Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:8008

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-10-2016
Datum publicatie
01-08-2019
Zaaknummer
200.189.778
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Belang bij uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Geen financiële noodtoestand

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.189.778

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, 391180)

beschikking van 6 oktober 2016 op het verzoek in het incident tot alsnog uitvoerbaar verklaring bij voorraad

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [plaatsnaam ] ,
verzoekster in het incident,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M. Visser te Amsterdam,

en

[verweerder] ,

wonende te [plaatsnaam ] ,

verweerder in het incident,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. S. van Gestel te Hilversum.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 27 januari 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. Bij deze beschikking heeft de rechtbank het bedrag dat de man vanaf 1 februari 2016 zal verstrekken tot levensonderhoud van de vrouw bepaald op € 1.698,29 per maand, voor recht verklaard dat de man op 1 februari 2016 een bedrag van € 23.964,88 aan de vrouw verschuldigd is ter zake van achterstallige alimentatie, bepaald dat ieder van partijen de eigen proceskosten dient te voldoen en het meer of anders verzochte afgewezen. De rechtbank heeft de beschikking niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2. Het geding in hoger beroep in de hoofdzaak en met betrekking tot het verzoek in het incident tot alsnog uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beschikking van de rechtbank

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift tevens houdende verzoek schorsing uitvoerbaarverklaring bij voorraad op grond van artikel 360 lid 2 Rv en vermeerdering verzoek met producties, ingekomen op 20 april 2016;

- het verweerschrift in hoger beroep op het schorsingsverzoek op grond van artikel 360 lid 2 Rv;

- het journaalbericht van mr. Van Gestel van 31 mei 2016 en de daarin opgenomen intrekking van het schorsingsverzoek op grond van artikel 360 lid 2 Rv;

- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep, tevens houdende een incidenteel verzoek tot het alsnog uitvoerbaar bij voorraad verklaren van de bestreden beschikking, met producties;

- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep tevens verweerschrift verzoek uitvoerbaar verklaring met producties;

- een journaalbericht van mr. Visser van 19 juli 2016 met bijlage;

- een journaalbericht van mr. Visser van 9 september 2016 met bijlage.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 14 september 2016 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, de vrouw bijgestaan door mr. M.C. Koetze en de man bijgestaan door zijn advocaat.

3 De motivering van de beslissing in het incident

3.1

Aan de orde is het verzoek van de vrouw tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking van de rechtbank. De man voert hiertegen gemotiveerd verweer.

3.2

Het hof stelt het volgende voorop onder verwijzing naar HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:688 en HR 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5012.

( i) De verzoeker moet belang hebben bij de door hem verzochte uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Indien de beslissing de veroordeling tot betaling van een geldsom betreft is dat belang in beginsel gegeven.

(ii) Bij de beoordeling moeten de belangen van partijen worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Daarbij moet worden nagegaan of op grond van die omstandigheden het belang van degene die de veroordeling verkreeg, zwaarder weegt dan dat van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand tot op het rechtsmiddel is beslist.

(iii) Bij deze belangenafweging moet worden uitgegaan van de bestreden beslissing en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het hoger beroep in beginsel buiten beschouwing.

(iv) Indien de rechtbank in eerste aanleg een gemotiveerde beslissing heeft gegeven over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, zal de verzoeker die wijziging van deze beslissing wenst, aan zijn verzoek ten grondslag moeten leggen feiten een kennelijke juridische of feitelijke misslag in de bestreden uitspraak dan wel feiten en omstandigheden die bij die beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de uitspraak hebben voorgedaan en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.

( v) Indien de rechtbank in eerste aanleg geen gemotiveerde beslissing heeft gegeven op het verzoek tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad geldt de hiervoor onder (iv) vermelde eis niet en moet worden beslist met inachtneming van het hiervoor onder (i) tot en met (iii) vermelde.

3.3

Het hof zal het beoordelingskader hanteren zoals hiervoor onder i tot en met iii omschreven, nu de rechtbank in eerste aanleg geen gemotiveerde beslissing heeft gegeven op het verzoek tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad .

3.4

Gegeven is dat de vrouw in beginsel belang heeft bij de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, nu de bestreden beschikking de veroordeling van de man tot betaling van een geldsom betreft als bedoeld onder (i) hiervoor. Indien al juist is wat de man aanvoert, te weten dat de vrouw geen gegevens over haar inkomen, lasten en vermogenspositie verstrekt, ieder overleg met de man uit de weg gaat en kort voor de zitting een nieuwe uitleg geeft aan het niet-wijzigingsbeding, kan dat alles niet afdoen aan het gegeven belang van de vrouw. Uit het verhoor ter mondelinge behandeling is verder gebleken dat de man al geruime tijd een alimentatie aan de vrouw betaalt van € 980,- per maand, waardoor er € 700,- per maand te weinig betaald wordt. Ook dat maakt dat de vrouw belang heeft bij uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beschikking van de rechtbank.

3.5

De man meent dat het verzoek van de vrouw moet worden afgewezen, omdat de bestreden beschikking berust op juridische en feitelijke misslagen en omdat hij bij toewijzing van het verzoek in een financiële noodsituatie zal komen. Wat de man als juridische en feitelijke misslagen in de bestreden beschikking aanduidt, zijn in wezen vaststellingen en oordelen die de rechtbank ten grondslag heeft gelegd aan haar beslissing en die ook voor het hof als uitgangspunt van zijn beoordeling gelden. Naar het oordeel van het hof is van kennelijke misslagen geen sprake. De kans van slagen van de grieven van de man tegen deze vaststellingen en oordelen dient in het kader van deze procedure buiten beschouwing te blijven. De man heeft verder naar het oordeel van het hof tegenover de gemotiveerde betwisting van de vrouw onvoldoende aangetoond dat sprake is van een financiële noodtoestand aan zijn zijde. De vrouw heeft terecht erop gewezen dat uit de door de man overgelegde stukken niet de conclusie kan worden getrokken dat de man in een zodanige financiële noodsituatie verkeert. Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat niet is komen vast te staan dat het belang van de man bij behoud van de bestaande toestand tot op het rechtsmiddel is beslist zwaarder weegt dan het belang van de vrouw bij uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

3.6

Het verzoek van de vrouw wordt derhalve toegewezen.

4 De beslissing

Het hof:

verklaart de beschikking van de rechtbank van 27 januari 2016 uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, R. Prakke-Nieuwenhuizen en

R. Feunekes, bijgestaan door F.E. Knoppert als griffier, en is op 6 oktober 2016 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.