Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:7958

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-09-2016
Datum publicatie
14-10-2016
Zaaknummer
14/01200
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2014:6507, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanmanings- en betekeningskosten. Dwangsomregeling. Tijdstip ingebrekestelling. Samenhang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/2188
V-N 2017/4.4 met annotatie van Redactie
FutD 2016-2491
FutD 2016-2492
NTFR 2016/2531
NLF 2016/0381 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummer 14/01200

uitspraakdatum: 28 september 2016

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] bv te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 16 oktober 2014, nummer AWB 14/1520, in het geding tussen belanghebbende en

de ontvanger van de Belastingdienst/Kantoor Doetinchem (hierna: de Ontvanger)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is een aanmaning ter zake van de betaling van de aanslag vennootschapsbelasting 2008 (hierna: de aanslag Vpb) toegezonden, waarbij haar € 15 aan kosten in rekening zijn gebracht.

1.2

Belanghebbende is tegen de bij de aanmaning in rekening gebrachte kosten (hierna: de aanmaningskosten) in bezwaar gekomen.

1.3

Aan belanghebbende is een dwangbevel toegezonden, waarbij haar € 40 aan kosten in rekening zijn gebracht.

1.4

Belanghebbende is tegen de bij het dwangbevel in rekening gebrachte kosten van betekening (hierna: de betekeningskosten) in bezwaar gekomen.

1.5

Belanghebbende heeft in twee geschriften de Ontvanger in gebreke gesteld wegens het niet tijdig doen van uitspraken op de onder 1.2 en 1.4 vermelde bezwaarschriften.

1.6

Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar is de Ontvanger aan de bezwaren van belanghebbende ter zake van de in rekening gebrachte aanmanings- en betekeningskosten tegemoetgekomen, waarbij de Ontvanger, naar het Hof begrijpt, heeft vastgesteld dat hij geen dwangsommen verschuldigd is.

1.7

Belanghebbende heeft tegen de afwijzing van de toekenning van de dwangsommen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 16 oktober 2014 ongegrond verklaard.

1.8

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Ontvanger heeft een verweerschrift ingediend.

1.9

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.10

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2016 te Arnhem. Partijen zijn met voorafgaande kennisgeving aan het Hof niet verschenen.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende is belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting.

2.2

De volgende stukken zijn tussen belanghebbende en de Belastingdienst gewisseld:

Dagtekening Afzender Stuk

7 augustus 2010 inspecteur de aanslag Vpb

17 september 2010 belanghebbende bezwaar tegen de aanslag Vpb, belanghebbende heeft om uitstel van betaling verzocht

18 oktober 2010 Ontvanger aanmaning tot betaling van de aanslag Vpb, waarbij € 15 aan kosten in rekening is gebracht

25 oktober 2010, belanghebbende bezwaarschrift tegen de aanmaningskosten (ingekomen op 26 oktober 2010), belanghebbende is van mening dat tijdig bezwaar tegen deze aanslag is ingesteld en om uitstel van betaling is verzocht

10 november 2010 Ontvanger dwangbevel tot betaling van de aanslag Vpb, waarbij € 40 aan kosten in rekening is gebracht

22 december 2010 belanghebbende bezwaar tegen de betekeningskosten (ingekomen op 24 december 2010), belanghebbende is van mening dat tijdig bezwaar tegen deze aanslag is ingesteld en om uitstel van betaling is verzocht

10 december 2013 Ontvanger brief waarin de Ontvanger belanghebbende heeft medegedeeld dat het uitstel van betaling van de aanslag Vpb wordt beëindigd, omdat geen bezwaarschrift tegen deze aanslag (meer) in behandeling is. Belanghebbende dient binnen tien dagen na dagtekening van de brief de aanslag, de rente en de vervolgingskosten te betalen (hierna: de beëindigingsbrief)

17 december 2013 belanghebbende administratief beroep tegen de beslissing tot beëindiging van het verleende uitstel van betaling

19 december 2013 belanghebbende ingebrekestellingen vanwege het niet tijdig beslissen op de bezwaarschriften van 25 oktober en 22 december 2010 (ingekomen op 20 december 2013)

21 januari 2014 Ontvanger uitspraak op bezwaar waarin aan de bezwaren ten aanzien van de in rekening gebrachte aanmanings- en betekeningskosten wordt tegemoetgekomen

2.3

De Ontvanger heeft ter zitting van de Rechtbank verklaard dat automatisch uitstel van betaling is verleend voor de ingediende bezwaarschriften.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of de Ontvanger terecht bij beschikking de dwangsommen op nihil heeft gesteld bij zijn uitspraken op de bezwaarschriften tegen de aanmanings- en betekeningskosten. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de Ontvanger beantwoordt deze bevestigend.

3.2

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken.

3.3

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en de Ontvanger en tot vaststelling van de dwangsommen op € 580 per bezwaarschrift (€ 1.160 in totaal).

3.4

De Ontvanger concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

4.1

Ingevolge artikel 4:17, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) verbeurt het bestuursorgaan, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing. In het derde lid is bepaald dat de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag is waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen. Ingevolge het zesde lid is geen dwangsom verschuldigd indien het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld.

4.2

In de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 4:17 van de Awb (Kamerstukken II 2004-2005, 29 934, nr. 6, blz. 5 en 13) is over het tijdstip waarop in gebreke moet worden gesteld onder meer het volgende opgemerkt:

“De eerste uitzonderingen op de dwangsomregeling is dat geen dwangsom verschuldigd is als het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld. In de term «onredelijk» zit weliswaar ruimte voor interpretatie, maar men mag toch aannemen dat, omdat de burger daar doorgaans belang bij heeft, zo snel mogelijk nadat de beslistermijn is verlopen, wellicht hooguit enkele weken, het bestuursorgaan in gebreke zal stellen. In zijn algemeenheid zal dit niet snel leiden tot meningsverschil over het onredelijk laat in gebreke stellen. Het uitgangspunt is dat de burger er belang bij heeft dat het door hem gevraagde besluit zo snel mogelijk en in ieder geval binnen de wettelijke termijnen wordt genomen. (…) Voor de ingebrekestelling geldt geen termijn, al mag ze ook weer niet onredelijk laat plaatsvinden (zie artikel 4: 17, vijfde lid, onderdeel a).

(…)

Ten eerste is geen dwangsom verschuldigd als het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld (onderdeel a). Een overeenkomstige bepaling is opgenomen in artikel 6:12, derde lid, Awb voor het bezwaar of beroep tegen niet tijdig beslissen. Wat onredelijk laat is, kan niet in zijn algemeenheid worden bepaald. Daarvoor is niet zonder meer doorslaggevend wanneer de oorspronkelijke aanvraag of het bezwaar is ingediend. Wel is van belang of en hoe er nadien van gedachten is gewisseld tussen aanvrager en bestuursorgaan (Zie bijvoorbeeld CRvB 26 februari 2004, LJN AO4639, en ABRvS 20 februari 2002, JB 2002/113).”

4.3

Tijdens de behandeling in de Tweede Kamer (TK II 2005-2006, Handelingen, vergaderingnummer 76, blz. 4726, 26 april 2006) is door één van de indieners van het wetsvoorstel opgemerkt:

“Wij denken dat die onredelijk lange termijn toch wel goed is. We doelen bijvoorbeeld op de situatie dat iemand een aanvraag indient, maar vervolgens niets meer van zich laat horen, nooit meer bij het overheidsorgaan informeert, niet tijdens de periode van zes of acht weken, maar ook niet daarna. Na twee jaar komt er opeens een ingebrekestelling en zou een dwangsom gaan lopen. Dan kun je in reden stellen dat het voor het overheidsorgaan niet echt duidelijk is geworden dat het de aanvrager om een kennelijk urgente zaak ging. Enige actie mag worden verwacht. (…) We praten dus echt over een periode van een jaar of twee jaar waarin men helemaal niets laat horen. Dan is het raar om opeens in gebreke te gaan stellen en heel snel een beslissing te willen. Het is echt bedoeld voor dat soort uitzonderingsgevallen.”

4.4

In de Memorie van antwoord (Kamerstukken I 2006-2007, 29 934, nr. D, blz. 6) heeft de wetgever opgemerkt over de keuze voor een variabele termijn in plaats van een vaste termijn waarbinnen de ingebrekestelling moet plaatsvinden:

“Het is immers de burger die recht heeft op een tijdige beslissing. Het invoeren van een vaste termijn voor een ingebrekestelling zou kunnen betekenen dat een coulante burger die het bestuursorgaan meer tijd gunt om een beslissing te nemen of door dat bestuursorgaan aan het lijntje wordt gehouden, gestraft wordt in die zin dat hij zijn recht op een dwangsom daarmee verspeelt. Bovendien achten de indieners het risico dat een bestuursorgaan pas na lange tijd zal worden geconfronteerd met een ingebrekestelling niet zo groot, aangezien het vrijwel altijd in het belang van de burger zelf zal zijn om zo snel mogelijk een ingebrekestelling te sturen. Om het bestuursorgaan toch niet al te lang in het ongewisse te laten over de verschuldigdheid van een dwangsom hebben wij in ons voorstel wel de bepaling opgenomen dat een ingebrekestelling niet onredelijk laat mag worden ingediend.”

4.5

In het arrest van 13 november 2015, nr.14/01722, ECLI:NL:HR:2015:3293 heeft de Hoge Raad overwogen dat ingevolge artikel 4:17, zesde lid, onderdeel a, van de Awb geen dwangsom is verschuldigd indien het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld. De vraag of daarvan sprake is moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij kan onder meer van belang zijn of het uitblijven van een ingebrekestelling verband hield met bijzondere omstandigheden, zoals bijvoorbeeld een lopend overleg tussen de aanvrager en het bestuursorgaan.

4.6

Vast staat dat belanghebbende tijdig bij aangetekende brieven van 25 oktober 2010 en 22 december 2010 bezwaar heeft gemaakt tegen de aanmaningskosten en de betekeningskosten van het dwangbevel. Gelet op het bepaalde in artikel 7:10, eerste lid, van de Awb bedraagt de beslistermijn voor het doen van uitspraak op bezwaar voor de Ontvanger zes weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. De bezwaartermijn bedraagt zes weken. De dagtekening van de beschikkingen waarbij de aanmanings- en betekeningskosten zijn vastgesteld, is 18 oktober 2010 respectievelijk 10 november 2010. De laatste dag van de beslistermijn was, gelet op artikel 7:10, eerste lid, van de Awb, derhalve 10 januari 2011 respectievelijk 2 februari 2011. De beslistermijn kan in de gevallen genoemd in het tweede, derde en vierde lid van artikel 7:10, van de Awb, worden opgeschort, verdaagd of verder worden uitgesteld, doch daarvan dient op grond van het vijfde lid van dat artikel schriftelijk mededeling te worden gedaan aan belanghebbende. Het Hof is niet gebleken dat de Ontvanger uiterlijk op 10 januari 2011 respectievelijk 2 februari 2011 een dergelijke mededeling aan belanghebbende heeft gedaan, zodat de uitspraken op bezwaar niet tijdig zijn gedaan.

4.7

Uit de door partijen ingezonden stukken blijkt dat de ingebrekestelling bij brief van 19 december 2013 door de Ontvanger op 20 december 2013 is ontvangen. Dit betekent dat de Ontvanger in beginsel een dwangsom heeft verbeurd met ingang van 4 januari 2014.

4.8

De Ontvanger heeft zich op het standpunt gesteld dat hij geen dwangsommen is verschuldigd. Volgens hem heeft belanghebbende de ingebrekestellingen onredelijk laat verzonden gezien het feit dat de bezwaarschriften reeds in het jaar 2010 zijn ingediend, zodat de omstandigheid als bedoeld in artikel 4:17, zesde lid, aanhef en onder a, van de Awb zich voordoet.

4.9

Belanghebbende bestrijdt het standpunt van de Ontvanger dat zij hem onredelijk laat in gebreke heeft gesteld en voert daartoe het volgende aan. Belanghebbende heeft bewust niet gereageerd, nadat zij geen ontvangstbevestigingen van de bezwaarschriften had ontvangen en de uitspraken op bezwaar niet binnen de daarvoor gestelde termijn waren gedaan. Zij had daartoe geen enkel belang en evenmin enige aanleiding, aangezien zij uitstel van betaling genoot. Zij heeft op de afwikkeling van het bezwaar tegen de aanslag Vpb gewacht. Op dit bezwaar had de inspecteur op 10 december 2013, de dagtekening van de beëindigingsbrief, nog geen uitspraak gedaan.

4.10

Belanghebbende ging ervan uit, dat pas nadat uitspraak op bezwaar tegen de aanslag Vpb was gedaan mogelijk de betalingsverplichting voor haar zou herleven. Ook de Ontvanger is hiervan uitgegaan, aangezien hij automatisch uitstel van betaling heeft verleend (zie onder 2.3). Doordat de Ontvanger het uitstel in de beëindigingsbrief heeft opgezegd, bleek belanghebbendes vooronderstelling onterecht te zijn. Zij werd op dat moment geconfronteerd met de plicht binnen korte termijn de vervolgingskosten te betalen, terwijl nog geen uitspraken op bezwaar waren gedaan. Eerst door de beëindiging van het uitstel kreeg zij er belang bij, dat de Ontvanger spoedig uitspraak op de bezwaarschriften zou doen.

4.11

In het onderhavige geval is de bijzondere omstandigheid derhalve gelegen in de gerechtvaardigde verwachting van belanghebbende dat zij de vervolgingskosten niet behoefde te betalen, totdat de Ontvanger de uitspraken op bezwaar had gedaan. Aan deze verwachting kwam abrupt een einde met de beëindigingsbrief van 10 december 2013. Belanghebbende heeft op 19 december 2013 de Ontvanger in gebreke gesteld. Dit is negen dagen nadat het belanghebbende duidelijk is geworden dat zij de vervolgingskosten diende te betalen. Dat is niet onredelijk laat, zodat de Ontvanger zich ten onrechte op het standpunt stelt dat artikel 4.17, zesde lid, aanhef en onder a, van de Awb aan toekenning van dwangsom in de weg staat.

4.12

De Ontvanger stelt dat de termijn van twee weken als bedoeld in artikel 4.17, derde lid, van de Awb eerst aanvangt op 6 januari 2014. Dit is de eerste werkdag na de periode van de kerst en de jaarwisseling. Tijdens die periode is de Belastingdienst gesloten dan wel is hij slechts met minimale bezetting geopend geweest. Belanghebbende bestrijdt dat het haar kenbaar was of kenbaar kon zijn dat de Belastingdienst gesloten was of slechts met een minimale bezetting functioneerde.

4.13

Inherent aan een ingebrekestelling is dat er nog een termijn gegund wordt om aan de verplichtingen te voldoen. De wetgever heeft deze termijn vastgesteld op twee weken. De omstandigheid dat de Belastingdienst in de betreffende periode niet of slechts beperkt bereikbaar was kan niet ten nadele van belanghebbende werken. De eerste dag waarop de dwangsom verschuldigd is, is daarom 4 januari 2014.

4.14

De laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop de alsnog genomen beschikking aan de aanvrager is verzonden. De wetgever heeft hiervoor gekozen, omdat het bestuursorgaan de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom eigener beweging bij beschikking moet kunnen vaststellen (Kamerstukken II 2004-2005, 29 934, nr. 6, blz. 15). Belanghebbende stelling dat de termijn eindigt op de dag waarop zij de uitspraak op de bezwaarschriften heeft ontvangen, is dan ook onjuist. De Ontvanger heeft geloofwaardig verklaard, dat de uitspraak op de datum van de dagtekening daarvan aan belanghebbende is verzonden. De laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is daarom 21 januari 2014.

4.15

De dwangsom bedraagt derhalve € 400 (18 dagen, waarvan 14 dagen € 20 en 4 dagen € 30).

4.16

Belanghebbende verzoekt voor zowel het bezwaar tegen de aanmaningskosten van € 15 als het bezwaar tegen de betekeningskosten van € 40 om toekenning van een dwangsom.

4.17

Belanghebbende heeft na ontvangst van de beëindigingsbrief twee ingebrekestellingen aan de Ontvanger gestuurd. Naar het oordeel van het Hof ziet de beëindiging van het uitstel van betaling zowel op de aanmanings- als de betekeningskosten, omdat de Ontvanger in de beëindigingsbrief heeft verzocht de vervolgingskosten binnen tien dagen na de dagtekening te voldoen. Het feit dat de Ontvanger in zijn beëindigingsbrief de openstaande kosten op € 40 heeft bepaald, doet daaraan niet af.

4.18

Het Hof zal hierna beoordelen of samenhang bestaat tussen de beide bezwaarprocedures. Voor de toepassing van artikel 8:14 van de Awb heeft de wetgever over samenhang het volgende overwogen (TK 1997-1998, 25 175, nr. 5, blz. 12):

“Samenhangende zaken betreffen besluiten die voortvloeien uit of zijn gegrond op hetzelfde feit of eenzelfde feitencomplex. Voor de afdoening van deze zaken dient de rechter hetzelfde feit of hetzelfde feitencomplex vast te stellen en te waarderen. Besluiten vertonen geen samenhang – afgezien van de omstandigheid dat zij gericht zijn tot één geadresseerde –, wanneer zij het gevolg zijn van feiten en omstandigheden die wat aard en tijd betreft niet aan elkaar zijn gerelateerd.”

4.19

Beide beschikkingen vinden hun grondslag in hetzelfde feitencomplex: de kosten die de Ontvanger in rekening heeft gebracht vanwege het niet-betalen van de aanslag Vpb door belanghebbende. Belanghebbende heeft de aanslag Vpb niet betaald, omdat zij uitstel van betaling had gekregen vanwege het bezwaar dat zij tegen de aanslag Vpb had ingediend. De bezwaren tegen het opleggen van de beschikkingen zijn gelijk; er was bezwaar tegen de aanslag Vpb ingediend, zodat voor de betaling van die aanslag ook uitstel liep. De bezwaren konden in één geschrift worden afgedaan en de Ontvanger heeft op de bezwaren ook daadwerkelijk in één geschrift uitspraak gedaan. De beschikkingen vertonen dan ook een zodanige samenhang, dat met betrekking tot de uitspraak op daartegen gerichte bezwaren slechts één dwangsom kan worden verbeurd (vgl. HR 25 maart 2016, nr. 15/01642, ECLI:NL:HR:2016:485 en ABRvS 28 mei 2014, nr. 201305144/1/A3, ECLI:NL:RVS:2014:1870).

4.20

Hof stelt de dwangsom voor beide bezwaarprocedures tezamen vast op € 400.

4.21

Voor zover het Hof uit belanghebbendes verwijzing in haar hogerberoepschrift naar de geschilpunten die zij heeft genoemd in haar beroepschrift en pleitnota bij de Rechtbank, moet begrijpen dat zij de hoogte van de proceskostenvergoeding in bezwaar betwist, merkt het Hof het volgende op. De Rechtbank heeft overwogen met betrekking tot de proceskosten in bezwaar dat de Ontvanger terecht geen proceskostenvergoeding heeft toegekend, omdat van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de zin van artikel 1, letter a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht geen sprake is. De gemachtigde is middellijk aandeelhouder en enig bestuurder van belanghebbende. Gelet hierop heeft hij zelf een belang bij de uitkomst van de zaak en is sprake van een situatie waarin hij feitelijk voor zichzelf optreedt, ook al geschiedt dit namens een rechtspersoon (vergelijk Hoge Raad 11 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5409 en de uitspraak van het Hof van 4 augustus 2015, nr. 14/01277, ECLI:NL:GHARL:2015:5801). Er is dan ook geen sprake van een derde die de rechtsbijstand heeft verleend. Om die reden kwamen volgens de Rechtbank de kosten niet voor vergoeding in aanmerking. Naar het oordeel van het Hof heeft de Rechtbank op goede gronden een juiste beslissing genomen en het Hof maakt deze beslissing tot de zijne.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5 Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

– verklaart het tegen de uitspraken van de Ontvanger ingestelde beroep gegrond,

– vernietigt de uitspraken van de Ontvanger voor zover deze zien op het niet toekennen van dwangsommen,

– stelt de dwangsom vast op € 400 in totaal en

– gelast dat de Ontvanger aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 328 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 493 in verband met het hoger beroep bij het Hof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.F.C. Spek, voorzitter, mr. J.P.M. Kooijmans en mr. R.A.V. Boxem, in tegenwoordigheid van mr. J.L.M. Egberts als griffier.

De beslissing is op 28 september 2016 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(J.L.M. Egberts)

(R.F.C. Spek)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 5 oktober 2016

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.