Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:7882

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-10-2016
Datum publicatie
07-10-2016
Zaaknummer
16/00010
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2015:6246, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:1340
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eigen woning en spaargeld zijn geen fiscale pensioenvoorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2016-2438
V-N Vandaag 2016/2139
V-N 2016/67.1.1
Viditax (FutD), 14-07-2017
mr. M. Wolff annotatie in NTFR 2016/2663

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Leeuwarden

nummer 16/00010

uitspraakdatum: 4 oktober 2016

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 3 december 2015, nummer LEE 15/1953, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Leeuwarden (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is voor het jaar 2011 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.152 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 10.194. Aan heffingsrente is daarbij een bedrag berekend van € 58.

1.2

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar het belastbare inkomen uit werk en woning verminderd tot € 11.857, het belastbare inkomen uit sparen en beleggen gehandhaafd en de heffingsrente dienovereenkomstig verminderd.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 3 december 2015 gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 11.357 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 10.194.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2016 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede mr. [A] namens de Inspecteur, bijgestaan door mr. [B] .

1.7

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende is gehuwd geweest met [C] . Het huwelijk is door echtscheiding ontbonden. In het kader van de echtscheiding heeft verevening van wederzijdse pensioenrechten plaatsgevonden. Aan zijn advocaat in de echtscheidingsprocedure heeft belanghebbende in april 2011 een bedrag van € 20.000 betaald.

2.2

Bij brief van 17 april 2014 liet belanghebbende de Inspecteur weten dat hij kosten ten bedrage van € 20.000 had gemaakt voor verkrijging of behoud van inkomen, welke kosten hij had vergeten in zijn aangifte op te nemen.

2.3

Bij zijn uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur slechts een bedrag van € 750 aan advocaatkosten die belanghebbende had gemaakt tot behoud van toekomstige uitkeringen uit een lijfrentepolis in aftrek toegelaten.

2.4

In een emailbericht van 6 mei 2015 heeft de advocaat van belanghebbende verklaard dat met de behandeling van de pensioenrechten tijdens de echtscheidingsprocedure een bedrag aan advocaatkosten gemoeid is geweest van € 1.249,55 inclusief btw.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of de advocaatkosten van belanghebbende, voor zover zij betrekking hadden op de toedeling van de echtelijke woning en op de spaartegoeden, als aftrekbare kosten van uitkeringen en verstrekkingen in mindering kunnen worden gebracht op belanghebbendes belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen, welke vraag belanghebbende bevestigend en de Inspecteur ontkennend beantwoordt. Voorts is in geschil of de vermogensrendementsheffing van box 3 in strijd is met de artikelen 8 en 14 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) en artikel 1 van het Eerste Protocol bij dat verdrag (hierna: EP), welke vraag eveneens door belanghebbende bevestigend en door de Inspecteur ontkennend wordt beantwoord.

3.2

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat een woning in eigendom en spaartegoeden naar algemeen aanvaarde maatstaven zijn aan te merken als pensioenvoorzieningen en dat de kosten die hij heeft gemaakt tot inning, verwerving of behoud daarvan daarom dienen te worden gekwalificeerd als aftrekbare kosten van uitkeringen en verstrekkingen. Voorts stelt hij dat een wettelijke regeling die hem de door hem bepleite aftrek onthoudt onredelijk en onbillijk is. Ook is, aldus belanghebbende, sprake van een inbreuk op het ongestoord genot van zijn eigendom als voorzien in artikel 1 van het EP, van een inbreuk op zijn privéleven als gewaarborgd in artikel 8 van het EVRM en van schending van het discriminatieverbod als opgenomen in artikel 14 van het EVRM. Ten aanzien van de vermogensrendementsheffing stelt belanghebbende dat dezelfde verdragsbepalingen door de heffing worden geschonden.

3.3

De Inspecteur heeft de standpunten van belanghebbende gemotiveerd bestreden.

3.4

Beide partijen hebben voor hun standpunten aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.

3.5

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak van de Inspecteur en tot vermindering van het verzamelinkomen.

3.6

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

Kosten van uitkeringen en verstrekkingen

4.1

In artikel 3.108, eerste volzin, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet) is bepaald dat aftrekbare kosten van uitkeringen en verstrekkingen de daarop drukkende kosten zijn, voor zover zij zijn gemaakt tot verwerving, inning en behoud van die uitkeringen en verstrekkingen. In de artikelen 3.100 tot en met 3.107 van de Wet wordt omschreven wat onder belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen moet worden verstaan, inclusief de algemene en specifieke uitbreidingen daarvan, alsmede de vrijstellingen en uitgezonderde uitkeringen. Geen van deze wetsartikelen bevat een bepaling op grond waarvan vermogensbestanddelen als woningen en spaartegoeden zouden kunnen worden gekwalificeerd als belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, aanhef en onderdeel d, van de Wet. De ter zake van de toedeling van die vermogensbestanddelen in de echtscheidingsprocedure gemaakte advocaatkosten zijn derhalve niet gemaakt tot verwerving, inning of behoud van uitkeringen en verstrekkingen, zodat de door belanghebbende beoogde aftrek op grond van de Wet niet mogelijk is.

4.2

Belanghebbende heeft ter zitting verduidelijkt dat hij niet heeft bedoeld te stellen dat de Inspecteur heeft gehandeld in strijd met de redelijkheid en billijkheid en in strijd met het EVRM en het EP, maar dat de Wet onredelijk en onbillijk is en inbreuk maakt op de vermelde verdragsbepalingen.

4.3

Belanghebbendes stelling dat de wettelijke regeling onredelijk en onbillijk is, stuit af op artikel 11 van de Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk, waarin is bepaald dat de rechter volgens de wet moet rechtspreken en in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid der wet mag beoordelen.

4.4

Het Hof vermag niet in te zien op welke wijze de wettelijke regeling van de aftrek van kosten van uitkeringen en verstrekkingen in strijd zou komen met artikel 1 van het EP. De omstandigheid dat de artikelen 3.108 en volgende van de Wet niet voorzien in een aftrek van kosten ter zake van verwerving, inning of behoud van de woning en de spaartegoeden - die niet als pensioenuitkeringen of anderszins als periodieke uitkeringen en verstrekkingen in de heffing worden betrokken - stoort belanghebbende niet in zijn recht van eigendom.

4.5

Evenmin kan worden geoordeeld dat de wettelijke regeling als voormeld een inbreuk vormt op het recht op respect voor belanghebbendes privéleven of zijn woning, of dat sprake is van inmenging van enig openbaar gezag in de uitoefening van dit recht. Zo al met belanghebbende zou kunnen worden aangenomen dat de woning in juridische zin valt aan te merken als pensioenvoorziening - hetgeen naar 's Hofs oordeel niet het geval is -, dan kan, nu de woning niet als pensioenvoorziening in de heffing is betrokken, reeds hierom niet worden gezegd dat het niet toekennen van kostenaftrek ter zake daarvan meebrengt dat een inbreuk wordt gevormd op het recht op respect voor belanghebbendes privéleven of zijn woning, of een inmenging als zojuist omschreven.

4.6

Het Hof vat belanghebbendes beroep op het verbod op discriminatie aldus op, dat hij meent dat de wettelijke regeling in strijd is met artikel 14 van het EVRM in samenhang met het Twaalfde Protocol bij het EVRM. Voorts verstaat het Hof dat beroep aldus, dat volgens belanghebbende de fiscale behandeling van zijn woning en zijn spaartegoeden ongelijk is aan die van belastingplichtigen die wel een pensioenvoorziening hebben, maar geen eigen woning of spaartegoeden, en dat belanghebbende aldus wordt gediscrimineerd. Dat standpunt stuit erop af dat te dezen geen sprake is van in feitelijk en juridisch opzicht gelijke gevallen.

Vermogensrendementsheffing

4.7

Van het forfaitaire stelsel van box 3 kan niet worden gezegd dat het elke redelijke grond ontbeert. Gelet op de ruime beoordelingsmarge die de wetgever op het terrein van het belastingrecht toekomt, is dit stelsel niet in strijd met artikel 1 van het EP. Dit stelsel zou slechts dan in strijd komen met artikel 1 van het EP indien zou komen vast te staan dat het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier percent voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is en belastingplichtigen, mede gelet op het toepasselijke tarief, zouden worden geconfronteerd met een buitensporig zware last. Indien deze onhaalbaarheid duidelijk zou worden en de wetgever ervoor kiest uit te blijven gaan van een forfaitair rendement, mag van hem worden verlangd dat hij de regeling aanpast teneinde de beoogde benadering van de werkelijkheid te herstellen. Er is geen grond om te oordelen dat voor het jaar 2011 het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier percent voor particuliere beleggers niet meer haalbaar was.

4.8

Voor zover belanghebbende heeft bedoeld ook ten aanzien van de vermogensrendementsheffing te stellen dat de wettelijke regeling onredelijk en onbillijk is, geldt hetgeen het Hof daarover bij de beoordeling van de kosten van uitkeringen en verstrekkingen heeft overwogen.

4.9

Ten aanzien van de gestelde inbreuk op de artikelen 8 en 14 van het EVRM heeft belanghebbende onvoldoende gesteld. Voor zover hij daaraan ten grondslag heeft gelegd dat sprake is van een als diefstal te kwalificeren onrechtmatig opgelegde belasting, heeft het Hof daarover hiervoor bij de overwegingen omtrent artikel 1 van het EP reeds geoordeeld.

Heffingsrente

4.10

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. Nu het Hof ook overigens niet is gebleken dat de bepalingen met betrekking tot de heffingsrente onjuist zijn toegepast, is het beroep in zoverre ongegrond.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. baron van Knobelsdorff, voorzitter, mr. P. van der Wal en mr. A. van Dongen, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier.

De beslissing is op 4 oktober 2016 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(K. de Jong-Braaksma)

(J.W. van Knobelsdorff)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 5 oktober 2016

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.