Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:7881

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-10-2016
Datum publicatie
04-10-2016
Zaaknummer
21-006244-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid openbaar ministerie in de vordering tot tenuitvoerlegging, nu in strijd met art. 14h, lid 2 Sr. de dagbepaling voor het onderzoek van de zaak niet via de rechter maar via de griffie is gegaan, terwijl een dagbepaling door een rechter een absolute voorwaarde is om een vordering tot tenuitvoerlegging aanhangig te maken. Het hof stelt vast dat in het onderhavige geval uit het dossier niet valt af te leiden dat de dag voor het onderzoek door een rechter is bepaald, zodat het hof voor de beoordeling van het verweer als uitgangspunt neemt dat de dagbepaling niet heeft plaatsgevonden op de bij de wet voorgeschreven wijze. Niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie is niet aan de orde reeds omdat de dagbepaling een handeling betreft die is voorbehouden aan de rechter en niet aan het openbaar ministerie. Het hof ziet in de in het arrest genoemde omstandigheden geen aanleiding enig rechtsgevolg te verbinden aan de omstandigheid dat in dit geval de dagbepaling van de vordering tot tenuitvoerlegging, naar het hof tot uitgangspunt heeft genomen, niet door een rechter is gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2016/218

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-006244-15

Uitspraak d.d.: 4 oktober 2016

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel van 30 oktober 2015 met parketnummer 08-730181-15 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 21-001334-13, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 20 september 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman, mr. A.C. Huisman, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing en de beslissing ter zake van de vordering tot tenuitvoerlegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 21 maart 2015 in de gemeente [plaats] ,

opzettelijk mishandelend zijn levensgezel, althans een persoon, te weten [slachtoffer] (met kracht) meermalen, althans eenmaal, in/op/tegen het hoofd/gezicht heeft geslagen en/of gestompt,

waardoor deze [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat het namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Uit die bewijsmiddelen leidt het hof het volgende af.

Aangeefster [slachtoffer] doet op 22 maart 2015 aangifte tegenover de politie en verklaart dat verdachte haar op 21 maart 2015 met zijn rechtervuist in ieder geval drie maal met kracht op de linkerzijde van haar gezicht heeft geslagen. Hierdoor voelde zij pijn en had zij een bult.

Verbalisant [verbalisant] heeft op 22 maart 2015 gerelateerd dat hij op het hoofd van [slachtoffer] een bult heeft gevoeld. Deze bult is op de bij het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant] gevoegde foto’s omcirkeld. Het hof stelt vast dat de betreffende bult ook daadwerkelijk te zien is en dat deze zich aan de linkerzijde van het gezicht, vlak onder de haargrens, van [slachtoffer] bevindt.

Op 23 maart 2015 verklaart [slachtoffer] wederom dat verdachte haar op 21 maart 2015 minimaal drie keer heeft geslagen tegen haar hoofd, waardoor zij een kleine bult op haar hoofd vlak onder de haargrens heeft opgelopen.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte [slachtoffer] meermalen op het hoofd heeft geslagen, waardoor zij letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden. Dat aangeefster de mishandeling zou hebben verzonnen omdat zij verdachte uit haar woning wilde hebben, zoals door de verdediging is aangevoerd, is - mede gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden - op geen enkele wijze aannemelijk geworden.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 21 maart 2015 in de gemeente [plaats] ,

opzettelijk mishandelend zijn levensgezel, althans een persoon, te weten [slachtoffer] (met kracht) meermalen, althans eenmaal, in/ op /tegen het hoofd /gezicht heeft geslagen en/of gestompt ,

waardoor deze [slachtoffer] letsel heeft bekomen en /of pijn heeft ondervonden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn ex-vriendin. Met zijn handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De ervaring leert dat dit voor slachtoffers ingrijpende gebeurtenissen zijn en dat zij daar nog geruime tijd klachten van kunnen ondervinden. Daarnaast levert het door verdachte gepleegde geweld ook in de maatschappij gevoelens van onveiligheid op.

Blijkens het uittreksel uit de justitiële documentatie van 19 augustus 2016 is verdachte reeds meermalen veroordeeld, waaronder voor een soortgelijk feit, hetgeen hem er niet van heeft weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Alles afwegende acht het hof oplegging van een taakstraf voor de duur van 40 uur, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden van 23 juli 2013 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf, parketnummer 21-001334-13. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering tot tenuitvoerlegging, nu in strijd met artikel 14h, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht de dagbepaling voor het onderzoek van de zaak niet via de rechter maar via de griffie is gegaan, terwijl een dagbepaling door een rechter een absolute voorwaarde is om een vordering tot tenuitvoerlegging aanhangig te maken.

Het hof overweegt in dit verband dat ingevolge artikel 14h, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht het de rechter is die onmiddellijk na indiening van de vordering tot tenuitvoerlegging een dag voor het onderzoek van de zaak bepaalt, tenzij de summiere kennisneming van de stukken hem aanleiding geeft om de vordering buiten behandeling te laten.

Het hof stelt vast dat in het onderhavige geval uit het dossier niet valt af te leiden dat de dag voor het onderzoek door een rechter is bepaald, zodat het hof voor de beoordeling van het verweer als uitgangspunt neemt dat de dagbepaling niet heeft plaatsgevonden op de bij de wet voorgeschreven wijze.

De vraag die vervolgens voorligt, is of en zo ja, welke consequentie(s) dit heeft.

Niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, zoals door de raadsman is bepleit, is niet aan de orde reeds omdat de dagbepaling een handeling betreft die is voorbehouden aan de rechter en niet aan het openbaar ministerie. Het hof ziet dan ook geen reden het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering tot tenuitvoerlegging.

Het hof heeft zich vervolgens de vraag gesteld of niet naleving van artikel 14h, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht dient te leiden tot nietigheid van het onderzoek in eerste aanleg. Daartoe wordt overwogen dat niet naleving van genoemd voorschrift in de wet niet uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd en zodanige nietigheid naar het oordeel van het hof evenmin voortvloeit uit de aard van het verzuim. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat:

  • -

    de behandeling van de vordering tot tenuitvoerlegging, nu deze ziet op het plegen van een strafbaar feit begaan voor het einde van de proeftijd, gelijktijdig geschiedt met de behandeling van het feit waarvoor de veroordeelde wordt vervolgd, zodat de veroordeelde hoe dan ook voor de rechter dient te verschijnen, en;

  • -

    anders dan de in artikel 14h, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht genoemde marginale toets, tijdens en na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting de rechter alsnog de vordering tot tenuitvoerlegging in volle omvang toetst.

In het onderhavige geval mag verder worden aangenomen dat de in artikel 14h, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde marginale toets niet zou hebben geleid tot het buiten behandeling laten van de vordering zodat niet blijkt dat verdachte door het verzuim daadwerkelijk in enig belang is geschaad.

Gelet op het voorgaande ziet het hof geen aanleiding enig rechtsgevolg te verbinden aan de omstandigheid dat in dit geval de dagbepaling van de vordering tot tenuitvoerlegging, naar het hof tot uitgangspunt heeft genomen, niet door een rechter is gedaan.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom kan de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. De advocaat-generaal heeft ter zitting de tenuitvoerlegging van de (gehele) voorwaardelijke straf gevorderd. Het hof ziet echter aanleiding om dat slechts voor een gedeelte van die straf te doen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14g, 14h, 14i, 14j, 22c, 22d, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Tenuitvoerlegging

Gelast de tenuitvoerlegging van een gedeelte van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij arrest van het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden van 23 juli 2013, parketnummer 21-001334-13, te weten van:

- een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Aldus gewezen door

mr. M.E. van Wees, voorzitter,

mr. G. Mintjes en mr. L.J. Bosch, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. N.D. Mavus-ten Elshof, griffier,

en op 4 oktober 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.