Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:7179

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-08-2016
Datum publicatie
07-09-2016
Zaaknummer
200.182.228/01 en 200.182.229/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinder- en partneralimentatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.182.228/01 en 200.182.229/01

(zaaknummers rechtbank C/17/135505/FA RK14-1101, C/17/138384/ FA RK 14-1881)

beschikking van 30 augustus 2016

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. F.P. van Dalen, kantoorhoudend te Leeuwarden,

en

[verweerder] ,

wonende te [B] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. S.C. Koolmees, kantoorhoudend te Groningen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 16 september 2015, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 16 december 2015;

- het verweerschrift met producties, ingekomen op 1 februari 2016;

- een journaalbericht van mr. Koolmees van 3 mei 2016 met producties.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 31 mei 2016 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Mr. Van Dalen heeft een pleitnotitie overgelegd.

2.3

Na de mondelinge behandeling is met toestemming van het hof ingekomen een journaalbericht van mr. Van Dalen van 8 juni 2016 met productie, waarbij mr. Van Dalen het hof heeft bericht dat de vrouw het door de man ter zitting van het hof gedane (totale) schikkingsvoorstel niet heeft aanvaard en het hof heeft verzocht om een beschikking te geven.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het huwelijk van partijen is [in] 2015 ontbonden door echtscheiding.

3.2

De man en de vrouw zijn de ouders van [de minderjarige] (hierna te noemen: [de minderjarige] ), geboren [in] 2010, over wie partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen. [de minderjarige] heeft haar hoofdverblijf bij de vrouw.

4 De omvang van het geschil

4.1

Het hof heeft de in hoger beroep aanhangig gemaakte zaak administratief gesplitst en twee zaaknummers aan de zaak toebedeeld.

4.2

De geschilpunten tussen partijen in de zaak met zaaknummer 200.182.229/01 betreffen de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking van 16 september 2015 overeenkomstig de standpunten van partijen, voor zover hier van belang:

- de voormalige echtelijke woning aan de [a-straat] 71 te [C] , met de aan de hypothecaire geldlening verbonden spaarpolis bij Interpolis en het fiscale voordeel ter zake van de hypotheekaftrek vanaf 2011 aan de man toegedeeld, waarbij geldt dat de man de hypothecaire geldlening als zijnde een eigen schuld dient te dragen, de eventuele onderwaarde op de woning voor zijn rekening dient te nemen en bepaald dat de man zorg dient te dragen dat de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire lening zal worden ontslagen;

- bepaald dat de vrouw haar studieschuld bij DUO voor haar rekening dient te nemen;

- de man veroordeeld om binnen vier weken na de datum van die beschikking aan de vrouw recente pensioenopgaven te verstrekken aan de hand waarvan de vrouw kan vaststellen bij welke pensioenuitvoerders de man tijdens het huwelijk ouderdomspensioen heeft opgebouwd.

4.3

De vrouw is met acht grieven (grieven I t/m VIII) in hoger beroep gekomen van de beschikking van 16 september 2015 betreffende de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. Deze grieven zien op de voormalige echtelijke woning van partijen en de studieschuld van de vrouw bij Duo.

4.4

Het hof stelt vast dat de vrouw ter zitting van 31 mei 2016 de grieven betreffende de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap - om haar moverende redenen - heeft ingetrokken.

De vrouw heeft daartoe verklaard dat zij akkoord gaat met de wijze van verdeling zoals vastgelegd bij beschikking van 16 september 2015. Uit de door de man in het geding gebrachte stukken blijkt dat de man op grond van zijn huidige inkomen de financiering kan verkrijgen die hij nodig heeft om de voormalige echtelijk woning te kunnen overnemen. De man heeft aangegeven dat de leveringsakte - nu de stukken reeds bij de notaris liggen - op korte termijn zal (kunnen) worden gepasseerd.

Verder is gebleken dat de vrouw inmiddels een brief van de zijde van de man heeft ontvangen over de pensioenrechten en dat partijen voornemens zijn in verband daarmee in overleg te treden en tot overeenstemming te komen.

4.5

Gelet op voormelde intrekking zal het hof de grieven betreffende de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap onbesproken laten en de verzoeken van de vrouw in hoger beroep in de zaak met zaaknummer 200.182.229/01 afwijzen.

4.6

De geschilpunten tussen partijen in de zaak met zaaknummer 200.182.228/01 betreffen de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] (hierna ook: kinderalimentatie) en de uitkering in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie).

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking van 16 september 2015 de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] met ingang van 17 april 2015 bepaald op € 67,-- per maand en de uitkering in de kosten van levensonderhoud van de vrouw op € 400,-- per maand.

4.7

De vrouw is met drie grieven (grieven IX t/m XI) in hoger beroep gekomen van voornoemde beslissingen betreffende de kinder- en partneralimentatie. Deze grieven zien op de behoefte van [de minderjarige] , de draagkracht van de man en de zorgkorting.

De vrouw heeft in hoger beroep haar inleidend verzoek gewijzigd, in die zin dat zij thans verzoekt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] met ingang 17 april 2015 te stellen op € 408,-- per maand en de uitkering in de kosten van levensonderhoud van de vrouw op € 2.000,-- per maand.

Het hof zal de grieven in hoger beroep per onderwerp bespreken.

5 De motivering van de beslissing

De kinderalimentatie

4.8

Op de behoefte van de kinderen wordt ingevolge de uitspraak van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3011) niet langer het ontvangen kindgebonden budget in mindering gebracht. Uit de uitspraak volgt dat het kindgebonden budget moet worden meegenomen bij de draagkracht van de vrouw.

4.9

Tussen partijen is niet in geschil dat de (geïndexeerde) behoefte van [de minderjarige] (zonder rekening te houden met het kindgebonden budget) per 1 januari 2015 € 433,-- per maand bedraagt en per 1 januari 2016 € 436,-- per maand.

4.10

Het hof stelt vast dat partijen ter zitting van 31 mei 2016 - uitgaande van voornoemde behoefte van [de minderjarige] en in overeenstemming met hun voor de kinderalimentatie beschikbare draagkracht - zijn overeengekomen (zonder een definitief einde te maken aan de discussie over de kosten van de zorgregeling ten behoeve van de berekening van de partneralimentatie, waarover het hof hierna in de rechtsoverwegingen 4.12 t/m 4.16 een beslissing zal nemen) dat de man aan de vrouw met ingang van 17 april 2015 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] een bedrag van € 324,-- per maand zal voldoen.

Het hof zal de beschikking waarvan beroep in zoverre dan ook vernietigen en opnieuw conform de overeenstemming beslissen.

4.11

Ten aanzien van de tussen partijen in geschil zijnde kosten van de zorgregeling tussen de man en [de minderjarige] (de zogenaamde zorgkorting), zijnde een gedeelte van de kosten van [de minderjarige] dat door de man (naast voornoemde overeengekomen kinderalimentatie) in natura wordt voldaan (en verder van belang is voor de hierna vast te stellen partneralimentatie), overweegt het hof als volgt.

4.12

De kosten van de zorgregeling worden bepaald aan de hand van de behoefte en het gemiddeld aantal dagen per week dat het kind doorbrengt bij of voor rekening komt van de ouder waar het kind zijn hoofdverblijf niet heeft. Volgens het rapport van de Expertgroep Alimentatienormen worden als vuistregel de zorgkosten uitgedrukt in een percentage van de behoefte, hetgeen de volgende zorgkorting oplevert:

15% bij gedeelde zorg op gemiddeld 1 dag per week

25% bij gedeelde zorg op gemiddeld 2 dagen per week

35% bij gedeelde zorg op gemiddeld 3 dagen per week,

waarbij geen onderscheid wordt gemaakt in ruime zorgregelingen of co-ouderschap.

Bij andere afspraken over kostenverdeling kunnen de onderhoudsplichtigen in onderling overleg een ander of geen kortingspercentage toepassen.

4.13

De man werkt in de offshore. De man moet telkens twee weken werken en is dan drie weken vrij. De overeengekomen zorgregeling, vastgelegd in het door partijen op 1 maart 2015 ondertekende ouderschapsplan, houdt in dat in de weken dat de man in Nederland is [de minderjarige] van vrijdagmiddag na school (13.45 uur) tot zondagmiddag 17.00 uur bij de man verblijft, alsmede de helft van de vakanties en/of feestdagen.

4.14

De man stelt dat bij deze zorgregeling waarbij [de minderjarige] in een cyclus van vijf weken 6 dagen bij hem verblijft alsmede de helft van de vakanties en/of feestdagen, een zorgkorting van 25% op zijn plaats is. De vrouw kan zich vinden in een zorgkorting van 20%.

4.15

Het hof ziet gelet op de frequentie van de omgang van gemiddeld 1,75 dag per week - zoals door de vrouw onweersproken is berekend - geen aanleiding uit te gaan van het door de man voorgestelde percentage van 25%. In plaats daarvan zal, nu de vrouw zich daarin kan vinden, worden uitgegaan van een zorgkorting van 20%.

4.16

Aangezien de behoefte van [de minderjarige] € 433,-- respectievelijk € 436,-- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting van 20% een bedrag van € 86,60 respectievelijk € 87,20 per maand.

De partneralimentatie

4.17

De behoefte van de vrouw aan de door haar verzochte partneralimentatie is niet in geschil en staat daarmee vast.

4.18

De man stelt dat zijn draagkracht niet toereikend is om (naast voornoemde kinderalimentatie vermeerderd met de kosten van de zorgregeling) de verzochte bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te betalen. Het geschil tussen partijen spitst zich in het bijzonder toe op de vraag in hoeverre bij het vaststellen van de draagkracht van de man rekening dient te worden gehouden met zijn leenmogelijkheden om de voormalige echtelijke woning aan de [a-straat] 71 te [C] te kunnen financieren.

De man stelt dat door de Rabobank genoegzaam duidelijk is gemaakt dat de door de man te betalen partneralimentatie maximaal een bedrag van € 400,-- bruto per maand mag bedragen wil de man de voormalige echtelijke woning kunnen financieren.

De vrouw betwist dat.

* de woonlasten van de man/financiering van de woning aan de [a-straat] 71 te [C]

4.19

Het hof stelt voorop dat bij de beoordeling van de draagkracht van de man met het oog op het vaststellen van zijn wettelijke verplichting om bij te dragen in het levensonderhoud van zijn gewezen echtgenote in beginsel rekening dient te worden gehouden met alle redelijke uitgaven die ten laste van de man komen.

4.20

Het hof stelt vast dat de man - zoals hij ter zitting van het hof onweersproken heeft verklaard - in december 2015 bij de Rabobank een nieuwe hypothecaire lening is aangegaan conform de bij verweerschrift als productie 1 overgelegde offerte en overeenkomst lening d.d. 17 november 2015 en dat hij met ingang van 1 januari 2016 ook daadwerkelijk de daarin genoemde nieuwe hypothecaire lasten voldoet.

4.21

Nu de ingangsdatum van de partneralimentatie 17 april 2015 is, zal het hof in verband met de wijzigingen van de hypothecaire lasten van de man per 1 januari 2016 zijn draagkracht over twee periodes berekenen, te weten de periode vanaf 17 april 2015 tot 1 januari 2016 en de periode vanaf 1 januari 2016.

4.22

De woonlasten van de man voor de periode van 17 april 2015 tot 1 januari 2016 bedroegen per maand:

- € 832,-- aan hypotheekrente;

- € 93,-- aan aflossing/premie levensverzekering gekoppeld aan de hypotheek;

- € 95,-- aan overige eigenaarslasten.

Bij deze woonlasten wordt rekening gehouden met fiscaal voordeel in verband met de aftrekbaarheid van de betaalde hypotheekrente van € 832,-- per maand (€ 9.985,-- per jaar) onder bijtelling van het eigenwoningforfait op jaarbasis, afgeleid van de WOZ-waarde, van
€ 132.000,--.

4.23

Het hof zal -zoals ter zitting reeds beslist- de door de vrouw ter zitting van het hof nieuw opgeworpen grief, inhoudende dat er bij de vaststelling van de draagkracht van de man over deze periode geen rekening dient te worden gehouden met voornoemde premie kapitaalverzekering van € 93,-- per maand, omdat de man geen bewijsstukken in het geding heeft gebracht waaruit blijkt dat hij deze premie daadwerkelijk heeft voldaan, buiten beschouwing laten wegens strijd met een goede procesorde. Bedoelde premie is namelijk in de onderhavige procedure niet eerder ter discussie geweest terwijl de vrouw die veel eerder aan de orde had kunnen stellen en de man is door het tijdstip waarop de vrouw haar grief dienaangaande naar voren heeft gebracht onvoldoende in de gelegenheid gesteld om tot zijn verweer bewijsstukken in te dienen.

4.24

Ten aanzien van de door de man per 1 januari 2016 afgesloten nieuwe hypothecaire lening overweegt het hof als volgt.

Wat betreft zijn nieuwe woonlasten per 1 januari 2016 gaat het hof bij gebrek aan overige gegevens uit van voornoemde offerte d.d. 17 november 2015.

Uit die offerte blijkt dat de man een lening heeft afgesloten van ten hoogste € 161.819,-- (inclusief de advieskosten, de afsluitkosten, inbreng eigen geld en de boete voor oversluiten), verdeeld in vier leningdelen, te weten een aflossingsvrije hypotheek van € 66.000,-- en drie hypothecaire annuïteitenleningen van € 18.624,-- , € 75.576,-- respectievelijk € 1.619,--.

De rente voor de aflossingsvrije hypotheek bedraagt € 176,-- per maand. Voor de annuïteitenleningen worden in de offerte totaalbedragen voor rente en aflossing van respectievelijk € 96,--, € 323,-- en € 7,-- per maand genoemd, hetgeen het totaalbedrag (aan rente en aflossing) dat de man maandelijks voor de nieuwe lening dient te voldoen brengt op € 602,-- per maand. Rekening houdend met een fiscaal voordeel in verband met de aftrekbaarheid van de hypotheekrente en de geschatte belastingteruggave in verband daarmee van € 140,-- per maand, heeft de bank op pagina 6 van de offerte de totale hypotheeklasten van de man berekend op € 461,-- netto per maand.

4.25

Nu de man geen nadere specificatie heeft overgelegd betreffende de nieuwe woonlasten en gelet op de omstandigheid dat de door de man te betalen maandelijkse lasten voor de annuïteitenleningen niet zijn uitgesplitst in rentedelen en aflossingsdelen, zal het hof uitgaan van voormeld netto bedrag van € 461,-- per maand.

Het hof zal dit totaalbedrag aan rente en aflossing vermeerderen met € 95,-- aan overige eigenaarslasten en als netto woonlast in de berekening van de draagkracht van de man betrekken.

4.26

Er zal - anders dan in de eerste periode, tot 1 januari 2016 - bij de woonlasten van de man geen rekening worden gehouden met de premie kapitaalverzekering. De man heeft weliswaar het mutatieformulier d.d. 17 november 2015 bestemd voor Interpolis in het geding gebracht met het verzoek om de vrouw te verwijderen als verzekerde en verzekeringnemer en daarnaast het bedrag voor de man te verlagen tot € 43.500,--, maar het hof heeft geen stukken ontvangen over de door de man in de periode vanaf 1 januari 2016 eventueel te betalen premies voor de (aangepaste) verzekering.

4.27

De stelling van de man dat de partneralimentatie - overeenkomstig de door de Rabobank aan de financiering gestelde voorwaarde op dit punt - op niet meer dan € 400,-- per maand mag worden gesteld, omdat een hogere partneralimentatie voor hem tot grote problemen zou kunnen leiden, acht het hof onvoldoende onderbouwd. Uit de door het hof gemaakte draagkrachtberekening blijkt namelijk dat de man, rekening houdend met zijn huidige hypothecaire lasten, in staat is om naast de aan hem reeds verleende lening een hogere partneralimentatie te voldoen dan € 400,-- per maand. Opgemerkt zij dat het hof bij het vaststellen van de partneralimentatie niet gebonden is aan de tussen de man en de Rabobank gemaakte afspraken.

4.28

Voor zover de vrouw heeft gesteld dat de man de woning verhuurt en op het moment dat hij niet werkt bij zijn huidige vriendin in [B] verblijft (zonder daaraan overigens voor de draagkracht van de man enige consequentie te verbinden), heeft zij haar stelling in het licht van de gemotiveerde betwisting van de man niet onderbouwd. Aan die stelling wordt daarom voorbijgegaan.

* de berekening van draagkracht van de man

4.29

Tussen partijen is niet in geschil dat bij het vaststellen van de draagkracht van de man dient te worden uitgegaan van een jaarinkomen van € 47.380,-- per jaar, zoals dat blijkt uit de jaaropgave 2015. Partijen hebben niet gesteld dat zijn inkomen nadien substantieel is gewijzigd.

4.30

Het hof houdt bij de berekening van de draagkracht van de man rekening met de in de rechtsoverwegingen 4.22 en 4.25 vastgestelde woonlasten en de in hoger beroep niet betwiste premie ziektekostenverzekering van € 78,-- per maand.

4.31

Nu het de vaststelling van de draagkracht van de man voor partneralimentatie betreft, houdt het hof evenals partijen rekening met de norm voor een alleenstaande en het door de Expertgroep Alimentatienormen aanbevolen draagkrachtpercentage van 60.

4.32

Ten laste van de draagkracht van de man komt voorts het aandeel dat de man levert, inclusief de zorg, in de kosten van [de minderjarige] tot 1 januari 2016 van (€ 324,-- + € 86,60) afgerond € 411,-- per maand en met ingang van 1 januari 2016 het geïndexeerde aandeel van (€ 328,21 + € 87,20) afgerond € 415,-- per maand.

4.33

Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden en gelet op de fiscale consequenties hiervan heeft de man met ingang van 17 april 2015 tot 1 januari 2016 draagkracht voor een partneralimentatie van € 567,-- per maand en met ingang van 1 januari 2016 voor een partneralimentatie van € 681,-- per maand.

5 De slotsom

5.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slagen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover het betreft de door de man te betalen kinder- en partneralimentatie, vernietigen en beslissen als volgt.

6 Aanhechten draagkrachtberekeningen

6.1

Het hof heeft twee berekeningen van de draagkracht van de man gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekeningen is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

in de zaak met zaaknummer 200.182.229/01

wijst het verzoek van de vrouw in hoger beroep af;

in de zaak met zaaknummer 200.182.228/01

vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 16 september 2015, voor zover het betreft de door de man te betalen kinder- en partneralimentatie, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 17 april 2015 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] , geboren [in] 2010, € 324,-- per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud zal betalen over de periode van 17 april 2015 tot 1 januari 2016 € 567,-- per maand en vanaf 1 januari 2016 € 681,-- per maand, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.W. Beversluis, J.G. Idsardi en E.B.E.M. Rikaart-Gerard, bijgestaan door mr. M. Marsnerova als griffier en is op 30 augustus 2016 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.