Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:7904

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-10-2016
Datum publicatie
05-10-2016
Zaaknummer
200.159.189/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Lease van fitnessapparatuur. Huurder verkeerde in de veronderstelling dat de huur vanaf enig moment aan een andere partij diende te worden betaald. Onbevoegde vertegenwoordiging? Driepartijenovereenkomst?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2016, afl. 6, p. 325
AR 2016/2879

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.159.189/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel 645845 CV EXPL 13-623)

arrest van 4 oktober 2016

in de zaak van

1 Body Shape V.O.F.,

gevestigd te [A] ,

hierna: Body Shape,

2. [appellant2] ,

wonende te [A] ,

hierna: [appellant2],

3. [appellante3] ,

wonende te [A] ,

hierna: [appellante3],

appellanten in het principaal hoger beroep,

geïntimeerden in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk in enkelvoud te noemen: Body Shape,

advocaat: mr. D. Warnink, kantoorhoudend te Kampen,

tegen

Fitnesslease B.V.,

gevestigd te [B] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: Fitnesslease,

advocaat: mr. F.J.M. Kobossen, kantoorhoudend te Apeldoorn.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van

6 februari 2013, 12 maart 2013, 9 juli 2013, 17 december 2013 en 8 juli 2014 die de kantonrechter van de rechtbank Oost-Nederland, respectievelijk de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 11 november 2014,

- de memorie van grieven (met producties),

- de memorie van antwoord/tevens van incidenteel hoger beroep,

- akte na memorie van antwoord tevens memorie van antwoord in incidenteel appel.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

Body Shape vordert in het (principaal) hoger beroep kort gezegd integrale afwijzing van de vorderingen van Fitnesslease en terugbetaling van hetgeen op grond van het veroordelende vonnis inmiddels is voldaan.

2.4

Fitnesslease vordert in het incidenteel hoger beroep kort gezegd alsnog toewijzing van de vordering tot betaling van de koopsom (€ 18.594,69 met btw, rente en kosten).

3 De vaststaande feiten

3.1.

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 1.2 tot en met 1.11 van het bestreden vonnis van 9 juli 2013.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1.

Fitnesslease heeft in eerste aanleg kort gezegd betaling gevorderd van € 47.500,00 aan hoofdsom, vermeerderd met wettelijke rente en kosten.

4.2.

De kantonrechter heeft bij vonnis van 8 juli 2014 Body Shape veroordeeld tot betaling van € 26.934,95 met rente en proceskosten, onder afwijzing van het meer of anders gevorderde.

3 Ontvankelijkheid

3.1

Geen grieven zijn gericht tegen de vonnissen van 6 februari 2103 en 12 maart 2013, zodat Body Shape in het appel tegen die vonnissen niet-ontvankelijk wordt verklaard.

5 De beoordeling van de grieven en de vordering

In het principaal appel

3.2

De memorie van grieven van Body Shape bevat in de inleiding een veelheid van verweren die als verholen (niet genummerde) grieven kunnen worden aangemerkt. Daarnaast bevat deze memorie een zestal genummerde grieven. Al deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Het hof oordeelt als volgt.

3.3

De leaseovereenkomst die in 2006 door P&A (de heer [C] ) met Body Shape is aangegaan - de eerste leaseovereenkomst -, eindigde op 30 september 2009. De vraag die in dit geschil centraal staat, is of aan de hieruit voortvloeiende betalingsverplichtingen van Body Shape voortijdig een einde is gekomen op het moment dat leasetermijnen verschuldigd werden op grond van de tweede leaseovereenkomst die Body Shape in december 2007 met Boval Lease is aangegaan. Een zijdelingse discussie die tussen partijen nog is gevoerd over de toepasselijkheid van de AV van Fitnesslease is niet relevant voor de uitkomst van het geschil.

3.4

Body Shape is er indertijd van uitgegaan dat het antwoord op de hiervoor gestelde vraag bevestigend luidt, omdat de tweede leaseovereenkomst mede betrekking had op de apparatuur die zij tot dat moment van Fitnesslease huurde. Zij verkeerde in de veronderstelling dat met de tweede leaseovereenkomst de eerste was geëindigd, en baseerde die veronderstelling onder meer op mededelingen van de aan P&A verbonden heer [C] , die Fitnesslease bij het sluiten van de eerste overeenkomst had vertegenwoordigd, en op wiens initiatief ook de tweede overeenkomst werd gesloten. In een brief van 14 december 2007, afkomstig van P&A ( [C] ) heeft hij dat bevestigd: " (…) hierbij verklaren wij (…) dat met ingang van de nieuwe huurovereenkomst met Boval Lease (...) de verplichtingen van de leaseovereenkomst met Fitnesslease (...) in zijn geheel komen te vervallen. De verantwoording voor de afhandeling van het leasecontract met Fitnesslease zal door P&A (…) overgenomen worden".

3.5

Body Shape bleef, zo begrijpt het hof, nadien weliswaar in december 2007 en januari 2008 leasetermijnen voldoen, maar verkeerde in de veronderstelling dat deze zouden worden doorbetaald aan Boval Lease, en niet langer aan Fitnesslease. Body Shape ontving vanaf januari 2008 geen facturen meer van Fitnesslease en door die partij werd ook geen gebruik meer gemaakt van de oorspronkelijk overeengekomen incassovolmacht;

3.6

Fitnesslease stelt zich op het standpunt dat zij in december 2007 slechts met Body Shape en P&A heeft afgesproken dat toekomstige termijnen door P&A betaald zouden gaan worden, en niet langer op grond van een incassovolmacht door Body Shape. Die afspraak is echter niet nagekomen, aldus Fitnesslease in een aan Body Shape gerichte brief van

2 december 2009, terwijl Fitnesslease met deze gang van zaken akkoord is gegaan 'onder voorwaarde dat de betalingen zouden plaatsvinden'. Om die reden meent zij de tot eind september 2009 onbetaald gebleven leasetermijnen alsnog van haar wederpartij bij de overeenkomst, Body Shape, te kunnen vorderen. Bij dit alles bestrijdt Fitnesslease dat [C] bevoegd was haar te vertegenwoordigen bij de beëindiging van de eerste leaseovereenkomst, zoals hij kennelijk wel heeft gedaan.

3.7

Primair stelt Body Shape zich op het standpunt dat sprake is van een drie-partijenovereenkomst die uitsluitend betrekking had op de betalingsplicht op grond van de eerste leaseovereenkomst: een afspraak tussen Fitnesslease, P&A en Body Shape, die erop neer kwam dat niet Body Shape maar P&A vanaf december 2007 als schuldenaar die leasetermijnen zou gaan betalen (grieven onder 18 en 42).

3.8

Uit de memorie van grieven valt ook een ander standpunt te destilleren, te weten dat sprake is van een overeenkomst tussen dezelfde drie partijen, maar één met een andere inhoud. Die afspraak zou hebben ingehouden dat vanaf 1 december 2007, toen de termijn van de tweede leaseovereenkomst inging, de eerste leaseovereenkomst (en daarmee de betalingsverplichting van Body Shape - of P&A - aan Fitnesslease) zou eindigen, en dat Body Shape (via P&A) de op grond van de tweede overeenkomst door Body Shape verschuldigde leasetermijnen zou gaan betalen aan Boval Lease. Het hof ontleent deze uitleg met name aan de verklaringen van [C] van 29 oktober 2012 en 24 november 2014 waarnaar Body Shape verwijst. [C] benadrukt in die verklaringen dat Fitnesslease ervan op de hoogte was dat Body Shape een nieuwe overeenkomst voor de betreffende apparatuur met Boval Lease had gesloten, en dat Fitnesslease daar (standaard) mee akkoord was, omdat P&A alles regelde.

3.9

In alle gevallen zou [C] bij de totstandkoming van de drie-partijenovereenkomst als vertegenwoordiger van Fitnesslease zijn opgetreden.

3.10

Het hof stelt voorop dat de eerste lezing onverenigbaar is met de tweede, en in het bijzonder ook met de stelling van Body Shape dat zij indertijd in de veronderstelling verkeerde dat in december 2007 aan de betalingsverplichtingen tegenover Fitnesslease een einde kwam. Daarbij past immers niet dat P&A die verplichting toch op zich nam. Deze, hiervoor onder 3.7 weergegeven lezing, die het hof opvat als onderbouwing van een primair verweer, kan alleen al om die reden niet worden gevolgd. Voorts wordt het volgende overwogen.

3.11

Zowel het primaire als het subsidiaire verweer van Body Shape kan alleen dan worden volgehouden wanneer, kort gezegd (i) een nadere overeenkomst voortvloeit uit uitlatingen van Fitnesslease zelf of (ii) Fitnesslease de gestelde vertegenwoordigingshandelingen van [C] tegen zich heeft te laten gelden. Dat [C] (of P&A) daadwerkelijk bevoegd was Fitnesslease te vertegenwoordigen bij het aangaan van deze overeenkomst, is echter niet onderbouwd. Het komt er wat dat aangaat dus op neer of Body Shape gerechtvaardigd heeft vertrouwd op de bevoegdheid van de pseudogevolmachtigde [C] op grond van feiten en omstandigheden die voor risico van het onbevoegd vertegenwoordigde Fitnesslease komen en waaruit naar verkeersopvattingen zodanige schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid. Die conclusie kan in ieder geval niet worden getrokken uit het enkele feit dat [C] Fitnesslease al eerder, bij het sluiten van de eerste overeenkomst, heeft vertegenwoordigd. Zoals hierna zal blijken, is dit verweer ook voor het overige niet afdoende onderbouwd.

3.12

Body Shape refereert bij herhaling aan de brief van Fitnesslease aan haar van 2 december 2009. In die brief wordt uitgegaan van het voortduren van een betalingsverplichting aan haar op grond van de eerste leaseovereenkomst, ook vanaf 1 december 2007. Anders dan Body Shape ingang wil doen vinden, kan die brief daarom niet dienen ter onderbouwing van de stelling dat Fitnesslease met de beëindiging van de met haar gesloten leaseovereenkomst akkoord ging of dat zij ermee instemde dat P&A de positie van schuldenaar had overgenomen; er valt niet meer of anders in deze brief te lezen dan dat zij akkoord is gegaan met betaling van de leasetermijnen door een derde partij (P&A) overeenkomstig het bepaalde in artikel 6:30 lid 1 BW en voorts, dat zij van die partij geen betalingen heeft ontvangen. De afspraak waarover in de brief wordt gesproken, doet niet af aan de betalingsplicht van Body Shape, en wijst er dus ook niet op dat Fitnesslease op enigerlei wijze afstand heeft gedaan van haar recht op betaling van leasetermijnen door die partij. De in de brief ook genoemde 'voorwaarde dat de betalingen zouden plaats vinden' is hiermee niet strijdig, maar sluit er juist bij aan. Hetzelfde geldt voor het feit dat Fitnesslease op enig moment is gestopt met factureringen aan het adres van Body Shape, dat zij betalingen die P&A voor Body Shape verrichtte als betalingen van die debiteur in haar administratie heeft verwerkt en dat zij latere bulkbetalingen van P&A op de oudste openstaande schulden heeft afgeschreven. Deze omstandigheden geven onvoldoende steun aan de stelling dat de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid van [C] voor risico van Fitnesslease dient te komen. Hetzelfde geldt voor het feit dat P&A ( [C] ) c.q. Fitness Lease twee door Fitnesslease op grond van de incassovolmacht geïncasseerde termijnen over december 2007 en januari 2008 aan Body Shape heeft terugbetaald. Body Shape benadrukt juist zelf dat tussen haar en Fitnesslease feitelijk geen overleg over de beëindiging van de eerste leaseovereenkomst heeft plaatsgehad (grieven onder 15).

3.13

In de hiervoor beschreven gang van zaken ligt evenmin de mogelijkheid besloten dat Body Shape gerechtvaardigd heeft vertrouwd op de bevoegdheid van [C] op grond van feiten en omstandigheden die voor risico van Fitnesslease komen. Er valt ook niet uit op te maken dat van enige schuldoverneming aan Fitnesslease kennis is gegeven, laat staan dat die partij er in heeft toegestemd dat P&A de verplichting tot betaling van leasetermijnen van Body Shape als schuldenaar heeft overgenomen (het primaire verweer). In de verklaringen van [C] is daarvoor ook geen steun te vinden. Daaraan kan niet afdoen dat, zoals Body Shape te bewijzen aanbiedt, ' [C] (…) ter zake namens Body Shape (heeft) gesproken' (dat staat immers al vast) of dat Fitnesslease nooit eigenaar is geworden van de geleasete apparatuur en (of) daar nooit voor heeft betaald. Dit laatste is bovendien betwist, zonder dat er bewijs van is aangeboden. Ook gronden voor vernietiging of ontbinding van de leaseovereenkomst zijn niet afdoende gesteld of gebleken (memorie van grieven onder 35) dan wel (gespecificeerd) te bewijzen aangeboden. Daar komt bij dat het beroep op onverschuldigde betaling dat nog is gedaan, het hof zinledig voorkomt als verweer tegen een vordering.

3.14

Het meer subsidiaire standpunt dat een beroep op de in artikel 6:155 BW gestelde voorwaarden door Fitnesslease naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en dat Fitnesslease een op haar, als kredietverlener, rustende, bijzondere zorgplicht heeft geschonden, is niet onderbouwd, en miskent meer in het bijzonder dat Body Shape de partij is die zich op schuldoverneming beroept, dat zij degene is die haar stellingen daaromtrent deugdelijk moet onderbouwen en dat zij daarvan zo nodig bewijs moet leveren.

3.15

Nog meer subsidiair wordt aangevoerd dat de vordering van Fitnesslease 'tardief' is, omdat deze na het verstrijken van de looptijd van de oorspronkelijke overeenkomst is ingesteld. Voor zover daarmee is bedoeld dat Fitnesslease haar vorderingsrecht door het enkele verstrijken van die termijn heeft verwerkt, vindt dit verweer geen steun in het recht. Voor het overige dient het bij gebrek aan een deugdelijke onderbouwing te worden verworpen.

3.16

Body Shape heeft voorts onvoldoende onderbouwd dat enige in dit hoger beroep aanhangige vordering van Fitnesslease op haar is voldaan. Het verweer ter zake is van de zijde van Fitnesslease afdoende weersproken, en het hof ziet geen aanleiding de op Body Shape rustende bewijslast om te keren. Dat Fitnesslease in dit verband naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar handelt door bulkbetalingen ten behoeve van de aflossing van schulden van diverse schuldenaren (onder wie Body Shape) op de oudste schulden van andere op de specificatie genoemde debiteuren af te boeken (memorie van grieven onder 44) ziet het hof niet in. Het hof verwijst ter zake kortheidshalve naar het bepaalde in artikel 6:43 lid 2 BW.

3.17

De grieven worden alle verworpen. Body Shape zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen (tariefgroep III, 1 punt).

In het incidenteel appel

3.18

Het incidenteel appel is gericht tegen de afwijzing van vordering tot betaling van de koopsom bij het einde van de huurperiode. Naar het oordeel van de kantonrechter was niet voldaan aan de daarvoor geldende contractuele vereiste dat Body Shape de wens tot aankoop heeft geuit. Aangevoerd wordt primair dat Body Shape de apparatuur wel feitelijk tot zich heeft genomen en heeft behouden, en om die reden de koopsom moet voldoen. Subsidiair: door als eigenaar met de apparatuur om te gaan is Body Shape ongegrond verrijkt.

3.19

Het hof verwerpt ook deze grieven. De koopsom is immers - naar onbestreden vast staat - slechts opeisbaar indien Body Shape (de huurder) ten minste drie maanden voor het einde van de huurperiode schriftelijk aan Fitnesslease (de verhuurder) te kennen geeft het object te willen kopen. Dat zij dat heeft gedaan, is gesteld noch gebleken. Anders dan Fitnesslease meent, kan het door haar aangevoerde feitencomplex bovendien niet de conclusie dragen dat Body Shape op enigerlei manier is verrijkt. Wat Fitnesslease in dat verband bedoelt met de stelling dat die partij 'als eigenaar met de apparatuur is verdergegaan', ontgaat het hof, omdat Body Shape zichzelf steeds als huurder heeft beschouwd - dan wel van Fitnesslease, dan wel van Boval Lease en, voor zover daarvan uit de stukken blijkt, ook dienovereenkomstig heeft gehandeld. Hetgeen door Body Shape in haar memorie van antwoord in het incidenteel appel nog naar voren is gebracht met betrekking tot een mogelijke eigendomsverwerving, kan in de lezing van Fitnesslease slechts tot gevolg hebben dat Body Shape een koopsom heeft voldaan aan een partij die geen eigenaar en dus beschikkingsonbevoegd was. Op enige verrijking duidt dat niet.

3.20

Fitnesslease zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen (tariefgroep II, 0,5 punt).

4 De beslissing
Het gerechtshof:

In het principaal appel

verklaart Body Shape niet-ontvankelijk in het hoger beroep tegen de vonnissen van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Nederland, zittingsplaats Zwolle van 6 februari 2013 en 12 maart 2013

bekrachtigt de vonnissen van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle van 9 juli 2013, 17 december 2013 en 8 juli 2014;

veroordeelt Body Shape in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Fitnesslease vastgesteld op € 1.920,- voor verschotten en op € 1.158,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

In het incidenteel appel

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle van 9 juli 2013;

veroordeelt Fitnesslease in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Body Shape vastgesteld op nihil voor verschotten en op € 447,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.W. Zandbergen, I.F. Clement en D.J. Keur en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

4 oktober 2016.