Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:7819

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-09-2016
Datum publicatie
07-10-2016
Zaaknummer
15/01382
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2015:5728, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:447
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

MRB. Oldtimervrijstelling. Overgangsrecht. Geen strijd met internationaal recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/2145
V-N 2016/67.1.2
FutD 2016-2439
NTFR 2016/2474
NLF 2016/0310 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummer 15/01382

uitspraakdatum: 28 september 2016

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 15 september 2015, nummer AWB 14/8636, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratie Apeldoorn (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Belanghebbende heeft over de periode van 6 april 2014 tot 8 mei 2014 in twee termijnen een bedrag van € 370 aan motorrijtuigenbelasting voldaan voor het motorrijtuig met het kenteken [00-YYY-0] .

1.2

Belanghebbende heeft tegen de betalingen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft het bezwaar bij uitspraak van 3 december 2014 afgewezen.

1.3

Belanghebbende is tegen de uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 15 september 2015 ten dele gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd, een teruggaaf van belasting verleend van € 278 en gelast dat de Inspecteur het betaalde griffierecht aan belanghebbende vergoedt.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Tot de stukken van het geding behoort, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.

1.6

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2016 te Arnhem. Daarbij zijn partijen, met voorafgaande mededeling aan het Hof, niet verschenen.

1.7

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende is blijkens een inschrijving in het kentekenregister, vanaf 10 mei 2012 houder van een motorrijtuig van het merk en type Mercedes Benz 409D met kenteken [00-YYY-0] (hierna: de auto). Het betreft een kampeervoertuig. De datum van eerste toelating van de auto op de weg is 1 juli 1985. De auto rijdt op diesel.

2.2

Belanghebbende heeft een zogenoemde vrijstellingsbeschikking motorrijtuigen-belasting ontvangen waarin is vermeld dat hij voor de auto in aanmerking komt voor vrijstelling van motorrijtuigenbelasting met ingang van 10 mei 2012.

2.3

Op 17 december 2013 heeft de Eerste Kamer van de Staten-Generaal ingestemd met een wijziging van de Wet MRB per 1 januari 2014 betreffende de vrijstelling voor oldtimers.

2.4

Belanghebbende heeft in december 2013 in verband met het houden van de auto een informatiebrief van de Belastingdienst ontvangen waarin is meegedeeld dat de vrijstelling van motorrijtuigenbelasting voor oldtimers per 1 januari 2014 zal wijzigen en dat belanghebbende vanaf die datum weer motorijtuigenbelasting voor de auto zal moeten betalen.

2.5

Het tarief van de motorrijtuigenbelasting (artikel 23 van de Wet MRB) bedraagt op 1 januari 2014 voor de auto € 1.045 per tijdvak van drie maanden. Omdat sprake is van een kampeerauto als bedoeld in artikel 23a van de Wet MRB is het zogenoemde kwarttarief van toepassing en bedraagt het tarief € 261 per tijdvak van drie maanden. Op deze grond heeft de Rechtbank een teruggaaf verleend van 75 percent van het betaalde bedrag, ofwel € 278.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is de hoogte van de voor de auto verschuldigde motorrijtuigenbelasting. Naar het Hof begrijpt spitst in hoger beroep het geschil zich toe – samengevat – op de volgende vragen:

3.1.1

Schendt de wetgever het vertrouwensbeginsel, meer in het bijzonder het rechtszekerheidsbeginsel, door de wijzigingen van de Wet MRB? Moet de regelgeving met betrekking tot oldtimers op diesel worden afgestemd op de regelgeving in de omringende landen?

3.1.2

Is het vervallen met ingang van 1 januari 2014 van de vrijstelling voor auto’s, jonger dan 40 jaar doch ouder dan 25 jaar, in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (hierna: artikel 1 EP)?

3.1.3

Moet op grond van het gelijkheidsbeginsel de overgangsregeling, bedoeld in de artikelen 84a en 84b van de Wet MRB, ook worden toegepast op kampeerauto’s die rijden op diesel?

3.1.4

Is de heffing van motorrijtuigenbelasting in dit geval in strijd met het gelijkheidsbeginsel omdat wel belasting wordt geheven van een kampeerauto die bedoeld is voor recreatie en niet voor andere vervoermiddelen zoals een boot die eveneens recreatief wordt gebruikt?

4 Beoordeling van het geschil

Het toetsen van de wettelijke bepalingen.

4.1

Op grond van artikel 72, eerste lid, aanhef en onderdeel b, in samenhang gelezen met het vierde lid, van de Wet MRB gold voor 2013 een vrijstelling van motorrijtuigenbelasting voor auto’s van 25 jaar of ouder (hierna ook wel: de oldtimervrijstelling). Met ingang van 1 januari 2014 is de tekst van artikel 72, eerste lid, onderdeel b, van de Wet MRB gewijzigd en geldt de oldtimervrijstelling nog slechts voor auto’s die ten minste 40 jaar geleden voor het eerst in gebruik zijn genomen. Het vierde lid is komen te vervallen. In de artikelen 84a en 84b van de Wet MRB is per 1 januari 2014 voorzien in overgangsrecht voor personenauto’s die rijden op benzine en die vóór 1 januari 1988 voor het eerst in gebruik zijn genomen waarbij het tijdstip van eerste ingebruikneming nog geen 40 jaar geleden is. Het eerste lid van artikel 84a bepaalt dat het tijdvak voor de overgangsregeling een kalenderjaar is. Ingevolge artikel 84a, tweede lid, van de Wet MRB wordt de belasting op verzoek berekend op basis van het tarief over een tijdvak van drie maanden, toegepast over het kalenderjaar (kwarttarief) en bedraagt dit ten hoogste € 120. Het tarief kan op grond van artikel 84a, derde lid, van de Wet MRB – voor zover thans van belang – uitsluitend worden toegepast indien met het motorrijtuig geen gebruik van de weg wordt gemaakt in de maanden januari, februari en december van hetzelfde tijdvak. Op grond van het vijfde lid van artikel 84a van de Wet MRB wordt de betaling van het over het tijdvak verschuldigde bedrag aan belasting, onder vermelding van het betalingskenmerk zoals aangegeven door de inspecteur, aangemerkt als het verzoek om toepassing van de overgangsregeling.

4.2

Gelet op de vanaf 1 januari 2014 geldende voorwaarden in het sindsdien geldende artikel 72 van de Wet MRB om voor de oldtimervrijstelling in aanmerking te komen, zijn de vrijstellingen voor auto’s, ouder dan 25 jaar maar jonger dan 40 jaar – in beginsel – komen te vervallen. Het vervallen van de vrijstelling was, naar moet worden aangenomen, ook de bedoeling van de wetgever. Dit kan worden afgeleid uit eerdere wijzigingen van de wet waarbij de wetgever uitging van het van rechtswege komen te vervallen van vrijstellingen. Het volgt ook uit hetgeen is overeengekomen bij de formatie van het kabinet Rutte II waarbij aanvankelijk was overeengekomen dat de oldtimervrijstelling volledig zou vervallen, de onderhandelingen met belangengroeperingen die nadien daarover zijn gevoerd en het uiteindelijk in de Wet MRB opgenomen overgangsrecht voor personenauto’s jonger dan 40 doch ouder dan 25 jaar die rijden op benzine. Naar het oordeel van het Hof is redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar dat de wetgever heeft bedoeld dat rechtstreeks uit de nieuwe vrijstellingsbepaling voortvloeit dat de vrijstellingen die zijn ontleend aan de wettelijke bepalingen zoals die luidden vóór 1 januari 2014 vanaf die datum komen te vervallen en niet meer kunnen worden toegepast.

4.3

De belasting op motorrijtuigen is binnen de Europese Unie niet geharmoniseerd. Op dit gebied oefenen de lidstaten vrij hun fiscale bevoegdheid uit, mits zij daarbij het Unierecht in acht nemen (vgl. Hoge Raad 12 november 2010, nr. 08/04259, ECLI:NL:HR:2010:BK0355). De stelling van belanghebbende dat de wetgever de heffing van motorrijtuigenbelasting van kampeerauto’s zou moeten afstemmen op de regelgeving in de omringende landen vindt geen steun in het recht. De Wet MRB is een wet in formele zin. Wat betreft de toetsing van wetgeving in formele zin zijn de mogelijkheden voor de rechter beperkt. Dit houdt verband met het grondwettelijk toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet en de uitleg die de Hoge Raad daaraan heeft gegeven in het zogenoemde Harmonisatiewetarrest, namelijk dat wetgeving in formele zin evenmin mag worden getoetst aan ongeschreven rechtsbeginselen, waaronder het rechtszekerheidsbeginsel (vgl. Hoge Raad 14 juni 2013, nr. 12/04289, ECLI:NL:HR:2013:BZ7863). Gelet hierop is de door de wetgever voorziene afschaffing van de oldtimervrijstelling en de inrichting van het overgangsrecht en de daarbij gemaakte keuzen onttrokken aan het oordeel van de rechter waar het gaat om een toetsing aan het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel als ongeschreven beginsel van behoorlijke wetgeving.

4.4

Gelet op het vorenstaande moet de eerst opgenomen vraag worden beantwoord in het nadeel van belanghebbende.

Schending van artikel 1 EP

4.5

De oldtimervrijstelling maakt een geïntegreerd onderdeel uit van de Wet MRB en heeft buiten de toepassing van die wet geen bestaansrecht. Belastingheffing op grond van de Wet MRB heeft, naast inkomensvergaring door de Staat een regulerend karakter, juist ook vanwege de in de wet opgenomen vrijstellingsbepalingen.

4.6

De verandering in de oldtimervrijstelling is reeds aangekondigd op 29 oktober 2012 en heeft, vooral bij houders van oldtimers, veel aandacht gekregen. De vrijstelling zoals die luidt met ingang van 1 januari 2014 en de daarbij behorende overgangsregeling hebben hun beslag gekregen na overleg met de desbetreffende belangengroeperingen. Uiteindelijk zijn de wijziging in de regelgeving en de mogelijk daaruit voor belanghebbende voortvloeiende consequenties aan belanghebbende bekend gemaakt in een hem in december 2013 toegezonden brief.

4.7

Belastingen vormen in beginsel een inmenging in het door artikel 1 EP gegarandeerde ongestoorde genot van eigendom. De tweede alinea van deze bepaling voorziet echter uitdrukkelijk in een algemene rechtvaardigingsgrond voor de inmenging die wordt veroorzaakt door de toepassing van fiscale maatregelen. Dit neemt niet weg dat ook op het terrein van de belastingen de inmenging volgens vaste rechtspraak van het EHRM ‘lawful’ moet zijn, een ‘legitimate aim’ moet dienen en een ‘fair balance’ tussen de belangen van het betrokken individu en het algemene belang moet respecteren. Bij de beoordeling van de vraag of aan de laatstgenoemde voorwaarde is voldaan, moet de wetgever op fiscaal gebied een ruime beoordelingsmarge worden gelaten. Wanneer, zoals in het onderhavige geval, de gestelde strijdigheid van een heffing met de door artikel 1 EP beschermde uitoefening van het eigendomsrecht gebaseerd wordt op het betoog dat bij de wijziging van de oldtimervrijstelling de gerechtvaardigde verwachtingen van de betrokkenen zijn geschonden, komt het erop aan of bij die wijziging de zojuist genoemde “fair balance” in acht is genomen (vgl. Hoge Raad 29 januari 2016, nr. 15/00340, ECLI:NL:HR:2016:121).

4.8

De Wet MRB bestaat reeds sinds jaar en dag. Belanghebbende heeft niet gesteld dat deze wet op zichzelf reeds in strijd is met artikel 1 EP. De wijziging van de oldtimervrijstelling met ingang van 1 januari 2014 die tot gevolg heeft dat op de auto die vrijstelling niet meer van toepassing is, brengt met zich dat belanghebbende volgens de normale regels motorrijtuigenbelasting verschuldigd is.

4.9

Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de wijziging in de oldtimervrijstelling blijkt dat zij voornamelijk is ingegeven door veranderingen in het gebruik van oldtimers. Het aantal is aanzienlijk toegenomen. Met steeds meer relatief jonge oldtimers worden steeds meer kilometers gereden. Uit zowel budgettaire als milieuoverwegingen heeft de wetgever daarom gekozen voor een aanscherping van de leeftijdsvoorwaarde voor toepassing van de vrijstelling. Dit is naar het oordeel van het Hof een legitieme doelstelling en deze keuze is niet van iedere redelijke grond ontbloot. Nu de vrijstelling onderdeel uitmaakt van de Wet MRB, een wet in formele zin, wordt ook aan het vereiste van ‘lawfullnes’ voldaan.

4.10

Bij de beoordeling of bij de wijziging van de voorwaarden voor de toepassing van de oldtimervrijstelling geen sprake is geweest van een ‘fair balance’, moet in aanmerking worden genomen dat niet elke wijziging van belastingwetgeving leidt tot een door artikel 1 EP verboden inbreuk op het ongestoord genot van eigendom. Burgers kunnen er in redelijkheid niet op vertrouwen dat belastingtarieven of bestaande vrijstellingen ongewijzigd zullen blijven. Naar het oordeel van het Hof is van een buitensporige last die de ‘fair balance’ verstoort geen sprake. De heffing van motorrijtuigenbelasting vindt voor de auto, na het vervallen van de vrijstelling, immers plaats tegen het normale tarief dat geldt voor met de auto vergelijkbare kampeerauto’s. Daar komt bij dat in gevallen als de onderhavige, waarin sprake is van een kampeerauto die niet regelmatig en niet voor woon- werkverkeer wordt gebruikt, de verschuldigde belasting aanzienlijk kan worden beperkt door gebruik te maken van de zogenoemde schorsingsregeling. Daaraan doet niet af dat aan het gebruik van de schorsingsregeling administratieve kosten zijn verbonden. Uit de stukken blijkt dat belanghebbende daarvan ook gebruik maakt. Ook de enkele stelling van belanghebbende dat de waarde van de auto minder is geworden door het vervallen van de oldtimervrijstelling maakt nog niet dat sprake is van een “individual and excessive burden”.

4.11

Het Hof verwerpt ook het standpunt van belanghebbende met betrekking tot de onder 3.1.2 opgenomen vraag.

Schending van het gelijkheidsbeginsel

4.12

Vooropgesteld moet worden dat artikel 14 EVRM en artikel 26 IVBPR niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen verbieden, doch alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd omdat een redelijke en objectieve rechtvaardiging ervoor ontbreekt. Dit betekent dat alleen sprake is van discriminatie indien het gemaakte onderscheid geen gerechtvaardigde doelstelling heeft of indien er geen redelijke verhouding bestaat tussen de maatregel die het onderscheid maakt en het daarmee beoogde gerechtvaardigde doel. Hierbij verdient opmerking dat op fiscaal gebied aan de wetgever in het algemeen een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of gevallen voor de toepassing van de bedoelde verdragsbepalingen als gelijk moeten worden beschouwd en of, in het bevestigende geval, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen. Indien het niet gaat om onderscheid op basis van aangeboren kenmerken van een persoon, zoals geslacht, ras en etnische afkomst, dient het oordeel van de wetgever daarbij te worden geëerbiedigd, tenzij het van redelijke grond ontbloot is. Dit laatste kan niet snel worden aangenomen. Het onderscheid moet van dien aard zijn dat de keuze van de wetgever evident van redelijke grond ontbloot is.

4.13

Motorrijtuigenbelasting is verschuldigd – kort gezegd – wegens het houden van een motorrijtuig dat is ingeschreven in het zogenoemde kentekenregister en geldt – voor zover hier aan de orde – slechts voor auto’s. De hoogte van de verschuldigde belasting is – onder meer – afhankelijk van de aard, de inrichting en de massa van het motorrijtuig, en – kort weergegeven – de brandstof. De waarde van het motorrijtuig is voor het bedrag van de verschuldigde belasting niet van belang en – in beginsel – de ouderdom evenmin. De tarieven zoals opgenomen in de Wet MRB zijn nagenoeg gelijk aan de tarieven zoals deze opgenomen waren in de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1966 (Kamerstukken II 1190-1991, 22 238, nr. 3, blz. 12 en 33). Omtrent het invoeren van een progressie in de belasting naar gelang het gewicht van het motorrijtuig en de brandstoftoeslag voor de brandstoffen, andere dan benzine, is bij het wetsvoorstel tot Wijziging van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1966 en van de Wet op het rijkswegenfonds het volgende opgenomen:

“(…)

De ondergetekenden stellen voor om van de gebruikers van personenauto’s een bijdrage van f 245 mln. te vragen boven het bedrag dat gemoeid is met de aanpassing van de bestaande tarieven. (…)

De ondergetekenden stellen voor het benodigde bedrag in verhouding zwaarder te doen drukken op de grotere auto’s. Daarom is gekozen voor een progressief tarief. (…) Thans dient, meer dan voorheen, mede aandacht te worden geschonken aan onder meer het ruimtebeslag en het spaarzaam gebruik van energie. Een progressie, gebaseerd op het gewicht van de auto, houdt met deze aspecten rekening. (…)

Voorgesteld wordt deze progressie te doen aanvangen bij de personenauto’s met een gewicht van meer dan 750 kg. (…)

De zgn. dieseltoeslag – de verhoging van de motorrijtuigenbelasting voor personenauto’s die dieselolie of LPG als motorbrandstof gebruiken en voor vrachtauto’s en autobussen die op LPG rijden – heeft in het voorstel geen verhoging ondergaan. Deze toeslag vormt een op forfaitaire wijze bepaalde compensatie voor het verschil in hoogte tussen de benzine- en de dieselolie-accijns.” (Kamerstukken II 1975-1976, 13 632, nr. 3,blz. 8-9)

“(…)

Met de mededeling (…) is bedoeld dat het onderhavige wetsvoorstel in de eerste plaats een budgettaire achtergrond heeft; de drukverzwaring ten gevolge van het progressieve tarief is echter zodanig opgesteld dat overeenstemming bestaat met de door de Regering gehuldigde opvattingen omtrent energieverbruik en ruimtebeslag.

Met betrekking tot de door de leden van de C.P.N.-fractie gestelde vragen merken de ondergetekenden op dat van het wetsvoorstel ook voor de lagere inkomens een prikkel zal uitgaan kleinere auto’s te gebruiken.” (MvA blz. 1).

“(…) Naar de mening van de ondergetekenden kan echter in het algemeen worden gesteld dat een zwaardere personenauto om zich met een zelfde snelheid voort te bewegen meer energie verbruikt dan een even oude auto met een lager gewicht. (…) Met deze leden zijn zij van mening dat het effect kan zijn dat grote tweedehandsauto’s worden vervangen door kleine nieuwe auto’s. Uit energiepolitiek oogpunt kan dit worden toegejuicht. (…)

(…) De bedoeling van de voorgestelde progressie is, zoals reeds eerder is vermeld, in de eerste plaats het verkrijgen van een budgettaire opbrengst van 245 mln. Voor de verdeling van dit bedrag over het personenautopark is gekozen voor een tarief waarbij de zwaarste auto’s ook het zwaarst worden belast, zulks in overeenstemming met de in de Energienota gevolgde gedachtengang.” (Kamerstukken II 1975-1976, 13 632, nr. 6, blz. 10-11).

“(…) Zoals de ondergetekenden reeds eerder hebben gesteld bestaat er wel degelijk een zekere samenhang tussen het gewicht enerzijds en het ruimtebeslag en zuinigheid anderzijds. (…) Los van een streven gericht op spaarzaam gebruik van energie, is het bij de huidige energieschaarste redelijk, dat de auto meer dan evenredig zwaarder wordt belast naarmate hij meer verbruikt of – uitgaande van een samenhang tussen gewicht en brandstofgebruik – zwaarder is.” (Kamerstukken II 1975-1976, 13 632, nr. 6, blz. 13)

“(…) Een tarief afhankelijk van de ouderdom van de auto past niet in een belasting ter zake van het gebruik van de weg. Het invoeren van een gedifferentieerd tarief afhankelijk van de ouderdom van de auto is bovendien in het huidige systeem moeilijk realiseerbaar. (…)

Betreffende de vraag van deze leden naar de invloed van het onderhavige wetsvoorstel op de concurrentiepositie van de auto ten opzichte van het openbaar vervoer delen de ondergetekenden mede, dat die invloed aanwezig is en dat een selectief bevorderen van openbaar vervoer daarmee gediend kan zijn.” (Kamerstukken II 1975-1976, 13 632, nr. 6, blz. 15).

4.14

Gelet op het vorenstaande dienen de heffing van motorrijtuigenbelasting in het algemeen en de daarbij gehanteerde tarieven die afhankelijk zijn van gewicht en de soort brandstof in het bijzonder, legitieme doelen en zijn de keuzen die de wetgever daarbij heeft gemaakt niet van elke redelijke grond ontbloot. Bij het maken van die keuzen is de wetgever naar het oordeel van het Hof gebleven binnen de ruime beoordelingsmarge die hem toekomt.

4.15

De wijziging van de oldtimervrijstelling met ingang van 1 januari 2014 die tot gevolg heeft dat op de auto van belanghebbende die vrijstelling in beginsel niet meer van toepassing is, brengt met zich dat belanghebbende volgens de normale regels motorrijtuigenbelasting verschuldigd is. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de wijziging in de oldtimervrijstelling blijkt dat zij voornamelijk is ingegeven door veranderingen in het gebruik van oldtimers. Het aantal is aanzienlijk toegenomen. Met steeds meer relatief jonge oldtimers worden steeds meer kilometers gereden. Uit zowel budgettaire als milieuoverwegingen heeft de wetgever daarom gekozen voor een aanscherping van de leeftijdsvoorwaarde voor toepassing van de vrijstelling. Mede op die overwegingen is het onderscheid gemaakt in de overgangsregeling, wat betreft de brandstofsoort. Dit is naar het oordeel van het Hof een legitieme doelstelling en deze keuze is niet van iedere redelijke grond ontbloot.

4.16

Voor wat betreft de vergelijking die belanghebbende maakt met oude vrachtauto’s en bussen waarop de overgangsregeling wel van toepassing is, en de vergelijking met andere recreatieve vervoersmiddelen waarvoor de Wet MRB niet geldt, is het Hof van oordeel dat, anders dan belanghebbende meent, van feitelijk en rechtens gelijke gevallen geen sprake is. Wat de bedoelde vrachtauto’s en bussen betreft neemt het Hof daarbij mede in aanmerking de overweging van de wetgever dat die motorrijtuigen, voor zover zij niet bedrijfsmatig worden gebruikt, veelal slechts nog een museale of showwaarde hebben en er met die voertuigen nagenoeg geen gebruik van de weg zal worden gemaakt. Dat andere recreatieve vervoermiddelen buiten de heffing blijven is gebaseerd op een keuze van de wetgever die aan het oordeel van de rechter is onttrokken (artikel 11 van de Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk).

4.17

Het Hof verwerpt ook het standpunt van belanghebbende met betrekking tot de onder 3.1.3 en 3.1.4 opgenomen vragen.

4.18

Ook hetgeen belanghebbende overigens nog heeft aangevoerd omtrent de verschuldigde belasting na het opheffen van de schorsing van het kenteken in 2015 en omtrent de uitvoering van de beslissing van de Rechtbank kan hem in deze procedure niet baten.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P.M. Kooijmans, voorzitter, mr. R. den Ouden en mr. R.A.V. Boxem, in tegenwoordigheid van mr. J.L.M. Egberts als griffier.

De beslissing is op 28 september 2016 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(J.L.M. Egberts) (J.P.M. Kooijmans)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 29 september 2016

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij:

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.