Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:727

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
27-01-2016
Datum publicatie
14-05-2019
Zaaknummer
21-006211-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belastingfraude

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-006211-13

Uitspraak d.d.: 27 januari 2016

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 2 juli 2013 met parketnummer 19-993002-11 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,

wonende te [adres 1] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 13 januari 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan

3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw,

mr. M.J. van Essen, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal - vanwege onder meer een wijziging tenlastelegging in hoger beroep - het vonnis waarvan beroep vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - tenlastegelegd dat:

1:
[BV verdachte] op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2007 tot en met 30 december 2010 in de gemeente(n) [gemeente 1] en/of [gemeente 2] en/of (elders) in Nederland, (telkens) opzettelijk (een) bij belastingwet voorziene aangifte(n) als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) (maand)aangifte(n) voor de omzetbelasting, over de maand(en) januari 2007 en/of februari 2007 en/of maart 2007 en/of april 2007 en/of mei 2007 en/of juni 2007 en/of juli 2007 en/of augustus 2007 en/of september 2007 en/of oktober 2007 en/of november 2007 en/of december 2007 en/of januari 2008 en/of februari 2008 en/of april 2008 en/of mei 2008 en/of juni 2008 en/of juli 2008 en/of augustus 2008 en/of september 2008 en/of oktober 2008 en/of november 2008 en/of december 2008 en/of januari 2009 en/of februari 2009 en/of maart 2009 en/of april 2009 en/of mei 2009 en/of juni 2009 en/of juli 2009 en/of augustus 2009 en/of september 2009 en/of oktober 2009 en/of november 2009 en/of december 2009 en/of januari 2010 en/of februari 2010 en/of maart 2010 en/of april 2010 en/of mei 2010 en/of juni 2010 en/of juli 2010 en/of augustus 2010 en/of september 2010 en/of oktober 2010, onjuist en/of onvolledig heeft gedaan bij de inspecteur der belastingen/ de belastingdienst te Emmen en/of Apeldoorn en/of Heerlen en/of (elders) in Nederland, immers heeft voornoemde rechtspersoon (telkens) opzettelijk op de/het bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst ingediende aangiftebiljet(ten) omzetbelasting over genoemde maand/maanden in dat/die jaar/jaren (telkens) een te laag belastbaar bedrag, althans (telkens) een te laag bedrag aan (verschuldigde en/of te betalen) belasting opgegeven, terwijl die/dat feit(en) er toe strekte(n) dat er te weinig belasting werd geheven,

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) hij, verdachte, al dan niet tezamen met een ander of anderen, (telkens) opdracht heeft gegeven danwel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte al dan niet tezamen met een ander of anderen (telkens) en/of feitelijk leiding heeft gegeven;

2 primair:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2007 tot en met 31 oktober 2010 in de gemeente(n) [gemeente 1] en/of [gemeente 2] en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, 791, althans (telkens) één of meer (verkoop)facturen, - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt en/of doen opmaken en/of vervalst en/of doen vervalsen,

te weten -onder meer, zakelijk omschreven-:

A. een (verkoop)factuur met het Invoice nummer [nummer 1] (zie proces-verbaal bijlage

D-737; blz. 1039), gericht aan [bedrijf 1] , en/of

B. een (verkoop)factuur met het Invoice nummer [nummer 2] (zie proces-verbaal bijlage

D-672; blz. 974), gericht aan [bedrijf 2] , en/of

C. een (verkoop)factuur met het Invoice nummer [nummer 3] (zie proces-verbaal bijlage

D-003; blz. 231), gericht aan [bedrijf 1] , en/of

D. een (verkoop)factuur met het Invoice nummer [nummer 4] (zie proces-verbaal bijlage

D-004; blz. 232), gericht aan [bedrijf 2] , en/of

E. een (verkoop)factuur met het Invoice nummer [nummer 5] (zie proces-verbaal bijlage

D-141; blz. 432), gericht aan [bedrijf 3] , en/of

F. een (verkoop)factuur met het Invoice nummer [nummer 6] (zie proces-verbaal bijlage

D-307; blz. 598), gericht aan [bedrijf 4] , en/of

G. een (verkoop)factuur met het Invoice nummer [nummer 7] (zie proces-verbaal bijlage

D-043; blz. 326), gericht aan [bedrijf 5] , en/of

H. een (verkoop)factuur met het Invoice nummer [nummer 8] (zie proces-verbaal bijlage

D-117; blz. 404), gericht aan [bedrijf 6] ,

zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,

hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) op die factuur/facturen valselijk -onder meer- vermeld en/of doen vermelden:

sub A. een kubieke meter prijs van steigerhout van EUR 40 en/of een BTW bedrag van

EUR 291,84 en/of een bedrag voor transport van EUR 7.811,16, en/of

sub B. een bedrag voor transport van EUR 10.989,23, en/of

sub C. een kubieke meter prijs van steigerhout van EUR 40 en/of een BTW bedrag van

EUR 182,40 en/of een bedrag voor transport van EUR 4.426,80, en/of

sub D. een bedrag voor transport van EUR 9.710,40, en/of

sub E. een BTW bedrag van EUR 291,84 en/of een bedrag voor transport van EUR 7.953,96

en/of

sub F. een kubieke meter prijs van EUR 40 en/of een bedrag voor transport van

EUR 9.596,16 en/of een BTW bedrag van EUR 364,80 en/of

sub G. een kubieke meter prijs van EUR 40 en/of een BTW bedrag van EUR 109,44 en/of

een bedrag voor transport van EUR 2.998,80 en/of

sub H. transport uit Rusland voor een bedrag van EUR 9.367,68 en/of een BTW bedrag van

EUR 0,00,

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, terzake dat

[BV verdachte] op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2007 tot en met 31 oktober 2010 in de gemeente(n) [gemeente 1] en/of [gemeente 2] en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer andere natuurlijke en/of rechtspersonen, althans alleen, 791, althans (telkens) één of meer (verkoop)facturen, - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt en/of doen opmaken en/of vervalst en/of doen vervalsen,

te weten -onder meer, zakelijk omschreven-:

A. een (verkoop)factuur met het Invoice nummer [nummer 1] (zie proces-verbaal bijlage

D-737; blz. 1039), gericht aan [bedrijf 1] , en/of

B. een (verkoop)factuur met het Invoice nummer [nummer 2] (zie proces-verbaal bijlage

D-672; blz. 974), gericht aan [bedrijf 2] , en/of

C. een (verkoop)factuur met het Invoice nummer [nummer 3] (zie proces-verbaal bijlage

D-003; blz. 231), gericht aan [bedrijf 1] , en/of

D. een (verkoop)factuur met het Invoice nummer [nummer 4] (zie proces-verbaal bijlage

D-004; blz. 232), gericht aan [bedrijf 2] , en/of

E. een (verkoop)factuur met het Invoice nummer [nummer 5] (zie proces-verbaal bijlage

D-141; blz. 432), gericht aan [bedrijf 3] , en/of

F. een (verkoop)factuur met het Invoice nummer [nummer 6] (zie proces-verbaal bijlage

D-307; blz. 598), gericht aan [bedrijf 4] , en/of

G. een (verkoop)factuur met het Invoice nummer [nummer 7] (zie proces-verbaal bijlage

D-043; blz. 326), gericht aan [bedrijf 5] , en/of

H. een (verkoop)factuur met het Invoice nummer [nummer 8] (zie proces-verbaal bijlage

D-117; blz. 404), gericht aan [bedrijf 6] ,

zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,

hebbende [BV verdachte] en/of diens mededader(s) op die factuur/facturen valselijk

-onder meer- vermeld en/of doen vermelden:

sub A. een kubieke meter prijs van steigerhout van EUR 40 en/of een BTW bedrag van

EUR 291,84 en/of een bedrag voor transport van EUR 7.811,16, en/of

sub B. een bedrag voor transport van EUR 10.989,23, en/of

sub C. een kubieke meter prijs van steigerhout van EUR 40 en/of een BTW bedrag van

EUR 82,40 en/of een bedrag voor transport van EUR 4.426,80, en/of

sub D. een bedrag voor transport van EUR 9.710,40, en/of

sub E. een BTW bedrag van EUR 291,84 en/of een bedrag voor transport van EUR 7.953,96

en/of

sub F. een kubieke meter prijs van EUR 40 en/of een bedrag voor transport van

EUR 9.596,16 en/of een BTW bedrag van 364,80 en/of

sub G. een kubieke meter prijs van EUR 40 en/of BTW bedrag van EUR 109,44 en/of een

bedrag voor transport van EUR 2.998,80 en/of

sub H. transport uit Rusland voor een bedrag van EUR 9.367,68 en/of een BTW bedrag van

EUR 0,00,

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) hij, verdachte, al dan niet tezamen met een ander of anderen, (telkens) opdracht heeft gegeven danwel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte al dan niet tezamen met een ander of anderen (telkens) en/of feitelijk leiding heeft gegeven;

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie ten aanzien van feit 2

De raadsvrouw heeft het verweer gevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit. Zij heeft hiertoe een en ander aangevoerd zoals verwoord in haar pleitnota.

De kern van het verweer is dat voornoemd feit had kunnen worden vervolgd op grond van artikel 69, eerste lid van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (hierna: AWR), waarmee vervolging op grond van artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) was uitgesloten.

Het hof verwerpt het verweer.

Artikel 69 lid 4 AWR bepaalt dat, indien het feit ter zake waarvan de verdachte kan worden

vervolgd, zowel valt onder een van de bepalingen van het eerste of het tweede lid van

artikel 69 AWR als onder die van artikel 225 lid 2 Sr, strafvervolging op grond van genoemd artikel 225 lid 2 Sr, uitgesloten is. In de onderhavige zaken gaat het echter niet om vervolging ter zake van handelen in strijd met artikel 225 lid 2 Sr, maar in strijd met artikel 225 lid 1 Sr. De wet verzet zich niet tegen vervolging van fraude met fiscale achtergrond als het vals opmaken van geschriften met bewijsbestemming.

Blijkens de wetsgeschiedenis is het bovendien een uitdrukkelijke keuze geweest van de wetgever om die vervolgingsuitsluitingsgrond te beperken tot die gevallen waarin de tenlastelegging is toegesneden op artikel 225 lid 2 Sr. Het is niet aan de rechter om dit uit te breiden tot een vervolgingsuitsluitingsgrond in geval sprake is van een tenlastelegging die is toegesneden op het eerste lid van artikel 225 Sr.

Het hof is voorts van oordeel, dat artikel 69 lid 2 AWR niet is aan te merken als een lex

specialis ten opzichte van artikel 225 lid 1 Sr, nu de fiscale strafbepaling niet alle bestanddelen van artikel 225 lid 1 Sr bevat, en bovendien evenmin het bestaan van een systematische

specialis kan worden aangenomen (HR 18 maart 1997, NJ 1998, 71).

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie ten aanzien van de feiten 1 en 2 /dan wel bewijsuitsluiting

De raadsvrouw heeft het verweer gevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging ten aanzien van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten. Zij heeft hiertoe een en ander aangevoerd zoals verwoord in haar pleitnota.

De kern van het verweer is dat er sprake is van een onrechtmatige start van het strafrechtelijk onderzoek tegen verdachte. Uit stelselmatig onderzoek door de speciale eenheid Taakaccent is het bedrijf [BV verdachte] naar voren gekomen als zijnde een bedrijf dat zich mogelijk bezig hield met strafrechtelijk fraude en was op dat moment sprake van een redelijk vermoeden van schuld. In plaats van op dat moment het Wetboek van Strafvordering in acht te nemen bij de toepassing van dwangmiddelen, is ervoor gekozen een belastingambtenaar van de Belastingdienst, de heer [belastingambtenaar] , naar verdachte te sturen.

Verdachte heeft zijn volledige boekhouding aan voornoemde ambtenaar overhandigd.

Verdachte is door deze gang van zaken doelbewust en onherstelbaar in zijn belangen geschaad. Door de gehanteerde werkwijze van het openbaar ministerie is primair het recht op vervolging verspeeld, aldus de raadsvrouw.

Subsidiair voert de raadsvrouw aan dat het verkregen bewijs, te weten de administratie, dient te worden uitgesloten van het bewijs nu deze administratie een directe vrucht is van het ontoelaatbaar handelen van Taakaccent en de heer [belastingambtenaar] van de Belastingdienst onder verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie.

Het hof verwerpt het verweer.

Bij een geautomatiseerde beoordeling door het Taakaccent BTW fraude van de FIOD in

Amsterdam was geconstateerd dat de inkopen uit Duitsland van [BV verdachte] hoger

waren dan de in de aangiften omzetbelasting vermelde omzet. Vervolgens heeft het

Taakaccent BTW fraude aan de Belastingdienst Noord, kantoor Assen gevraagd om een

controle omzetbelasting in te stellen.

Op 16 november 2010 stelde de controle ambtenaar, [belastingambtenaar] , een boekenonderzoek in bij

verdachte [BV verdachte] op het adres [adres 2] .

Verdachte heeft zijn boekhouding vrijwillig ter beschikking gesteld. De heer [belastingambtenaar] heeft die dag een deel van de administratie mee naar kantoor genomen. Later die dag heeft de heer [belastingambtenaar] na toestemming van [verdachte] een aantal ordners met verkoopfacturen meegenomen.

Gezien - onder meer - het feit dat de aangiften omzetbelasting zijn gebaseerd op vermoedelijk vervalste verkoopfacturen, ontstaat op dat moment het redelijk vermoeden dat verdachte opzettelijk onjuiste aangifte omzetbelasting heeft gedaan. Hierna is een gerechtelijk vooronderzoek tegen verdachte gestart.

Het enkele feit dat er een signalering uit een geautomatiseerd systeem rolt met betrekking tot aangiften omzetbelasting waarnaar de Belastingdienst onderzoek doet, maakt niet dat er op dat moment al een redelijk vermoeden van schuld aan het plegen van een strafbaar feit bestaat en dus sprake zou zijn van een strafrechtelijk onderzoek naar verdachte.

Het verweer mist derhalve feitelijk grondslag.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

[BV verdachte] op tijdstippen in de periode van 1 januari 2007 tot en met

30 december 2010 in de gemeente(n) [gemeente 1] en/of [gemeente 2] telkens opzettelijk bij de belastingwet voorziene aangiften als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten maandaangiften voor de omzetbelasting, over de maanden januari 2007 en februari 2007 en maart 2007 en april 2007 en mei 2007 en juni 2007 en juli 2007 en augustus 2007 en september 2007 en oktober 2007 en november 2007 en december 2007 en januari 2008 en februari 2008 en april 2008 en mei 2008 en juni 2008 en juli 2008 en augustus 2008 en september 2008 en oktober 2008 en november 2008 en december 2008 en januari 2009 en februari 2009 en maart 2009 en april 2009 en mei 2009 en juni 2009 en juli 2009 en augustus 2009 en september 2009 en oktober 2009 en november 2009 en december 2009 en januari 2010 en februari 2010 en maart 2010 en april 2010 en mei 2010 en juni 2010 en juli 2010 en augustus 2010 en september 2010 en oktober 2010, onjuist en/of onvolledig heeft gedaan bij de inspecteur der belastingen/de belastingdienst te Apeldoorn, immers heeft voornoemde rechtspersoon (telkens) opzettelijk op de bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst ingediende aangiftebiljetten omzetbelasting over genoemde maanden in die jaren (telkens) een te laag belastbaar bedrag opgegeven, terwijl die feiten er toe strekten dat er te weinig belasting werd geheven, aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte feitelijk leiding heeft gegeven;

2 primair.

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 oktober 2010 in de

gemeenten [gemeente 1] en/of [gemeente 2] , verkoopfacturen, elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen valselijk heeft opgemaakt,

te weten -onder meer, zakelijk omschreven-:

A. een (verkoop)factuur met het Invoice nummer 193 9-6832 (zie proces-verbaal

bijlage D-737; blz. 1039), gericht aan [bedrijf 1] , en

B. een (verkoop)factuur met het Invoice nummer [nummer 2] (zie proces-verbaal

bijlage D-672; blz. 974), gericht aan [bedrijf 2] , en

C. een (verkoop)factuur met het Invoice nummer [nummer 3] (zie proces-verbaal

bijlage D-003; blz. 231), gericht aan [bedrijf 1] , en

D. een (verkoop)factuur met het Invoice nummer [nummer 4] (zie proces-verbaal

bijlage D-004; blz. 232), gericht aan [bedrijf 2] , en

E. een (verkoop)factuur met het Invoice nummer [nummer 5] (zie proces-verbaal

bijlage D-141; blz. 432), gericht aan [bedrijf 3] , en

F. een (verkoop)factuur met het Invoice nummer [nummer 6] (zie proces-verbaal

bijlage D-307; blz. 598), gericht aan [bedrijf 4] , en

G. een (verkoop)factuur met het Invoice nummer [nummer 7] (zie proces-verbaal

bijlage D-043; blz. 326), gericht aan [bedrijf 5] , en

H. een (verkoop)factuur met het Invoice nummer [nummer 8] (zie proces-verbaal

bijlage D-l 17; blz. 404), gericht aan [bedrijf 6] ,

zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,

hebbende verdachte op die facturen valselijk -onder meer- vermeld:

sub A. een kubieke meter prijs van steigerhout van EUR 40 en een BTW bedrag

van EUR 291,84 en een bedrag voor transport van EUR 7.811,16, en

sub B. een bedrag voor transport van EUR 10.989,23, en

sub C. een kubieke meter prijs van steigerhout van EUR 40 en/of een BTW bedrag

van EUR 182,40 en een bedrag voor transport van EUR 4.426,80, en

sub D. een bedrag voor transport van EUR 9.710,40, en

sub E. een BTW bedrag van EUR 291,84 en een bedrag voor transport van

EUR 7.953,96, en

sub F. een kubieke meter prijs van EUR 40 en/of een bedrag voor transport van

EUR 9.596,16 en/of een BTW bedrag va EUR 364,80 en

sub G. een kubieke meter prijs van EUR 40 en/of een BTW bedrag van EUR 109,44

en/of een bedrag voor transport van EUR 2.998,80 en

sub H. transport uit Rusland met een bedrag van EUR 9.367,68 en een BTW

bedrag van 0,00.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

Feitelijk leiding geven aan opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven,

meermalen gepleegd.

Het onder 2 primair bewezen verklaarde levert op:

Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich als bestuurder van de onderneming [BV verdachte] gedurende een periode van bijna vier jaar schuldig gemaakt aan belastingfraude. De fraude bestond eruit dat de verdachte in deze periode vrijwel alle verkoopfacturen op een zodanige manier vervalste dat het leek alsof er door de onderneming veel minder omzetbelasting was verschuldigd dan in werkelijkheid het geval was. Op basis van deze vervalste facturen diende de verdachte de aangiften omzetbelasting in. De fiscus is hierdoor een bedrag van minimaal € 665.000,-- misgelopen. De verdachte heeft uiteindelijk een schikking met de Belastingdienst getroffen, op grond waarvan hij een bedrag van € 100.000,-- heeft terugbetaald. De rest van het geld zal vermoedelijk nooit meer geïnd kunnen worden.

De verdachte is zijn frauduleuze handelingen pas gestopt nadat de Belastingdienst onderzoek is gaan doen naar de juistheid van de aangiften. Nergens blijkt dat hij van plan is geweest er eerder mee op te houden. Zijn onderneming heeft jarenlang geprofiteerd van de fraude en zou het volgens verdachte zonder die fraude niet hebben gered. Aldus heeft verdachte jarenlang, in feite gesubsidieerd door de Staat, een oneerlijke concurrentiepositie tegenover andere marktpartijen kunnen innemen. Verdachte heeft daarvan zelf, als bestuurder van de onderneming, ook jarenlang geprofiteerd. De aangevoerde omstandigheid dat verdachte niet het oog heeft gehad op zelfverrijking snijdt geen hout.

Uitgangspunt voor het hof is dat fraude op deze schaal en met een dergelijk groot nadeel, mede gelet op de landelijke oriëntatiepunten, bestraft dient te worden met een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Dat oplegging van een gevangenisstraf grote gevolgen zal hebben voor het privéleven van verdachte is ongetwijfeld juist. Het hof ziet in de persoonlijke omstandigheden van verdachte evenwel geen aanleiding om af te wijken van genoemd uitgangspunt.

Het hof zal, evenals de rechtbank, een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijke opleggen om verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst aan soortgelijke delicten schuldig te maken.

Omdat sprake is van oude feiten ziet het hof aanleiding om, in afwijking van het vonnis van de rechtbank en thans door de advocaat-generaal gevorderde, een groter deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 68 en 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. J.A.A.M. van Veen, voorzitter,

mr. O. Anjewierden en mr. G.M. Meijer-Campfens, raadsheren,

in tegenwoordigheid van G.G. Eisma, griffier,

en op 27 januari 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.