Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:768

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-02-2016
Datum publicatie
09-02-2016
Zaaknummer
200.182.299
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2015:7532, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg artikel 2.1.6 CAO Taxivervoer

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/357
AR-Updates.nl 2016-0135
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.182.299

(zaaknummer rechtbank Gelderland, team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Arnhem 4524885)

arrest in kort geding van 9 februari 2016

in de zaak van

1. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

Federatie Nederlandse Vakbeweging,

gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam,

2. [appellant sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. [appellant sub 3],

wonende te [woonplaats] (gemeente Schagen),

appellanten in het principaal hoger beroep,

geïntimeerden in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eisende partijen,
advocaat: mr. J.H. Mastenbroek,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Klomp Groepsvervoer B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Ede,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde partij,
advocaat: mr. R.A. van Huussen.

Appellanten sub 1 tot en met 3 zullen gezamenlijk appellanten worden genoemd. Appellante sub 1 zal hierna zonodig FNV worden genoemd en appellanten sub 2 en 3 zullen hierna zonodig [appellant sub 2] en [appellant sub 3] worden genoemd.
Geïntimeerde zal hierna Klomp worden genoemd.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van
2 december 2015 dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland, team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Arnhem tussen onder andere appellanten en Klomp in kort geding heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in spoedappel met grieven en een productie,
- de schriftelijke conclusie van eis,

- de memorie van antwoord, tevens voorwaardelijk incidenteel hoger beroep met vijf producties,
- de memorie van antwoord in het voorwaardelijk incidenteel appel,

- de pleidooien op 13 januari 2016 overeenkomstig de pleitnotities van mr. Mastenbroek en mr. Van Huussen. Hierbij is akte verleend van de producties 2 en 3 die bij faxbericht van
11 januari 2016 door mr. Mastenbroek namens Klomp zijn ingebracht.

2.2

Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald.

2.3

Appellanten vorderen - voor zover in het principaal hoger beroep nog van belang - dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog rechtdoende bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. Klomp zal verbieden, totdat in een bodemprocedure zal zijn beslist dat Klomp bevoegd is om de standplaatsen te wijzigen c.q. de stalplaatsen in te voeren, om werknemers van Klomp, waaronder begrepen [appellant sub 2] en [appellant sub 3] , te verplichten om op eigen gelegenheid dan wel tegen betaling van een reiskostenvergoeding van 19 cent per kilometer aan Klomp, te laten reizen naar door Klomp bedoelde “stalplaatsen” en Klomp zal gebieden ten aanzien van haar medewerkers toepassing te blijven geven aan het bepaalde in artikel 2.1.6 van de CAO Taxivervoer, op straffe van verbeurte van een aan appellanten te betalen dwangsom van
€ 500,- per dag en per keer dat Klomp aan deze veroordeling niet voldoet;

II. Klomp zal veroordelen tot betaling aan [appellant sub 2] van een salaris over de maand oktober van

€ 1.408,43 bruto en een basisloon van € 992,06 bruto per maand, te vermeerderen met de meeruren en overuren, vanaf 1 november 2015 tot de dag dat het dienstverband rechtsgeldig zal zijn geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW, te stellen op 50%, alsmede te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 oktober 2015 tot op de dag dat rechtsgeldig volledig zal zijn betaald;

III. Klomp zal veroordelen tot betaling aan [appellant sub 3] van een basisloon van € 777,60 bruto per maand, te vermeerderen met de meeruren en overuren, vanaf 1 september 2015 tot de

dag dat het dienstverband rechtsgeldig zal zijn geëindigd, te vermeerderen met de

wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW, te stellen op 50%, alsmede te vermeerderen met

de wettelijke rente daarover vanaf 1 oktober 2015 tot de dag dat rechtsgeldig volledig

zal zijn betaald;

IV. Klomp zal veroordelen in de kosten van deze procedure en de procedure in eerste

aanleg, de kosten van de advocaat daaronder begrepen.

2.4

Klomp vordert in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep - voor het geval een of meer van de grieven van FNV in het principaal hoger beroep zouden slagen - dat het hof bij arrest in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, appellanten

niet-ontvankelijk zal verklaren in hun vorderingen, met veroordeling van appellanten in de kosten van het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep.

3 De vaststaande feiten

3.1

Klomp legt zich toe op (groeps)vervoer van leerlingen in het primair onderwijs, speciaal onderwijs en personen met een beperking. De opdrachtgevers van Klomp zijn overheidsinstellingen en instellingen voor de gezondheidszorg. Bij Klomp zijn circa 550 werknemers in loondienst werkzaam. Het overgrote deel werkt als chauffeur op part time-basis.

3.2

Op de arbeidsovereenkomsten met de werknemers van Klomp is de Collectieve Arbeidsovereenkomst Taxivervoer (hierna: de CAO Taxivervoer) van toepassing. Klomp is lid van Taxivervoer Nederland, de werkgeversorganisatie die partij is bij de CAO Taxivervoer. De CAO Taxivervoer is algemeen verbindend verklaard in de periode van
4 april 2014 tot 1 januari 2016.

3.3

In de algemeen verbindend verklaarde CAO Taxivervoer is onder andere het volgende bepaald:
1.3 Definities
(…)
p. Standplaats De plek waar het bedrijf is gevestigd en waar de werknemer zijn dienst aanvangt en beëindigt.
“(…)
HOOFDSTUK 2 WERK EN RUSTTIJDEN

2.1

Arbeidstijd rijdend personeel
(…)
2.1.2 Arbeidstijd en Diensttijd

Arbeidstijd

Arbeidstijd is de tijd tussen het tijdstip waarop de dienst aanvangt en het tijdstip waarop de dienst eindigt, na aftrek van de werkelijk genoten pauzes en na aftrek van de tijdsvakken waarin de werknemer, in overeenstemming met de werkgever, niet ter beschikking/of op afroep beschikbaar staat.

Diensttijd

De tijd gelegen tussen het tijdstip waarop de dienst aanvangt en het tijdstip waarop de dienst eindigt, begrensd door de wettelijk onafgebroken rust.
(…)
2.1.6 Normering woon-werkverkeer


De werkgever en de werknemer die belast is met vervoer kunnen in overleg besluiten dat de werknemer een personenauto bij einde van de dienst mee naar huis neemt. In dat geval parkeert de werknemer het voertuig in de nabijheid van zijn woning. Bij aanvang van de volgende dienst kan de werknemer dan direct over het voertuig beschikken. In die situatie wordt de dienststijd als volgt bepaald:

De dienststijd is de tijd gelegen tussen het moment van vertrek tot aan het moment van thuiskomst. Op de totale dienststijd worden maximaal 15 minuten per dag in mindering gebracht zijnde maximaal 7,5 minuten tot het eerste ophaaladres voor aanvang en maximaal 7,5 minuten vanaf het laatste uitstapadres. De tijd gemoeid met woon- werkverkeer is daarmee verrekend. Indien de tijd tot het eerste ophaaladres voor aanvang en de tijd vanaf het laatste uitstapadres minder dan 7,5 minuten bedraagt dient deze (werkelijke) tijd in mindering te worden gebracht op de totale diensttijd.

3.4

Klomp is in de loop van 2015 (zij noemt de maand mei 2015) in een situatie terechtgekomen dat zij niet langer aan haar betalingsverplichtingen kon voldoen. Zij verkeerde en verkeert ook thans op de rand van een faillissement.

3.5

Om een faillissement te voorkomen, heeft Klomp met haar crediteuren, waaronder de belastingdienst (financiële) regelingen getroffen.

3.6

Contracten van Klomp op het gebied van school- en instellingenvervoer in de regio Veluwe en de gemeenten Rhenen, Veenendaal en Utrecht zijn geëindigd. Het grootste deel van het personeel dat ten behoeve van dat vervoer werkzaam was, is overgegaan naar een opvolgend vervoerder. Klomp heeft werknemers die niet zijn overgegaan in dienst gehouden en ingezet op andere routes.

3.7

Klomp heeft besloten met ingang van 1 september 2015 een zogenaamde “stalplaatsregeling” in te voeren.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

FNV, [appellant sub 2] en [appellant sub 3] hebben in eerste aanleg gelijkluidende vorderingen ingesteld, zoals hiervoor onder 2.3 weergegeven.

4.2

De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis de vorderingen van FNV, [appellant sub 2] en [appellant sub 3] afgewezen.

5 De beoordeling van de grieven en de vorderingen

In het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep

5.1

Vanwege proceseconomische redenen zal het hof eerst het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van Klomp behandelen. Dit beroep is uitsluitend gericht tegen FNV.

5.2

Klomp heeft, met verwijzing naar artikel 3:305a lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), aangevoerd dat FNV niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vorderingen. FNV heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

5.3

Op grond van artikel 3:305a lid 1 BW kan een stichting of vereniging met volledige rechtsbevoegdheid een rechtsvordering instellen die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen, voor zover zij deze belangen ingevolge haar statuten behartigt. In artikel 3:305a lid 2 BW is bepaald dat een rechtspersoon als bedoeld in lid 1 niet ontvankelijk is, indien hij in de gegeven omstandigheden onvoldoende heeft getracht het gevorderde door het voeren van overleg met de gedaagde te bereiken. Een termijn van twee weken na de ontvangst door de gedaagde van een verzoek tot overleg onder vermelding van het gevorderde, is daartoe in elk geval voldoende.

5.4

Vast staat dat FNV en Klomp partijen zijn die de CAO Taxivervoer zijn aangegaan (FNV als een van de werknemersorganisaties en Klomp als lid van Taxivervoer Nederland, de werkgeversorganisatie). (Onder andere) FNV en Taxivervoer Nederland hebben aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid verzocht (bepalingen van) de CAO Taxivervoer algemeen verbindend te verklaren, welke verzoek is gehonoreerd voor de periode van 4 april 2014 tot 1 januari 2016 (zie hiervoor onder 3.2).

5.5

Uitgangspunt is dat een werknemersorganisatie als contractspartij uit eigen hoofde gerechtigd is om naleving te vorderen van bepalingen van een CAO door een werkgever, die aan deze CAO is gebonden, in het bijzonder indien het gaat om in die CAO opgenomen verplichtingen van die werkgever jegens zijn werknemers (Hoge Raad 19 juni 1987, ECLI:NL:HR:1987:AD3749, Hoge Raad 19 december 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2532 en Hoge Raad 5 februari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2841). Dit zelfde geldt voor de naleving van (bepalingen van) een CAO die algemeen verbindend is verklaard (zie artikel 3 van de Wet op het algemeen verbindend en onverbindend verklaren van bepalingen van een collectieve arbeidsovereenkomst).

5.6

Het voorgaande betekent dat artikel 3:305a BW niet van toepassing is en niet beoordeeld behoeft te worden of FNV aan de in artikel 3:305a lid 2 BW vermelde eisen heeft voldaan.

5.7

De grief van Klomp faalt, zodat het beroep van Klomp moet worden verworpen.

In het principaal hoger beroep

5.8

Het hof stelt voorop dat bij beantwoording van de vraag of een in kort geding verlangde voorziening, hetzij na toewijzing, hetzij na weigering daarvan, in hoger beroep voor toewijzing in aanmerking komt, zo nodig ambtshalve, mede dient te worden beoordeeld of de eisende partij ten tijde van het arrest van het hof bij die voorziening een spoedeisend belang heeft.

5.9

Het hof is van oordeel dat appellanten ook in hoger beroep, een spoedeisend belang hebben met de door hen gevorderde voorlopige voorzieningen. Dit is tussen partijen

- terecht - niet in geschil.

5.10

Vast staat dat Klomp ongeveer 550 chauffeurs in dienst heeft, die op verschillende plaatsen in Nederland woonachtig zijn en die in de omgeving van hun woonplaats werkzaamheden als chauffeur verrichten. Klomp is in Ede gevestigd.

5.11

Op grond van artikel 2.1.6 van de CAO Taxivervoer kunnen de werkgever en de werknemer die belast is met vervoer in overleg besluiten dat de werknemer een personenauto bij einde van de dienst mee naar huis neemt. In dat geval parkeert de werknemer het voertuig in de nabijheid van zijn woning. Bij aanvang van de volgende dienst kan de werknemer direct over het voertuig beschikken. In dat geval wordt op de totale diensttijd maximaal
15 minuten per dag als woon-werkverkeer in mindering gebracht, te weten maximaal 7,5 minuten vanaf het woonadres tot het eerste ophaaladres en maximaal 7,5 minuten vanaf het laatste afleveradres tot het woonadres. De overige (gewerkte) uren worden als arbeidstijd uitbetaald.

5.12

Het hof stelt voorop dat een overeenkomst tot stand komt door aanbod en aanvaarding daarvan (art. 6:217 BW). Een aanbod, alsook de aanvaarding daarvan, kunnen in beginsel in iedere vorm geschieden. Zij kunnen ook besloten liggen in een of meer gedragingen. Het hof is voorlopig van oordeel dat tot 1 september 2015 in de gedragingen van Klomp en haar werknemers lag besloten dat in onderling overleg (als bedoeld in artikel 2.1.6 van de CAO Taxivervoer) is besloten en aldus is overeengekomen om de voor de uitvoering van het vervoer ter beschikking gestelde auto bij het einde van de dienst mee naar huis te nemen. Klomp heeft niet betwist dat haar werknemers tot 1 september 2015 altijd op deze wijze hun werkzaamheden als chauffeur hebben verricht, waarbij Klomp steeds artikel 2.1.6 van de CAO Taxivervoer heeft toegepast. Anders dan Klomp heeft aangevoerd is dan ook niet van belang dat Klomp en haar werknemers hierover niet (formeel) met elkaar hebben overlegd. Gelet op het voorgaande is evenmin sprake van (slechts) een instructierecht van Klomp zoals omschreven in artikel 7:660 BW.

5.13

Ter gelegenheid van de pleidooien bij het hof heeft Klomp verklaard dat ook na
1 september 2015 al haar werknemers de aan hen ter beschikking gestelde auto na afloop van de dienst mee naar huis nemen, zodat zij bij aanvang van de volgende dienst direct over hun voertuig kunnen beschikken. In die situatie of, zoals aan het begin van de vierde volzin van artikel 2.1.6 van de CAO Taxivervoer is vermeld “In dat geval”, wordt op de totale diensttijd maximaal 15 minuten per dag als woon-werkverkeer in mindering gebracht, te weten maximaal 7,5 minuten vanaf het woonadres tot het eerste ophaaladres en maximaal
7,5 minuten vanaf het laatste afleveradres tot het woonadres en worden de overige (gewerkte) uren als arbeidstijd uitbetaald (zie verder vierde en vijfde volzin van artikel 2.1.6 van de CAO Taxivervoer). De in de vierde en vijfde volzin gebezigde bewoordingen “wordt” en “worden” brengen tot uitdrukking dat in de situatie dat de werknemers de auto na afloop van de dienst mee naar huis nemen, Klomp toepassing dient te geven aan de regeling zoals vastgelegd in (de vierde en vijfde volzin van) artikel 2.1.6 van de CAO Taxivervoer. Het hof gaat voorbij aan het ter gelegenheid van de pleidooien door Klomp niet nader toegelichte verweer dat na 1 september 2015 geen sprake is geweest van een afspraak in de zin van de CAO Taxivervoer en verwijst voorts naar hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 5.12 is overwogen.

5.14

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is Klomp naar het voorlopig oordeel van het hof gehouden ook na 1 september 2015, in de situatie dat de werknemers de auto na afloop van de dienst mee naar huis nemen, toepassing te (blijven) geven aan artikel 2.1.6 van de CAO Taxivervoer. De grieven I en II slagen. Grief III behoeft, mede gelet op het feit dat het hof in de rechtsoverwegingen 3.1 tot en met 3.7 zelf de feiten heeft vastgesteld, niet meer te worden behandeld. Het hof zal de vordering van appellanten, zoals omschreven in rechtsoverweging 2.3 onder I van dit arrest, aldus toewijzen dat Klomp zal worden geboden ten aanzien van haar medewerkers vanaf 1 september 2015 toepassing te (blijven) geven aan het bepaalde in artikel 2.1.6 van de CAO Taxivervoer, op straffe van verbeurte van een appellanten te betalen dwangsom van € 500,- per dag en per keer dat Klomp binnen veertien dagen na betekening van dit arrest niet aan dit gebod voldoet, met een maximum van

€ 50.000,-.

5.15

Het hof zal de vorderingen van [appellant sub 2] en [appellant sub 3] , zoals omschreven in rechtsoverweging 2.3 onder II en III afwijzen. Het betreft hier een voorziening, bestaande in een veroordeling tot betaling van een geldsom. Met betrekking tot de toewijzing van een dergelijke vordering is terughoudendheid op zijn plaats en zal de rechter - ook - moeten onderzoeken of de vordering van de eisende partij voldoende aannemelijk is. Klomp heeft de hoogte van de vorderingen van [appellant sub 2] en [appellant sub 3] gemotiveerd betwist en naar aanleiding van deze betwisting hebben [appellant sub 2] en [appellant sub 3] hun vorderingen niet nader onderbouwd. Dit laatste hebben [appellant sub 2] en [appellant sub 3] ter gelegenheid van de pleidooien bij het hof onderkend. Zij hebben aangegeven dat zij in deze procedure niet al teveel willen stilstaan bij de exacte omvang van hun vorderingen (punt 19 pleitnota appellanten). Dit betekent dat [appellant sub 2] en [appellant sub 3] hun vorderingen vooralsnog onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt. Dit laat onverlet dat Klomp op grond van de toewijzing van het in rechtsoverweging 5.14 omschreven gebod gehouden is ook ten aanzien van [appellant sub 2] en [appellant sub 3] artikel 2.1.6 van de CAO Taxivervoer na te leven.

5.16

Als de overwegend in het ongelijk te stellen partij zal het hof Klomp in de kosten van beide instanties veroordelen.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van FNV, [appellant sub 2] en [appellant sub 3] zullen worden vastgesteld op € 221,19 voor verschotten (€ 105,19 explootkosten en € 116,- griffierecht) en op € 600,- voor salaris gemachtigde overeenkomstig de aanbeveling tarieven korte gedingen in kantonzaken en handelszaken.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van FNV, [appellant sub 2] en [appellant sub 3] zullen worden vastgesteld op € 788,84 voor verschotten (€ 77,84 explootkosten en € 711,- griffierecht) en op € 2.682,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief (drie punten x tarief II in hoger beroep).


In het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep voorts

5.17

Klomp heeft naar het oordeel van het hof terecht onder 4 van haar memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel appel aangevoerd dat haar beroep op de niet-ontvankelijkheid van FNV in haar vorderingen (dat de voorzieningenrechter in eerste aanleg heeft verworpen), op grond van de devolutieve werking bij het slagen van een of meer grieven opnieuw door het hof moet worden behandeld. Aangezien Klomp zich voorts schaart achter het dictum in het bestreden vonnis is aldus geen sprake van een “zuiver” incidenteel hoger beroep in de zin van artikel 347 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Het hof heeft in het principaal hoger beroep beslist dat een deel van de grieven appellanten slagen.

5.18

Naar vaste jurisprudentie kan de omstandigheid dat Klomp in eerste aanleg gevoerde verweren in de vorm van een (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep onder de aandacht van het hof heeft gebracht, niet ertoe leiden dat verwerping van die verweren - en dientengevolge de verwerping van het incidenteel hoger beroep - Klomp op een kostenveroordeling komt te staan. Dit betekent dat het hof een kostenveroordeling in dit beroep achterwege zal laten.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep in kort geding:

In het principaal hoger beroep

vernietigt het tussen (onder meer) partijen in kort geding gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland, team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Arnhem van 2 december 2015 en doet opnieuw recht:

gebiedt Klomp ten aanzien van haar medewerkers vanaf 1 september 2015, in de situatie dat de werknemers de auto na afloop van de dienst mee naar huis nemen, toepassing te (blijven) geven aan het bepaalde in artikel 2.1.6 van de CAO Taxivervoer, op straffe van verbeurte van een aan appellanten te betalen dwangsom van € 500,- per dag en per keer dat Klomp binnen veertien dagen na betekening van dit arrest niet aan dit gebod voldoet, met een maximum van € 50.000,-;

veroordeelt Klomp in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van appellanten wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 221,19 voor verschotten en op € 600,- voor salaris gemachtigde en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 788,84 voor verschotten en op € 2.682,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

In het incidenteel hoger beroep

verwerpt het hoger beroep;

In het principaal en in het incidenteel hoger beroep

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.B. Knottnerus, P.L.R. Wefers Bettink en W. Duitemeijer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2016.