Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:7630

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-09-2016
Datum publicatie
30-09-2016
Zaaknummer
15/00130
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2015:2455, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Aftrek specifieke zorgkosten. Aftrek van rente op geldleningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/2078
V-N 2017/2.16.6
FutD 2016-2386
NTFR 2016/2437
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummer 15/00130

uitspraakdatum: 20 september 2016

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 3 februari 2015, nummer AWB 14/3382, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Arnhem (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is voor het jaar 2010 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.732. Aan heffingsrente is daarbij een bedrag berekend van € 141.

1.2

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.050 en de heffingsrente dienovereenkomstig verminderd tot € 127.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 3 februari 2015 ongegrond verklaard.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2016 te Arnhem. Daarbij is verschenen en gehoord [A] namens de Inspecteur. Belanghebbende is – zonder bericht – niet verschenen. Belanghebbende heeft bij brief van 11 augustus 2016, ontvangen door het Hof op 12 augustus 2016, verzocht om uitstel van de mondelinge behandeling voor onbepaalde tijd. Aan belanghebbende is op zijn verzoek eenmaal eerder uitstel van de mondelinge behandeling verleend. De door belanghebbende in zijn brief van 11 augustus 2016 genoemde persoonlijke omstandigheden rechtvaardigen geen uitstel voor onbepaalde tijd. In dit verband heeft het Hof het belang van een goede rechtspleging en het belang van de Inspecteur afgewogen tegen het belang van belanghebbende en geoordeeld dat van een gewichtige reden die tot uitstel van de mondelinge behandeling noopt, geen sprake is. Het Hof heeft het verzoek van belanghebbende bij brief van 12 augustus 2016 afgewezen.

1.7

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende heeft zijn aangifte IB/PVV 2010 op papier ingediend met dagtekening 7 november 2011. Bij vraag 3 (AOW, pensioen, lijfrente, bijstand en andere uitkeringen) heeft hij het volgende vermeld onder 3a:

Naam van de uitkeringsinstantie(s) Ingehouden loonheffing Pensioen of uitkering

PMA € 431 € 1294

SVB € 2032 € 6087

ABP € 778 € 2368

Totaal € 3241 € 9749

Op het aangifteblad heeft belanghebbende hieronder het volgende geschreven:

“Wilt u voor inkomsten UWV uitgaan van inkomsten bij u bekend

Kan deze gegevens niet meer vinden”

2.2

Met dagtekening 9 december 2011 is een voorlopige aanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 9.749. De voorlopige aanslag heeft tot een teruggaaf van € 2.401 geleid.

2.3

De Inspecteur heeft bij brief van 14 november 2012 medegedeeld dat belanghebbende zijn uitkering van het UWV niet heeft aangegeven. Volgens de Inspecteur bedraagt de uitkering € 25.983 waarop € 7.356 aan loonheffing is ingehouden. De Inspecteur deelt mee dat het belastbare inkomen uit werk en woning wordt verhoogd met € 25.983 tot € 35.732 en dat de te verrekenen voorheffingen worden verhoogd met € 7.356 tot € 10.597. De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief met dagtekening 19 november 2012, waarvan de inhoud van gelijke strekking is als die van de brief van 14 november 2012, in de gelegenheid gesteld om te reageren op dit voornemen.

2.4

Bij brief van 27 november 2012 heeft belanghebbende gereageerd op het voornemen van de Inspecteur. Belanghebbende geeft daarin aan aanspraak te maken op persoonsgebonden aftrek, te weten uitgaven voor specifieke zorgkosten. Deze kosten zijn als volgt berekend en gespecificeerd:

“premie C.Z. € 1644,-

eigen risico - 250,-

Dela - 152,68

huisapotheek - 400,-

huishoudelijke hulp - 2750,-

tuin - 650,-

in rond huis - 550,-

entree zwemmen - 88,-

div - 600,-

reiskosten - 3109,-

Tai Chi - 590,-

10773,68 [het Hof leest: 10783,68]

Reiskosten =

km

[B] 4264

huisarts 96

ziekenhuis 45

fysio/zwemmen [C] 3150

sauna 1600

fysio [D] 1950

[E] 4440

15545

kleine ritten hiervan zelf gereden

grote afstanden door familie, vrienden, kennissen, met mijn auto, betaal dan uiteraard zelf

benzine, hapje, drankje.”

Tevens heeft belanghebbende de Inspecteur verzocht rekening te houden met een door belanghebbende afgesloten doorlopend krediet bij ING (openstaand bedrag € 20.000), een creditcard bij ING (openstaand bedrag € 1.000) en een creditcard bij Santander (openstaand bedrag € 2.500) Belanghebbende heeft erop gewezen dat hij deze bedragen heeft gebruikt om rond te komen en dat hij hierover in 2010 respectievelijk € 300, € 50 en € 78 aan rente heeft betaald.

2.5

Met dagtekening 6 december 2012 is de aanslag opgelegd. Daarbij is het belastbare inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 35.732 en de te verrekenen loonheffing op € 10.597. De aanslag leidt tot een totaal te betalen bedrag van € 2.966, waarin een bedrag van € 141 aan heffingsrente is begrepen.

2.6

Belanghebbende heeft tijdig bezwaar gemaakt tegen de aanslag. Bij het bezwaarschrift heeft belanghebbende onder andere een kopie van zijn brief van 27 november 2012 gevoegd.

2.7

De Inspecteur heeft bij brief van 19 december 2013 aangegeven deels tegemoet te willen komen aan het bezwaar, maar ook nadere vragen gesteld. Belanghebbende heeft hierop niet inhoudelijk gereageerd. Wel heeft belanghebbende diverse malen telefonisch en schriftelijk om uitstel verzocht voor het aanleveren van gegevens.

2.8

De Inspecteur heeft met dagtekening 11 april 2014 uitspraak op bezwaar gedaan. Daarbij is het belastbare inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 35.050. In de brief van 26 maart 2014, de toelichting behorend bij de uitspraak op bezwaar, is vermeld dat een gedeelte van de reiskosten in aftrek is toegelaten. Het betreft om te beginnen:

reiskosten huisarts 96 km

reiskosten ziekenhuis 45 km

reiskosten fysiotherapeut 1.950 km

Totaal: 2.091 km x € 0,20 = € 418

Daarnaast heeft de Inspecteur uit coulance ook reiskosten naar [B] in aftrek toegelaten, hoewel belanghebbende voor deze kosten geen onderbouwing of medische verklaring heeft overgelegd. Het betreft 4.264 km x € 0,20. De Inspecteur heeft voor in totaal 6.355 km een bedrag van € 1.271 als reiskosten in aftrek toegelaten en daarop vervolgens een drempel van € 589 toegepast. Dit heeft geleid tot een verlaging van het belastbare inkomen uit werk en woning met € 682. De overige kosten heeft de Inspecteur niet in aftrek toegelaten.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of de aanslag tot een juist bedrag is verminderd.

3.2

Belanghebbende wijst op zijn persoonlijke omstandigheden en meent dat hiermee ten onrechte geen rekening is gehouden. Belanghebbende wil dat hij persoonlijk wordt behandeld.

3.3

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de aanslag in ieder geval niet tot een te hoog bedrag is opgelegd.

3.4

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan heeft de Inspecteur ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.

3.5

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraken van de Inspecteur, en tot vermindering van de aanslag en de beschikking heffingsrente.

3.6

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

Specifieke zorgkosten

4.1

De Rechtbank heeft om te beginnen vastgesteld dat op belanghebbende de last rust om aannemelijk te maken dat hij recht heeft op een hoger bedrag aan specifieke zorgkosten dan waarmee de Inspecteur al rekening heeft gehouden. Dit uitgangspunt is naar het oordeel van het Hof juist.

4.2

Naar het oordeel van de Rechtbank heeft belanghebbende, tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, niet aannemelijk gemaakt dat hij recht heeft op een hogere aftrek. De Rechtbank heeft hiertoe overwogen dat met ingang van 1 januari 2009 de premie voor de zorgverzekering, de kosten van de huisapotheek en de kosten van een begrafenisverzekering niet meer voor aftrek in aanmerking komen. Ook is de vaste aftrek wegens arbeidsongeschiktheid/chronische ziekte komen te vervallen. Verder heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de reiskosten naar [E] en het zwembad zijn gemaakt in rechtstreeks verband en met het oog op het verkrijgen van genees-, heel- of verloskundige hulp, aldus de Rechtbank. Met betrekking tot de kosten van de huishoudelijke hulp en de hulp in en rond het huis, de entree voor het zwembad en de overige kosten zijn geen betalingsbewijzen verstrekt of is op andere wijze bewijs geleverd dat deze uitgaven daadwerkelijk zijn gedaan, aldus de Rechtbank. Tevens heeft belanghebbende ter onderbouwing van deze kosten geen medische verklaring overgelegd waaruit de noodzaak voor het maken van deze kosten blijkt.

4.3

Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank voor wat betreft de specifieke zorgkosten op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen. Belanghebbende heeft in hoger beroep niets aangevoerd of overgelegd dat aanleiding geeft tot een ander oordeel. De Inspecteur heeft in ieder geval niet tot een te laag bedrag aftrek wegens specifieke zorgkosten verleend.

Rente geldleningen

4.4

Belanghebbende heeft de Inspecteur in zijn brief van 27 november 2012 verzocht rekening te houden met door hem betaalde rente op diverse kredieten. Ook ten aanzien van die bedragen heeft belanghebbende naar het oordeel van de Rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van aftrekbare kosten. Voorts heeft de Inspecteur terecht gesteld dat de door belanghebbende betaalde rente op deze kredieten al sinds 2001 niet meer voor aftrek in aanmerking komt.

4.5

Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank voor wat betreft de rente op de geldleningen op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen dat deze rentekosten niet op enigerlei wijze op het inkomen in mindering kunnen worden gebracht. Het Hof voegt hieraan toe dat belanghebbende op pagina 8 van zijn brief van 13 november 2014 heeft erkend dat deze bedragen niet langer aftrekbaar zijn. De Inspecteur heeft de aftrek van de door belanghebbende genoemde bedragen terecht geweigerd.

Persoonlijke omstandigheden

4.6

Belanghebbende heeft voorts gesteld dat de Inspecteur onzorgvuldig jegens hem heeft gehandeld tijdens de aanslagregeling en de bezwaarfase. Zo stelt belanghebbende dat de Inspecteur onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden en hem te weinig tijd heeft gegund om de aftrekposten nader te onderbouwen.

4.7

De Rechtbank heeft geoordeeld dat van een onzorgvuldig handelen van de Inspecteur jegens belanghebbende niet is gebleken, temeer nu de Inspecteur bij herhaling aan belanghebbende de gelegenheid heeft geboden om de aftrekbaarheid van de door belanghebbende opgevoerde posten nader te onderbouwen. Dat belanghebbende van deze gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt, kan de Inspecteur niet worden verweten. Het Hof sluit zich bij dit oordeel van de Rechtbank aan.

4.8

In hoger beroep heeft belanghebbende aangevoerd dat de Rechtbank de gedachtegang van de Inspecteur heeft gevolgd en niet zelf heeft geoordeeld. Belanghebbende heeft in dit verband opnieuw gewezen op zijn persoonlijke omstandigheden, zoals zijn financiële positie en zijn medische conditie als gevolg van een ongeluk op 15 november 2008.

4.9

Zoals het Hof hiervoor al heeft geoordeeld, heeft de Rechtbank op goede gronden een juiste beslissing gegeven over de punten die partijen verdeeld houden. Gelet op artikel 11 van de Wet van 15 mei 1829 houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk (Stb. 1822, 10 en Stb 1829, 28) dient de rechter volgens de wet recht te spreken en mag hij in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid van de wet beoordelen. Het Hof is, gelet op deze regel over de machtenscheiding binnen het Koninkrijk, niet bevoegd om de Wet inkomstenbelasting 2001 vanwege de persoonlijke omstandigheden van belanghebbende in strijd met het recht toe te passen. De beoordeling of een rechtsregel billijk en redelijk is, is uitsluitend aan de wetgever voorbehouden. Voorts is het Hof niet bevoegd om een eventueel kwijtscheldingsverzoek van belanghebbende te beoordelen. De ontvanger van de Belastingdienst is daartoe de bevoegde instantie. Uit de gedingstukken leidt het Hof af dat belanghebbende al een kwijtscheldingsverzoek bij de ontvanger heeft ingediend.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Dongen, voorzitter, mr. R.F.C. Spek en mr. A.J.H. van Suilen, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.

De beslissing is op 20 september 2016 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(E.D. Postema)

(A. van Dongen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 23 september 2016

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.