Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:7232

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-09-2016
Datum publicatie
16-09-2016
Zaaknummer
1501378
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2015:6342, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:1250
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Eigen woning. Aftrek eigenwoningrente. Contante betaling rente? Bewijs?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/1975
V-N 2016/62.1.2
FutD 2016-2271
NTFR 2016/2391
NLF 2016/0099 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummer 15/01378

uitspraakdatum: 6 september 2016

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 15 oktober 2015, nummer AWB 15/805, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Arnhem (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is voor het jaar 2011 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.675. Aan heffingsrente is daarbij een bedrag berekend van € 320.

1.2

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de aanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 15 oktober 2015 ongegrond verklaard.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Tot de stukken van het geding behoort, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.

1.6

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2016 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord [A] (hierna: [A] ), als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [B] namens de Inspecteur, bijgestaan door mr. [C] .

1.7

De gemachtigde van belanghebbende heeft een pleitnota overgelegd.

1.8

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak, plaatselijk bekend [a-straat] 22 te [Z] (hierna: de onroerende zaak).

2.2

Op 9 juli 1998 is belanghebbende een (hypothecaire) geldlening (hierna: de geldlening) aangegaan bij [D] B.V., oorspronkelijk groot f 600.000 (€ 272.268). Directeur van deze vennootschap is [A] , de gemachtigde van belanghebbende.

2.3

[D] B.V. heeft bij akte van cessie van 17 mei 2001 de geldlening overgedragen aan [A] . In de akte van cessie is de geldlening als volgt omschreven:

Voorwaarden van de hypothecaire vordering

De hypothecaire vordering is aangegaan onder de volgende bepalingen:

  1. de hoofdsom bedraagt zeshonderd duizend gulden (f 600.000,00);

  2. de hoofdsom dient in één termijn te worden terugbetaald op één juli tweeduizend acht;

  3. (…)

  4. over de hoofdsom is vanaf één augustus negentienhonderd acht en negentig een rente verschuldigd van vijf procent (5%). De rente is bij nabetaling verschuldigd in maandelijkse termijnen vervallende op de eerste dag van elke maand;

  5. (…).”

2.4

De looptijd van de geldlening is bij brief van 14 augustus 2008 verlengd tot 1 juli 2013 en bij brief van 5 juli 2013 verlengd tot 1 juli 2015. Bij brief van 4 juli 2015 is de looptijd verlengd tot de datum van verkoop en levering van de inmiddels te koop staande onroerende zaak.

2.5

Belanghebbende heeft in de aangifte IB/PVV 2011 in verband met de geldlening een eigenwoningschuld vermeld van € 270.000. Aan rente in verband met deze schuld heeft zij een bedrag van € 16.200 in aftrek gebracht. In de aangifte heeft belanghebbende voorts als bezitting een tweede woning in Roemenië vermeld. Uit gegevens van de Inspecteur volgt, dat het saldo van de bankrekening van belanghebbende op 1 januari 2011 € 749 bedroeg.

2.6

Naar aanleiding van de aangifte heeft de Inspecteur belanghebbende bij brieven van 13 maart 2014 en 14 april 2014 verzocht nadere informatie te verstrekken met betrekking tot de geldlening, waaronder de geldleningsovereenkomst. Belanghebbende heeft op deze brieven niet gereageerd.

2.7

De Inspecteur heeft de aftrek van rente in verband met de geldlening niet toegelaten. Het daartegen ingediende bezwaar heeft hij afgewezen.

2.8

[A] heeft bij brief van 9 februari 2015 namens belanghebbende beroep ingesteld. In het beroepschrift is – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:

“Bijgaand stuur ik u een kopie van een akte van cessie d.d. 17 mei 2001, waarbij een door [D] BV aan belanghebbende verstrekte hypothecaire geldlening uit 1998 werd gekocht door ondergetekende, directeur/enig aandeelhouder van deze BV. Uit deze akte van cessie blijkt genoegzaam van deze hypothecaire geldlening aan belanghebbende op haar woonhuis.

De betreffende geldlening heb ik vervolgens elk jaar opgenomen in Box 3 van mijn IB aangifte.

De looptijd van de geldlening is verlengd tot 1 juli 2015.

Nadat de geldlening aan mij was gecedeerd gaf ik er de voorkeur aan de maandelijks te ontvangen

hypotheekrente contant te ontvangen. Zoals meer mensen heb ik een voorkeur voor het bij mij dragen van contant geld, naast creditcard en pinpas. Op deze wijze spaarde ik mij een gang naar de geldautomaat.

In aanvang heb ik nog wel een kwitantie afgegeven. Later is dat verwaterd. Ik herinner mij niet dat ooit sprake is geweest van enige betalingsachterstand van betekenis. Ik kan dan ook zonder enige reserve verklaren dat belanghebbende, ook in het jaar 2011, de verschuldigde hypotheekrente aan mij heeft voldaan.”

2.9

Blijkens het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank heeft [A] als gemachtigde van belanghebbende – voor zover hier van belang – het volgende verklaard, waarbij belanghebbende wordt aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:

“(…)

Verweerder:

(…) Als mevrouw contant betalingen doet, dan moet ze daarvoor toch opnamen doen bij haar bank. (…)

Gemachtigde van eiseres:

Mijn kennis strekt niet zover of eiseres de opnamen heeft gedaan bij haar bank. Als ik verklaar met mijn handtekening eronder, dan geef ik een kwitantie. Ik verklaar dat de hypotheekrente van 2011 is betaald.

(…)

Gemachtigde van eiseres:

(…) Ik kan blijven verklaren. Ik kan zo’n boekje kopen met kwitanties, maar dat maakt het niet anders.

(…)”

2.10

In de door [A] ter zitting van het Hof overgelegde pleitnota is onder meer het volgende opgenomen:

“(…) merk ik op dat voor de betalingen wel degelijk kwitanties zijn uitgereikt.

Ik heb kunnen nagaan dat op drie data in 2011 (25 maart, 24 juni en 7 oktober) en op 27 januari 2012 (betreffende de laatste maanden van 2011) door mij de rente over dat jaar is opgehaald. Daartegenover zijn kwitanties uitgereikt.

Het woord “verwaterd” in het beroepschrift in eerste aanleg slaat uitsluitend op de frequentie van de betalingen. Er had moeten staan: “In aanvang heb ik nog wel [de rente maandelijks opgehaald en daarvoor] een kwitantie afgegeven. Later is dat verwaterd.”

Door een misser in de tekstverwerking is dit [] zinsgedeelte weggevallen.

Maar die kwitanties waren tot voor kort niet te vinden. Mogelijk in verband met de twee herseninfarcten van belanghebbendes man die de belastingzaken voor haar regelde.

In de procedure in eerste aanleg had een beroep op die kwitanties vanwege hun afwezigheid dan ook geen zin. Tevens meende (en meen) ik dat een nadere schriftelijke verklaring omtrent de betaling voldoende zou moeten zijn. Echter nu de rechtbank in haar vonnis kennelijk sterk hecht aan die kwitanties is belanghebbende een intensieve zoekactie gestart en zijn de kwitanties, behoudens die van 24 juni, boven water gekomen.

De gevonden kwitanties voeg ik hier bij.”

2.11

De in 2.10 bedoelde kwitanties zijn aan de pleitnota gehecht. Voorts is ter zitting van het Hof door [A] een brief van 21 mei 2004 overgelegd waarin de overeengekomen rente wordt verhoogd naar zes percent.

2.12

Volgens de kwitanties en de daarop gegeven toelichting zou [A] de volgende bedragen in 2011 hebben ontvangen:

25 maart 2011 december 2010 tot en met maart 2011 € 5.444

24 juni 2011 april 2011 tot en met juni 2011 - 4.083

7 oktober 2011 juli 2011 tot en met september 2011 - 4.083

Totaal betaald aan rente in 2011 € 13.610

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of de aanslag IB/PVV 2011 op het juiste bedrag is vastgesteld. Meer in bijzonder is in geschil of belanghebbende een bedrag van € 16.200 als eigenwoningrente in aftrek mag brengen.

3.2

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.

3.3

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en de Inspecteur, en tot vermindering van de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 7.475.

3.4

De Inspecteur concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en de Inspecteur en tot vermindering van de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.014.

4 Beoordeling van het geschil

4.1

Ingevolge artikel 3.120, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 zijn de renten van schulden die behoren tot de eigenwoningschuld aftrekbaar.

4.2

Artikel 3.147 van de Wet IB 2001 luidt als volgt:

“Aftrekbare kosten en uitgaven voor inkomensvoorzieningen komen – voorzover niet anders is bepaald – voor aftrek in aanmerking op het tijdstip waarop zij zijn:

a. betaald;

b. verrekend;

c. ter beschikking gesteld of

d. rentedragend geworden.”

4.3

Belanghebbende heeft aangevoerd dat zij in 2011 in totaal € 16.200 contant aan [A] heeft betaald ter zake van de geldlening. Zij draagt daarvoor onder meer de verklaringen van [A] en de kwitanties aan.

4.4

De Inspecteur betwist dat belanghebbende de rente heeft betaald. Hij verwijst daarvoor naar het ontbreken van betalingsbewijzen, de geldleningsovereenkomst en bewijzen van opname van het geld in contanten. Het is voor de Inspecteur onduidelijk hoe belanghebbende de rente, gezien haar inkomen en vermogen, kon betalen.

4.5

Het Hof overweegt het volgende. Als belanghebbende de rente zou hebben betaald, zou een zeer laag netto besteedbaar inkomen resteren. Evenmin heeft belanghebbende vermogen waaruit zij de rente kan putten. Ter zitting van de Rechtbank heeft [A] over de herkomst van de geldmiddelen verklaard, dat hij niet wist of belanghebbende daartoe opnamen bij de bank heeft gedaan. Ter zitting van het Hof heeft hij de niet nader onderbouwde stelling ingenomen, dat belanghebbende haar moeder meerdere keren per jaar in Roemenië heeft bezocht en dat zij tijdens die bezoeken contante geldbedragen in euro’s van haar moeder geschonken heeft gekregen. Daarmee zou het inkomen zijn aangevuld dan wel de rente zijn betaald. [A] zou belanghebbende in 2003 of 2004 één keer hebben vergezeld tijdens een dergelijk bezoek. Gelet op de eerder bij de Rechtbank afgelegde verklaring en het ontbreken van enig bewijs voor deze nieuwe stelling, vindt het Hof de gewijzigde verklaring van [A] niet geloofwaardig.

4.6

De Inspecteur heeft belanghebbende om betalingsbewijzen gevraagd, maar deze niet van belanghebbende ontvangen. [A] heeft in het beroepschrift gesteld dat hij de rente maandelijks in contanten van belanghebbende ontving, waarbij het uitreiken van kwitanties in de loop van de tijd was verwaterd. Ter zitting van het Hof heeft [A] voor het eerst kwitanties over het jaar 2011 overgelegd. [A] heeft niet afdoende verklaard, waarom hij niet eerder melding heeft gemaakt van de omstandigheid dat voor het jaar 2011 kwitanties zijn uitgereikt. De kwitanties zijn in strijd met zijn eerdere verklaringen, omdat de rente over 2011 niet maandelijks maar in vier termijnen is voldaan. De in 2011 betaalde rente die volgens de aangifte en eerdere verklaringen € 16.200, ofwel € 1.350 per maand zou bedragen, is volgens de overgelegde kwitanties € 1.361 per maand. In 2011 heeft belanghebbende volgens de kwitanties niet € 16.200 rente betaald maar € 13.610 (zie onder 2.12). De schriftelijke verklaringen die [A] aan de Rechtbank en het Hof heeft overgelegd, dat hij in 2011 € 16.200 aan rentebetalingen heeft ontvangen, zijn hierdoor niet geloofwaardig. Ook met de kwitanties maakt belanghebbende de betalingen niet aannemelijk.

4.7

Gelet op het hetgeen hiervoor is overwogen is het Hof van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij de gestelde contante rentebetalingen heeft gedaan.

4.8

Tussen partijen is niet in geschil dat de Inspecteur heeft verzuimd de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld van artikel 3.123a van de Wet IB 2001 toe te passen. Ter zitting van het Hof hebben partijen ingestemd met een vermindering van het belastbare inkomen uit werk en woning tot op € 22.014.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5 Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

– verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep gegrond,

– vernietigt de uitspraak van de Inspecteur,

– vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.014,

– vermindert de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig en

– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 45 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 123 in verband met het hoger beroep bij het Hof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.F.C. Spek, voorzitter, mr. B. van Walderveen en mr. A.J.H. van Suilen, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.

De beslissing is op 6 september 2016 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(E.D. Postema)

(R.F.C. Spek)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 6 september 2016

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.