Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:7929

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-10-2016
Datum publicatie
26-10-2016
Zaaknummer
200.109.851
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

huur woonruimte; bij echtscheiding wordt man aangewezen als huurder, maar de vrouw verblijft daar met kinderen. De man zegt na enige tijd de huur op. Handelt de vrouw onrechtmatig door (vóór respectieveijk na huurbeëindiging) in de woning te verblijven?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.109.851/02

(zaaknummer rechtbank Utrecht, kantonrechter Amersfoort: 796378)

arrest van 4 oktober 2016

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellante] ,

advocaat: mr. J.A. van Ham,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Work Support Personeelsvoorziening B.V.

gevestigd te [plaatsnaam] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

hierna: WSP,

advocaat: mr. C. Schimmel.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 4 april 2012 en 16 mei 2012 van de kantonrechter te Amersfoort (rechtbank Utrecht, sector handel en kanton, locatie Amersfoort).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 9 juli 2012 met grieven,

- de conclusie van eis in hoger beroep (‘memorie van grieven’), met producties,

- de memorie van antwoord, tevens van incidenteel hoger beroep,

- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep,

- een akte van [appellante] van 9 februari 2016 met producties,

- een akte wijziging eis (voor zover vereist) van WSP, van 8 maart 2016,

- een akte van [appellante] van 5 april 2016, met producties.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten.

2.1

WSP en de echtgenoot van [appellante] , [de echtgenoot] (hierna: [de echtgenoot] ), hebben op 13 maart 2009 een huurovereenkomst met elkaar gesloten met betrekking tot woonruimte in [plaatsnaam] . [de echtgenoot] , [appellante] en de kinderen van [appellante] hebben vervolgens in de woonruimte hun hoofdverblijf gehad, waardoor [appellante] op grond van artikel 7:266 lid 1 BW medehuurster van de woning is geworden.

2.2

Tussen [appellante] en [de echtgenoot] is bij beschikking van 7 september 2011 van de rechtbank Amsterdam (op 14 september 2011 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand - productie 10 bij memorie van grieven) echtscheiding uitgesproken. In die beschikking, zoals gecorrigeerd bij herstelbeschikking, is onder meer bepaald dat [de echtgenoot] met ingang van de dag van inschrijving van de uitspraak van de echtscheiding huurder van de woonruimte zal zijn.

2.3

De huurprijs voor de maand november 2011 was € 926,58 per maand inclusief gas, water en licht. Over de periode tot november 2011 is de huur betaald, maar over de periode daarna niet.

2.4

[de echtgenoot] heeft bij mailbericht van 1 november 2011 aan WSP geschreven dat hij de huur opzegt tegen 1 december 2011. [appellante] en haar kinderen hebben nog tot 5 april 2012 in de woonruimte gewoond.

3 De procedure in eerste aanleg

3.1

WSP heeft, ervan uitgaande dat [appellante] op de voet van artikel 7:266 lid 1 BW huurster van de woonruimte was, in eerste aanleg wegens wanprestatie de ontbinding van de huurovereenkomst gevorderd met ontruiming van de woonruimte, alsmede betaling van de achterstallige huur tot en met de maand van de ontruiming, verhoogd met rente, incassokosten en proceskosten. [appellante] heeft verweer gevoerd, waarna uit de verklaring van WSP ter comparitie van de kantonrechter blijkt dat zij was verrast door de beslissing van de rechtbank Amsterdam met betrekking tot het huurderschap, dat de ontruimingsvordering toch toewijsbaar was doordat [appellante] onrechtmatig heeft gehandeld door in de woonruimte te blijven wonen en dat dit ook de geldvorderingen, als schade- en/of gebruikersvergoeding, gegrond maakt.

3.2

In het bestreden eindvonnis heeft de kantonrechter op grond van haar oordeel dat [appellante] op grond van het bepaalde in artikel 7:266 lid 1 BW eerst medehuurster en later enig huurster van de woonruimte was, de vorderingen van WSP toegewezen met veroordeling van [appellante] in de proceskosten.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

Bij dagvaarding in hoger beroep en memorie van grieven heeft [appellante] vernietiging gevorderd van zowel het eindvonnis van 16 mei 2012, als het tussenvonnis van 4 april 2012. Zij heeft tegen het tussenvonnis geen grieven gericht. Het gaat daarbij om een vonnis als bedoeld in artikel 131 Rv, ook al heeft de kantonrechter daarin overwogen dat WSP nog stukken moest overleggen. Omdat tegen een dergelijk vonnis geen hoger beroep openstaat, zal het hof [appellante] in haar hoger beroep daarvan niet-ontvankelijk verklaren.

4.2

De vorderingen zijn in het bestreden vonnis toegewezen op de grond dat [appellante] huurster was. Tegen dit oordeel heeft [appellante] in hoger beroep terecht bezwaar gemaakt. Ingevolge de echtscheidingsbeschikking (zoals gecorrigeerd) is [de echtgenoot] namelijk per 14 september 2011 op grond van het bepaalde in artikel 7:266 lid 5 BW van rechtswege de huurder van de door WSP verhuurde woonruimte geworden. De huurrechten van [appellante] zijn met ingang van die dag vervallen, zodat zij jegens WSP niet verplicht is tot betaling van huur over de periode daarna. De ontbinding van de huurovereenkomst kan niet worden toegewezen nu die overeenkomst per 1 december 2011 door opzegging is geëindigd. De opzegging is per mailbericht gedaan hetgeen volgens [appellante] niet voldoet aan de daaraan in de huurovereenkomst gestelde eisen. Dit heeft echter niet voorkomen dat de opzegging tot beëindiging van de huurovereenkomst heeft geleid, nu WSP haar heeft aanvaard.

4.3

WSP heeft voor het eerst in hoger beroep gesteld dat tussen [appellante] en [de echtgenoot] mogelijk een overeenkomst van onderhuur is gesloten doordat [de echtgenoot] aan [appellante] heeft gezegd dat zij voortaan de huur moest betalen (§ 6 van haar memorie van antwoord/grieven). Nu deze mededeling van [de echtgenoot] aan [appellante] op zichzelf onvoldoende is om te concluderen tot een overeenkomst van onderhuur welke overeenkomst overigens gemotiveerd is weersproken door [appellante] , WSP geen andere feiten of omstandigheden heeft gesteld die de conclusie dragen, dat een dergelijke overeenkomst tot stand is gekomen, en WSP in hoger beroep evenmin een voldoende concreet bewijsaanbod heeft gedaan, gaat het hof voorbij aan de door WSP gestelde (mogelijke) overeenkomst van onderhuur.

4.4

WSP heeft ter comparitie in eerste aanleg, waar zij voor het eerst hoorde dat [appellante] geen huurster meer was, verklaard dat [appellante] onrechtmatig handelde door in de woonruimte te blijven, en dat [appellante] daarom de woning moet ontruimen en de schade moet vergoeden die WSP als gevolg van haar verblijf daarin heeft geleden. Met de grief in het incidenteel hoger beroep heeft WSP betoogd dat zij daarmee in eerste aanleg de grondslag van haar vorderingen had aangevuld.
Hiertegen heeft [appellante] ingebracht dat WSP haar vorderingen volgens artikel 130 lid 1 Rv uitsluitend schriftelijk had kunnen wijzigen en dat, indien de grief gegrond zou zijn, de kantonrechter niet bevoegd was om over de subsidiaire grondslag te oordelen.

4.5

Of WSP de grondslag al in eerste aanleg op deugdelijke wijze heeft aangevuld, kan in het midden blijven. Voor zover zij dat namelijk niet heeft gedaan, heeft WSP dat in hoger beroep alsnog op de voorgeschreven wijze gedaan: in § 7 en § 15 van haar memorie van antwoord/grieven dit is haar eerste conclusie in zowel het principaal als het incidenteel hoger beroep heeft zij ter onderbouwing van haar vorderingen onmiskenbaar betoogd dat [appellante] de woonruimte zonder recht of titel in gebruik had en daardoor onrechtmatig jegens WSP handelde, zodat haar vorderingen op die grond toewijsbaar zijn.
Indien de grief in het incidenteel hoger beroep gegrond is, kan zij daarom niet tot een andere beslissing leiden.

4.6

Of de kantonrechter vanwege deze subsidiaire grondslag de zaak naar de rechtbank had moeten verwijzen, kan gelet op artikel 94 lid 2 Rv in het midden blijven. Ook als dat zo is, blijft het hof bevoegd om in hoger beroep daarop te beslissen.

4.7

[appellante] heeft in elk geval bij memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep op de subsidiaire grondslag kunnen reageren (en heeft dat ook gedaan). Waarom de grondslagaanvulling in strijd is met de goede procesorde heeft zij niet duidelijk gemaakt. Het hof ziet in de gang van zaken geen bezwaar en zal daarom de subsidiaire grondslag inhoudelijk beoordelen.

4.8

[appellante] heeft tegengesproken dat zij (jegens WSP) onrechtmatig handelde door in de woonruimte te blijven wonen. Nu de huuropzegging geldig was, is dit verweer ongegrond. Met artikel 138a lid 1 van het Wetboek van Strafrecht wordt namelijk het wederrechtelijk verblijven in een woning strafbaar gesteld, ook indien het daarbij gaat om een verblijf dat in de loop van de tijd onrechtmatig is geworden doordat het recht daarop is vervallen (zie HR 2 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2909), zodat alleen al daarom sprake is van onrechtmatig handelen. [appellante] heeft zich ter comparitie in eerste aanleg beroepen op haar onbekendheid met de juridische situatie, maar na de aanmaningen en de mededeling van [de echtgenoot] dat zij de huur moest betalen had het op haar weg gelegen om zich van de nodige informatie te voorzien en deze vervolgens te delen met WSP.

4.9

Uit het vorenstaande volgt dat [appellante] vanaf 1 december 2011 onrechtmatig jegens WSP handelde door in de woonruimte te blijven wonen. [appellante] schrijft in het slot van haar memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep dat het wijzigen van de motivering van het bestreden vonnis in strijd is met de goede procesorde, maar het hof deelt die mening niet.

4.10

De vordering tot ontruiming van de woning zal worden afgewezen nu [appellante] de woning al op 5 april 2012 heeft ontruimd, zodat WSP geen belang heeft bij de ontruimingsveroordeling. Met betrekking tot de geldvorderingen heeft [appellante] niet gemotiveerd weersproken dat WSP schade heeft geleden door haar verblijf in de woonruimte en evenmin dat de schade moet worden begroot op een vergoeding ter grootte van de huurprijs. In de maand november 2011 was [de echtgenoot] echter de huurder van de woonruimte, en vanaf 6 april verbleef [appellante] niet meer in de woning, zodat voor die periodes geen deugdelijke grondslag bestaat voor haar aansprakelijkheid. Het schadebedrag moet dan ook in hoofdsom op 4 maanden plus 5 dagen huur worden begroot, dat is {(4+5/30) x € 926,58 = } € 3.860,75. Nu in het bestreden vonnis tevens in feite de maandhuren over maart en april 2012 zijn toegewezen, wordt [appellante] niet slechter van haar hoger beroep.

5 Slotsom

5.1

In het principaal hoger beroep zal [appellante] niet-ontvankelijk worden verklaard in haar hoger beroep van het tussenvonnis van 4 april 2012. De grieven van [appellante] tegen het bestreden eindvonnis zijn gegrond, zodat het bestreden vonnis moet worden vernietigd. De hoofdsom van de geldvorderingen zal worden vastgesteld op € 3.860,75. Tegen de toegewezen vergoeding ad € 450 wegens incassokosten is geen grief gericht en het hof ziet evenmin aanleiding om die kosten ambtshalve te matigen. Tegen de toegewezen rente tot 9 februari 2012 van € 16,84 en van de nog te berekenen wettelijke rente over de hoofdsom vanaf die datum is evenmin afzonderlijk bezwaar gemaakt wat de wettelijke rente betreft: mede gelet op artikel 6:83 aanhef en onder b. BW zodat in hoger beroep een bedrag van (€ 3.860,75 + € 450 + € 16,84 = ) € 4.327,59 zal worden toegewezen, met de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 9 februari 2012. De veroordeling tot betaling van geldsommen zal, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

5.2

De grief in het incidenteel hoger beroep is eveneens gegrond, maar leidt niet tot een andere beslissing dan in het principaal hoger beroep zal worden gegeven.

5.3

Gelet op de uitkomst van de procedure zal het hof [appellante] in de proceskosten veroordelen. Wat betreft de kosten van de eerste aanleg zal daarom de desbetreffende beslissing in het bestreden vonnis worden bekrachtigd, terwijl de kosten van het principaal hoger beroep aan de zijde van WSP zullen worden begroot op € 666 aan griffierecht en € 632 voor salaris van de advocaat (1 punt in tarief I, dit laatste gelet op het bedrag van de geldvordering).

6 De beslissing

Het hof, recht doende

in het principaal hoger beroep:

verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in haar hoger beroep van het tussen partijen gewezen tussenvonnis van de kantonrechter (rechtbank Utrecht, locatie Amersfoort) van 4 april 2012;

in het principaal hoger beroep en het incidenteel hoger beroep:

bekrachtigt het tussen partijen gewezen eindvonnis van de kantonrechter van 16 mei 2012 wat betreft de daarin uitgesproken proceskostenveroordeling en voor zover dat vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard met betrekking tot deze proceskostenveroordeling,

vernietigt dat eindvonnis voor het overige en doet in zoverre opnieuw recht:

veroordeelt [appellante] om tegen bewijs van kwijting het bedrag van € 4.327,59 aan WSP te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom ad € 3.860,75 vanaf 9 februari 2012 tot de dag van de betaling;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten in hoger beroep, aan de zijde van WSP in het principaal hoger beroep begroot op € 666 aan griffierecht en € 632 voor salaris van de advocaat overeenkomstig het liquidatietarief, en in het incidenteel hoger beroep op € 316 voor salaris van de advocaat, eveneens overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.A. Katz-Soeterboek, H.E. de Boer en A.L.H. Ernes en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 4 oktober 2016.