Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:7886

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-10-2016
Datum publicatie
07-10-2016
Zaaknummer
15/01492
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Totaalwinst. Verplicht privévermogen. Foutenleer. Boerderij inclusief woondeel van ambulante hoefsmid is keuzevermogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2016-2451
V-N Vandaag 2016/2151
V-N 2017/4.25.33
mr.dr. C. Bruijsten annotatie in NTFR 2016/2602

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Leeuwarden

Nummer 15/01492

uitspraakdatum: 4 oktober 2016

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 20 oktober 2015, nummer LEE 15/1800, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Emmen (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is voor het jaar 2011 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.852.

1.2

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 20 oktober 2015 ongegrond verklaard.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 augustus 2016 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, zijn echtgenote en mr. [A] , als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede mr. [B] namens de Inspecteur, bijgestaan door mr. [C] .

1.7

De gemachtigde van belanghebbende heeft een pleitnota overgelegd.

1.8

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende en zijn echtgenote wonen op het adres [a-straat] 72 te [Z] (hierna: de onroerende zaak).

2.2

Hij oefent sedert 1 juli 1996 een onderneming uit onder de naam “ [D] ”. Volgens de gegevens van de Kamer van Koophandel luidt de bedrijfsomschrijving “ [E] ” en is het bedrijfsadres van de onderneming [a-straat] 72 te [Z] . Belanghebbende werkt als zelfstandig hoefsmid.

2.3

Uit een tot de gedingstukken behorende leveringsakte volgt dat de onroerende zaak op 16 april 1996 is verkocht en op 15 mei 1996 aan belanghebbende en zijn echtgenote is geleverd.

2.4

De onroerende zaak is vanaf het moment van aanschaf tot het vermogen van belanghebbendes onderneming gerekend.

2.5

Een controlemedewerker van de Belastingdienst heeft op 10 en 11 november 1998 een bedrijfsbezoek aan belanghebbende gebracht. Van dit bezoek is een verslag, gedagtekend 13 november 1998, opgemaakt waarin is opgenomen: “De belastingplichtige heeft de gehele onroerende zaak, [a-straat] 72 te [Z] , tot het bedrijfsvermogen gerekend.”

De bedrijfsactiviteiten van belanghebbende worden omschreven als:

“De heer [X] werkt als zelfstandig hoefsmid (deels ambulant).”

In de aantekeningen behorende bij het verslag is ten aanzien van de onroerende zaak het volgende opgenomen:

“is als bedrijfsvermogen aangemerkt=geaccepteerd door [F] ! Niet meer op terug te komen

Als volgt gesplitst:

  • -

    grond ƒ 45.000,-

  • -

    bedrijfsged. 98.460 +/- 1/3

  • -

    woonged. 211.937,-

ƒ 355.397”

Voorts is in deze aantekeningen nog het volgende vermeld:

IB 1996

vorige eenheid

Conform afgedaan door “ [F] ” – woonde vh in [G]

Echter jaarstukken 1996 ontbreken – ter inzage gehad

Adv. gebeld – adv. stuurt kopie

- Hoge investeringsaftrek ad ƒ 22.872

Toelichting – blz. 16 jaarrek.

Bedr. Auto

“ deel pand

2.6

Belanghebbende heeft bij brief van 6 april 2010 aan de Inspecteur geschreven over de, zijns inziens, onjuiste vermogensetikettering van de onroerende zaak. Hierbij heeft belanghebbende aan de Inspecteur verzocht om akkoord te gaan met – zakelijk weergeven – de overbrenging van de onroerende zaak (met toepassing van de foutenleer) naar het privévermogen zonder dat deze overbrenging fiscale consequenties heeft voor belanghebbende. De Inspecteur heeft in een schrijven van 27 juli 2010 dit verzoek niet gehonoreerd en daarbij overwogen:

“(…)

Feit is dat de onroerende zaak op het moment van ingebruikname in gemengd gebruik was. Het pand was niet bouwkundig splitsbaar en kan worden beschouwd als keuzevermogen. Uw cliënt heeft vervolgens besloten om het geheel als zakelijk te etiketteren. Deze keuze was fiscaal toegestaan.

(..)”.

2.7

In zijn verweerschrift in eerste aanleg schrijft de Inspecteur dat zowel bij de aanslagregeling van de IB/PVV voor het jaar 2009 als bij de aanslagregeling van de IB/PVV voor het jaar 2010 de door belanghebbende voorgestane heretikettering van de onroerende zaak niet is toegestaan en hij de aangiften in de IB/PVV voor de jaren 2009 en 2010 op dit onderdeel heeft gecorrigeerd.

2.8

Uit de toelichting op de balans van de jaarrekening van belanghebbende over het jaar 2000 blijkt dat als ‘aanschafwaarde’ van de bedrijfsgebouwen en – terreinen ƒ 481.560 (€218.522) is opgenomen. In zijn aangifte in de IB/PVV voor het jaar 2008 heeft belanghebbende de onroerende zaak op zijn ondernemingsbalans opgenomen voor een bedrag van € 157.600.

2.9

De echtgenote van belanghebbende doet de administratie van belanghebbendes onderneming en beschikt daartoe over een afzonderlijke ruimte in de onroerende zaak. Voorts verzorgt zij aldaar de aangiften voor de omzetbelasting. In de baanderschuur staat een werkbank en twee kasten met hoefijzers. De bedrijfsauto, van waaruit belanghebbende zijn werkzaamheden verricht, staat als belanghebbende niet bij cliënten is, geparkeerd op het erf behorende bij de onroerende zaak.

2.10

Het in de aangifte in de IB/PVV voor het jaar 2011 aangegeven belastbare inkomen uit werk en woning bedraagt € 20.924. Belanghebbende heeft de onroerende zaak in de aangifte als eigen woning opgenomen en een bedrag van € 880 opgenomen onder “q Inkomsten en aftrekposten eigen woning die u zelf aangeeft”. Met dagtekening 15 augustus 2014 heeft de Inspecteur de aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2011 vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.852.

2.11

De correctie bestaat uit een bedrag aan meer-inkomsten uit eigen woning van € 880 als een woning welke tot het ondernemingsvermogen wordt gerekend en een bedrag van
€ 48 (hogere drempel en derhalve een lagere aftrek persoonsgeboden aftrek).

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of de onroerende zaak vanaf de koopdatum verplicht privévermogen vormt en alsdan met toepassing van de zogenoemde foutenleer de onroerende zaak van de balans moet worden afgevoerd.

3.2

Belanghebbende heeft zich – zakelijk weergegeven – op het standpunt gesteld dat de onroerende zaak reeds van de datum van koop in 1996 verplicht tot zijn privévermogen moet worden gerekend. Dit is, volgens hem, ten onrechte niet gebeurd en daarom dient thans met de toepassing van de foutenleer deze fout te worden hersteld. Daarbij heeft belanghebbende zich op het standpunt gesteld dat het saldo van voor- en nadelen zodanig is, rekening houdend met het toepasselijke tarief op de over een reeks van jaren genoten winst uit onderneming respectievelijk het belastbare inkomen in de jaren tot en met 2000, onderscheidenlijk het belastbare inkomen uit werk en woning, dat met de thans opgelegde aanslag dit saldo reeds in de heffing is betrokken. Belanghebbende heeft staande de mondelinge behandeling van het hoger beroep zijn subsidiaire standpunt dat een terugwijzing naar de Rechtbank dient plaats te vinden uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en onvoorwaardelijk ingetrokken.

3.3

De Inspecteur heeft de stellingen van belanghebbende gemotiveerd bestreden. Hij heeft zich primair – eveneens zakelijk weergegeven – op het standpunt gesteld dat de onroerende zaak keuzevermogen vormt en dat belanghebbende de keuze voor ondernemingsvermogen binnen de grenzen van de redelijkheid heeft kunnen en mogen maken. Deze keuze heeft onherroepelijke gevolgen gehad. Voorts heeft hij subsidiair aangevoerd dat – indien en voor zover aan toepassing van de foutenleer wordt toegekomen – bij de bepaling van een redelijke tegemoetkoming niet slechts de voor belanghebbende nadelige gevolgen van het herstel van de fout, maar ook alle voordelen die hij als gevolg van de onjuiste wetstoepassing heeft genoten in ogenschouw moeten worden genomen (vergelijk HR 18 maart 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC6979 en HR 23 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR6326). Mocht belanghebbende zich terecht op het standpunt hebben gesteld dat sprake is van verplicht privévermogen dan nog is de uitkomst dat belanghebbende per saldo een voordeel heeft genoten. Overbrenging van de onroerende zaak in het laatste nog openstaande belastingjaar leidt voor belanghebbende niet tot een gunstiger resultaat.

3.4

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.5

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, en tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar.

3.6

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

Verplicht privévermogen dan wel keuzevermogen

4.1

Het onderhavige geschil kenmerkt zich daardoor dat een belastingplichtige een onroerende zaak heeft aangeschaft en sinds de verkrijging van die onroerende zaak in het jaar 1996 als ondernemingsvermogen heeft aangemerkt en de baten en de lasten ter zake daarvan steeds tot zijn winst uit onderneming heeft gerekend. Indien hij zich nadien op het standpunt stelt dat de onroerende zaak ten onrechte sedert 1996 tot zijn ondernemingsvermogen is gerekend aangezien deze verplicht tot zijn privévermogen behoort, brengt een redelijke verdeling van de stelplicht en de bewijslast mee dat hij de feiten en omstandigheden stelt en, nu de Inspecteur deze heeft betwist, aannemelijk maakt, die de conclusie rechtvaardigen dat de onroerende zaak niet tot het ondernemingsvermogen mocht worden gerekend (vgl. HR 13 maart 2015, nr. 14/02141, ECLI:NL:HR:2015:557). De bewijslast ter zake van de onjuistheid van de vermogensetikettering rust derhalve op belanghebbende.

4.2

Naar het oordeel van het Hof, heeft de Rechtbank met juistheid als maatstaf voor de vermogensetikettering voorop gesteld dat bij de beantwoording van de vraag of en in hoeverre een onroerende zaak deel uitmaakt van het ondernemingsvermogen van een belastingplichtige in het algemeen beslissend is de wil van die belastingplichtige zoals die in zijn boekhouding of op andere wijze tot uitdrukking is gekomen, tenzij daardoor de grenzen der redelijkheid zouden zijn overschreden (vgl. HR 20 juni 1962, nr. 14819, ECLI:NL:HR:1962:AX8064, en HR 13 juli 2007, nr. 42 698, ELCI:NL:HR:2007:AZ2817). Een belastingplichtige overschrijdt de grenzen der redelijkheid door een gedeelte van een juridisch niet in appartementsrechten gesplitst pand tot zijn ondernemingsvermogen te rekenen, indien dat gedeelte zelfstandig rendabel is te maken en vast staat dat het door de belastingplichtige uitsluitend ter voorziening in zijn woonbehoefte zal worden gebruikt en dat het niet op enigerlei wijze dienstbaar zal zijn aan de onderneming (vgl. HR 17 september 2010, nr. 09/00332, ECLI:NL:HR:2010:BL7968).

4.3

Ter zitting van het Hof hebben partijen eenparig verklaard dat de onroerende zaak juridisch gesproken gezamenlijk één onroerende zaak vormt, welke niet is gesplitst in appartementsrechten.

4.4

Het vorenoverwogene brengt mee dat het er in het onderhavige geval op aan komt of belanghebbende aannemelijk maakt dat de onroerende zaak sinds 1996 door de belastingplichtige uitsluitend ter voorziening in zijn woonbehoefte is gebruikt en dat het niet op enigerlei wijze dienstbaar was aan de onderneming.

4.5

Vast is komen te staan dat het enige bedrijfsadres van de onderneming van belanghebbende het adres van de onroerende zaak is. De administratie van de onderneming wordt door de echtgenote van belanghebbende in een afzonderlijke ruimte binnen de onroerende zaak bijgehouden. Tevens verzorgt de echtgenote aldaar de aangiften voor de heffing van omzetbelasting van de onderneming. Tevens worden in een tot de baanderschuur behorend deel van de onroerende zaak de materialen ten behoeve van het drijven van de onderneming opgeslagen en staat er een werkbank. De bedrijfsauto, van waaruit belanghebbende zijn werkzaamheden verricht, staat als belanghebbende niet bij cliënten is, geparkeerd op het erf behorende bij de onroerende zaak.

4.6

Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de toenmalige gemachtigde zonder voorafgaande instemming van belanghebbende de onroerende zaak op de ondernemingsbalans heeft geplaatst en hij als niet fiscaal deskundige de reikwijdte van deze keuze niet heeft kunnen overzien. Dat speelt naar het oordeel van het Hof – indien veronderstellenderwijs van de juistheid daarvan moet worden uitgegaan – geen rol van betekenis. Fiscaalrechtelijk moeten (de gevolgen van) de handelingen van de gemachtigde – nu het de verschuldigdheid van belasting en niet een boetebeschikking betreft – immers aan belanghebbende worden toegerekend.

4.7

Daarnaast heeft belanghebbende nog aangevoerd dat van de zijde van de gemeente is verboden om een onderneming te exploiteren in de onroerende zaak en de daarbij behorende gronden. Anders dan belanghebbende meent, is dat niet van belang voor het beantwoorden van het voorliggende geschil. Van belang is immers slechts of belanghebbende feitelijk – zij het mogelijk in strijd met het geldende gemeentelijke bestemmingsplan – aldaar een onderneming heeft gedreven.

4.8

Met al hetgeen belanghebbende naar voren heeft gebracht, heeft hij, naar het oordeel van het Hof, niet aannemelijk gemaakt dat het woonhuis sinds 1996 door de belastingplichtige uitsluitend ter voorziening in zijn woonbehoefte is gebruikt en dat het niet op enigerlei wijze dienstbaar was aan de onderneming. Veeleer blijkt uit de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting het tegendeel. Dat de hypotheekrente vanaf een privérekening is betaald en doorbelast aan de onderneming maakt het oordeel van het Hof niet anders. Nu sprake is van keuzevermogen, heeft belanghebbende deze doorbelasting op goede gronden toegepast. Het gelijk is aan de zijde van de Inspecteur.

4.9

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. Nu het Hof ook overigens niet is gebleken dat de bepalingen met betrekking tot de heffingsrente onjuist zijn toegepast, is het hoger beroep ook in zoverre ongegrond.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, voorzitter, mr. J.W. baron van Knobelsdorff en mr. P. van der Wal, in tegenwoordigheid van mr. J.L.M. Egberts als griffier.

De beslissing is op 4 oktober 2016 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(J.L.M. Egberts)

(B. van Walderveen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 5 oktober 2016

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.