Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:7358

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-08-2016
Datum publicatie
14-09-2016
Zaaknummer
200.167.997/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie. Partner moeder niet onderhoudsplichtig, nu zij samenwonend zijn. Geen schending van artikel 8 EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2016-0248

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.167.997/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/368209/FL RK 14-954)

beschikking van 4 augustus 2016

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. J.B. Streefkerk te Almere,

en

[verweerster] ,

wonende te [A] ,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. J. Burema te Almere.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 19 maart 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in het principaal en het incidenteel hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 10 april 2015;

- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep;

- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep;

- het journaalbericht van mr. Streefkerk van 26 mei 2015 met productie(s);

- de op verzoek van mr. Streefkerk door de griffier van dit hof op 23 juni 2015 afgegeven verklaring dat het appel zich niet richt tegen de echtscheiding;

- het journaalbericht van mr. Streefkerk van 21 september 2015 met productie(s);

- het journaalbericht van mr. Streefkerk van 4 november 2015 met productie(s);

- het journaalbericht van mr. Burema van 5 november 2015 met productie(s);

- het journaalbericht van mr. Streefkerk van 6 november 2015 met productie(s).

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 16 november 2015 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Mr. Streefkerk heeft een pleitnota overgelegd.

2.3

Na de mondelinge behandeling is ingekomen een journaalbericht van mr. Burema van 29 maart 2016 met productie(s). Nu de mondelinge behandeling is gesloten, het hof partijen geen toestemming heeft gegeven nog stukken na te zenden en mr. Streefkerk bezwaar heeft gemaakt tegen kennisname, slaat het hof geen acht op de inhoud van dit journaalbericht.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het huwelijk van de man en de vrouw is [in] 2015 ontbonden door echtscheiding.

3.2

De man en de vrouw zijn de ouders van:

- [de minderjarige1] (hierna: [de minderjarige1] ), geboren [in] 2001,

- [de minderjarige2] (hierna: [de minderjarige2] ), geboren [in] 2003 en

- [de minderjarige3] (hierna: [de minderjarige3] ), geboren [in] 2007,

over wie partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen. De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw. Tussen de man en de kinderen geldt een voorlopige zorgregeling van één zaterdag per veertien dagen van 10.00 uur tot 19.00 uur.

3.3

Bij voorlopige voorziening van 1 oktober 2014 heeft de rechtbank bepaald dat de man met ingang van 3 juli 2014 € 277,- per kind per maand aan de vrouw dient te betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] .

3.4

De man is [in] 2015 gehuwd met [B] (hierna: [B] ). [B] heeft twee kinderen uit een eerder huwelijk; [de jong-meerderjarige] (hierna: [de jong-meerderjarige] ), geboren [in] 1997, en [de minderjarige4] (hierna: [de minderjarige4] ), geboren [in]

[in] 2007. [de jong-meerderjarige] en [de minderjarige4] wonen bij de man en [B] .

3.5

De vrouw vormt met de kinderen van partijen een gezin. Zij woont samen met [C] (hierna: [C] ).

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] . De rechtbank heeft in de bestreden beschikking die bijdrage vastgesteld op € 312,- per kind per maand.

4.2

De man is met vijf grieven in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van

19 maart 2015. Grief 1 ziet op de behoefte van de kinderen en de grieven 2 tot en met 5 zien op zijn draagkracht. De man verzoekt de beschikking van 19 maart 2015 (het hof begrijpt: wat betreft de kinderalimentatie) te vernietigen en (in zoverre) opnieuw recht doende een beslissing te nemen inhoudende dat het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen alsnog wordt afgewezen in de zin dat deze op nihil wordt gesteld.

4.3

De vrouw is op haar beurt met twee grieven in incidenteel hoger beroep gekomen. Beide grieven zien op de draagkracht van de man. De vrouw verzoekt de beschikking van

19 maart 2015 te vernietigen voor zover het de zorgkorting betreft, en, (in zoverre) opnieuw recht doende, te beslissen dat de zorgkorting op 0% behoort te worden gesteld nu de man uit eigen vrije wil geen omgang met de kinderen meer heeft en de door de man te betalen bijdrage op basis daarvan te herzien, en (primair) voor zover het de toepassing van de aanvaardbaarheidstoets ter zake het doorlopend krediet van partijen betreft, en, (in zoverre) opnieuw recht doende, te beslissen dat de aanvaardbaarheidstoets te dier zake niet tot een onaanvaardbare uitkomst leidt en (subsidiair) voor zover het de vaststelling van de hoogte van de rente over het doorlopend krediet van partijen betreft, op grond waarvan, in het kader van de aanvaardbaarheidstoets, de draagkracht van de man behoort te worden gecorrigeerd en, (in zoverre) opnieuw recht doende te beslissen dat ter zake een correctie behoort plaats te vinden met een bedrag van € 17,46.

4.4

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.

4.5

Nadat de bestreden beschikking is gegeven zijn de omstandigheden gewijzigd als hiervoor omschreven in 3.4. Daarnaast heeft de vrouw vanaf 5 oktober 2015 inkomen uit arbeid. Deze gewijzigde omstandigheden zullen mede aan de beslissing ten grondslag worden gelegd.

5 De motivering van de beslissing

5.1

In het kader van deze beroepsprocedure hebben beide partijen duidelijk kenbaar gemaakt van mening te zijn dat zij niet (meer) zijn gehouden aan het door hen op 28 april 2014 ondertekende ouderschapsplan. Aldus is sprake van een eerste vaststelling van de kinderalimentatie. Niet ter discussie staat dat de ingangsdatum van die kinderalimentatie kan worden bepaald op de datum van de bestreden beschikking, te weten 19 maart 2015.

De draagkracht van de vrouw

5.2

Uit de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3011) volgt dat bij de vaststelling van de door de ouders verschuldigde onderhoudsbijdrage voor hun minderjarige kinderen het kindgebonden budget (hierna: KGB) en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop niet in aanmerking dienen te worden genomen bij de bepaling van de behoefte van het kind, maar bij de berekening van de draagkracht van de ouder die het KGB ontvangt. Hieruit vloeit voort dat grief 1 van de man, hoewel als zodanig geformuleerd, niet zozeer de behoefte van de kinderen betreft als wel de draagkracht van de vrouw. Los van het KGB is tussen partijen niet in geschil dat de behoefte van de kinderen € 440,- per kind per maand bedraagt.

5.3

De hoogte van het KGB is in geschil. De rechtbank heeft rekening gehouden met een KGB van € 54,- per kind per maand. Nu de vrouw daar niet tegen heeft gegriefd, is dat (tot

5 oktober 2015) de ondergrens van de rechtsstrijd op dit punt. De man is van mening dat rekening moet worden gehouden met een hoger (fictief) KGB inclusief de alleenstaande ouderkop. Het hof is echter van oordeel dat van de feitelijke situatie dient te worden uitgegaan dat de vrouw en [C] samenwonen en (kennelijk) fiscale partners zijn. Uit de hoogte van het verzamelinkomen van de vrouw en [C] zoals daarvan blijkt uit de overgelegde inkomensgegevens volgt dat de vrouw in de situatie dat zij nog een werkloosheidsuitkering had in ieder geval niet meer dan (in totaal) € 162,- per maand aan KGB ontving. Indien dit bedrag wordt opgeteld bij haar niet bestreden NBI van destijds

€ 856,- netto per maand, leidt dit op basis van de draagkrachttabel 2015 tot 5 oktober 2015 voor de vrouw niet tot een hogere draagkracht dan waarvan de rechtbank is uitgegaan. Het hof zal daarom ook uitgaan van een draagkracht van de vrouw van € 50,- per maand voor drie kinderen.

5.4

Volgens de - los van de alleenstaande ouderkop - overigens onbetwiste draagkracht-berekening van de vrouw van 5 november 2015 bedraagt haar NBI sinds 5 oktober 2015

€ 1.247,- per maand en haar KGB € 43,- per maand. Dit betekent dat het NBI van de vrouw per 5 oktober 2015 € 1.290,- per maand bedraagt. Volgens de draagkrachttabel 2015 bedraagt de draagkracht van de vrouw voor drie kinderen daarmee € 67,- per maand. Doelmatigheidshalve zal het hof hiervan reeds per 23 september 2015 (datum huwelijk van de man en [B] ) uitgaan.

5.5

Anders dan de man is het hof van oordeel dat - ook nu wordt uitgegaan van de feitelijke situatie - [C] niet onderhoudsplichtig is voor de kinderen van partijen en ziet het daarin geen schending van artikel 8 EVRM.

De draagkracht van de man

* inkomen

5.6

Tussen partijen is niet in geschil dat het NBI van de man € 3.612,- per maand bedraagt.

* woonlasten

5.7

De man is van mening dat de rechtbank ter vaststelling van zijn draagkracht ten onrechte slechts rekening heeft gehouden met een forfaitaire woonlast en niet met zijn feitelijke netto woonlast die veel hoger is. De man verwijst in dit verband nog naar punt 82b van het Tremarapport. In dat rapport is onder een nota bene echter uitdrukkelijk opgenomen dat - voor zover hier van belang - 82 buiten beschouwing blijft indien kinderalimentatie wordt vastgesteld op basis van de draagkrachttabel. Niet ter discussie staat dat dat laatste hier het geval is.

5.8

Nu de extra woonlasten van de man tussen partijen niet vaststaan als zijnde niet vermijdbaar en niet verwijtbaar als bedoeld in 7.2.1 van het Tremarapport en voorts geen sprake is van de situatie als bedoeld in 7.2.2 van het Tremarapport, ziet het hof geen reden om het in de formule te betrekken draagkrachtloos inkomen van de man vanwege zijn woonlasten te verhogen.

* flexibel krediet ABN AMRO Bank

5.9

Partijen hebben tijdens hun huwelijk een flexibel krediet geopend bij de ABN AMRO Bank. De rechtbank heeft het draagkrachtloos inkomen van de man opgehoogd met een bedrag van € 68,- per maand aan rentelasten op dit krediet. De man vindt dat naast de rentelasten ook rekening moet worden gehouden met de maandelijkse aflossing van

€ 337,50. De vrouw is primair van mening dat de kosten van het flexibel krediet in het geheel buiten de draagkrachtberekening moeten worden gehouden en subsidiair dat slechts rekening dient te worden gehouden met € 17,46 per maand aan rentelasten.

5.10

Aangezien de lasten van genoemd flexibel krediet tussen partijen niet vaststaan als zijnde niet vermijdbaar en niet verwijtbaar als bedoeld in 7.2.1 van het Tremarapport, kan van ophoging van het draagkrachtloos inkomen van de man met die lasten op deze plaats reeds daarom geen sprake zijn.

* onderhoudsplicht voor [de jong-meerderjarige] en [de minderjarige4]

5.11

De door de rechtbank op basis van de draagkrachtformule op € 1.159,- per maand vastgestelde draagkracht van de man is voor het overige niet bestreden. Tot 23 september 2015 kon de man deze draagkracht aanwenden voor alleen de kinderen van partijen. Vanaf die datum is hij door zijn huwelijk met [B] ook wettelijk onderhoudsplichtig geworden voor [de jong-meerderjarige] en [de minderjarige4] . Als gesteld en niet voldoende weersproken staat vast dat de behoefte van [de minderjarige4] hetzelfde is als de behoefte van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] , te weten € 440,- per kind per maand, en de behoefte van [de jong-meerderjarige] overeenkomstig de WSF-norm voor een thuiswonende MBO-student € 590,89 per maand. Op laatstgenoemde behoefte strekt naar het oordeel van het hof nog wel de door [de jong-meerderjarige] sinds oktober 2015 ontvangen studiefinanciering van € 81,02 per maand in mindering. Doelmatigheidshalve zal hiermee vanaf 23 september 2015 rekening worden gehouden, zodat zijn resterende behoefte vanaf die datum (afgerond)

€ 510,- per maand bedraagt. Het hof acht voldoende onderbouwd dat de vader van [de jong-meerderjarige] en [de minderjarige4] niet bijdraagt in de kosten van hun verzorging en opvoeding, dan wel levensonderhoud en studie. Uit de stukken blijkt dat de kinderalimentatie voor [de jong-meerderjarige] en [de minderjarige4] met ingang van 2 juni 2009 op nihil is gesteld en dat op 20 oktober 2009 de wettelijke schuldsaneringsregeling op hun vader van toepassing is verklaard. Volgens de man is hij onvindbaar. Blijkens een bericht van 24 juli 2015 aan [de jong-meerderjarige] is het ook DUO niet gelukt om de persoonsgegevens van zijn vader te controleren bij de gemeente.

5.12

Anders dan de man, ziet het hof in artikel 8 EVRM geen aanleiding om ook vóór

23 september 2015 de kosten van [de jong-meerderjarige] en [de minderjarige4] al (deels) voor rekening van de man te brengen. Het hof verwijst op deze plaats in het bijzonder ook naar rechtsoverweging 5.5.

5.13

Voorrang van kinderalimentatie boven alle andere onderhoudsverplichtingen heeft (onder meer) tot gevolg dat bij de bepaling van de draagkracht alleen de financiële situatie van de onderhoudsplichtige(n) in aanmerking wordt genomen en geen rekening wordt gehouden met de nieuwe echtgenote. [B] moet daarom in staat worden geacht in eigen levensonderhoud te voorzien. Hetgeen de man in dit verband heeft aangevoerd over de financiële situatie van [B] , op basis waarvan hij stelt dat de kosten van [de jong-meerderjarige] en [de minderjarige4] grotendeels voor zijn rekening komen, maakt dit naar het oordeel van het hof niet anders. Dat [B] slechts voor 18,9% een aanstelling heeft bij haar werkgever [D] B.V. (hierna: [D] ) en daarmee maar een navenant klein inkomen verdient, mag niet ten laste van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] komen. Weliswaar is een verklaring van [D] van 5 november 2015 overgelegd waarin staat dat het aantal uren van [B] niet uit te breiden is en dat het haar niet is toegestaan om tijdens het dienstverband zonder voorafgaande uitdrukkelijke, schriftelijke toestemming van [D] een ander dienstverband aan te gaan of op andere wijze al dan niet betaalde nevenwerkzaamheden te verrichten, maar gesteld noch gebleken is dat [B] [D] überhaupt om bedoelde toestemming heeft gevraagd. Gezien de leeftijd van [B] (thans 44 jaar) en de leeftijd van [de jong-meerderjarige] (18 jaar) en [de minderjarige4] (9 jaar), is het hof van oordeel, mede nu zij al 20 jaar in Nederland woont en van (medische) beperkingen niets is gebleken, dat [B] in staat moet worden geacht zich in redelijkheid meer inkomsten te kunnen verwerven dan zij thans doet. Dit betekent dat zij geacht wordt ten minste de helft van de kosten van [de jong-meerderjarige] en [de minderjarige4] voor haar rekening te nemen. De andere helft komt ten laste van de draagkracht van de man.

5.14

De bijdrage van de man naar rato van de behoefte voor [de minderjarige1] , [de minderjarige2] , [de minderjarige3] , [de jong-meerderjarige] en [de minderjarige4] kan worden berekend via de formule: individuele behoefte/totale behoefte x draagkracht. Dit leidt tot de volgende resultaten:

- [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] : 440/1795 x 1159 = € 284,- per kind per maand;

- [de jong-meerderjarige] : 255/1795 x 1159 = € 165,- per maand;

- [de minderjarige4] : 220/1795 x 1159 = € 142,- per maand.

* zorgkorting

5.15

Ten tijde van de zitting gold tussen de man en de kinderen op basis van de bestreden beschikking een voorlopige zorgregeling van één zaterdag per veertien dagen van 10.00 uur tot 19.00 uur. Ter zitting bleek echter dat de man sinds januari 2015 geen contact met de kinderen meer had gehad. De procedure over de definitieve zorgregeling was ten tijde van de zitting nog aanhangig bij de rechtbank. Sprake is van twee over en weer fors ruziënde ouders. Uit de ter beschikking van het hof staande informatie blijkt niet dat het feit dat de man de kinderen (nog) niet (meer) ziet alleen aan hem te wijten is. Daarom ziet het hof, anders dan de vrouw, onvoldoende aanleiding om af te wijken van de minimale zorgkorting van 15%. Gelet op de behoefte van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] bedraagt die € 66,- per kind per maand. Nu de ouders onderling en jegens de kinderen het recht en de verplichting hebben tot omgang zou in ieder geval tot dat bedrag in de zorg kunnen worden voorzien.

* tot 23 september 2015

5.16

De gezamenlijke draagkracht van partijen van € 1.209,- per maand is onvoldoende om in de behoefte van de kinderen van € 1.320,- te voorzien.

5.17

De gezamenlijke draagkracht is € 111,- minder dan de behoefte van € 1.320,-. Gelijke toerekening van dit tekort aan beide ouders leidt tot toerekening van € 55,50 aan de man. Dit deel kan de man niet als zorgkorting verzilveren. De bijdrage van de man bedraagt tot 23 september 2015 € 1.159 - (€ 198 - € 55,50) = € 1.016,50, zijnde (afgerond) € 339,- per kind per maand.

* vanaf 23 september 2015

5.18

De gezamenlijke draagkracht van partijen van (3 x € 284,- + € 67,- =) € 919,- per maand is onvoldoende om in de behoefte van de kinderen van € 1.320,- te voorzien.

5.19

De gezamenlijke draagkracht is € 401,- minder dan de behoefte van € 1.320,-. Nu dit tekort meer dan twee keer zo groot is als de zorgkorting waar de man recht op heeft, kan de man de zorgkorting niet verzilveren en dient de man tot het volledige bedrag van zijn draagkracht bij te dragen, te weten € 284,- per kind per maand.

De aanvaardbaarheidstoets

5.20

Nu de man daarop - voldoende onderbouwd - een beroep heeft gedaan dient op deze plaats te worden beoordeeld of de vaststelling van genoemde op basis van de draagkrachttabel berekende bijdrage tot een voor hem onaanvaardbare situatie leidt.

De vrouw heeft dat (gemotiveerd) betwist.

5.21

De vrije ruimte van de man bedraagt 30% [3.612 - (0,3 x 3.612 + 875)] = (afgerond)

€ 496,- per maand.

* woonlasten

5.22

De forfaitaire woonlast van de man waarmee rekening is gehouden bedraagt (0,3 x 3.612 =) (afgerond) € 1.084,- per maand. De man stelt dat zijn feitelijke netto woonlast veel hoger is en dat daarmee rekening dient te worden gehouden. Uit het door de man overgelegde overzicht van zijn maandelijkse inkomsten en uitgaven volgt een netto woonlast van (€ 2.290,06 minus € 338,- + € 91,- + € 36,- =) € 2.079,06 per maand. Aangezien [B] zoals overwogen onder 5.13 geacht wordt in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien, wordt de man - gelet op zijn onderhoudsverplichting jegens [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] en dientengevolge zijn verhouding tot de vrouw - op zijn beurt geacht die woonlast met haar te kunnen delen. Dit betekent dat het voor rekening van de man komende deel van de woonlasten (€ 2.079,06/2 = € 1.039,53 per maand) niet uitstijgt boven genoemd forfaitair bedrag. Het hof ziet daarom geen reden voor afwijking van het rekenmodel op het punt van de woonlasten.

* flexibel krediet ABN AMRO Bank

5.23

Als gesteld en niet weersproken staat vast dat het uitstaand saldo van het reeds onder 5.9 en 5.10 genoemde krediet op het moment van indiening van het scheidingsverzoek

(1 mei 2014) € 2.853,74 betrof. In zoverre gaat het hier dus om een huwelijkse schuld. Het aan het krediet gekoppelde termijnbedrag van € 337,50 per maand staat niet ter discussie. Daarvan uitgaande - wat er verder ook zij van de boedelverdeling - stelt het hof vast dat deze schuld per 19 maart 2015 afgelost had kunnen zijn. Dat de man ervoor heeft gekozen om dat niet te doen (en het krediet zelfs fors heeft laten oplopen waarover hierna meer) mag niet ten laste van de kinderen worden gebracht. Hoewel de man stelt dat hij daartoe genoodzaakt was om aan zijn betalingsverplichtingen te kunnen (blijven) voldoen, dient het voor zijn rekening en risico te komen dat hij (tezamen met [B] ) "op de pof" heeft geleefd. Hij had immers andere keuzes kunnen en gezien zijn reeds bestaande onderhoudsverplichting voor [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] redelijkerwijs ook moeten maken. Anders dan de rechtbank beoordeelt het hof de aan het krediet verbonden rentelasten, ook voor zover deze betrekking zouden hebben op genoemd aanvangsbedrag van € 2.853,74, dan ook als niet noodzakelijk en zal daarmee geen rekening worden gehouden. In zoverre slaagt het incidentele appel van de vrouw.

5.24

Gebleken is dat de man het krediet grotendeels heeft aangewend om zijn advocaatkosten te betalen. In januari 2015 bedroeg het uitstaand saldo van het krediet dientengevolge € 10.061,21. Blijkens productie L bij genoemd journaalbericht van

4 november 2015 bedroeg het uitstaand saldo op dat moment zelfs al € 15.700,-. De man betaalt blijkens een afschrift van 22 augustus 2015 nog immer een aflossingsbedrag van

€ 337,50 per maand. Hij is van mening dat daarmee rekening dient te worden gehouden in het kader van de aanvaardbaarheidstoets. Advocaatkosten gemaakt in een familierechtelijke procedure dienen evenwel overeenkomstig de aanbeveling van de Expertgroep Alimentatie in beginsel niet ten laste van kinderalimentatie te worden gebracht. Deze worden namelijk niet beschouwd als een noodzakelijke last die voorrang heeft op de onderhoudsverplichting jegens minderjarige kinderen. Het hof ziet geen aanleiding af te wijken van die aanbeveling. Dat de man het krediet zoals hij stelt ook heeft aangewend om voor een bedrag van € 1.300,- in de medische kosten van de kinderen te voorzien acht het hof onvoldoende onderbouwd.

5.25

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hof met de kosten (rente en aflossing) van het flexibel krediet niet afzonderlijk rekening zal houden bij de bepaling van de draagkracht van de man.

* autokosten

5.26

Het hof leest in grief 4 van de man en de daarop door en namens hem gegeven toelichting geen andere relevante stellingen dan hij reeds in eerste aanleg heeft aangevoerd wat betreft zijn autokosten. Het hof is van oordeel dat de rechtbank deze gemotiveerd en op goede gronden heeft verworpen, onderschrijft het oordeel van de rechtbank op het punt van de autokosten en neemt de motivering daarvan - na eigen onderzoek - over. Aldus bestaat ook op dit punt geen grond voor afwijking van het rekenmodel.

* lening moeder

5.27

De man heeft een op 1 februari 2015 tussen hem en zijn moeder opgemaakte leningovereenkomst overgelegd ten bedrage van € 13.500,- tegen 0% rente. Daarin is - kort gezegd - opgenomen dat de betreffende lening hoofdzakelijk is bedoeld voor het bekostigen van de door de rechtbank aan de man opgelegde kinderalimentatie en eventueel als aanvulling op de kosten van de daaruit voortvloeiende beroepsprocedures en dat de aflossing minimaal € 300,- per maand bedraagt, ingaand op de eerste dag van de maand waarop de laatst mogelijke (hoger) beroepsprocedure inzake kinderalimentatie is voltrokken en de bedragen definitief zijn geworden. Uit de stukken blijkt dat de man via de bank op 6 februari 2015 € 5.500,- en op 28 mei 2015 € 5.000,- heeft ontvangen van zijn moeder en op

5 september 2015 € 3.000,- in contanten.

5.28

Wat er verder ook zij van de noodzaak van het aangaan van deze lening en de omstandigheid dat de man daar feitelijk nog niet op afbetaalt, het hof stelt vast dat de man de door hem opgevoerde last van € 300,- per maand kan voldoen uit zijn vrije ruimte. Dit brengt met zich dat met die last niet afzonderlijk rekening wordt gehouden bij de bepaling van de draagkracht van de man.

* conclusie

5.29

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat bij vaststelling van de volgens het rekenmodel berekende bijdragen van € 339,- respectievelijk € 284,- per kind per maand voldoende rekening wordt gehouden met alle omstandigheden die de draagkracht van de man beïnvloeden, zodat sprake is van een bijdrage conform de wettelijke maatstaven.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, dient het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, te vernietigen en te beslissen als volgt:

7 De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 19 maart 2015, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 19 maart 2015 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] € 339,- per kind per maand zal betalen en met ingang van 23 september 2015 € 284,- per kind per maand, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Idsardi, I.A. Vermeulen en E.B.E.M. Rikaart-Gerard, bijgestaan door mr. D.M. Welbergen als griffier, en is op 4 augustus 2016 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.