Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:800

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
05-02-2016
Datum publicatie
05-02-2016
Zaaknummer
21-002409-14
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2014:1447, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof veroordeelt verdachte ter zake een overval op een juwelier in Kanaleneiland te Utrecht op 3 april 2013, waarbij een omstander die de daders wilde tegenhouden in zijn been is geschoten, tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002409-14

Uitspraak d.d.: 5 februari 2016

TEGENSPRAAK

Promis

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 15 april 2014 met parketnummer 16-701027-13 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

thans verblijvende in PI [plaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 9 januari 2015 en 22 januari 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. M. van Dam, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het hof tot een andere bewijsconstructie, kwalificatiebeslissing en strafoplegging komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg- tenlastegelegd dat:

1.

Primair


hij op of omstreeks 3 april 2013 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet als volgt hebben/heeft gehandeld:

zijnde en/of hebbende hij, verdachte, en/of (één of meer van) zijn mededader(s) met een vuurwapen een kogel afgeschoten op die [slachtoffer] (welke kogel die [slachtoffer] in zijn been heeft geraakt en/of welke kogel daarbij een slagader in dat been heeft geraakt), zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid,

welke vorenomschreven poging doodslag in vereniging werd gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten een diefstal met geweld in vereniging, en welke poging doodslag in vereniging werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

1.

Subsidiair

hij op of omstreeks 3 april 2013 te Utrecht tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een schotwond met slagaderlijke bloeding in het bovenbeen), heeft toegebracht, door opzettelijk met een vuurwapen een kogel af te vuren op die [slachtoffer] .

2.


hij op of omstreeks 3 april 2013 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid (gouden) sieraden, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan juwelier [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] (beveiliger van het winkelcentrum Kanaleneiland) en/of [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s)

- een (vuur)wapen hebben/heeft gericht op, althans getoond, aan die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 2] een bijtende, (vloei)stof in diens ogen/gezicht hebben/heeft gespoten en/of gesproeid en/of

- een (vuur)wapen hebben/heeft gericht op, althans getoond aan, die [slachtoffer 3] en/of tegen die [slachtoffer 3] hebben/heeft gezegd: "Ga weg en anders schiet ik, oprotten" en/of

- met een vuurwapen een kogel hebben/heeft afgevuurd op het lichaam van die [slachtoffer] .

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het bewijs 1

De inleiding

1. Inleiding

Op 3 april 2013, omstreeks 15:25 uur, werd door de gemeenschappelijke meldkamer van de politie Utrecht de melding gedaan dat er op camerabeelden te zien was dat mensen in paniek wegrenden in het overdekte winkelcentrum Kanaleneiland gevestigd op het Hammerskjoldhof in Utrecht. Ter plaatse gekomen bleek onder meer dat er een gewapende overval had plaatsgevonden op juwelier [slachtoffer 2] en dat de overvallers een man, genaamd [slachtoffer] , tijdens de vlucht hadden neergeschoten.2

De aangiften

2. De aangifte van [slachtoffer 2]

Ik ben de eigenaar van de juwelier [slachtoffer 2] gevestigd op het Hammarskjoldhof [nummer] te Utrecht.3

Op 3 april 2013 omstreeks 15.25 uur kwamen twee mannen mijn zaak binnen. Man 1 hoorde ik zeggen: “Dit is een overval”. Ik zag dat man 1 een vuurwapen in zijn hand had. Nadat ik op de alarmknoppen had gedrukt, zag ik dat de man 2 naar de toonbank toe kwam. Man 2 hield een vuurwapen op mij gericht. Ik hoorde hem zeggen dat ik naar de grond moest gaan. Voordat ik naar beneden ging om op de grond te knielen, zag ik dat man 1 richting de vitrines ging die zich bij de ingang bevinden. Ik hoorde dat er op gebeukt werd.

Man 2 liep vervolgens naar man 1 die bij de vitrines was. Ik kon dit zien omdat ik

even omhoog ging en over de toonbank keek. Man 2 zag dat ik omhoog was gekomen. Ik ben toen gelijk weer naar de grond gegaan. Toen man 2 bij de toonbank was, hoorde ik hem zeggen: “Kijk me aan, kijk me aan”. Ik keek omhoog en zag dat man 2 iets naar mij spoot. Ik had enorm prikkende ogen. Man 1 en 2 renden vervolgens mijn zaak uit. Ik kon nog wel zien dat er een bewaker mijn kant op kwam rennen. Dit was buiten mijn winkel. Ik zag dat, toen de bewaker de overvallers met de vuurwapens zag, de bewaker voor zijn eigen veiligheid koos en wegrende.4 Ik zag, na het uitspoelen van mijn ogen, dat er drie vitrines waren ingeslagen. Ik heb in de vitrines gekeken en zag dat alle gouden ringen waren gestolen, de slavenarmbanden, Pandora sierraden en een zeer dure set van het merk ADM.

Man 2 was korter dan man 1.5

3. De aangifte van [slachtoffer 3]

Ik ben 3 april 2013 omstreeks 15:25 uur getuige geweest van een overval in het winkelcentrum Hammarskjoldhof te Utrecht.

Ik was op deze dag werkzaam als beveiliger in het winkelcentrum en kreeg een alarmmelding van juwelier [slachtoffer 2] binnen. Ik ben daar direct naartoe gerend.

Op het moment dat ik de ingang van de juwelier had bereikt, zag ik in de winkel twee mannen staan. Ik zag dat de eerste persoon gebukt bij een vitrine stond.6 Kort daarop zag ik recht voor me een langere tweede persoon staan. Ik zag dat hij mij aan keek. Ik hoorde hem vervolgens naar mij schreeuwen. Ik zag dat hij ondertussen een vuurwapen of gelijkend voorwerp vast had en op mij richtte. Ik keek op dat moment recht in de loop van het vuurwapen. Ik hoorde dat hij tegen mij zei: “Ga weg en anders schiet ik, oprotten” Ik schrok hier erg van en ben gelijk omgekeerd en gebukt weggerend in dezelfde richting als ik vandaan kwam. Ik dacht dat hij mij dood zou schieten als ik was blijven staan. Ik zag dat de personen naar de uitgang van het winkelcentrum renden aan de zijde van de Trumanlaan te Utrecht. Ik hoorde, net nadat ze uit mijn gezichtsveld waren gerend, een harde knal welke ik herkende als een schot van een vuurwapen. Ik ben weer naar de juwelier gelopen. Ik hoorde de eigenaar zeggen dat hij met een substantie in zijn gezicht was gespoten.7

4. De aangifte van [slachtoffer]

Op 3 april 2013 stond ik voor de ingang van een winkelcentrum Kanaleneiland. Ik zag twee mannen op een scooter aan komen rijden. Ik zag dat de twee mannen van de scooter stapten en het winkelcentrum in renden. Ik rende de mannen achterna, het winkelcentrum in. Ik zag mensen naar een juwelierszaak wijzen. Ik hoorde op dat moment glasgerinkel en ik zag dat de jongens uit kapotgeslagen vitrines spullen haalden. Het duurde allemaal heel kort en ik denk dat ze al na een minuut of twee de winkel weer uitrenden. Op dat moment zag ik dat beide jongens een pistool in hun hand hadden. Ik zag dat ze hiermee dreigden naar de omstanders. Ik zag dat de jongens dezelfde weg terug renden. Ik was geconcentreerd op de achterste jongen en ik zag dat hij een paar keer achterom keek omdat ik steeds dichterbij kwam. De laatste keer was ik zo dichtbij en toen zag ik dat de jongen stopte en zich omdraaide. Ik stopte ook en keek de jongen aan. De afstand tussen ons was ongeveer een meter. Ik zag toen dat hij het pistool op mijn bovenlichaam richtte.8 Ik zag dat de jongen weer verder wilde lopen en zich weer omdraaide. Op dat moment wilde ik weer achter hem aangaan. Ik zag echter dat hij stopte en zich weer omdraaide. Ook richtte hij het pistool weer op mij. In eerste instantie richtte hij het pistool op mijn bovenlijf maar toen bewoog hij het pistool lager en richtte op mijn been. Ik hoorde een knal. Ik voelde toen korte tijd later bloed aan de achterkant van mijn rechterbeen. Ik ben geopereerd aan mijn been. Door de kogel is mijn slagader geraakt en de dokter vertelde dat mijn been op het nippertje is gered.9

5. De geneeskundige verklaring betreffende aangever [slachtoffer]

Uitwendig waargenomen letsel: schotwond re been.

Is er sprake van uitwendig bloedverlies: Ja matig ernstig.

Is er sprake van niet uitwendig waarneembaar letsel: ja.

Datum waarop voornoemde persoon werd onderzocht: 3 april 2013.

Overige van belang zijnde informatie:

Stent geplaatst in bloedvat rechter bovenbeen.

Fasciotomie bovenbeen en onderbeen rechts.10

De camerabeelden in en bij het winkelcentrum

6. De bevindingen van de politie met betrekking tot de camerabeelden

Ik was belast met het onderzoek 09anjer13. Dit onderzoek richtte zich op een gewapende overval welke op 3 april 2013 omstreeks 15.25 uur had plaatsgevonden op een juwelierszaak ‘ [slachtoffer 2] ’, gevestigd in het overdekte winkelcentrum Kanaleneiland, gelegen aan de Hammerskjoldhof te Utrecht.

Binnen dit onderzoek werden diverse camerabeelden, afkomstig van meerdere

beveiligingscamera’s binnen en buiten voornoemd winkelcentrum veiliggesteld. Ten tijde van het incident was het betreffende winkelcentrum open voor publiek.

CA51: 03-04-2013, 15.24.42 uur:

Deze camera betreft een zogenaamde vaste camera. Deze camera heeft zicht op één van de toegangen tot het winkelcentrum. Op voornoemd tijdstip zag ik dat het winkelcentrum open was voor het publiek. Ik zag dat er een hoop mensen via de toegangsdeuren het winkelcentrum in en uitliepen. Ik zag dat er boven in beeld twee personen hard aan kwamen rennen. Ik zag dat deze personen via de toegangsdeuren het winkelcentrum binnen renden. Ik zag dat beide mannen opvallende ‘regen’kleding droegen en dat beide mannen hun hoofd en gezicht deels met kledingstukken hadden bedekt en handschoenen droegen. Ik zag dat de voorste persoon (verdachte 1) een blauw/zwarte regenjas droeg. Ik zag dat hij een op een hamer gelijkend voorwerp droeg. Tevens zag ik dat hij een donkerkleurige tas bij zich droeg. Op zeer korte afstand (maximaal een halve meter) volgde al rennend een tweede persoon (verdachte 2). Ik zag dat deze persoon geheel gekleed was in een zwart/blauwe regenjas en -broek. Ik zag dat hij een donkerkleurige tas droeg.11

Ik kan de beide personen als volgt omschrijven:

Signalement verdachte 1:

- lengte ongeveer 1.80-1.85 meter lang;

- zwarte pet met kleppen, welke over de oren/wangen tot onder de kin werden

gedragen;

- blauwe jas, onderzijde zwart, verticale zwarte streep over de borst tot de hals, capuchon;

- zwarte handschoenen;

- zwarte broek;

- zwarte schoenen;

- donkerkleurige (blauwe) sporttas.

Signalement verdachte 2:

- lengte ongeveer 1.75-1.80 meter lang;

- zwarte pet;

- zwarte (regen)jas, onderzijde blauw, horizontale witte streep op navel hoogte,

witte strepen op rechter mouw, capuchon;

- de capuchon werd over het hoofd/ de pet gedragen;

- zwarte handschoenen;

- donkere (regen)broek met witte horizontale strepen ter hoogte van de enkel.

CA 52:

Deze camera betreft een zogenaamde ‘domecamera’, welke 360 graden kan draaien.12

CA 52: 03-04-2013, 15.25.37 uur

Ik zag een man in een zwart kostuum (het hof begrijpt: aangever [slachtoffer 3] ) aan komen rennen. Ik zag dat hij direct richting de betreffende winkel (het hof begrijpt: juwelier [slachtoffer 2] ) rende.

CA 52: 03-04-2013, 15.25.44 uur

Ik zag dat de man in het kostuum naar de entree van de winkel liep. Ik zag dat deze man vlak voor de entree van de winkel ineens ineen dook en naar links draaide. Ik zag dat hij terug kwam rennen. Ik zag dat enkele mensen (winkelend publiek) hard begonnen te rennen.

CA 52: 03-04-2013, 15.25.47 uur

Ik zag dat direct daarna verdachte 1 uit de winkel kwam rennen en kort achter de man in het kostuum aanrende. Ik zag dat verdachte 1 iets in zijn rechterhand vasthield. Ik zag dat verdachte 1 met het voorwerp in zijn rechterhand, met een gestrekte arm wees in de richting van voornoemde man.

CA 52: 03-04-2013, 15.25.47 uur

Ik zag dat er vlak achter verdachte 1 verdachte 2 naar buiten kwam rennen. Ik zag dat verdachte 1 wegrende op korte afstand gevolgd door verdachte 2.13

CA 52: 03-04-2013, 15.25.49 uur

Ik zag dat verdachte 1 al rennend met een gestrekte rechterarm recht voor zich uit de linker dwarsstraat in rende. Ik zag dat de rennende verdachte 1 met een, naar voren gestrekte rechterarm, wees richting borsthoogte van een jongeman/kind.

Ik zag dat de verdachte 1 nog steeds in zijn rechterhand een vuurwapengelijkend

voorwerp vasthield.

CA 52: 03-04-2013, 15.25.50 uur

Ik zag dat ook verdachte 2 de linker dwarsstraat in rende. Ik zag dat een kale man (het hof begrijpt: aangever [slachtoffer] ) achter verdachte 2 aanrende en hem bij zijn middel probeerde te pakken. Ik zag dat de kale man ineens stilhield, ineen

dook, en beide handen voor zijn gezicht hield. Ik zag dat de verdachte 2 doorrende,

daarbij schuin naar achter kijkend in de richting van de kale man. Ik zag dat de

kale man zich weer rechtop richtte en wederom probeerde de verdachte 2 al rennend

vast te pakken. Ik zag dat de verdachte 2 al rennend zijn rechterarm naar achteren

richting de kale man strekte. Ik zag dat ook deze verdachte een vuurwapengelijkend

voorwerp in zijn rechterhand vasthield en op een afstand van maximaal één meter

afstand richtte op het hoofd van de nu ineengedoken kale man.14

CA51: 03-04-2013, 15.25.55 uur

Ik zag dat verdachte 1 vlak langs een klein meisje met een tas in haar handjes rende.

Ik zag dat de kale man nu op minder dan een halve meter achter verdachte 1 rende. Ik zag dat het bovenlichaam van verdachte 1 draaide in de richting van de kale man. Ik zag dat hij zijn rechterarm strekte en met een vuurwapengelijkend voorwerp wees in de richting van de borst van de kale man. Ik zag dat zowel de verdachte 1 als de kale man op maximaal één meter afstand waren verwijderd van het kleine meisje.

CA51: 03-04-2013, 15.25.57 uur

Ik zag dat nu slechts nog de benen van de verdachte 1 boven in beeld waren. Ik zag

dat beide voeten wezen in de richting van de kale man. De kale man was, behalve zijn hoofd nog grotendeels in het camerabeeld te zien. Ik zag dat beide armen van de rennende kale man omhoog gingen. Ik zag vervolgens dat de kale man stopte en door beide benen hurkte. Ik zag dat hij daarbij beide armen gebogen voor zijn bovenlichaam hield. Ik zag dat de benen van de verdachte kort stilhielden een soort sprongetje maakten en vervolgens wegdraaiden van de kale man. Ik zag dat de benen van de verdachte 1 boven uit beeld verdwenen.

CA51: 03-04-2013, 15.25.59 uur

Ik zag dat het kleine meisje op afstand van maximaal één meter was verwijderd van

de kale man. Ik zag dat de benen/voeten van de kale man terugdraaiden richting de toegang. Ik zag vervolgens de kale man achterover op de grond vallen. Ik zag dat de kale man vervolgens weer opstond en terugliep in de richting van de schuifdeuren. Ik zag dat hij na ongeveer een halve meter te hebben gelopen op de grond in elkaar zakte.15

Sporenonderzoek winkelcentrum

7. Op 3 april 2013 werd door ons verbalisanten een forensisch onderzoek verricht in verband met een overval. Het onderzoek is verricht in een pand gelegen aan de Hammarskjoldhof [nummer] te Utrecht. Bij de toegang tot het winkelcentrum zagen wij een huls liggen. Deze huls is veiliggesteld en voorzien van SIN AAFW4948NL. Ook is er een glasmonster genomen van de kapotte vitrines. Dit monster werd voorzien van SIN AAFW4950NL.16

De vluchtroute en getuigen

8. Verklaring van [getuige]

Op 3 april 2013 in de middag zag ik dat een persoon door een jongen werd vastgepakt. Ik zag dat deze persoon zich omdraaide en dat hij een vuurwapen richtte op de benen van deze jongen. Ik hoorde een knal, zag dat de jongen zich omdraaide en langzaam naar de grond ging. Ik zag een rode bloedvlek boven zijn knie. Ik zag vervolgens dat de persoon die had geschoten achter een andere persoon plaatsnam op een rode scooter en vertrokken in de richting van Kanaleneiland Zuid.17

9. Verklaring van [getuige 2]

Op 3 april 2013 zag ik dat er drie mannen het winkelcentrum Kanaleneiland uit kwamen rennen. Twee mannen werden achtervolgd door een kale man. Ik zag dat één van de mannen een vuurwapen richtte op de benen van de kale man. Ik hoorde een knal en zag dat de kale man in elkaar zakte. Ik zag dat de twee mannen op een scooter stapte. Deze scooter had geen kentekenplaten. De scooter reed weg in de richting van de Marco Pololaan te Utrecht.18

10. Verklaring van [getuige 3]

Op 3 april 2013, omstreeks 15:30 uur stond ik met mijn auto bij de verkeerslichten gelegen aan de kruising met de Marco Pololaan met de Churchilllaan. De voorzijde van mijn auto stond richting de Trumanlaan toen ik een scooter zag die mij in tegenovergestelde richting met hoge snelheid passeerde in de richting van de Vasco Da Gamalaan. Ik zag dat op de scooter twee personen zaten en dat één van de opzittende het spatbord eraf trapte. Ik zag dat het spatbord op de grond terechtkwam.19

11. Verklaring getuige [getuige 4]

V: U bent op 3 april 2013 getuige geweest van een strafbaar feit. Wat kan u ons daarover verklaren?

A: Ik zag dat een politieagent een petje heeft opgepakt van de straat. Dat petje was afkomstig van één van de scooterrijders. Het waren er twee met zwarte jassen.

V: Waarom was dat petje zo belangrijk dan?

A: Omdat ik hem van zijn hoofd zag waaien. Die scooter ging zo snel.20

V: Waarom was dat petje zou belangrijk dan?

A: Omdat ik hem van zijn hoofd zag afwaaien. Die scooter ging zo snel. Mijn aandacht werd getrokken omdat hij een hoop lawaai maakte. Het was het geluid van slepend polyester. Ik denk dat er een stuk van de kap was afgebroken. Ik zag dat ook wapperen.

V: Hoe laat was dat?

A: 3 april 2013 tussen 15.00 en 15.30 uur.

V: Wat kunt u verder nog vertellen over die scooter?

A: Dat er twee jongens op zaten.

V: Van wie was dat petje dat afvloog?

A: Volgens mij van de bestuurder.

O: Aan de getuige wordt via Googlemaps de omgeving van de Marco Pololaan in Utrecht getoond.

A: Als ik het zo zie dan stond ik op de Afrikalaan. Ik zag dat de jongens op de scooter vanuit de richting van de Marco Pololaan kwamen. Ik zag dat ze verder de Afrikalaan opreden.21

12. Het aantreffen van het zwarte petje

Op 3 april 2013 omstreeks 15:30 uur, vernam ik dat er in het winkelcentrum Kanaleneiland, gevestigd aan het Hammarskjoldhof te Utrecht, mogelijk een overval plaats zou vinden.

Ik ben hierop met collega’s De Groot en Koolwijk richting het genoemde winkelcentrum gereden.

Wij vernamen dat er twee daders op een scooter gestapt zouden zijn en in de richting van de Afrikalaan te Utrecht zouden zijn gereden. Ik zag toen wij over de Marco Pololaan reden een zwart stuk plastic op het wegdek liggen. Ik zag dat dit leek op een voorspatboard van een scooter.

Op het gedeelte Afrikalaan, gelegen tussen de Marco Pololaan en de Columbuslaan,

zag ik midden op het wegdek een zwart petje liggen. Ik stopte hierop ons dienstvoertuig en zag dat collega’s Koolwijk en De Groot het zwarte petje middels voorgeschreven wijze hebben veiliggesteld. Op dat moment werd ik aangeroepen en gewenkt door een mij onbekende man. Deze man zat in een witte bestelbus, welke stond geparkeerd op de Afrikalaan, ongeveer 15 meter vanaf de plaats waar wij het petje hadden aangetroffen. De man deelde mij het volgende mede: “Er kwam net een scooter voorbij met een noodgang. Er zaten twee mannen op. Een van22 de mannen had het petje op wat u daar heeft aangetroffen.”

Het zwarte petje is door mij inbeslaggenomen. Het petje is door mij overhandigd aan collega Adham.23

13. Het proces-verbaal sporenonderzoek

Op 3 april 2013 ontving ik uit handen van S.A. Adham een petje, dat was verpakt in een papieren zak. Het petje zou door een opzittende van een motorscooter zijn verloren op de Afrikalaan te Utrecht.24

De bestuurder en passagier die op de betreffende scooter zaten zouden mogelijk betrokken zijn bij een daarvoor gewapende overval, welke op 3 april 2013 omstreeks 15:25 uur had plaatsgevonden op een juwelier aan de Hammarskjoldhof te Utrecht.

De volgende sporen/stukken van overtuiging werden in het belang van de

bewijsvoering en/of nader onderzoek veiliggesteld:

Object : Hoofddeksel (pet)

Aantal/eenheid : 1 petje

Kleur: zwart

SIN : AAGCO112NL

Bijzonderheden : Baseball cap (aangetr. op Afrikalaan).25

14. Verklaring getuige [getuige 5]

Op 3 april 2013 zag ik rond 15:30 uur een scooter voorbij razen met twee mannen erop. Mijn aandacht werd getrokken door de snelheid van de scooter en omdat er plastic los hing aan de voorkant van de scooter. Ik realiseerde mij dat zij hun gezichten bedekt hadden. Ik zag dat ze de [straatnaam] opreden.26

Onderzoek [straatnaam]

15. Aantreffen vuurwapen

Op 3 april 2013 heb ik, in verband met een overval aan de Hammerskjoldhof plaatsgenomen aan de achterzijde van de [straatnaam] . In de achtertuin van het eerste portiek zag ik twee op vuurwapens gelijkende voorwerpen liggen, alsmede en zwarte muts. Ik heb deze voorwerpen in beslaggenomen.27

16. Sporenonderzoek achterzijde flatgebouw [straatnaam]

Op 3 april 2013 werd een onderzoek ingesteld in verband met een gewapende overval op een juwelier aan de Hammarskjoldhof [nummer] te Utrecht. Het onderzoek is verricht aan de [straatnaam] in Utrecht (tuin aan de achterzijde).

In de tuin, die direct was gelegen naast perceelnummer [nummer] werden tegen de achtergevel van de woning, nabij de haag die diende als afscheiding met perceel [nummer] twee vuurwapens en een muts aangetroffen. Eén vuurwapen betrof een gaspistool. Het tweede vuurwapen betrof een pistool van het merk Walther, kaliber. 22 (AAGC0121NL). Deze voorwerpen zijn veiliggesteld voor onderzoek.28

17. Aantreffen van een scooter in de kelderbox

Op 3 april 2013 was ik belast met een onderzoek die dezelfde dag was gepleegd op een juwelier in winkelcentrum Kanaleneiland te Utrecht. Dit onderzoek is genaamd 09Anjer13.

Op die dag werd door het arrestatieteam een kelderbox geopend op de [straatnaam] [nummer] in Utrecht. Ik zag dat in deze kelderbox een roodkleurige scooter stond die niet was voorzien van een kentekenplaat. Ik rook de geur van benzine en van een recentelijk gebruikte verbrandingsmotor.29

18. Doorzoeking [straatnaam] [nummer]

Op 3 april 2013 werd voormelde woning doorzocht. In de GSM van de moeder van de verdachte wordt een telefoonnummer van ‘ [naam] ’ aangetroffen, te weten [nummer] .30

19. Verklaring moeder verdachte

Op 3 april 2013 werd tussen 18:47 uur en 21:25 uur de woning aan de [straatnaam] [nummer] doorzocht. [naam] verklaarde de vrouw des huizes te zijn. Zij verklaarde het volgende.

Ik heb zes kinderen, waaronder [broer van verdachte] en [verdachte] . Ik weet niet waar [verdachte] is.

De tapgesprekken

20. Het tapgesprek tussen [naam] (de broer van verdachte) en bovenbuurman [naam]

Datum tijdstip 3 april 2013: 23:12 uur.

[naam] (NNman 1) belt uit met [naam] (NNman2).

NNman 2: [nummer]

NNman 1: [nummer]

NNman l: buurman! Ben je daar nog?

NNman 2: hallo broertje, ja ik ben hier nog, met de jongens.

Op de achtergrond (ver weg, niet goed hoorbaar) wordt door een ander man

(NNman 3) iets gezegd tegen NNman 2.

NNman 3: zeg tegen hem of ik ehh (niet hoorbaar).

NNman 2: hee, die lange vraagt je of hij bij zijn oma kan slapen.

NNman l: wat zeg je?

NNman 2: bij oma, bij oma, of hij daar kan pitten.

NNman l: je moet tegen hem zeggen, dat hij een elders een plek moet gaan zoeken

NNman 2: Ja, beter niet.

NNman l: hoezo? hij kan oprotten. Hij gaat haar ook dadelijk laten schrikken.

NNman 2: inderdaad dat arme mens, je hebt gelijk, man.

Nnman l: hij is ziek. Je moet tegen hem zeggen “ga maar naar Hoog Catherijne”, klaar.31

21. De stemherkenning

Naar aanleiding van een diefstal met geweld werd een

opsporingsonderzoek ingesteld onder de naam 09ANJER13. Op 3 april 2013 is er een onderzoek telecommunicatie gestart naar de gebruiker, zijnde een

betrokkene in het opsporingsonderzoek, van het telefoonnummer [nummer] . Dit telefoonnummer is vermoedelijk in gebruik bij [broer van verdachte] om reden dat het voornoemde telefoonnummer was opgeslagen onder de naam ‘ [naam] ’ in het telefoontoestel van [naam] , zijnde de moeder van [broer van verdachte] en [verdachte] .

Stemherkenning [broer van verdachte] :

Op 3 april 2013 om 23:12 uur komt er een gesprek tot stand tussen de mannelijke gebruiker van het telefoonnummer [nummer] en de mannelijke gebruiker van het telefoonnummer [nummer] .32

Tijdens het beluisteren van het telefoongesprek hoorde ik de stem van een persoon die ik direct herkende, als de stem van [broer van verdachte] .33

22. Het verhoor van [broer van verdachte]

V: Hebben je broers ook bij namen?

A: [verdachte] wordt door anderen Lange genoemd, vanwege zijn lengte.

O: Wij verbalisanten laten de getuige een gesprek horen (gesprek het hof begrijpt: het tapgesprek zoals hierboven onder 10 is vermeld) die hij heeft met het nummer [nummer] .

V: Herken je deze stem en wie is dat?

A: Ik herken mijn stem.

V: Je noemt hem buurman, wie bedoel je daarmee dan?

A: Dat is buurjongen, hij heet [naam] . Hij woont boven ons.

V: In het telefoongesprek dat we je net hebben laten horen zegt [bovenbuurman] tegen je: “ die lange vraagt of hij bij zijn oma kan slapen en mag slapen. Herken je dit gesprek”?

A: Ja dat herken ik. Ik herken min of meer mijn stem wel en ook de stem van [bovenbuurman] .34

23. Het tapgesprek tussen [bovenbuurman] en zijn vrouw [naam]

Naar aanleiding van een op woensdag 3 april 2013 omstreeks 15.25 uur gepleegde gewapende overval op een juwelier welke is gevestigd in het winkelcentrum in Kanaleneiland is een onderzoek gestart onder de naam 09Anjer13.

Gedurende dit onderzoek werd er telecommunicatie opgenomen. Een van de telefoonnummers welke werd opgenomen betrof het telefoonnummer [nummer] .

Ik zag en hoorde het volgende gerelateerd aan opgenomen telecommunicatie van het telefoonnummer [nummer] :

Gesprek 49

Dat op 4 april 2013, omstreeks 14:47 uur, de gebruiker van het telefoonnummer [nummer] werd gebeld door de gebruiker van het telefoonnummer [nummer] .

Dit gesprek wordt hieronder weergegeven:

[naam] wordt gebeld door [naam] .

M: hallo.

V: Ehhh.. .euhhh.... Wat heb je in die blauwe tas gedaan?

M: Ohh....houd je mond..ik heb dat toch gisteren tegen je gezegd of niet.

V: Nou... wat is die toch gek???

M: Euhh...nee..gaje....

V: Je bent echt gek? Je bent echt helemaal gek en het is overdag ook nog.

M: Nee, ik ga die in de container van goederen stoppen. Ken je de containers, afval glas en zo.

M: Begrijp je wel? Het moet niet opvallen.

V: Ja, overdag, mensen verraadden anderen.35

Onderzoek gebruikers telefoonnummer [nummer] en [nummer]

Uit zoekslag in de interne politiebronnen, te weten BlueView, bleek dat het nummer [nummer] in gebruik was bij:

Naam : [vrouw bovenbuurman]

Wonende : [straatnaam] te Utrecht

Uit onderzoek van de Gemeente Basisadministratie bleek dat het adres [straatnaam] [nummer] te Utrecht, tevens stonden ingeschreven:

Naam : [bovenbuurman]

Uit de Gemeente Basisadministratie bleek dat [vrouw bovenbuurman] en [bovenbuurman] zijn gehuwd.

Uit onderzoek van gegevens van het Rijksdienst van Wegverkeer (aangeduid met RDW) bleek dat op 4 april 2013, [vrouw bovenbuurman] , een Volkswagen Golf, kleur zwart en voorzien van het kenteken [nummer] op naam had staan.

Bovenstaande gegevens werd doorgeven aan leden van het observatieteam.36

Leden van het observatieteam hebben zich hierop geconcentreerd op de gebruiker van het telefoonnummer [nummer] .

Zij zagen onder andere dat de gebruiker van het telefoonnummer [nummer] als bestuurder instapte in een Volkswagen Golf, voorzien van het kenteken [nummer] .

Naar aanleiding van de bevindingen van het observatieteam en bovenstaande gesprekken werd de gebruiker van het telefoonnummer [nummer] aangemerkt als zijnde:

Naam : [bovenbuurman]

Wonende : [straatnaam] [nummer] te Utrecht

Uit niet in dit proces verbaal opgenomen gesprekken bleek dat de gebruikster van het telefoonnummer [nummer] , werd aangesproken met de naam “ [naam] ”. De gebruiker van het telefoonnummer [nummer] werd hierdoor aangemerkt als zijnde:

Naam : [vrouw bovenbuurman] .37

Observatie van [bovenbuurman] en aantreffen tas met kleding

24. Observatie [bovenbuurman]

Op 4 april 2013 werd [bovenbuurman] stelselmatig geobserveerd. Daarbij werden de volgende waarnemingen gedaan.

Omstreeks 17.06 uur zag ik, Q-15, dat:

-De Golf [nummer] vanaf de Jan Cornelis Maylaan te Utrecht wegreed.

- [bovenbuurman] als bestuurder en NN1 als bijrijder in de Golf [nummer] zat.

Omstreeks 17.11 uur zag ik, Q-110, dat:

-De Golf [nummer] op de Bernadottelaan te Utrecht met de kruising Trumanlaan

ter hoogte van een aantal vuilcontainers stopte.

- [bovenbuurman] uit de Golf [nummer] stapte en de achterklep van het voertuig opende.

- [bovenbuurman] uit de achterbak een blauwe plastic zak haalde.

- [bovenbuurman] deze blauwe plastic zak in de daar aanwezige kledingcontainer gooide.

- [bovenbuurman] weer in de Golf [nummer] stapte en wegreed.

Ik, Q-81, zag dat deze blauwe plastic tas een tas betrof van het merk Albert Heijn.38

25. De kledingcontainer

Ik verklaar dat nadat [bovenbuurman] op 4 april 2013 omstreeks 17.11 uur de blauwe plastic zak weggooide in een kledingcontainer gelegen aan de kruising Trumanlaan met de Bernadottelaan te Utrecht, de kledingcontainer onder observatie is gebleven tot dat deze werd overgedragen aan het tactisch team. Er zijn geen andere spullen in de kledingcontainer gegooid nadat [bovenbuurman] de blauwe plastic tas weggooide en het tactisch team het van het observatieteam overgenomen had.39

26. Aantreffen tas met kleding in de container

Door mij werd een onderzoek naar sporen verricht in verband met een overval gepleegd op woensdag 3 april 2013.

Door mij werd een onderzoek verricht aan kledingstukken.

De kledingstukken werden op 4 april 2013 aangetroffen in een ondergrondse

kledingcontainer aan de openbare weg Bernadottelaan/Trumanlaan te Utrecht en waren tezamen verpakt in een plastic draagtas van Albert Heijn.

De aangetroffen goederen in de tas betroffen:

  • -

    een zwart regenjack, bovenzijde zwart, onderzijde blauw, afgescheiden met brede fluorescerende bies (AAFU2986NL);

  • -

    een busje traangas aangetroffen in de linker jaszak van bovengenoemd regenjack;

  • -

    een regenbroek, zwart van kleur met een horizontale grijze fluorescerende bies (AAFU2985NL);

  • -

    een blauw regenjack, bovenzijde blauw, onderzijde zwart, afgescheiden met smalle

fluorescerende witte bies (AAFU2987NL);

- een glasscherf, welke zich tussen het hiervoor genoemde opgevouwen regenjack

(bovenzijde blauw/onderzijde zwart) bevond (AAFU2981NL);

  • -

    een paar sneakers, merk Hugo Boss, zwart van kleur (AAFU2983NL);

  • -

    een paar sneakers, merk Recopa, zwart van kleur (AAFU2982NL).

De kledingstukken werden door mij op een steriel laken gefotografeerd, waarna ze in het steriele laken werden verpakt in een papieren zak.

Het glasmonster, de spuitbus, de draagtas van Albert Heijn, werden eveneens elk afzonderlijk in een papieren zak verpakt.40

Technisch onderzoek kleding, glas en wapen

27. Schotrestendeeltjes op de blauwe regenjas

Regenjack AAFU2987NL

Op de stubs waarmee delen van de mouwen van dit regenjack zijn bemonsterd, zijn bij het onderzoek 37 categorie A deeltjes aangetroffen. Met het aantreffen van categorie A deeltjes wordt een vrijwel zekere relatie aangetoond met een schietproces.41

28. DNA-profielen op de aangetroffen kleding en pet

De onderzoeksresultaten van het NFI

Onderzoek naar biologische sporen naar aanleiding van een gewapende overval gepleegd in Utrecht op 3 april 2013.

DNA-onderzoek

Onderstaand onderzoeksmateriaal is onderworpen aan een standaard DNA-onderzoek:

- AAFU2983NL#01 een bemonstering van de binnenkant van een rechterschoen (hiel, zijkanten en onderzijde lip);

- AAFU2983NL#02 een bemonstering van de binnenkant van een linkerschoen (hiel, zijkanten en onderzijde lip);

- AAFU2985NL#01 een bemonstering van de binnenzijde van de tailleband van een regenbroek;

- AAFU2986NL#01 een bemonstering van de binnenzijde van de kraag van de zwarte regenjas;

- AAFU2986NL#02 een bemonstering yen de binnenzijde van de rechtermanchet van de zwarte regenjas;

- AAFU2987NL#01 een bemonstering van de binnenzijde van de kraag van de blauwe regenjas;

- AAFU2987NL#02 een bemonstering van de binnenzijde van de rechtermanchet van de blauwe regenjas;

- AAGC0112NL#01 een bemonstering van de voorzijde van de binnenrand van een petje.

SIN: AAFU2983NL#01

DNA-profiel van een man, verdachte [verdachte] .

Matchkans (de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dit DNA-profiel): kleiner dan 1 op 1 miljard

SIN: AAFU2983NL#02

Onvolledig DNA-mengprofiel van minimaal twee personen, waaronder

- verdachte [verdachte]

Matchkans: niet berekend

SIN:AAFU2985NL#01

Onvolledig DNA-mengprofiel van minimaal drie personen, waaronder

- verdachte [medeverdachte]

- minimaal twee andere personen waarbij de verdachte [verdachte] niet kan worden uitgesloten

Matchkans: niet berekend.

SIN: AAFU2986NL#01

DNA-mengprofiel van minimaal twee personen.

Afgeleid DBA-hoofprofiel verdachte [medeverdachte]

Matchkans: kleiner dan 1 op 1 miljard

SIN: AAFU2986NL#02

Additionele relatief zwak aanwezig DNA-kenmerken: minimaal één persoon waarbij verdachte [medeverdachte] niet kan worden uitgesloten.

Matchkans: niet berekend.

SIN: AAFU2987NL#01

DNA-mengprofiel van minimaal vier personen, waaronder verdachte [verdachte] .

Matchkans: niet berekend.

SIN: AAFU2987NL#02

DNA-mengprofiel van minimaal twee personen

Afgeleid DNA-hoofdprofiel verdachte [verdachte]

Matchkans: kleiner dan 1 op 1 miljard.

SIN: AAGC0112NL#01

DNA-mengprofiel van (minimaal) twee personen, waaronder verdachte [medeverdachte] .

Matchkans: ongeveer 1 op 330 miljoen. 42

29. Glasscherfvergelijkend onderzoek

Conclusie:

Hypothese 1

De tussen de kleding aangetroffen glasscherf (AAFU2981NL) is afkomstig van de vitrineruit uit de juwelier, waartoe het referentieglas (AAFW4950NL) heeft behoord.

Hypothese 2

De glasscherf (AAFU2981NL) is afkomstig van (een) willekeurig andere ruit(en) of glazen object(en) dan de vitrineruit, waartoe het referentieglas (AAFW4950NL) heeft behoord.

Voor de glasscherf (AAFU2981NL) geldt dat de resultaten van het glasvergelijkend onderzoek veel waarschijnlijk zijn wanneer dit glasdeel afkomstig is van de vernielde vitrineruit, waartoe het referentieglas (AAFW4950NL) heeft behoord (hypothese 1) dan wanneer het afkomstig is van een willekeurige andere ruit of glazen voorwerp (hypothese 2).43

30. Vergelijkend onderzoek huls en pistool

Hypothesestelling huls (AAFW4943NL) en pistool (AACG0121NL)

Hypothese 1: de huls is verschoten met het pistool.

Hypothese 2: de huls is verschoten met een ander vuurwapen van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken als het pistool.

Resultaten

Tijdens het vergelijkend onderzoek tussen de afvuursporen in de huls en die in de proefhulzen uit het pistool is gebleken dat:

- De oneffenheden in de slagpinindrukken overeenkomen;

- De kraslijnen in de kamerwandsporen aansluiten;

- In de overige sporen geen kenmerkende overeenkomsten of verschillen werden waargenomen

Interpretatie van de resultaten

De waargenomen overeenkomsten tussen de sporen in de huls en de proefhulzen passen goed bij de hypothese dat de huls is verschoten met het pistool (hypothese 1). Op basis van de structuur van de onregelmatigheden in de sporen veroorzakende onderdelen van pistool (AACG0121NL) zijn de sporen als zeer kenmerkend voor dit pistool beoordeeld. Hierdoor is nagenoeg uitgesloten om deze mate van overeenkomst waar te nemen als de huls verschoten is met een ander vuurwapen dan voornoemd pistool (hypothese 2).

Conclusie

De bevindingen van het vergelijkend hulsonderzoek zijn zeer veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 juist is, dan wanneer hypothese 2 juist is.44

Verklaringen van [vrouw bovenbuurman] en [bovenbuurman]

31. Verklaring van [vrouw bovenbuurman]

Op 3 april 2013 werd er omstreeks 16:10 uur hard op de deur gebonsd. Voor de deur stond mijn buurjongen van één hoog. Toen ik de deur opende vlogen deze buurjongen en een andere jongen mijn huis binnen. Ik ben de hele dag met mijn kinderen op de slaapkamer gebleven. Ik heb gezegd dat ze weg moesten gaan. Ze zeiden dat mijn kinderen geen geluid moesten maken. Ik heb met mijn man gebeld. Ik heb gezegd dat er twee jongens in huis waren. Op een gegeven moment kwam de politie aan de deur maar de grote jongen zei dat ik niet open mocht doen.45

32. De verklaring van [bovenbuurman]

Oké, ik woon op 3 hoog. Een verdachte woont op 1 hoog. De andere woont tegenover mij. Ik heb gelezen dat hij [medeverdachte] heet.

De twee jongens zaten bij mij thuis. Ik was bij mijn ouders. Mijn vrouw zat thuis met de kinderen. Ik kreeg een telefoontje van mijn vrouw. Ze was heel bang en overstuur. Mijn vrouw huilde en schreeuwde. Ze zei die jongens zijn hier. Ik ben naar huis gegaan. Ik zag dat alles door de politie afgesloten was. Toen belde [broer van verdachte] . [verdachte] is het broertje van [naam] . Hij belde en hij zei: heb je gehoord wat mijn broertje die klootzak heeft gedaan. Ik zei, ja, je broertje die klootzak, die zit bij mij binnen. [naam] doelde op wat er allemaal was gebeurd in Kanaleneiland. Hij doelde op de overval op de juwelier. Toen begon de politie naar binnen te gaan en overal aan te bellen. Mijn vrouw zat met de kinderen in de slaapkamer. De twee jongens zaten in de huiskamer. Ik heb dat later van mijn vrouw gehoord. De politie ging aanbellen. De jongens zeiden: niet opendoen. Dat heb ik ook later van mijn vrouw gehoord. De politie is niet binnengekomen in de woning. Toen de politie weg was, ben ik de woning in gegaan. Mijn vrouw was paniekerig, zij lag in bed. En die twee jongens, die klootzakken zaten gewoon in de huiskamer.

U vraagt mij of ik de jongens heb herkend. Een was de buurman van beneden. Ik bedoel daarmee [verdachte] . De ander was van tegenover.

U vraagt mij naar de 2 jongens in de woning. U vraagt mij naar de jongen van tegenover die in de woning was. U vraagt mij of het [medeverdachte] was. Ik wist eerst niet van de naam van de jongen totdat ik het in het dossier las. De andere jongen herkende ik als [verdachte] . Ik zag de jongen van tegenover wel eens vaker met [verdachte] . Die twee gingen met elkaar om. Ze waren onafscheidelijk.

U vraagt mij of ze gezegd hebben waarom ze gezocht werden. Ja, ze zeiden dat ze gezocht werden. Ze zeiden wel: “Wij zijn het van het winkelcentrum overval”.46

De verklaring van verdachte

Eerst ter terechtzitting van het hof van 9 januari 2015 heeft verdachte, nadat hij zich daarvoor tijdens zijn verhoren bij de politie en tijdens het onderzoek in eerste aanleg op zijn zwijgrecht had beroepen, een bekennende verklaring afgelegd.

33. De verklaring van verdachte

Op 3 april 2013 heb ik een overval gepleegd op Juwelier [slachtoffer 2] in Kanaleneiland te Utrecht. Ik heb deze overval samen met iemand anders gepleegd.

Ik ben voor de overval naar mijn buurjongen [medeverdachte] gegaan en heb ik hem gevraagd of hij mee wilde doen met de overval. Ik ben samen met [medeverdachte] twee keer bij de juwelier gaan kijken.

Ik en de persoon met wie ik de overval heb gepleegd, hadden voor de overval een taakverdeling gemaakt wie wat moest doen. Hij was de bestuurder van de scooter en zou het overzicht houden. Ik zou de vitrines in slaan.

Ik heb geschoten. Ik waarschuwde de man nog dat hij moest oprotten of dat ik zou schieten. Hij bleef achter mij aan lopen. De mededader zat al op de scooter. Ik kon achterop springen en toen reden we weg. De scooter stond al aan. We zijn via de Marco Pololaan gegaan richting het politiebureau, bij de derde straat de Afrikalaan in naar rechts, toen de tweede links, toen de Columbuslaan op, toen links de Rooseveltlaan en toen rechts de [straatnaam] .

Bij de [straatnaam] hebben we de scooter in de schuur gezet en zijn we naar boven gerend, naar de derde verdieping. We hebben onze wapens bij de schuur neergegooid. We zijn naar de derde verdieping gegaan en niet naar mijn huis omdat we dachten dat de politie naar mijn huis zou komen. Ik kende de bewoners van het huis waar we heen gingen alleen maar van goedendag zeggen.

Ik klopte op de deur en werd binnen gelaten door de bewoonster. Ik zei dat ik gezocht werd voor een oude zaak. De politie is bij haar aan de deur geweest. Ik zei tegen haar dat het beter was als zij in de slaapkamer bleef bij de kinderen en dat ik in de woonkamer was.

Ik had de vluchtroute van tevoren uitgestippeld en we hadden een taakverdeling gemaakt. Ik zou de vitrines leeg maken en de ander zou de juwelier in de gaten houden. Ik zat achterop de scooter.

Ik ben twee keer met [medeverdachte] naar de juwelier gegaan om te verkennen. We zijn twee keer lopend gegaan. We liepen langs de juwelier, we keken waar het goud, het zilver en de waardevolle spullen lagen. Dat kun je allemaal van buitenaf zien. We gingen voor de juwelen. Het was voor mij duidelijk dat we juwelen gingen stelen omdat het een juwelier was.47

Overweging medeplegen

De raadsman heeft ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde betoogd dat de persoon die niet heeft geschoten (in de ogen van het hof: de medeverdachte), niet als medepleger kan worden aangemerkt.

Het hof volgt het betoog van de raadsman niet.

Verdachte en de medeverdachte hebben de overval zorgvuldig gepland en zijn ter voorbereiding van die overval meermalen bij de juwelier op voorverkenning geweest. Ook was er sprake van specifieke taakverdeling. De medeverdachte zou de bestuurder van de scooter zijn. Hij zou ook het overzicht houden en de juwelier in de gaten houden. De verdachte zou de vitrines in slaan. Uit de bewijsmiddelen volgt dat aan deze voorgenomen taakverdeling daadwerkelijk gevolg is gegeven. De medeverdachte heeft de juwelier - omdat deze zich niet hield aan de sommatie van verdachten geknield te blijven - met een bijtende vloeistof in zijn ogen gespoten, zodat verdachte zich ongestoord kon bezighouden met het inslaan van de vitrines en de roof van de juwelen. De verdachten zijn vervolgens samen gevlucht en hebben daarbij omstanders met vuurwapens bedreigd. Verdachte heeft uiteindelijk gericht op een omstander geschoten die de vlucht wilde verhinderen en heeft hem in zijn been geraakt. Vervolgens zijn beide verdachten op een scooter, die door de medeverdachte werd bestuurd, met de buit gevlucht volgens een tevoren door de verdachte uitgestippelde route.

Het gebeurde heeft, vanaf het moment dat de verdachten het winkelcentrum betraden tot aan het neerschieten van de omstander, minder dan negentig seconden in beslaggenomen. Het neerschieten van de omstander maakte derhalve deel uit van de overval. De overval vond plaats op woensdagmiddag in een winkelcentrum. Verdachten moesten er dan ook ernstig rekening mee houden dat zij tijdens de overval of tijdens de vlucht tegenstand zouden ondervinden van derden. Dat zij zich dit hebben gerealiseerd blijkt uit het feit dat verdachten zich hebben bewapend en ook gebruik hebben gemaakt van die wapens (vuurwapens en traangas) teneinde de buit veilig te stellen en een veilige aftocht te garanderen. Het gebruik van wapens lag dus in het (overval)plan van de verdachten besloten.

Het hof is van oordeel dat de voor omschreven wijze waarop de beide verdachten zijn gevlucht als een waarschijnlijke mogelijkheid besloten lag in de eerdere nauwe en bewuste samenwerking met het oog op de voorgenomen overval. Aldus kan worden gezegd dat ook wat betreft de vlucht - waarbij op de omstander is geschoten door de verdachte - zo nauw en bewust is samengewerkt dat van medeplegen kan worden gesproken. Dat de medeverdachte een gaspistool had, doet daaraan niet af.

Dat de medeverdachte niet op de hoogte zou zijn geweest van het feit dat verdachte een echt wapen zou meenemen naar de overval acht het hof niet aannemelijk gelet op de uitvoerige voorbereiding en taakverdeling bij de overval.

Een contra-indicatie voor het bestaan van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte bij het afvuren van een kogel op de omstander zou nog kunnen worden gevonden in de verklaring van de verdachte ter terechtzitting van het hof van 9 januari 2015 waar hij met betrekking tot de vlucht namelijk heeft verklaard:

“We hebben het niet gehad over wat we zouden doen als het fout zou gaan”

en

“Het was zo dat het ieder voor zich was, als je kunt ontkomen, ontkom je. Dus niet samen uit samen thuis”.

Het hof hecht geen geloof aan deze verklaring nu deze verklaring zich niet verhoudt met de handelwijze van de verdachten op hun vlucht. Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de verdachte in zijn vlucht werd gehinderd door de omstander, waarna hij deze heeft neergeschoten. Hiermee heeft hij niet alleen voor zichzelf de vlucht mogelijk gemaakt, maar ook voor de medeverdachte. De medeverdachte heeft zich op geen enkel moment gedistantieerd van deze handeling van verdachte. Integendeel. De medeverdachte, die de scooter als eerste kon bereiken, heeft na het schot - dat hij op zijn minst gehoord moet hebben - op de verdachte gewacht. Vervolgens zijn zij volgens een tevoren uitgestippelde route gevlucht en hebben zij zich samen urenlang in de woning van getuige [bovenbuurman] schuilgehouden.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

Subsidiair

hij op of omstreeks 3 april 2013 te Utrecht tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een schotwond met slagaderlijke bloeding in het bovenbeen), heeft toegebracht, door opzettelijk met een vuurwapen een kogel af te vuren op die [slachtoffer] .

2.


hij op of omstreeks 3 april 2013 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid (gouden) sieraden, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan juwelier [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] (beveiliger van het winkelcentrum Kanaleneiland) en/of [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s)

- een (vuur)wapen hebben/heeft gericht op, althans getoond, aan die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 2] een bijtende, (vloei)stof in diens ogen/gezicht hebben/heeft gespoten en/of gesproeid en/of

- een (vuur)wapen hebben/heeft gericht op, althans getoond aan, die [slachtoffer 3] en/of tegen die [slachtoffer 3] hebben/heeft gezegd: "Ga weg en anders schiet ik, oprotten" en/of

- met een vuurwapen een kogel hebben/heeft afgevuurd op het lichaam van die [slachtoffer] .

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde levert op:

de eendaadse samenloop van

medeplegen van zware mishandeling

en

diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

Het vonnis van de rechtbank

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaren.

De eis van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft - net als de officier van justitie - oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren gevorderd.

Het oordeel van het hof

Verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachte schuldig gemaakt aan een zorgvuldig geplande overval op een juwelier, welke is gevestigd in een winkelcentrum in Utrecht. Bij die overval hebben de zij gebruik gemaakt van vuurwapens. Zij hebben de eigenaar van de juwelier met een bijtende stof in zijn ogen gespoten, de vitrines ingeslagen en zijn er met een grote buit aan juwelen vandoor gegaan. Tijdens hun vlucht hebben de verdachten een toegesnelde bewaker bedreigd met een vuurwapen en een omstander die de hen wilde tegenhouden in zijn been geschoten.

Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de voor omschreven ernst van het feit, slechts worden volstaan met oplegging van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van langere duur.

In strafverzwarende zin houdt het hof daarbij nog rekening met de volgende factoren.

  • -

    De kogel die de omstander in zijn been heeft geraakt, heeft een slagaderlijk bloeding veroorzaakt. De omstander is geopereerd aan zijn been en heeft zijn been ternauwernood kunnen behouden.

  • -

    De overval vond plaats op woensdagmiddag in een winkelcentrum waar op dat moment winkelend publiek aanwezig was. Niet alleen de eigenaar van de juwelier, de bewaker en de omstander zijn slachtoffer geworden van de overval maar ook dit winkelend publiek. Onder dat publiek bevonden zich in ieder geval ook een oudere mevrouw met een rollator, een jongeman/kind - dat is bedreigd met een vuurwapen - en een klein meisje dat moet hebben gezien dat de omstander die de daders probeerde te stoppen, door hen is neergeschoten. Dit moet - zeker voor de jonge kinderen - een beangstigende en traumatische gebeurtenis zijn geweest.

  • -

    Verdachte en de medeverdachte hebben slechts op een gewelddadige en snelle manier aan geld willen komen en zich daarbij op geen enkel moment bekommerd om hun slachtoffers. Bovendien versterkt een feit als het onderhavige in de samenleving bestaande gevoelens van onrust en onveiligheid, met welke gevoelens de verdachten evenmin rekening hebben gehouden.

  • -

    Verdachte en de medeverdachte zijn na de overval binnengedrongen in de woning van de bovenbuurvrouw van verdachte en haar twee kinderen. De verdachten hebben hen, eenmaal in de woning, naar de slaapkamer verbannen. Ook is de buurvrouw gesommeerd niet open te doen toen de politie bij haar aan de deur kwam. Daarmee hebben de verdachten de buurvrouw en haar kinderen feitelijk van hun vrijheid beroofd. Dat dit zeer beangstigend is geweest volgt uit de hierboven voor het bewijs gebezigde verklaring van [bovenbuurman] .

  • -

    Verdachte is blijkens het uittreksel justitiële documentatie van 21 december 2015 eerder ter zake een vermogensdelict onherroepelijk veroordeeld tot een vrijheidsstraf. Deze straf heeft hem er kennelijk niet van weerhouden opnieuw een vermogensdelict te begaan, waarbij ditmaal bovendien veel geweld is gebruikt.

  • -

    Verdachte heeft geen enkel inzicht getoond in de ernst van de door hem begane strafbare feiten en daarvoor ook geen enkele verantwoordelijkheid genomen. Verdachte heeft zich aanvankelijk op zijn zwijgrecht beroepen. Eerst tijdens de procedure in hoger beroep heeft verdachte weliswaar bekend het tenlastegelegde te hebben begaan maar ook heeft hij samen met zijn medeverdachte in strijd met de waarheid, aan de hand van stukken uit het dossier en het vonnis van de rechtbank, een verhaal geconstrueerd met als doel de betrokkenheid van de medeverdachte bij en diens aandeel in de overval te verhullen. Deze proceshouding rekent het hof de verdachte eveneens in straf verhogende zin aan.

  • -

    Verdachte is niet gemotiveerd voor reclasseringsbegeleiding.

Het hof zal, anders dan de advocaat-generaal, niet ten nadele van verdachte rekening houden met het feit dat naar aanleiding van de gewijzigde proceshouding van de verdachten ter terechtzitting van het hof van 9 januari 2015 nader onderzoek heeft plaatsgevonden. Het is immers de advocaat-generaal die dit onderzoek heeft gevorderd, welke vordering door het hof is toegewezen. Van overige straf verlagende factoren is het hof niet gebleken. Het hof zal dus ook geen rekening houden met het tijdsverloop in de onderhavige zaak, mede omdat verdachte pas op een laat moment met zijn bekennende verklaring is gekomen. Het hof ziet in de jeugdige leeftijd van verdachte ten tijde van het plegen van de overval, gelet op de ernst van de feiten, evenmin reden voor een lagere straf.

Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren passend en geboden. Deze strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 4.058,05, vermeerderd met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep integraal toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 47, 55, 63, 302, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 4.058,05 (vierduizend achtenvijftig euro en vijf cent) bestaande uit € 2.558,05 (tweeduizend vijfhonderdachtenvijftig euro en vijf cent) materiële schade en € 1.500,- (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 3 april 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 3 april 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 4.058,05 (vierduizend achtenvijftig euro en vijf cent) bestaande uit € 2.558,05 (tweeduizend vijfhonderdachtenvijftig euro en vijf cent) materiële schade en € 1.500,- (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 3 april 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 3 april 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Aldus gewezen door

mr. H. Abbink, voorzitter,

mr. R. de Groot en mr. M.J. Stolwerk, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. G.J.B. van Weegen, griffier,

en op 5 februari 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. M.J. Stolwerk is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Voor zover niet anders is vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar de bewijsmiddelen in de ordners 09anjer13. Daarbij gaat het, tenzij anders vermeld, om in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen. De bezigde bewijsmiddelen zijn in dit arrest op een zakelijke wijze weergegeven.

2 Ordner ‘eindverbaal’, p. 10.

3 Ordner ‘zaakdossier I’, p. 172.

4 Ordner ‘zaakdossier I’, p. 173.

5 Ordner ‘zaakdossier I’, p. 174.

6 Ordner ‘zaakdossier I’, p. 187.

7 Ordner ‘zaakdossier I’, p. 188.

8 Ordner ‘zaakdossier I’, p. 191.

9 Ordner ‘zaakdossier I’, p. 192.

10 Ordner ‘zaakdossier I’, p. 193 zijnde een geschrift als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering.

11 Ordner ‘zaakdossier I’, p. 208.

12 Ordner ‘zaakdossier I’, p. 209.

13 Ordner ‘zaakdossier I’, p. 210.

14 Ordner ‘zaakdossier I’, p. 211.

15 Ordner ‘zaakdossier I’, p. 212.

16 Ordner ‘zaakdossier I’, p. 256-260.

17 Ordner ‘zaakdossier I’, p. 247.

18 Ordner ‘zaakdossier I’, p. 255.

19 Ordner ‘zaakdossier I’, p. 369.

20 Ordner ‘zaakdossier I’, p. 358.

21 Ordner ‘zaakdossier I’, p. 359.

22 Ordner ‘zaakdossier I’, p. 309.

23 Ordner ‘zaakdossier I’, p. 310.

24 Ordner ‘zaakdossier I’, p. 373.

25 Ordner ‘zaakdossier I’, p. 374.

26 Ordner ‘zaakdossier I’, p. 355-356.

27 Ordner ‘zaakdossier I’, p. 381.

28 Ordner ‘zaakdossier I’, p. 396, 397 en 399.

29 Ordner ‘zaakdossier I’, p. 394.

30 Ordner ‘zaakdossier I’, p. 387.

31 Ordner ‘zaakdossier II’, p. 552, zijnde een geschrift als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering.

32 Ordner ‘zaakdossier II’, p. 554.

33 Ordner ‘zaakdossier II’, p. 555.

34 Ordner ‘zaakdossier II’, p. 560-562.

35 Ordner ‘zaakdossier II’, p. 495.

36 Ordner ‘zaakdossier II’, p. 496.

37 Ordner ‘zaakdossier II’, p. 497.

38 Ordner ‘zaakdossier II’, p. 621-622.

39 Ordner ‘zaakdossier II’, p. 626.

40 Ordner ‘zaakdossier II’, p. 632-635.

41 Ordner ‘zaakdossier II’, p. 695, zijnde een schriftelijk bescheid, te weten een NFI-rapportage.

42 Ordner ‘zaakdossier II’, p. 652-654, zijnde een schriftelijk bescheid, te weten een NFI-rapportage.

43 Ordner ‘zaakdossier II’, p. 672, zijnde een schriftelijk bescheid, te weten een NFI-rapportage.

44 Ordner ‘zaakdossier I’, p. 441-442, zijnde een schriftelijk bescheid, te weten een NFI-rapportage.

45 De verklaring van [vrouw bovenbuurman] , afgelegd bij de rechter-commissaris in strafzaken in de rechtbank Midden-Nederland, op 2 december 2013.

46 De verklaring van [bovenbuurman] , afgelegd bij de rechter-commissaris in strafzaken in de rechtbank Midden-Nederland, op 2 december 2013.

47 De verklaring van medeverdachte [naam] , afgelegd als getuige in de strafzaak van verdachte ter terechtzitting van het hof op 9 januari 2015.