Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:8013

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-10-2016
Datum publicatie
02-12-2016
Zaaknummer
200.192.282
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek vervangende toestemming verhuizing naar buitenland en afgifte paspoort. Verzoek tijdens echtscheidingsprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.192.282

(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland, 409482 en 412781)

beschikking van 6 oktober 2016

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [plaatsnaam] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. G.J.M. Gussenhoven te Zeist,

en

[verweerder] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. J.M. Wigman te 's-Gravenhage.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 26 april 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties A tot en met G, ingekomen op 27 mei 2016;

- het verweerschrift met producties 1 tot en met 4;

- een journaalbericht van mr. Gussenhoven van 12 augustus 2016 met producties 3 tot en met

11, ingekomen op die datum.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 23 augustus 2016 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. De moeder is voorts bijgestaan door [tolk] , tolk in de Engelse taal. Namens de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de raad) is [medewerker kinderbescherming] verschenen.

3 De vaststaande feiten

3.1

Partijen zijn de ouders van [naam kind] (hierna: [naam kind] ), geboren op [geboortedatum kind] te [plaatsnaam] (Australië), over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen.

3.2

De vader en [naam kind] hebben zowel de Nederlandse als de Australische nationaliteit. De moeder heeft alleen de Australische nationaliteit.

3.3

De vader heeft op 9 februari 2016 een verzoek tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht. De moeder heeft bij haar verweerschrift onder meer als zelfstandig verzoek de rechtbank verzocht haar vervangende toestemming te verlenen voor verhuizing met [naam kind] naar Australië, alsmede een verzoek tot afgifte van [naam kind] paspoort. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking deze zelfstandige verzoeken van de moeder afgewezen en de beslissing op de verzoeken van partijen tot echtscheiding met nevenvoorzieningen aangehouden.

4 De omvang van het geschil

4.1

Tussen partijen zijn in geschil de zelfstandige verzoeken van de moeder om vervangende toestemming om met [naam kind] naar Australië te verhuizen, alsmede afgifte van zijn paspoort.

4.2

De moeder is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van 26 april 2016. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende haar vervangende toestemming te verlenen voor een terugkeer van haar en [naam kind] naar Australië om zich aldaar met [naam kind] te vestigen en de vader te gebieden tot afgifte van het paspoort van [naam kind] binnen 24 uur na afgifte van de in deze te wijzen beschikking, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag of dagdeel dat de vader hieraan niet voldoet.

4.3

De vader heeft verweer gevoerd. Hij heeft verzocht het hoger beroepschrift ongegrond te verklaren, althans haar verzoek af te wijzen en derhalve de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Het hof is van oordeel dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt ten aanzien van de - in hoger beroep in geschil zijnde - gezamenlijke uitoefening van het gezag, nu dit een nevenvoorziening betreft en de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt ten aanzien van de echtscheiding, aangezien de echtgenoten hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben.

5.2

Volgens artikel 15 lid 1 van het hier toepasselijke Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1996 (Trb. 1997, 299) oefenen de autoriteiten van de verdragsluitende staten de bevoegdheid uit onder toepassing van hun interne recht. Dit betekent dat Nederlands recht van toepassing is.

5.3

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechter worden voorgelegd.

5.4

Op grond van het bepaalde in artikel 1:253a BW dient het hof in een geschil als het onderhavige, waarbij de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind belast zijn en er een verschil van mening bestaat over een verhuizing van de verzorgende ouder en de kinderen een zodanige beslissing te nemen als het hof in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt. Uit vaste jurisprudentie volgt dat, hoezeer het belang van het kind een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen, andere belangen zwaarder kunnen wegen. Het hof zal bij zijn beslissing alle omstandigheden van het geval in acht dienen te nemen.

5.5

Overeenkomstig vaste rechtspraak dient het hof bij de beslissing in een geschil als het onderhavige alle omstandigheden van het geval in aanmerking te nemen en alle betrokken belangen af te wegen, waaronder:

- de noodzaak om te verhuizen;

- de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid;

- de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de

verhuizing voor de minderjarige en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren;

- de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg;

- de rechten van de andere ouder en de minderjarige op onverminderd contact met elkaar in

een vertrouwde omgeving;

- de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;

- de frequentie van het contact tussen de minderjarige en de andere ouder voor en na de

verhuizing;

- de leeftijd van de minderjarige, zijn mening en de mate waarin de minderjarige geworteld is

in zijn omgeving of juist extra gewend is aan verhuizingen;

- de (extra) kosten van de omgang na de verhuizing.

5.6

De ouder bij wie de minderjarige zijn hoofdverblijfplaats heeft, dient in beginsel de gelegenheid te krijgen om met de minderjarige elders een gezinsleven en een toekomst op te bouwen, indien de omstandigheden van het geval na een belangenafweging zoals hiervoor genoemd een dergelijke beslissing ook rechtvaardigen. Hierna zal worden beoordeeld of de keuze van de moeder om te verhuizen in het kader van de verdere belangenafweging te rechtvaardigen valt.

5.7

De moeder handhaaft in hoger beroep haar standpunt dat zij belang heeft bij een verhuizing met [naam kind] naar Australië. De moeder is Australische en heeft haar hele leven lang, met uitzondering van een korte periode in Engeland en Nederland, in Australië gewoond. Volgens haar hebben zij en de vader sinds mei 2006 ook onafgebroken in Australië hebben gewoond. In de periode 2012 tot medio 2013 hebben zij gescheiden van elkaar geleefd, maar vanaf medio 2013 weer samen. [naam kind] is in Australië geboren en heeft er de eerste zeven jaren van zijn leven gewoond. In juni 2015 is de vader zonder daadwerkelijke instemming van de moeder met [naam kind] naar Nederland gegaan. In oktober 2015 is de moeder ook naar Nederland gekomen. Partijen hebben aanvankelijk met [naam kind] bij de moeder van de man in [plaatsnaam] ingewoond. De vader heeft vervolgens op 1 februari 2016 aan de moeder medegedeeld dat hij wil scheiden. De moeder geeft aan dat zij in Nederland geen inkomen, geen zelfstandige (permanente) woonruimte en geen sociaal netwerk heeft. Volgens de moeder kan zij onmogelijk financieel en zonder verblijfsstatus in Nederland blijven wonen en is zij genoodzaakt om terug te keren naar Australië.
De moeder stelt voorts dat zij bij terugkeer haar oude baan weer terug zal kunnen krijgen. Zij is van plan om in eerste instantie met [naam kind] bij haar moeder in huis te gaan wonen en van daaruit haar leven weer opbouwen. De moeder betwist dat zij een serieuze relatie heeft met [persoon 1] en dat zij plannen heeft om met hem te gaan samenwonen.
Ter mondelinge behandeling heeft de moeder aangegeven dat een omgangsregeling met de vader altijd bespreekbaar is en dat zij ook bereid is om [naam kind] naar Indonesië te reizen om omgang daar mogelijk te maken. Daarnaast behoren bel- en skype contacten tussen de vader en [naam kind] tot de mogelijkheden.

5.8

De vader stelt dat zijn belang en het belang van [naam kind] om contact te hebben met elkaar dient te prevaleren boven het belang van de moeder. De vader vreest dat hij door de verhuizing geen enkel contact meer met [naam kind] zal hebben en niet meer zal zijn betrokken bij zijn leven. Door de eventuele verhuizing maakt de reisafstand regelmatig contact lastig en een daadwerkelijke omgangsregeling waarbij de vader en [naam kind] elkaar regelmatig zien bijna onmogelijk. De vader ziet [naam kind] nu in het kader van de co-ouderschapsregeling om de week een hele week. De moeder heeft geen enkel voorstel gedaan om het verlies van contact tussen de vader en [naam kind] te compenseren. De moeder heeft weliswaar ter mondelinge behandeling aangegeven dat zij wil meewerken aan telefonisch contact, dan wel contact via skype, alsmede aan omgang tussen de vader en [naam kind] en dat zij bereid is om naar Indonesië te reizen, maar de vader heeft, gelet op eerdere uitlatingen door de moeder, niet het vertrouwen dat de moeder zich daadwerkelijk zal houden aan hetgeen zij tijdens de mondelinge behandeling heeft toegezegd.
Volgens de vader gaat het, behoudens wat zorgen over zijn ontwikkeling, goed met [naam kind] in Nederland. Hij spreekt steeds beter Nederlands en heeft veel vriendjes. De moeder wil niet meewerken aan hulpverlening voor [naam kind] zo lang zij in Nederland woont. Volgens de vader is nog altijd niet duidelijk in wat voor situatie [naam kind] terecht zal komen indien hij terugkeert naar Australië. De vader betwist dat het voor hemzelf gemakkelijk is om terug te keren naar Australië. Hij heeft in Nederland een vast dienstverband.
De vader heeft ook bezwaren tegen het verzoek tot verhuizing terwijl de echtscheidingsprocedure nog loopt. Volgens de vader doorkruist het verzoek de echtscheidingsprocedure, waarin nog dient te worden beslist over de hoofdverblijfplaats van [naam kind] , alsmede naar de vaststelling van een omgangsregeling. Volgens de vader wordt hij hierdoor benadeeld in zijn procespositie en dient in de echtscheidingsprocedure te worden beoordeeld wat in het belang van [naam kind] is: opgroeien in Nederland of in Australië.

5.9

Het hof volgt niet het standpunt van de vader, dat hij in zijn belangen wordt geschaad door niet de echtscheidingsprocedure af te wachten, niet. Het verzoek van de moeder op grond van artikel 1:253a lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kan ook in de huidige stand van de echtscheidingsprocedure worden behandeld. De moeder heeft een groot belang bij een spoedige beoordeling van haar verzoek, nu [naam kind] nog niet zo lang in Nederland is.

5.10

Het hof is van oordeel dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is voldoende duidelijk geworden dat de moeder er belang bij heeft om met [naam kind] (terug) naar Australië te verhuizen. De moeder beheerst de Nederlandse taal niet of nauwelijks en zal moeite hebben met het vinden van een werkkring in Nederland. Daarnaast is niet duidelijk of de moeder na de echtscheiding een verblijfsvergunning zal kunnen verkrijgen, zodat de kans bestaat dat zij genoodzaakt zal zijn om naar Australië terug te keren. In Australië kan de moeder worden opgevangen door haar sociale netwerk en heeft zij - naar haar zeggen - de mogelijkheid haar oude baan weer terug te krijgen. Daartegenover is het belang van de vader met [naam kind] in Nederland omgang te kunnen hebben, veel minder duidelijk geworden. De mogelijkheden die de vader heeft om naar Australië terug te keren, acht het hof veel groter dan de mogelijkheden van de moeder om een leven op te bouwen in Nederland. Partijen zijn in pas 2015 vanuit Australië naar Nederland gekomen, terwijl zij daar vanaf 2006 onafgebroken hebben gewoond. Weliswaar is het de vader in Australië niet gelukt een vast dienstverband te verkrijgen, hetgeen hem in Nederland wel is gelukt, maar hij heeft in Australië meestal wel werk kunnen vinden.

5.11

Het hof is voorts vooralsnog van oordeel dat het perspectief van [naam kind] in Australië ligt. Het hof heeft hierbij meegewogen dat [naam kind] zeven jaar van zijn leven met zijn vader en moeder in Australië heeft gewoond en dat hij pas relatief kort in Nederland is. De wortels van [naam kind] liggen in Australië. De moeder heeft aangegeven dat [naam kind] nog regelmatig aangeeft zijn vrienden en familie in Australië heel erg te missen. Ook mist hij zijn sport. [naam kind] beheerst op dit moment de Nederlandse taal nog niet optimaal. Ook acht het hof van belang dat voldoende is gebleken dat de moeder gedurende de eerste zeven jaren van [naam kind] leven zijn hoofdverzorger is geweest en dat pas sinds de zomer van 2016 sprake is van een co-ouderschap. Gedurende de periode van 2012 tot medio 2013, toen partijen uit elkaar waren, had [naam kind] ook zijn hoofdverblijf bij de vrouw. Indien de moeder noodgedwongen Nederland zou moet verlaten, zou dit betekenen dat [naam kind] afscheid moet nemen van zijn hoofdverzorger. Het hof acht dit niet in zijn belang.

5.12

Hoewel naar het oordeel van het hof het perspectief van [naam kind] in Australië ligt, ziet het hof op dit moment nog geen ruimte om de moeder vervangende toestemming te verlenen om naar Australië te verhuizen. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de moeder nog altijd onvoldoende duidelijkheid heeft gecreëerd over hoe de situatie voor [naam kind] zal zijn, indien hij in Australië komt te wonen. Gelet op de tegenstrijdige verklaringen in de stukken, is onvoldoende gebleken dat [naam kind] zal terugkeren in zijn vertrouwde omgeving. De vader vreest voorts terecht voor de totstandkoming van een omgangs- en contactregeling. De moeder heeft hiertoe nog geen enkel concreet voorstel gedaan. Ter mondelinge behandeling heeft zij weliswaar gesteld overal aan mee te werken, maar gezien haar uitlatingen in de stukken, is het hof met de vader van oordeel dat er gegronde vrees bestaat dat zij zich hier niet aan zal houden. Het hof begrijpt dan ook het verlangen van de vader om een regeling op papier te hebben. Het hof concludeert dan ook dat het perspectief van [naam kind] in beginsel in Australië ligt, mits er goede afspraken zijn tussen de vader en de moeder over de woonplaats van [naam kind] , de financiën en de contact- en omgangsregeling.

5.13

Partijen hebben ter mondelinge behandeling aangegeven dat zij er voor open staan om in mediation verder te spreken over een plan, waarin basisafspraken kunnen worden gemaakt in het kader van een terugkeer van de moeder met [naam kind] naar Australië. Zodra deze basisafspraken zijn vastgelegd, kan een nieuw verzoek tot verhuizing aan de orde komen, dan wel kan de rechtbank dit meenemen bij haar beslissing in de echtscheidingsprocedure.

5.14

Onder verwijzing naar het vorenstaande is het hof met de rechtbank van oordeel dat het verzoek van de moeder tot vervangende toestemming om met [naam kind] naar Australië te verhuizen, vooralsnog moet worden afgewezen.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 26 april 2016, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, J.B. de Groot en M.E.L. Klein, bijgestaan door mr. E. Baan als griffier, en is op 6 oktober 2016 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.