering in hoger beroep ook in volle omvang aan de orde is.

Het door de benadeelde gevorderde bedrag is gevorderd als “ voorschot”. Het hof begrijpt dit als een vordering tot schadevergoeding van slechts een deel van de schade. De benadeelde behoudt zich kennelijk het recht voor een ander deel van de schade buiten het strafgeding te vorderen.

De vordering is namens verdachte betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 08-760117-14 onder 8 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat benadeelde [benadeelde partij 2] haar vordering voldoende heeft onderbouwd. Zij heeft immers aangevoerd dat zij onder meer vanwege het verbrand zijn van door haar gemaakte kunstwerken en ander studiemateriaal in elk geval een jaar nodig heeft gehad om haar portfolio, benodigd bij sollicitaties, weer op te bouwen en daarmee is haar vordering ter zake de kosten van een gemist (studie)jaar voldoende onderbouwd. Dat zij als inwonende dochter daarbij ook nog veel tijd heeft moeten besteden aan de zorg voor haar vader is voor het hof eveneens een onderbouwing van de gevorderde schade voor een verloren gegaan studiejaar. Daarnaast zijn ook de kleinere gevorderde schadeposten en de immateriële schade naar het oordeel van het hof voldoende onderbouwd. Het hof is dan ook van oordeel dat de vordering van [benadeelde partij 2] voldoende is onderbouwd, en verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze. Het hof neemt bij de duur van de vervangende hechtenis in aanmerking dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege wordt opgelegd.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.295,97. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.810,72. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

De vordering is niet namens verdachte betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 08-196829-13 onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze. Het hof neemt bij de duur van de vervangende hechtenis in aanmerking dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege wordt opgelegd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 37a, 37b, 57, 157, 285b, 310 en 350 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 08-760117-14 onder 4 en in de zaak met parketnummer 08-196829-13 onder 2 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 08-760117-14 onder 1, 2, 3, 5, 6, 7 en 8 en in de zaak met parketnummer 08-165364-13 primair en in de zaak met parketnummer 08-187378-13 en in de zaak met parketnummer 08-196829-13 onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 08-760117-14 onder 1, 2, 3, 5, 6, 7 en 8 en in de zaak met parketnummer 08-165364-13 primair en in de zaak met parketnummer 08-187378-13 en in de zaak met parketnummer 08-196829-13 onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat zij van overheidswege zal worden verpleegd.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] ter zake van het in de zaak met parketnummer 08-760117-14 onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 11 juni 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 3] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 08-760117-14 onder 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 (één) dag hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 11 juni 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 08-760117-14 onder 3 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 19.648,81 (negentienduizend zeshonderdachtenveertig euro en eenentachtig cent) bestaande uit € 9.648,81 (negenduizend zeshonderdachtenveertig euro en eenentachtig cent) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 11 juni 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 11 juni 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 08-760117-14 onder 3 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 19.648,81 (negentienduizend zeshonderdachtenveertig euro en eenentachtig cent) bestaande uit € 9.648,81 (negenduizend zeshonderdachtenveertig euro en eenentachtig cent) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 (één) dag hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 11 juni 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 11 juni 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 08-760117-14 onder 8 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 25.906,70 (vijfentwintigduizend negenhonderd en zes euro en zeventig cent) bestaande uit € 20.906,70 (twintigduizend negenhonderd en zes euro en zeventig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 11 juni 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 11 juni 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 08-760117-14 onder 8 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 25.906,70 (vijfentwintigduizend negenhonderd en zes euro en zeventig cent) bestaande uit € 20.906,70 (twintigduizend negenhonderd en zes euro en zeventig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 (één) dag hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 11 juni 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 11 juni 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] ter zake van het in de zaak met parketnummer 08-196829-13 onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.810,72 (tweeduizend achthonderdtien euro en tweeënzeventig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 16 oktober 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 4] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 08-196829-13 onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 2.810,72 (tweeduizend achthonderdtien euro en tweeënzeventig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 (één) dag hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 16 oktober 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. K. Lahuis, voorzitter,

mr. L.T. Wemes en mr. A. van Holten, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. G.M. Fondse, griffier,

en op 7 oktober 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.