Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:7300

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-09-2016
Datum publicatie
21-09-2016
Zaaknummer
200.192.339
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2016:1297, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:206, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wwz zaak

Kantonrechter heeft terecht het verzoek van de werkgever om de arbeidsovereenkomst met de werknemer te ontbinden op de

d-grond toegewezen.

Verzoek van de werknemer tot primair herstel, subsidiair toekenning billijke vergoeding afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-1020
AR 2016/2714
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.192.339

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht 4704360)

beschikking van 13 september 2016

in de zaak van

[verzoeker] ,
wonende te [plaatsnaam] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep, verweerder in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: verweerder, verzoeker in de tegenverzoeken,

hierna: [verzoeker] ,

advocaat: mr. P.F. van Esseveldt,

tegen


de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Era Contour B.V.,

gevestigd te Zoetermeer,

verweerster in het principaal hoger beroep, verzoekster in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: verzoekster, verweerster in de tegenverzoeken,
hierna: Era,

advocaat: mr. P.F. van den Brink.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de beschikking van de kantonrechter (rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht) van 4 maart 2016.

2
2. Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- het beroepschrift met producties van [verzoeker] , ter griffie ontvangen op 2 juni 2016;

- het verweerschrift, tevens beroepschrift in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, tevens voorwaardelijke wijziging van rechtsgronden met producties van Era;
- het verweerschrift in reactie op het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van [verzoeker] ;

- de op 19 augustus 2016 gehouden mondelinge behandeling, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd.

2.2

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft het hof beschikking bepaald op

30 september 2016 of zoveel eerder als mogelijk is.

2.3

[verzoeker] heeft in het principaal hoger beroep verzocht te bepalen dat bij de bestreden beschikking de door Era verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] ten onrechte is toegewezen en voorts bij beschikking, één en ander voor zover de wet het toelaat, uitvoerbaar bij voorraad:
primair

I. Era te veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag; dan wel
subsidiair
II. aan [verzoeker] een billijke vergoeding toe te kennen van € 50.758,-, althans een zodanige vergoeding als het hof in goede justitie billijk acht; en
primair en subsidiair
III. Era te veroordelen in de kosten van de eerste aanleg en het hoger beroep.

2.4

Era heeft in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep het hof verzocht bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:
- te beslissen dat de kantonrechter ten onrechte de g- en de h-grond als redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst buiten beschouwing heeft gelaten en voor recht te verklaren dat de arbeidsovereenkomst tussen Era en [verzoeker] met ingang van 1 mei 2016 rechtsgeldig is ontbonden, op de g-grond, althans de h-grond van artikel 7:669 lid 3 BW, voor zover in het principaal appel geoordeeld wordt dat de kantonrechter ten onrechte tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst is overgegaan op de d-grond;
- op grond van de voorwaardelijke wijziging/aanvulling van de gronden, voor zover in principaal appel wordt geoordeeld dat de kantonrechter ten onrechte tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst is overgegaan op de d-grond en het in voorwaardelijk incidenteel appel wordt geoordeeld dat de kantonrechter terecht de g- en de h- grond buiten beschouwing heeft gelaten, in hoger beroep de arbeidsovereenkomst tussen Era en [verzoeker] te ontbinden op grond van artikel 7:669 lid 1 en lid 3 sub g en sub h BW, zonder toekenning van een billijke vergoeding aan [verzoeker] ;

- [verzoeker] te veroordelen tot terugbetaling van de reeds door Era aan [verzoeker] betaalde transitievergoeding ten bedrage van € 7.755,- bruto binnen een maand na het wijzen van de beschikking in hoger beroep, althans binnen een door het hof in goede justitie te bepalen termijn; - [verzoeker] te veroordelen in de kosten van beide instanties.

3 De feiten

3.1

In hoger beroep staan de volgende feiten, als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd betwist, vast.

3.2

[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] , is met ingang van 20 september 2010 in dienst getreden van Bouwbedrijf Dekker B.V. Era heeft met ingang van 1 november 2014 Bouwbedrijf Dekker B.V. (en ook [verzoeker] ) overgenomen. Het laatstgenoten salaris van [verzoeker] bij Era bedroeg € 3.636,- bruto per maand. [verzoeker] had recht op een dertiende maand. Op de arbeidsovereenkomst was de Collectieve Arbeidsovereenkomst voor de Bouwnijverheid van toepassing.

3.3

Era is een bouwbedrijf, dat woningen in de stad ontwikkelt en bouwt. Daarnaast houdt Era zich bezig met het vernieuwen van woningen en flats, het opknappen van verouderde woonwijken en straten in bewoonde of onbewoonde staat. Bij Era zijn in totaal circa
315 mensen werkzaam.

3.4

[verzoeker] is in dienst getreden in de functie van projectcoördinator. In deze functie was hij belast met het plaatsen, realiseren, bewaken en sturen van de werkzaamheden van één of meerdere beheer-, onderhoud- en renovatieprojecten van Era. [verzoeker] was voornamelijk werkzaam ten behoeve van twee klanten van Era, te weten Rochdale en Pro VVE.

3.5

Op 16 oktober 2013 heeft een herschikking van taken plaatsgevonden, nadat [verzoeker] klaagde over een te hoge werklast.

3.6

In een e-mail van 31 oktober 2013 met “urgentie hoog” van [de inkoper] (hierna: [de inkoper] ), destijds inkoper onderhoud/opzichter zakelijke markt bij Rochdale, aan [de directeur] (hierna: [de directeur] ), destijds directeur van Bouwbedrijf Dekker B.V. en [verzoeker] is onder andere het volgende vermeld:
“Ik heb begin van de week aangegeven dat ik denk dat jullie tekort doen in de offerte van (…)
Ik heb niets meer gehoord en geen nieuwe offerte ontvangen.
Ik heb opleverdata gevraagd voor (…), zodat ik eventueel opdracht kan geven.

Zo kan ik geen verkoopwoningen met jullie doen, dit gaat veel te traag.
Ik wil het vanmiddag hebben.

Ook heb ik om bevestiging gevraagd in mail voor opleveren, niets meer gehoord.”

3.7

In een e-mail van 4 februari 2014 van [verzoeker] aan [de inkoper] is onder andere het volgende vermeld:
“Graag wil ik je melden dat de woning van (…) gereed is voor oplevering. Helaas moet ik ook melden dat de andere twee woningen door vertraging niet geheel gereed zullen zijn.”
3.8 In een e-mail van 5 februari 2014 van [de inkoper] aan onder andere [de directeur] is voor zover van belang het volgende vermeld:
“Bij deze wil ik jullie melden dat het verkoop gereed maken van onze woningen nog steeds niet goed door jullie wordt afgehandeld.

De offertes duren lang en niet altijd conform afspraak aangeleverd.
(…)
Ook de afgesproken planning/oplevering wordt niet gehaald, zie onderstaande mail. Dit wordt krap één dag van te voren gemeld, erg laat.

Dit werkt erg stagnerend in het verkooptraject van onze woningen.”
3.9 Op 5 februari 2014 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [verzoeker] en [de controller]

(hierna: [de controller] ), controller bij de afdeling Beheer en Onderhoud Amsterdam, en [de directeur] . In de ongedateerde brief van [de directeur] aan [verzoeker] ter bevestiging van dit gesprek is onder andere het volgende vermeld:

"Op 5 februari jl. hebben jij, [de controller] en ondergetekende een gesprek gevoerd over de zorgen die wij hebben over de wijze van uitvoering en begeleiding van de onder jouw verantwoording vallende werkzaamheden binnen Dekker B.V.

Op basis van onze eigen onafhankelijke waarnemingen hebben we een aantal malen geconstateerd dat er doorlopend sprake is van structurele achterstanden in planning, uitvoering en facturering van zowel het bonwerk als de onder jouw verantwoording vallende woningverbouwingen. Controle op voortgang en afwikkeling van de uit te voeren werkzaamheden is niet of nauwelijks aanwezig en ook de communicatie laat te wensen over.

Hierdoor zijn we bij een aantal opdrachtgevers onder vuur komen te liggen met als voorlopig dieptepunt de mededeling van [de inkoper] dat wij voorlopig geen nieuwe woningen meer in opdracht zullen krijgen.

Het is niet de eerste keer dat wij hierover met je hebben gesproken: Tijdens eerdere informele gesprekken hebben wij je ook al deelgenoot gemaakt van onze zorgen, waarbij je toen hebt aangegeven dat er naar jouw mening teveel werk aan jou werd toebedeeld.

Er heeft toen in het stafoverleg van dd. 16-10-13 een herschikking van taken plaatsgevonden om je hierin tegemoet te komen, maar helaas heeft dit niet tot verbetering geleid en bleef er sprake van een onoverzichtelijke situatie.

Het probleem ligt ons inziens dan ook niet in de hoeveelheid werk maar in de organisatie daarvan; Werkdossiers zijn vaak niet op orde, door het ontbreken van een duidelijke methodiek is het vaak niet mogelijk om de stand van zaken na te gaan, de werkbonnen die er wel zijn liggen op allerlei plekken op of rond je bureau waarbij zelfs de meest basale ordening ontbreekt.

Om onduidelijke redenen blijk je niet in staat te zijn een duidelijke structuur in je werkstroom aan te brengen waardoor je voortdurend achter de zaken aanloopt en er veel tijd (en geld) verloren gaat door het oplossen van de problemen die daardoor ontstaan.

Op dit moment begeleidt [persoon 1] het grootste gedeelte van de uitvoering van de woningen, [de controller] houdt de vinger aan de pols wat betreft de facturering, [persoon 2] wordt te hooi en te gras ingeschakeld voor calculatiewerkzaamheden en ikzelf hou de binnenkomst van nieuwe opdrachten in de gaten, en dat alles om een redelijke doorstroom van jouw werkzaamheden te bewerkstelligen.

Ondanks deze extra hulp geef je bij herhaling blijk nog steeds niet op de hoogte te zijn van wat er op je werk speelt en wek je eerder de indruk blij te zijn dat je van een bepaalde taak af bent dan dat je je verantwoording neemt. (Dit geldt overigens niet alleen voor het bonwerk en de woningen getuige je opstelling bij de afrekening van Knoopkruid en het calculatie debacle van Unibail)

Je zult begrijpen dat wij een dergelijke situatie onmogelijk kunnen laten voortduren en werkt twijfels in de hand of jij de juiste man op de juiste plaats bent. Om tot een oplossing te komen is het zaak je op zeer korte termijn te beraden over je houding ten opzichte van de inhoud en verantwoording van je werkzaamheden en wij verwachten dat je een duidelijk plan van aanpak zult overleggen om een structurele verbetering van jouw functioneren te komen.

Om je hiervoor de tijd te gunnen, zullen we je voor woensdag 19 maart 11.00 uur uitnodigen voor een nieuwe bijeenkomst om de door jou aangedragen voorstellen te bespreken."

3.10

In een e-mail van 6 februari 2014 van [de directeur] aan [de inkoper] met kopie aan [verzoeker] is onder andere het volgende vermeld:
“N.a.v. ons telefonisch contact gister over onderstaand, bijgaand de bevestiging dat het ons ernst is en we intern de zaak op scherp hebben gezet t.o.v. het belang dat wij bij Rochdale dienen in deze.”

3.11

Op 9 april 2015 - na de overname van Bouwbedrijf Dekker B.V. door Era - heeft een voortgangsgesprek plaatsgevonden tussen [de directeur] (na de overname bedrijfsleider bij Era), [de controller] en [verzoeker] . In het verslag van dit gesprek is onder andere het volgende vermeld:

“Op basis van eerder gehouden en vastgelegde gesprekken, hebben wij de afgelopen periode geëvalueerd en gekeken naar de voortgang.

Hierbij is er tot een conclusie gekomen, dat wij onvoldoende vooruitgang en verbeteringen hebben waargenomen om de samenwerking en de invulling van taken in de huidige vorm op onze vestiging in Amsterdam een blijvende invulling te laten zijn.

Hierop is overleg gepleegd met onze HR afdeling om na te gaan wat de mogelijkheden tot herplaatsing binnen ERA Contour zijn. Hierover zal op korte termijn een gesprek plaatsvinden om te bezien waar jouw capaciteiten binnen de ERA Organisatie beter tot hun recht komen.

Ons uitgangspunt is herplaatsing onder de verantwoording van het Hoofdkantoor in Zoetermeer. Mocht herplaatsing binnen ERA niet lukken, dan zal HR zich beraden over mogelijke verdere stappen.

Voor dit moment zijn er nog geen stappen gezet om je vertrek uit Amsterdam in te vullen, maar zodra het gesprek in Zoetermeer heeft plaatsgevonden en er duidelijkheid is over eventuele herplaatsing zullen we zo snel mogelijk actie ondernemen.

In de tussenliggende periode heb je toegezegd dat je hier je maximale inspanning aan zult leveren om deze stap zo soepel mogelijk te laten verlopen.

Wij hebben [persoon 3] in vertrouwen genomen en in onderling overleg besloten dat hij je de komende periode zal bij staan bij de opname van werken en in ondersteuning bij de uitvoering van je taken, om de druk die deze situatie met zich meebrengt, enigszins te verlichten.

Tijdens ons gesprek heb je al aangegeven dat je het op de meeste punten niet eens bent met onze zienswijze, waarbij we je hebben aangegeven dat het je vrij staat dit te beargumenteren naar eigen inzicht en dit mogelijk mee te nemen in het vervolgtraject bij HR, zodat ook zij een objectieve beoordeling kunnen doen op basis van bekend zijnde stukken en jouw input.

Wij menen met bijgaand een juiste weergave te hebben gedaan van hetgeen besproken voor toekomstige invulling, waarbij wij onze commitment hebben toegezegd om bij te dragen, aan bij voorkeur een vlotte herplaatsing.”

3.12

Op 11 mei 2015 is de vervanger van [verzoeker] als projectcoördinator begonnen.

3.13

In een brief van 19 juni 2015 van Era aan [verzoeker] met als onderwerp “Herplaatsing” is onder andere het volgende vermeld:

“Naar aanleiding van de verschillende gesprekken die hebben plaatsgevonden op 23 april j.l. met [het hoofd realisatie] (Hoofd Realisatie) en [de HR adviseur] (HR Adviseur) en op 1 juni j.l. met [de bedrijfsleider] (Bedrijfsleider) op het hoofdkantoor in Zoetermeer, bevestigen wij u hiermee het volgende.

Tijdens het gesprek van 9 april jl. met [de directeur] en [de controller] is er aangegeven dat er onvoldoende vooruitgang en verbeteringen ten aanzien van uw functioneren zijn waargenomen om de samenwerking en de invulling van taken in de huidige vorm op de vestging in Amsterdam voort te zetten. Naar aanleiding hiervan hebben wij de mogelijkheden tot herplaatsing onderzocht en besloten u tot aan de bouwvak de gelegenheid te geven om op het project Smitsweg in Soest mee te draaien als deeluitvoerder. Na deze periode zullen wij uw functioneren evalueren en zullen we bekijken of en wat de verdere mogelijkheden binnen ERA Contour zijn.”

[verzoeker] diende zich als deeluitvoerder op het project in Soest bezig te houden met de aansturing van ploegen, controle op kwaliteit, veiligheid en productie, onder de eindverantwoordelijkheid van de hoofduitvoerder.

3.14

Op 23 september 2015 heeft Era in een gesprek met [verzoeker] aan [verzoeker] meegedeeld dat de herplaatsing niet had geleid tot een verbetering van zijn functioneren en dat zij het dienstverband met hem wenste te beëindigen. [verzoeker] is vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden. Dit gesprek is bevestigd bij brief van diezelfde dag. In deze brief is onder andere het volgende vermeld:
“Helaas hebben wij al enige tijd geleden moeten vaststellen dat uw functioneren teveel tekortkomingen toont. Verschillende pogingen om daarin verandering te brengen zijn niet gelukt en hebben niet tot het besproken en gewenste resultaat geleid. Uiteindelijk hebben we nog getracht om door middel van een herplaatsing in een nieuwe omgeving met veranderde omgevingsfactoren tot een verbetering van uw functioneren te komen. Ook dat heeft er niet toe geleid dat u kunt brengen wat wij van u mogen verwachten, waardoor die situatie een structureel karakter heeft gekregen.

Inmiddels zien wij geen mogelijkheden meer om deze situatie te veranderen, noch hebben wij alternatieven beschikbaar waarin met in acht name van de problemen alsnog verbetering zou kunnen ontstaan. Redenen waarom een beëindiging van het dienstverband onvermijdelijk is.”

3.15

In een e-mail van 30 oktober 2015 van [de bedrijfsleider] (hierna: [de bedrijfsleider] ), bedrijfsleider bij Era, aan mevrouw [de HR medewerkster] , HR medewerkster bij Era, is onder andere het volgende vermeld:
“Wat me bij [verzoeker] hebben gemist, is dat hij veel aansturing blijft vragen.
Hij zit er wat reactief in.
In eerste instantie dachten we toen hij op Soest kwam werken, het is voor hem even wennen en de weg vinden.

Maar dit is later niet noemenswaardig verbeterd.

Een ambitie was dat [verzoeker] het werk zou afmaken in de laatste maanden, en daarmee [persoon 4] zou vrijspelen.

Dit hebben we niet aangedurfd.

Vervolgens komt dan de vraag op of [verzoeker] in de toekomst voor ons van toegevoegde waarde kan zijn.

Dat zag ik geen mogelijkheden voor.
Dat zou misschien kunnen bij een werkgever met kleinere projecten/klussen zoals dat bij ERA Amsterdam het geval kunnen zijn. (?)
Maar ik begreep dat de verstandhouding daar inmiddels bekoeld is.

In Soest werkten we in een VOF met Hemubo.

De bedrijfsleider van Hemubo gaf aan dat hij de bijdrage van [verzoeker] ook niet hoog aansloeg, en zijn deelname geaccepteerd heeft doordat wij de kosten van [verzoeker] niet zouden doorberekenen ten laste van de VOF.”
3.16 In een schriftelijke verklaring van 10 februari 2016 van [de controller] is onder andere het volgende vermeld:
“De bewering van [verzoeker] dat hij zijn werkzaamheden tot begin 2014 altijd tot tevredenheid heeft verricht wordt door mij niet onderschreven.
Ik ben zelf op 1 april 2013 bij Dekker begonnen met mijn werkzaamheden nadat mijn voorganger reeds een maand uit dienst was.
Ik heb eerst orde op zaken moeten stellen, er moest een jaarrekening worden opgesteld, een achterstand in de boekingen moest worden ingelopen en de projectadministratie moest worden opgeschoond
Pas na de zomervakantie in 2013 was ik in staat om me een beeld te vormen van de stand van zaken in de projectadministratie en merkte meteen dat er iets grondig mis was.
Ik constateerde toen voor de eerste keer dat er weinig lijn zat in de wijze waarop [verzoeker] zijn werkzaamheden had georganiseerd; in feite was hij de regie over de stand van zaken geheel kwijt.
Ik heb toen samen met [de directeur] een gesprek met hem gehad om de problemen te bespreken.
Naar aanleiding van dat gesprek heb ik een interne procedure uitgewerkt. Dit bracht echter geen echte verbetering omdat deze door [verzoeker] al dan niet opzettelijk werd genegeerd.

Ik heb de zaak daarom opnieuw aangekaart en heb toen zelf de regie in handen genomen om niet weer opnieuw in de problemen te komen.

Gedurende die periode heb ik mij regelmatig verbaasd over en geërgerd aan de manier waarop [verzoeker] - zelfs met de uitgewerkte werkstroom (de hiervoor vermelde interne procedure) - in staat was om een puinhoop te maken van de aan hem toevertrouwde documenten.

Ik kan helaas niet bevestigen dat zijn prestaties uitstekend waren, het is eerder dat de resultaten nog redelijk waren ondanks [verzoeker] dan dankzij [verzoeker] .

De bewering dat [verzoeker] structureel 50 uur per week werkt is absoluut niet juist, het tegenovergestelde was eerder het geval.

Op basis van eigen waarneming heb ik gezien dat het meerdere malen is voorgekomen dat hij met de mededeling dat er een woning moest worden opgenomen halverwege de middag het kantoor verliet om vervolgens niet meer terug te komen.

Dat hij zijn werklast als te zwaar heeft ervaren komt mij vreemd voor: op enig moment was [de directeur] bezig om het contact tussen Dekker en onze grootse opdrachtgever (Rochdale) goed te houden, was er een HTS student bezig om [verzoeker] te ondersteunen bij begrotingen/afrekeningen en was ikzelf bezig met de orderstroom in goede banen te leiden.

In mijn beleving bestonden zijn werkzaamheden voornamelijk uit het aanmaken van werkbonnen en de daarmee samenhangende planning, waar helaas ook het nodige misging. [verzoeker] heeft meerdere malen de kans gekregen om zijn functioneren te verbeteren, maar omdat hij blijkbaar, ondanks ondersteuning, niet in staat is om hoofd- en bijzaken te onderscheiden is gekozen voor een interne herplaatsing met de hoop dat hij onder directe leiding wel zou kunnen presteren.”

3.17

In een schriftelijke verklaring van 10 februari 2016 van [de directeur] is onder andere het volgende vermeld:
“Bij het functioneren van [verzoeker] plaats ik de volgende kanttekeningen.

- Hetgeen hij daadwerkelijk uitvoerde was meestal naar behoren en winstgevend, maar dat is voor werk in regie, waar je kosten achteraf mag doorvoeren niet de grootste kunst.

- Echter ook zo vele dossiers die niet tot een eind zijn gebracht of waar niks mee gedaan was. Die werden stil gehouden tot een opdrachtgever zich weer meldde over in opdracht gegeven werk of klussen die opgenomen hadden moeten worden en wat tot het takenpakket van [verzoeker] behoorde.
- Wanneer we dan [verzoeker] over deze dossiers vroegen had hij bijna nooit een sluitend verhaal of kloppend dossier, waardoor diverse collega’s bij herhaling moesten ondersteunen om het lek weer boven te krijgen en de schade bij opdrachtgevers op te vangen.
- Ondanks dat ik nog steeds van mening ben dat er niet teveel taken bij [verzoeker] lagen hebben wij hem ondersteuning gegeven van een HBO student, die al jaar en dag bij onze organisatie betrokken was en dit voor het overgrote deel ook zelfstandig deed. Daarnaast heeft hij ook van diverse andere collega’s ondersteuning gehad om weer in te lopen, waarna het uiteindelijk bij herhaling keer op keer mis ging. Ook ondergetekende en [de controller] hebben ondersteuning geboden en dus voldoende gedaan om [verzoeker] te helpen.
- Wij hebben hem destijds verzocht zijn reactie op onze kritiek schriftelijk kenbaar te maken en dat is nooit gebeurd. Dit is in gesprekken tussen ondergetekende, [de controller] en [verzoeker] ook meerdere malen aangehaald alsook het verzoek om zijn functioneren in een plan van aanpak te zetten, zodat eventuele knelpunten helder zouden worden en we hier op konden sturen, maar dit plan hebben wij nooit gehad.
- Wij hebben niet snel uitgeweken naar herplaatsing, omdat we bij herhaling hem hebben ondersteund, hem hebben gevraagd structuur aan te brengen en pas toen het onhoudbaar werd en we klanten dreigden te verliezen en er afrekeningen bleven liggen (Knoopkruid - Unibail) hebben we ingegrepen en bij het hoofdkantoor verzocht om herplaatsing.
- Voor iemand met zijn ervaring was de plek deeluitvoerder zeker in het verlengde van zijn veronderstelde kennis en kunde en zou hij naar ons inzicht met twee vingers in zijn neus dit werk moeten kunnen doen. Want hij heeft volgens ons ook ooit bij Breijer als uitvoerder gefunctioneerd (zie ook zijn LinkedIn profiel). De functie van deeluitvoerder paste dus bij de werkervaring van [verzoeker] en om die reden is hij in deze functie herplaatst. Helaas was dit ook geen succes, waarna er weinig anders overbleef dan een beëindiging van de arbeidsovereenkomst.”

3.18

In een verslag 11 februari 2015 van een gesprek tussen [de uitvoerder] (hierna: [de uitvoerder] ), uitvoerder, en mevrouw [de HR medewerkster] voornoemd, is onder andere het volgende vermeld:
“De uitvoerder, [de uitvoerder] , dacht met het CV van [verzoeker] een goede kracht erbij te hebben. Omdat de werkzaamheden op het project, groot onderhoud, daadwerkelijk verschillen van klein onderhoud, heeft de uitvoerder ervoor gekozen om [verzoeker] de oplevering te laten doen, inclusief kleine werkzaamheden die niet grootschalig uitgevoerd moesten worden. Om te zorgen dat in gebouw 1 de opleverpunten zouden worden opgelost, moest [verzoeker] met onderaannemers in overleg om te zorgen dat deze punten alsnog worden uitgevoerd. Men wist dat [verzoeker] niet gewend was aan grootschalig werk, dus speciaal dit werk uitgezocht dat wel intensief is, je hebt met verschillende bedrijven en mensen te maken, maar behapbaar.

[verzoeker] kreeg van de uitvoerder het telefoonnummer van een onderaannemer (werkvoorbereider of projectleider, daar waar de klachten naar toe moesten), hij schreef deze dan op een briefje. Dit briefje liet [verzoeker] regelmatig liggen op zijn bureau. De uitvoerder gaf aan dit in zijn telefoon te zetten, maar [verzoeker] gaf als antwoord dat hij toch maar een paar weken zou blijven, dus dit was niet nodig. Het gebeurde dan ook regelmatig dat [verzoeker] ergens liep, iets zag en weer terug naar zijn bureau moest om te bellen. Niet echt effectief en zijn reactie was niet adequaat. Ook moest de uitvoerder regelmatig meerdere keren per dag vragen of bepaalde telefoontjes om de voortgang te behouden al gepleegd waren en telkens kreeg hij een afwijkend antwoord van [verzoeker] .

De uitvoerder heeft inderdaad weleens gezegd dat de planning in zijn hoofd zat. Maar de volledige planning was niet de verantwoordelijkheid van [verzoeker] , maar van de uitvoerder. Normaal vindt de uitvoerder het geen probleem om de planning met medewerkers te delen (staat uiteraard in zijn computer). Het moment dat een medewerker, in dit geval [verzoeker] , de kleine dingen die hij moet beheren niet kan bijbenen, moet hij zich daarop concentreren in plaats van op de grote planning. Hij neemt hier dus zijn verantwoordelijkheid niet.

[verzoeker] hield zich precies aan zijn werktijden. Uitvoerder maakte soms de zaken af. Het zou beter zijn geweest als [verzoeker] soms de voorbereidingen voor de volgende dag had geregeld. Het stoorde de uitvoerder dat hij zijn verantwoordelijkheid niet nam.

De uitvoerder heeft [verzoeker] wel een paar keer gewaarschuwd over zaken die hem niet zinden. Hij verwachtte volle inzet. Wanneer [verzoeker] een onveilige situatie registreerde (bijvoorbeeld het niet dragen van een helm), kwam hij eerst naar de uitvoerder toe, terwijl hij op dat moment juist degene was die de medewerker hierop aan moest spreken, dit hoorde ook bij zijn taak. Zijn antwoord was dan: Naar mij luisteren ze toch niet.

Als [verzoeker] gewend was verantwoordelijk te zijn, zou het ook zo zijn dat hij werk zag. En de werkzaamheden die hij gekregen had, zou hij zelfstandig kunnen (laten) uitvoeren. Dat je nieuw bent en vragen hebt is logisch en dat je niet het volledige pakket aan werkzaamheden krijgt ook. Maar vaak moest de uitvoerder zelf informeren of zaken al gedaan waren.”

4 De verzoeken aan de kantonrechter en de beoordeling daarvan

4.1

Era heeft in eerste aanleg de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst tussen haar en [verzoeker] te ontbinden op grond van artikel 7:671b en 7:669 lid 1 en lid 3 aanhef en sub d van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), bij het bepalen van de einddatum rekening te houden met de duur gelegen tussen de ontvangst van het verzoekschrift en de dagtekening van de ontbindingsbeschikking en te bepalen dat [verzoeker] recht heeft op een transitievergoeding van € 7.199,- bruto, met veroordeling van [verzoeker] in de proceskosten.

4.2

[verzoeker] heeft primair afwijzing van het verzoek bepleit en subsidiair bij wijze van tegenverzoek verzocht aan hem ten laste van Era, naast de transitievergoeding, een billijke vergoeding toe te kennen van € 40.000,- bruto wegens ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Era.

4.3

De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden en het einde van de arbeidsovereenkomst bepaald op 1 mei 2016, bepaald dat de door Era aan [verzoeker] te betalen transitievergoeding € 7.755,- bruto bedraagt en de proceskosten tussen partijen gecompenseerd in die zin dat partijen de eigen kosten dragen. De kantonrechter heeft het verzoek van [verzoeker] aan hem een billijke vergoeding toe te kennen, afgewezen.

5 De beoordeling in hoger beroep


In het principaal hoger beroep

5.1

[verzoeker] heeft vijf beroepsgronden tegen de bestreden beschikking aangevoerd, die hij als grieven heeft aangeduid. Het hof zal deze terminologie van [verzoeker] volgen. De grieven lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.

5.2

Het hof dient te beoordelen of de kantonrechter ten onrechte het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst van Era met [verzoeker] op grond van artikel 7:669 lid 1 en lid 3 aanhef en sub d BW heeft toegewezen (artikel 7:683 lid 3 BW). Het gaat daarbij om de vraag of [verzoeker] ongeschikt was tot het verrichten van de bedongen arbeid en zo ja, of Era hem hiervan tijdig in kennis heeft gesteld en hem in voldoende mate in de gelegenheid heeft gesteld zijn functioneren te verbeteren en of de ongeschiktheid niet het gevolg is van onvoldoende zorg van Era voor scholing of voor de werkomstandigheden van [verzoeker] . Tevens dient beoordeeld te worden of herplaatsing van [verzoeker] binnen een redelijke termijn (binnen de opzegtermijn als bedoeld in artikel 10 lid 1 van de Ontslagregeling) niet mogelijk was geweest of niet in de rede had gelegen.

5.3

Era heeft de door haar gestelde ongeschiktheid van [verzoeker] tot het verrichten van de bedongen arbeid als volgt omschreven. Volgens Era was sprake van een structurele achterstand in de planning, in de uitvoering en in de facturering van zowel het bonwerk als de onder zijn verantwoording vallende woningbouwverenigingen. Controle op de voortgang en de afwikkeling van de uit te voeren werkzaamheden was niet of nauwelijks aanwezig en ook de communicatie liet te wensen over. De organisatie van het werk was onvoldoende: werkdossiers (inclusief werkbonnen) waren niet op orde en een duidelijke methodiek ontbrak. Kort gezegd was bij [verzoeker] sprake van onvermogen om te organiseren en te ordenen.

5.4

Vast staat dat [verzoeker] met ingang van 20 september 2010 als projectcoördinator van Bouwbedrijf Dekker B.V. in dienst is getreden. Vanaf zijn indiensttreding bij Bouwbedrijf Dekker B.V. viel [verzoeker] onder het gezag van [de directeur] als directeur van het bedrijf en voorts onder het gezag van [de controller] als controller na diens indiensttreding bij Bouwbedrijf Dekker B.V. op of omstreeks 1 april 2013. Na de overname van Bouwbedrijf Dekker B.V. (en [verzoeker] ) door Era op 1 november 2014 bleef [verzoeker] onder het gezag van [de directeur] en [de controller] , met dien verstande dat [de directeur] na de overname door Era geen directeur bleef, maar wel mede leidinggevende van [verzoeker] .

5.5

Het hof zal bij de beoordeling van de vraag of [verzoeker] ongeschikt was tot het verrichten van de bedongen arbeid, zoals hiervoor in rechtsoverweging 5.3 omschreven, een onderscheid maken tussen de volgende periodes:
- de periode 20 september 2010 tot medio oktober 2013;

- de periode medio oktober 2013 tot 9 april 2015;

- de periode 9 april 2015 tot 23 september 2015.

5.6

Voor zover het de periode 20 september 2010 tot de zomer van 2013 betreft heeft Era onvoldoende onderbouwd dat sprake was van disfunctioneren van [verzoeker] als projectcoördinator. Een “dossier” met verslagen van functionerings- en/of beoordelingsgesprekken of andere gesprekken met betrekking tot deze periode, waaruit disfunctioneren zou kunnen blijken, ontbreekt. Het eerste serieuze signaal dat [verzoeker] niet naar behoren functioneerde, valt te lezen in de in rechtsoverweging 3.16 vermelde schriftelijke verklaring van [de controller] , waarin deze aangeeft dat hij na de zomervakantie in 2013 merkte dat er iets grondig mis was met de projectadministratie van [verzoeker] . Volgens [de controller] zat er weinig lijn in de wijze waarop [verzoeker] zijn werkzaamheden had georganiseerd en was [verzoeker] in feite de regie over de stand van zaken geheel kwijt. [verzoeker] heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep met betrekking tot de verklaring van [de controller] slechts aangevoerd dat deze verklaring achteraf is opgesteld en dat dit de verklaring weliswaar niet (volledig) diskwalificeert, maar dat deze verklaring met meer omzichtigheid moet worden meegewogen. [verzoeker] heeft de verklaring van [de controller] inhoudelijk niet, althans niet voldoende gemotiveerd betwist. [verzoeker] heeft meer in het algemeen als verweer tegen zijn door Era gestelde disfunctioneren aangevoerd dat er sprake was van overbelasting. Voor zover het de periode tot medio oktober 2013 betreft heeft Era bevestigd dat [verzoeker] vond dat aan hem teveel werk werd toebedeeld en heeft er op

16 oktober 2013 een herschikking van taken plaatsgevonden teneinde [verzoeker] te ontlasten. Partijen hebben niet toegelicht vanaf wanneer het gevoel van overbelasting bij [verzoeker] is begonnen.

5.7

Met betrekking tot de wijze waarop [verzoeker] zijn functie als projectcoördinator in de periode medio oktober 2013 tot 9 april 2015 heeft vervuld overweegt het hof het volgende. [verzoeker] heeft erkend (zie randnummer 12 van zijn verweerschrift in eerste aanleg) dat er “in 2014 problemen in de werkorganisatie zijn ontstaan”. Volgens [verzoeker] was echter geen sprake van disfunctioneren, maar - nog steeds - van overbelasting. Era heeft betwist dat sprake was van overbelasting. In de in rechtsoverweging 3.9 vermelde brief van [de directeur] aan [verzoeker] ter bevestiging van het gesprek op 5 februari 2014 is vermeld dat (destijds) Bouwbedrijf Dekker B.V. tijdens (eerdere) informele gesprekken kritiek had geuit op het functioneren van [verzoeker] als projectcoördinator en hem had aangegeven waar het aan schortte, te weten de hiervoor in rechtsoverweging 5.3 vermelde punten. De tekortkomingen van [verzoeker] hadden tot gevolg, zo blijkt uit de hiervoor vermelde brief, dat Bouwbedrijf Dekker B.V. voorlopig geen nieuwe woningen meer in opdracht kreeg van Rochdale. [verzoeker] heeft erkend (zie randnummer 19 van het hoger beroepschrift) dat er informele gesprekken met hem hebben plaatsgevonden. Volgens [verzoeker] hadden deze gesprekken geen betrekking op zijn disfunctioneren maar gingen deze over een verdere uitbouw van vaardigheden en competenties. Anders dan [verzoeker] heeft aangevoerd is het hof van oordeel dat Bouwbedrijf Dekker B.V. [verzoeker] in de periode medio oktober 2013 tot 5 februari 2014 concreet heeft aangesproken op zijn disfunctioneren en dat daarvan sprake was. Hierbij is van belang dat [verzoeker] , zoals is vermeld in de onder 3.9 bedoelde brief, naast de herschikking van de taken in oktober 2013, ondersteuning had gekregen van een HTS-student, dat [persoon 1] het grootste gedeelte van de uitvoering van de woningen begeleidde, dat [de controller] de vinger aan de pols hield wat betreft de facturering en dat [de directeur] de binnenkomst van nieuwe opdrachten in de gaten hield. In zoverre gaat het hof voorbij aan de stelling van [verzoeker] dat sprake was van overbelasting en niet van disfunctioneren. De brief met het verslag van het gesprek op 5 februari 2014 aan [verzoeker] is in dit verband voldoende duidelijk. De inhoud van deze brief wordt ook bevestigd door de schriftelijke verklaringen van [de controller] en [de directeur] , zoals weergegeven in de rechtsoverwegingen 3.16 en 3.17, en door de tussen Bouwbedrijf Dekker B.V. en Rochdale gewisselde e-mail correspondentie, zoals weergegeven in de rechtsoverwegingen 3.6 tot en met 3.8 en 3.10. [verzoeker] heeft de inhoud van de hiervoor vermelde correspondentie niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist. Voor zover het de verklaring van [de controller] betreft verwijst het hof naar hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 5.6 is overwogen. [verzoeker] heeft deze verklaring niet, althans niet voldoende gemotiveerd betwist. [verzoeker] heeft bij de verklaring van [de directeur] dezelfde “kanttekeningen” geplaatst als bij de verklaring van [de controller] . Ook hier geldt dat [verzoeker] deze verklaring inhoudelijk niet, althans niet voldoende gemotiveerd heeft betwist.

5.8

Era heeft vervolgens op 9 april 2015 geconcludeerd dat er onvoldoende voortuitgang en verbeteringen hadden plaatsgevonden in het functioneren van [verzoeker] zodat Era geen blijvende invulling kon geven aan de samenwerking en de invulling van taken door [verzoeker] in de huidige vorm - dus als projectcoördinator - op de vestiging van Era in Amsterdam. Era heeft haar beslissing in een gesprek op 9 april 2015 aan [verzoeker] meegedeeld waarbij zij heeft aangegeven de mogelijkheden van een herplaatsing van [verzoeker] binnen haar organisatie te zullen onderzoeken. Het voorgaande is schriftelijk aan [verzoeker] bevestigd door middel van de in rechtsoverweging 3.11 vermelde brief van 9 april 2015 van Era aan [verzoeker] . Op 11 mei 2015 is een vervanger van [verzoeker] als projectcoördinator begonnen.

5.9

[verzoeker] is hierna in juni 2015 als deeluitvoerder op een project in Soest herplaatst. Als deeluitvoerder op dit project diende [verzoeker] zich bezig te houden met de aansturing van ploegen, controle op kwaliteit, veiligheid en productie, onder de eindverantwoordelijkheid van de hoofduitvoerder. [verzoeker] was niet verantwoordelijk voor het project als geheel (dat was de hoofduitvoerder), maar alleen voor de taken die hem werden opgedragen door de hoofduitvoerder. [verzoeker] heeft niet betwist dat hij bij een vorige werkgever als uitvoerder werkzaam is geweest zodat deze functie naar het oordeel van het hof aansloot bij eerdere door hem opgedane kennis en ervaring en om die reden passend kan worden geacht. Dat het project in Soest grootschaliger was wat betreft financiën acht hof niet doorslaggevend. Uit het in rechtsoverweging 3.18 vermelde verslag van 11 februari 2015 van het gesprek tussen de hoofduitvoerder [de uitvoerder] en [de HR medewerkster] , waarvan [verzoeker] de juistheid niet, althans onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, blijkt dat [verzoeker] beperkte taken diende te verrichten (de oplevering). Op deze wijze kwam Era tegemoet aan het gebrek aan ervaring van [verzoeker] met grootschalige projecten. Het voorgaande wordt bevestigd door de eerdergenoemde verklaring van [de directeur] . Volgens [de directeur] lag de functie van deeluitvoerder in het verlengde van de kennis en ervaring van [verzoeker] en zou hij “met twee vingers in zijn neus dit werk moeten kunnen doen”. Uit het hiervoor genoemde verslag van 11 februari 2015, uit de verklaring van [de directeur] en uit de in rechtsoverweging 3.15 vermelde e-mail van 30 oktober 2015 van de bedrijfsleider bij Era ( [de bedrijfsleider] ) aan [de HR medewerkster] blijkt dat [verzoeker] ook als deeluitvoerder ongeschikt was tot het verrichten van de functie van deeluitvoerder. Ook hier geldt dat [verzoeker] de hiervoor vermelde verklaringen en correspondentie inhoudelijk niet, althans onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. [verzoeker] is op 23 september 2015 vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden.

5.10

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is het hof dan ook van oordeel dat [verzoeker] heeft gedisfunctioneerd zowel in zijn functie als projectcoördinator als in zijn functie als deeluitvoerder.

5.11

Met betrekking tot de wijze waarop en de mate waarin Era [verzoeker] in de gelegenheid heeft gesteld zijn functioneren als projectuitvoerder te verbeteren overweegt het hof het volgende. Era heeft allereerst verwezen naar de brief met het verslag van het gesprek op

5 februari 2014 van [de directeur] aan [verzoeker] en naar de brief van 9 april 2015 van Era aan [verzoeker] . Zij heeft daarnaast benadrukt dat [verzoeker] tijdens informele gesprekken op zijn disfunctioneren is gewezen. Het enkel rapporteren van gesteld tekortschietend functioneren is naar het oordeel van het hof onvoldoende om aan te nemen dat de werkgever de werknemer in de gelegenheid heeft gesteld zijn functioneren te verbeteren. Voor dit laatste is vereist dat een werkgever de werknemer concreet en structureel zodanige aanwijzingen geeft dat het voor de werknemer duidelijk is op welke punten hij zich dient te verbeteren en voorts dat de werkgever het functioneren regelmatig evalueert. Het hof heeft hiervoor in rechtsoverweging 5.7 overwogen dat Era [verzoeker] bij de uitoefening van zijn functie als projectcoördinator ondersteuning en begeleiding heeft gegeven. Dat zij dit structureel heeft gedaan op de wijze zoals hiervoor omschreven, heeft [verzoeker] gemotiveerd betwist en is naar het oordeel van het hof onvoldoende gebleken. Era heeft dit ook met zoveel woorden erkend tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep. Zij heeft verklaard dat er vooral sprake was van troubleshooting, dat dit de manier was waarop men binnen Era met elkaar omging en dat dit samenhing met de grote druk in de bouwwereld. Dit is naar het oordeel van het hof niet voldoende.

5.12

[verzoeker] heeft tot de mondelinge behandeling in hoger beroep slechts in het algemeen aangevoerd dat Era hem scholing had moeten aanbieden teneinde zijn functioneren te verbeteren. Hij heeft niet concreet onderbouwd welke vorm van scholing geschikt zou zijn geweest. Pas ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] gewezen op een mogelijk extern en individueel organisatietraject, maar hij heeft niet toegelicht dat en zo ja op welke wijze dit hem had kunnen baten. Gesteld noch gebleken is dat [verzoeker] tijdens zijn dienstverband een dergelijk voorstel aan Era heeft gedaan. Weliswaar ligt het in de eerste plaats op de weg van de werkgever om in het kader van het verbeteren van het functioneren van een bij hem in dienst zijnde werknemer voorstellen te doen met betrekking tot scholing, maar dit neemt niet weg dat ook van de werknemer zelf enig initiatief mag worden verwacht. Dit geldt temeer wanneer het gaat om een functie met een grote mate van zelfstandigheid, zoals in dit geval de functie van projectcoördinator, waarin de werkgever de werknemer niet steeds aan het handje hoeft mee te nemen.

5.13

Naast hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 5.11 en 5.12 is overwogen, staat dat Era met de herplaatsing van [verzoeker] in juni 2015 als deeluitvoerder op het project in Soest én [verzoeker] in de gelegenheid heeft gesteld zijn functioneren te verbeteren én op deze wijze een maatregel heeft genomen om ontslag van [verzoeker] te voorkomen. Het hof is van oordeel dat Era [verzoeker] met deze herplaatsing een reële kans heeft geboden om binnen haar bedrijf werkzaam te blijven. Dat deze herplaatsing in eerste instantie tot de bouwvakvakantie zou duren, betekent niet dat op voorhand al vaststond dat na de bouwvakantie ontslag zou volgen. Zoals blijkt uit de eerdergenoemde verklaringen van [de directeur] en [de uitvoerder] heeft Era alles in het werk gesteld, onder andere door het aanbieden van een beperkt takenpakket aan [verzoeker] , om bij te dragen aan een “bij voorkeur vlotte herplaatsing” (zie de brief van
9 april 2015) en, naar het hof aanneemt, ook succesvolle herplaatsing. Dat deze herplaatsing niet is geslaagd kan niet aan Era worden tegengeworpen

5.14

Bij het voorgaande neemt het hof in aanmerking dat Era [verzoeker] onder andere in haar brief van 9 april 2015 uitdrukkelijk heeft uitgenodigd om zijn kant van het verhaal te doen en zijn visie mee te nemen in het gesprek met de afdeling personeelszaken over zijn herplaatsing. [verzoeker] heeft geen gehoor gegeven aan de uitnodiging van Era om inhoudelijk te reageren. [verzoeker] heeft zich neergelegd bij zijn herplaatsing als deeluitvoerder op het project in Soest. Dat [verzoeker] dit “coulancehalve” heeft gedaan, zoals hij onder randnummer 2 van zijn verweerschrift in eerste aanleg heeft aangevoerd, acht het hof niet aannemelijk. In dit verband acht het hof van belang dat [verzoeker] geen stappen heeft ondernomen om terugkeer in zijn functie als projectcoördinator te bewerkstelligen.

5.15

Era heeft in haar in rechtsoverweging 3.14 vermelde brief van 23 september 2015 aan [verzoeker] aangegeven geen mogelijkheden te zien om de ontstane situatie te veranderen en voorts kenbaar gemaakt geen alternatieven beschikbaar te hebben waarin, gelet op de problemen die er waren, alsnog verbetering zou kunnen ontstaan, zodat een beëindiging van het dienstverband onvermijdelijk was. Naar aanleiding van deze stellingen heeft [verzoeker] in hoger beroep niet onderbouwd dat herplaatsing binnen de opzegtermijn als bedoeld in artikel 10 lid 1 van de Ontslagregeling mogelijk was geweest. Daarnaast is het hof van oordeel dat herplaatsing ook niet in de rede had gelegen, gelet op de herplaatsing van [verzoeker] in Soest en op de in rechtsoverweging 5.14 geschetste overige feiten en omstandigheden.

5.16

De grieven falen. De kantonrechter heeft het verzoek van Era tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst terecht toegewezen. Het hoger beroep van [verzoeker] dient te worden verworpen.

5.17

Het hof zal [verzoeker] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Era zullen tot aan deze beschikking worden vastgesteld op € 718,- voor griffierecht en op € 1.788,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (twee punten, tarief II in hoger beroep).

In het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep

5.18

Het incidenteel hoger beroep is ingesteld onder de voorwaarde dat in het principaal hoger beroep wordt geoordeeld dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ten onrechte op de d-grond heeft ontbonden. Aangezien het hof hiervoor heeft beslist dat de kantonrechter terecht het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst van Era op de d-grond heeft toegewezen, is de voorwaarde waaronder het incidenteel hoger beroep is ingesteld niet vervuld en behoeft dit beroep niet te worden behandeld.

5.19

Era heeft het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep mede aangewend om in hoger beroep de gronden van haar verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst aan te vullen, waartoe zij bevoegd was op grond van artikel 362 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verbinding met artikel 283 van dit wetboek. Het hof zal dan ook een kostenveroordeling in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep achterwege laten.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

in het principaal hoger beroep


verwerpt het hoger beroep van [verzoeker] tegen de beschikking van de kantonrechter (rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht) van 4 maart 2016;

veroordeelt [verzoeker] in de kosten van dit hoger beroep, tot aan de bestreden beschikking aan de zijde van Era vastgesteld op € 718,- voor verschotten en op € 1.788,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart deze beschikking, voor zover het de hiervoor vermelde proceskostenveroordeling betreft, uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.B. Knottnerus, M.E.L. Fikkers en O.E. Mulder en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 13 september 2016.