Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:7178

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-08-2016
Datum publicatie
07-09-2016
Zaaknummer
200.178.925/01 en 200.178.927/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eindbeschikking partneralimentatie, Zugewinngemeinschaft en Versorgungsausgleich (verevening/verrekening pensioenrechten). Tussenbeschikking ECLI:NL:GHARL:2016:1854.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.178.925/01 en 200.178.927/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/139631 / FA RK 15-130)

beschikking van de vijfde kamer van 30 augustus 2016

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] (Verenigd Koninkrijk),

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. P.B. Rietberg, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [B] ,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. J.W. Aartsen, kantoorhoudend te Utrecht.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof heeft op 25 februari 2016 een (tussen)beschikking gegeven.

1.2

Ter griffie van het hof zijn - voor zover hier van belang - binnengekomen:

- een journaalbericht van 24 maart 2016 met bijgevoegd een akte uitlating in hoger beroep echtscheiding met bijlage van mr. Aartsen (betreft zaaknummer 200.178.925/01);

- een journaalbericht van 18 april 2016 met bijgevoegd een antwoordakte alimentatie met overlegging stukken met bijlagen van mr. Rietberg (betreft zaaknummer 200.178.925/01);

- een journaalbericht van 18 april 2016 met bijgevoegd een akte overlegging stukken met bijlagen van mr. Rietberg (betreft zaaknummer 200.178.927/01);

- een journaalbericht van 21 april 2016 met bijgevoegd een akte uitlating in hoger beroep boedelscheiding, tevens akte producties, tevens akte aanv. eis verevening pensioen met bijlagen van mr. Aartsen (betreft zaaknummer 200.178.927/01);

- een journaalbericht van 17 mei 2016 met bijgevoegd een antwoordakte hoger beroep boedelscheiding met bijlagen van mr. Aartsen (betreft zaaknummer 200.178.927/01);

- een brief van 23 mei 2016 met bijgevoegd een antwoordakte met bijlagen van mr. Rietberg (betreft zaaknummer 200.178.927/01).

2 De motivering van de beslissing

2.1

Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de (tussen)beschikking van 25 februari 2016, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.

2.2

In die beschikking heeft het hof de behandeling van de zaak voor wat betreft de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (zaaknummer 200.178.925/01), de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap en de verevening/verrekening van de pensioenen (zaaknummer 200.178.927/01) aangehouden en partijen in de gelegenheid gesteld om zich daarover nader uit te laten zoals in het dictum van de (tussen)beschikking is vermeld.

2.3

Het hof zal eerst overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van het in hoger beroep verzochte omtrent de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (ook wel: partneralimentatie).

DE PARTNERALIMENTATIE

2.4

De vrouw is bij (tussen)beschikking van 25 februari 2016 in de gelegenheid gesteld om zich inhoudelijk uit te laten over de ter zitting namens de man overgelegde salarisspecificaties. Vervolgens is de man in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren. Het hof zal één en ander bespreken bij de beoordeling van de draagkracht van de man, nu de uitlatingen van partijen daarop betrekking hebben.

de ingangsdatum

2.5

De rechtbank heeft de ingangsdatum van de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw - zoals te doen gebruikelijk - op de dag van ontbinding van het huwelijk gesteld, derhalve de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Hiertegen is door geen van partijen gegriefd, zodat het hof eveneens van deze ingangsdatum zal uitgaan.

de behoefte van de vrouw

2.6

De man stelt in hoger beroep onder meer de behoefte van de vrouw aan de orde. Hij is van mening dat bij de bepaling van de behoefte van de vrouw niet kan worden uitgegaan van de zogenaamde hofnorm (te weten: 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk minus de kosten van de kinderen). Hij bestrijdt daarenboven de door de vrouw in het geding gebrachte behoeftelijst, waaruit een behoefte blijkt van de vrouw van € 3.007,50 netto per maand.

2.7

Het hof merkt op dat bij de vaststelling van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de concrete gegevens betreffende de reële of met een redelijke mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van de onderhoudsgerechtigde. Aangezien er door de vrouw een behoeftelijst in het geding is gebracht en de man bezwaar heeft gemaakt tegen toepassing van de hofnorm, zal het hof deze opgave van geschatte te verwachten uitgaven tot uitgangspunt nemen bij de vaststelling van de behoefte van de vrouw. Het hof ziet, gelet op het verweer van de man, in de onderhavige zaak aanleiding de behoeftelijst van de vrouw per post te beoordelen.

* de woonlasten

2.8

De vrouw heeft in haar behoeftelijst een totaalbedrag aan woonlasten opgenomen van € 797,-- per maand. Daarin zit onder meer een bedrag van € 590,-- per maand aan kale huur begrepen. De man heeft zich op het standpunt gesteld dat de vrouw verzuimd heeft om een afschrift van de huurovereenkomst in het geding te brengen en dat zij bovendien recht zal hebben op (naar het hof begrijpt:) huurtoeslag zolang zij haar vermogen nog niet onder zich heeft. Nu bij journaalbericht van 14 januari 2016 de huurovereenkomst van de vrouw is overgelegd, waaruit een huurprijs van € 590,-- per maand blijkt, zal het hof uitgaan van het door de vrouw gestelde bedrag aan woonlasten ter hoogte van € 797,-- per maand. Het hof zal geen rekening houden met een bedrag aan huurtoeslag, nu de vrouw uit hoofde van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen vermogen zal ontvangen en om die reden niet in aanmerking komt voor huurtoeslag.

* de vaste uitgaven

2.9

Aan vaste uitgaven is door de vrouw een bedrag van in totaal € 448,50 per maand opgenomen. Uit het verweerschrift van de man blijkt dat hij de [C] Ziektekosten ter hoogte van € 90,-- per maand en [D] ter hoogte van € 26,-- per maand niet bestrijdt. Met deze kosten zal het hof derhalve rekening houden. De man bestrijdt wel de post vakantie van € 150,-- per maand en de post boeken, films, muziek van € 50,-- per maand omdat hij daarvan geen stukken heeft gezien. Het hof acht echter de in dit kader door de vrouw opgevoerde posten niet onredelijk, zodat daarmee rekening zal worden gehouden. Het hof zal geen rekening houden met de door de vrouw opgevoerde kosten van zwemmen kind van € 20,--, voetbal kind van € 12,50 en turnen kind van € 25,--, nu deze posten - zoals de man terecht heeft betoogd - betrekking hebben op de kosten van de kinderen, zodat daarmee in het kader van de bepaling van de behoefte van de vrouw geen rekening behoort te worden gehouden. Met de post uitgaan van € 75,-- zal het hof geen rekening houden, nu de man deze post heeft bestreden en het hof reeds een bedrag van in totaal € 200,-- per maand zal meenemen in het kader van ontspanning (vakanties, boeken, film, muziek). In totaal zal het hof derhalve rekening houden met een bedrag van € 316,-- per maand aan vaste uitgaven.

* de vervoerskosten

2.10

In de behoeftelijst van de vrouw is een bedrag van in totaal € 432,-- per maand aan vervoerskosten opgenomen. Nu de man deze kosten niet heeft bestreden, zal het hof met voornoemd bedrag rekening houden.

* de overige uitgaven

2.11

Tot slot heeft de vrouw een totaalbedrag van € 1.330,-- per maand opgenomen aan overige uitgaven. De man bestrijdt alle posten waarvan de vrouw geen bewijs heeft overgelegd. Het hof constateert dat de vrouw ten aanzien van de telefoon, Ziggo en Famed bewijsstukken heeft overgelegd, zodat het hof deze door de vrouw gesteld posten ten bedrage van respectievelijk € 65,-- € 70,-- en € 10,-- per maand zal meenemen. Het hof zal tevens rekening houden met de post klein onderhoud ter hoogte van € 50,-- per maand en de post onvoorzien ter hoogte van € 50,-- per maand, nu het redelijk is om rekening te houden met dergelijke reserveringen. De door de vrouw opgevoerde kosten ter hoogte van € 200,-- per maand voor de therapeut van [E] , zal het hof niet meenemen omdat deze kosten door de man zijn bestreden en de vrouw hiervan geen bewijsstukken in het geding heeft gebracht. Voorts heeft de vrouw een bedrag van € 300,-- per maand aan kleedgeld, € 520,-- per maand aan boodschappen en € 65,-- per maand aan persoonlijke verzorging opgenomen. Het hof ziet, gelet op het verweer van de man, aanleiding om deze bedragen te matigen, nu aan de hand van de door de vrouw overgelegde rekeningafschriften niet kan worden vastgesteld of deze bedragen enkel en alleen betrekking hebben op kosten voor de vrouw zelf. Derhalve acht het hof het redelijk om rekening te houden met een bedrag van € 200,-- per maand aan kleedgeld, € 320,-- per maand aan boodschappen en € 50,-- per maand aan persoonlijke verzorging. In totaal zal het hof derhalve uitgaan van een totaalbedrag aan overige uitgaven van € 815,-- per maand.

2.12

Gelet op het vorenstaande kan de behoefte van de vrouw op een bedrag van € 2.360,-- netto per maand worden gesteld, hetgeen neerkomt op een behoefte van € 3.488,-- bruto per maand.

2.13

Echter, aangezien de rechtbank de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud op een bedrag van € 2.600,-- per maand heeft gesteld en de vrouw daartegen geen hoger beroep heeft ingesteld, vormt dit de bovengrens van de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw.

de behoeftigheid van de vrouw

2.14

Voorts stelt de man de behoefte van de vrouw aan een bijdrage van hem in de kosten van haar levensonderhoud (ook wel behoeftigheid genaamd) aan de orde.

2.15

Aan de stelling van de man dat de vrouw een bestendige relatie heeft met een nieuwe partner gaat het hof voorbij, nu gesteld noch gebleken is dat de vrouw samenwoont als ware zij gehuwd in de zin van artikel 1:160 BW.

2.16

De man stelt zich daarnaast op het standpunt dat de vrouw niet behoeftig is omdat zij in staat is om te werken en zij daarnaast een groot bedrag uit hoofde van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen zal ontvangen.

2.17

De vrouw heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat zij haar uiterste best doet om aan het werk te geraken, doch dat het vanwege haar zorg voor de kinderen niet mogelijk is om in de zorg (waarvoor zij diploma's heeft) te werken. Daarnaast heeft zij, naar eigen zeggen, slechts beperkt werkervaring opgedaan. De vrouw stelt in het begin van het huwelijk gewerkt te hebben op basis van een nul-urencontract. Haar opleiding tot verpleegster heeft zij niet afgemaakt. Bovendien waren de vele verhuizingen van het gezin voor het werk van de man voor de vrouw ook een complicerende factor voor het opdoen van werkervaring. De vrouw geeft aan zich thans op banen te oriënteren waarvoor zij geen diploma heeft.

2.18

Het hof is van oordeel dat de vrouw voldoende gemotiveerd heeft aangegeven dat zij op dit moment (nog) niet in staat is om de kosten van haar levensonderhoud te voorzien. Daarnaast acht het hof het aannemelijk dat de vrouw inspanningen verricht om aan het werk te geraken. Weliswaar zal de vrouw uit de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap een bedrag ontvangen, doch bij de beoordeling van de behoeftigheid van de vrouw wordt slechts rekening gehouden met het inkomen van de vrouw uit vermogen. Met het inkomen uit vermogen zal de vrouw niet in staat zijn om in haar eigen levensonderhoud te voorzien, gelet op de hiervoor vastgestelde bovengrens van de door de man te betalen bijdrage ter hoogte van € 2.600,-- per maand.

2.19

Het hof zal - zoals door de man is betoogd - bij de beoordeling van de (resterende) behoefte van de vrouw aan een bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud rekening dienen te houden met het bedrag aan kindgebonden budget waar de vrouw aanspraak op kan maken minus haar aandeel in de kosten van de kinderen.

2.20

Uit de door de vrouw overgelegde berekening (gevoegd bij het journaalbericht van 14 januari 2016), blijkt dat de kosten van de kinderen bij een netto besteedbaar inkomen van meer dan € 6.000,-- per maand € 610,-- per kind per maand bedragen. Uitgaande van een zorgkorting van 25% (zoals terecht door de man is aangegeven), bedraagt de door de man te verzilveren zorgkorting € 153,-- per kind per maand. De door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen is door de rechtbank op een bedrag van € 300,-- per kind per maand gesteld, welke beslissing door dit hof is bekrachtigd bij beschikking van 25 februari 2016. Dit betekent dat het aandeel van de man in de kosten van de kinderen op een bedrag van € 453,-- per kind per maand kan worden gesteld en het aandeel van de vrouw op een bedrag van € 157,-- per kind per maand (te weten: € 610,-- minus € 453,--). Het hof heeft berekend dat de vrouw - bij de ontvangst van een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud die in overeenstemming is met de draagkracht van de man - aanspraak zal kunnen maken op een bedrag van afgerond € 435,-- per maand aan kindgebonden budget. Nu het aandeel van de vrouw in de kosten van de kinderen in totaal € 471,-- (te weten: € 157,-- x 3) bedraagt, is haar aandeel groter dan het door haar te ontvangen bedrag aan kindgebonden budget. Dit brengt met zich dat het hof aan de zijde van de vrouw geen rekening zal houden met enig inkomen.

2.21

Het vorenstaande brengt, naar het oordeel van het hof, met zich dat de vrouw in ieder geval behoefte heeft aan een bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud ter hoogte van € 2.600,-- per maand, zoals door de rechtbank is vastgesteld.

de draagkracht van de man

2.22

Voorts dient te worden beoordeeld in hoeverre de man in staat is om de door de vrouw verzochte en bij de bestreden beschikking opgelegde bijdrage van € 2.600,-- per maand te voldoen.

2.23

De man stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat hij gelet op zijn draagkracht niet in staat is om de door de rechtbank opgelegde bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te voldoen, nu hij thans een lager salaris geniet en daarnaast hoge kosten maakt in het kader van de bezoekregeling met de kinderen.

2.24

Het hof is van oordeel dat de man voldoende heeft aangetoond dat er sprake is van een inkomensdaling vanwege zijn verhuizing van Maleisië naar het Verenigd Koninkrijk. Deze verhuizing was volgens de man noodzakelijk om zodoende dichter bij de kinderen in de buurt te kunnen zijn, nu de vrouw en de kinderen naar Nederland zijn verhuisd. De vrouw heeft dit als zodanig ook niet weersproken.

2.25

Namens de man zijn ter zitting een zevental recente salarisspecificaties overgelegd. De vrouw is nadien in de gelegenheid gesteld om inhoudelijk daarop te reageren.

In haar schriftelijke reactie geeft de vrouw - kort gezegd - aan dat de salarisspecificaties van de man slechts beperkt inzage geven in de totale inkomsten van de man. Zo blijkt volgens haar uit de salarisspecificatie van 11 augustus 2015 dat de man een bedrag van £ 82.564,44 netto uitbetaald heeft gekregen. Daarin zitten volgens de vrouw weliswaar twee maandsalarissen, maar daarnaast heeft de man een eenmalige uitkering van ruim £ 70.000,-- uitbetaald gekregen. De vrouw stelt dat de grootste post ziet op ' [F] ', terwijl de man zonder vrouw en kinderen naar het Verenigd Koninkrijk is verhuisd. Daardoor dienen volgens de vrouw de extra omgangskosten weer ter discussie te worden gesteld.

2.26

Het hof zal bij de beoordeling van de draagkracht van de man uitgaan van de recente salarisspecificaties van de man. Een bruto draagkrachtberekening zal het hof niet maken, aangezien de man in het Verenigd Koninkrijk belastingplichtig is en aldaar andere belastingtarieven gelden dan in Nederland. Uit de salarisspecificaties van de man blijkt van een salaris ter hoogte van £ 7.705,25 per maand. Er wordt op het salaris van de man een bedrag van in totaal £ 2.894,11 ingehouden. Weliswaar zijn er blijkens de salarisspecificatie van 11 augustus 2015 eenmalige uitkeringen gedaan aan de man, doch daarmee zal het hof geen rekening houden bij de beoordeling van de draagkracht van de man. De ' [F] ' beslaat - anders dan de vrouw betoogt - niet het grootste gedeelte van de eenmalige uitkering. Immers, een bedrag van £ 4.513,64 ziet op de ' [F] ', hetgeen omgerekend € 5.295,21 bedraagt. Het hof ziet evenmin aanleiding om het bedrag van £ 640,- aan ' [G] ' bij het netto salaris van de man te tellen, zoals de vrouw heeft gesteld, nu het aannemelijk is dat de man daarvan de kosten dient te voldoen die hij maakt om op zijn werk te komen. De man heeft, naar eigen zeggen, vanuit het Verenigd Koninkrijk een bonus ontvangen welke deels in geld is uitgekeerd, hetgeen (omgerekend) neerkomt op een bedrag van € 1.422,-- per maand. Het hof zal hiermee rekening houden bij de beoordeling van de draagkracht van de man.

2.27

Uit de stukken en de stellingen van partijen daaromtrent blijkt dat de man geen kosten maakt in het kader van een premie ziektekostenverzekering, zodat het in de bijstandsnorm begrepen nominaal deel premie ZVW in mindering zal worden gebracht op de lasten van de man.

2.28

Tussen partijen is niet in geschil dat bij de beoordeling van de draagkracht van de man rekening dient te worden gehouden met de van toepassing zijnde bijstandsnorm en de kale huur ter hoogte van € 1.060,-- per maand.

2.29

Partijen twisten over het mee te nemen bedrag aan extra kosten die de man maakt in het kader van de bezoekregeling met de kinderen.

2.30

De man heeft zijn kosten als volgt gespecificeerd:

- vliegticket € 495,--

- huur vakantiehuisje € 300,--

- huurauto € 146,--

- benzine € 41,25

- taxi € 41,-- +

totaal € 1.023,25

Aangezien de man twee keer per maand een weekend met de kinderen doorbrengt op een vakantiepark, bedragen de totale kosten € 2.046,50 (€ 1.023,25 x 2) per maand. De man stelt zich op het standpunt dat de totale kosten in het kader van de bezoekregeling met de kinderen, alsmede de zorgkorting van 25%, dienen te worden meegenomen bij de beoordeling van zijn draagkracht in het kader van de partneralimentatie.

2.31

De vrouw acht het redelijk om een bedrag van € 500,-- per keer, derhalve een bedrag van € 1.000,-- per maand mee te nemen bij de beoordeling van de draagkracht van de man. Zij is van mening dat hij niet de volledige kosten aan (te) dure vluchten, taxi’s, autohuur enzovoorts mag aftrekken. Volgens haar mag echter dan niet ook nog eens rekening worden gehouden met de zorgkorting van 25%.

2.32

Het hof acht het redelijk om, naast de zorgkorting van de man, rekening te houden met een bedrag aan extra kosten die de man maakt in het kader van zijn bezoekregeling met de kinderen. Deze extra kosten hebben - blijkens de hierboven weergegeven specificatie van de man - betrekking op de reiskosten van de man en de kosten van de overnachtingen van de man en de kinderen (in een vakantiehuisje of iets dergelijks). Derhalve is geen sprake van kosten die vallen onder de kosten waarmee in het kader van de zorgkorting rekening wordt gehouden. Dit brengt met zich dat het hof aan de stelling van de vrouw, inhoudende dat er door zowel rekening te houden met de zorgkorting als met een bedrag aan kosten die de man maakt in het kader van de bezoekregeling met de kinderen sprake is van een dubbeltelling, voorbij dient te worden gegaan. Echter, anders dan de man betoogt, zal het hof niet het volledige bedrag aan door hem opgevoerde kosten ten laste van zijn draagkrachtloos inkomen brengen, nu de man de noodzaak van zijn hoge vervoerskosten in het kader van de bezoekregeling met de kinderen, die door de vrouw ter discussie zijn gesteld, niet heeft aangetoond. Dit brengt met zich dat het hof rekening zal houden met een bedrag van € 1.000,- aan extra kosten die de man maakt in het kader van zijn bezoekregeling met de kinderen. Het hof is van oordeel dat de man het surplus aan kosten vanuit zijn vrije ruimte zal dienen te voldoen.

2.33

Hoewel de man in zijn draagkrachtberekening zoals opgenomen in de antwoordakte alimentatie met overlegging stukken, zoals gevoegd bij het journaalbericht van 18 april 2016 van mr. Rietberg, een kostenpost van € 750,-- per maand heeft opgenomen ziende op rente lening vader, zal het hof hiermee geen rekening houden nu enige toelichting van de man op dit punt ontbreekt.

2.34

Aangezien de ingangsdatum van de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud is gesteld op de dag van ontbinding van het huwelijk, zal de ingangsdatum gelegen zijn in 2016 nu de echtscheidingsbeschikking - vanwege het hoger beroep van de man tegen de echtscheiding - pas na de (tussen)beschikking van 25 februari 2016 kon worden ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Derhalve zal het hof voor wat betreft de beoordeling van de draagkracht van de man in het kader van de (definitieve) partneralimentatie uitgaan van de tarieven 2016-1.

2.35

Gelet op het vorenstaande ziet de netto berekening van de draagkracht van de man er over de periode met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand - aan de hand van de tarieven 2016-1 - als volgt uit:

- netto inkomen € 6.331,--

- bonus 2016 € 1.422,--

€ 7.753,--

- bijstandsnorm € 973,--

- kale huur € 1.060,--

- af: gemiddelde basishuur € 229,-- -

€ 831,--

- af: in bijstandsdeel begrepen nominaal

deel premie ZVW € 39,-- -

€ 792,--

- kosten bezoekregeling € 1.000,--

draagkrachtloos inkomen € 2.765,-- -

draagkrachtruimte € 4.988,--

beschikbare draagkrachtruimte (60%) € 2.992,80

2.36

Op het bedrag aan beschikbare draagkrachtruimte dient nog de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen ter hoogte van € 900,-- per maand (te weten: € 300,-- per kind per maand) alsmede de totale zorgkorting ter hoogte van € 459,-- (te weten: € 153,-- per kind per maand) in mindering te worden gebracht. Derhalve heeft de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand een bedrag van € 1.633,80 (te weten: € 2.992,80 minus € 1.359,--) per maand beschikbaar voor een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. De man kan, nu hij belastingplichtig is in het Verenigd Koninkrijk, geen aanspraak maken op belastingvoordeel ten aanzien van de partneralimentatie, zodat het hof voornoemd bedrag niet zal bruteren volgens de methode Buijs.

2.37

Het hof ziet geen aanleiding om in de onderhavige zaak rekening te houden met een percentage aan beschikbare draagkrachtruimte van 70%, zoals door de vrouw is voorgesteld. Het enkele feit dat de man een hoog inkomen geniet en dat er een netto draagkrachtberekening wordt gemaakt, brengt niet met zich dat op die grond een afwijking van het gebruikelijke percentage gerechtvaardigd is. Daarbij komt dat de man hoge kosten maakt in het kader van de bezoekregeling met de kinderen, welke kosten slechts gedeeltelijk zijn meegenomen, zodat hij het surplus aan kosten uit zijn vrije ruimte zal dienen te voldoen.

2.38

Het vorenstaande brengt met zich dat het hof de bestreden beschikking op het punt van de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw zal vernietigen en de door de man aan de vrouw - iedere keer bij vooruitbetaling - te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand op een bedrag van € 1.633,80 per maand zal bepalen.

DE VERDELING VAN DE HUWELIJKSGOEDERENGEMEENSCHAP

* de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap naar Duits recht

2.39

De man respectievelijk partijen zijn bij (tussen)beschikking van 25 februari 2016 in de gelegenheid gesteld om een exacte waarde-opgave van het aanvangsvermogen op de datum van het huwelijk (8 mei 2004) en een waarde-opgave van het eindvermogen op de datum van indiening van het verzoek tot echtscheiding (28 januari 2015) in het geding te brengen.

2.40

Bij (tussen)beschikking is reeds overwogen dat het aanvangsvermogen van de man bestaat uit de waarde van de woning aan de [a-straat] in [H] minus de hypothecaire geldlening en de waarde van de boerderij in Australië minus de hypothecaire geldlening en de lening bij de ouders van de man.

2.41

De man heeft de volgende waarde-opgave van zijn aanvangsvermogen (op 8 mei 2004) gedaan:

Activa

Woning in [H] € 150.000,--

Levensverzekering i.v.m. hypotheek € 7.143,--

Boerderij in Australië in Australische dollars 230.000,- € 137.051,71

totaal € 294.194,71

Passiva

Hypotheek woning in [H] € 136.134,06

Hypotheek boerderij Australië in Aus. dollars 142.530,- € 90.340,87

Schuld aan ouders man in Australische dollars 23.000,- € 14.732,26

totaal € 241.207,19

Het aanvangsvermogen van de man komt daarmee, volgens hem, op een bedrag van € 52.987,52 (te weten: € 294.194,71 minus € 241.207,19).

2.42

De vrouw betwist de door de man gestelde waarde van de woning in [H] . Zij stelt dat deze woning relatief kort daarvoor is aangeschaft voor een waarde van € 122.520,--. Een waarde van € 150.000,-- acht zij daarom te hoog. Zij is bereid om te aanvaarden dat de waarde van de woning gelijk is aan de hypotheekschuld op die woning ter hoogte van € 136.134,06. Zij betwist - bij gebrek aan bescheiden op dit punt - eveneens de waarde van de levensverzekering. Volgens haar dient van een waarde van nihil te worden uitgegaan.

2.43

De man stelt dat hij in 2001 de woning in [H] heeft aangekocht en daarna heeft verbouwd, zodat volgens hem een meerwaarde van € 13.865,94 in drie jaar tijd na verbouwing reëel te noemen is.

2.44

Het hof constateert dat de man kennelijk uitgaat van een aanschafprijs van de woning gelijk aan de hypotheekschuld. De man heeft de stelling van de vrouw dat de woning voor een bedrag van € 122.520,-- is aangeschaft, in zijn antwoordakte niet bestreden zodat het hof zal uitgaan van de juistheid van de stelling van de vrouw. Het hof acht het gelet op de standpunten van partijen redelijk om uit te gaan van een waarde van de woning in [H] op 8 mei 2004 gelijk aan de hypotheekschuld. Anders dan de vrouw acht het hof het aannemelijk dat de levensverzekering de door de man opgegeven waarde vertegenwoordigde, nu in 2014 bij verkoop van de woning een bedrag van € 25.000,-- is uitgekeerd.

2.45

De overige posten worden door de vrouw niet weersproken.

2.46

Dit betekent dat het hof van het volgende aanvangsvermogen van de man (op 8 mei 2004) zal uitgaan:

Activa

Woning in [H] € 136.134,06

Levensverzekering i.v.m. hypotheek € 7.143,--

Boerderij in Australië in Australische dollars 230.000,- € 137.051,71

totaal € 280.328,77

Passiva

Hypotheek woning in [H] € 136.134,06

Hypotheek boerderij Australië in Aus. dollars 142.530,- € 90.340,87

Schuld aan ouders man in Australische dollars 23.000,- € 14.732,26

totaal € 241.207,19

Derhalve stelt het hof het gesaldeerde aanvangsvermogen van de man op een bedrag van € 39.121,58 (te weten: € 280.328,77 minus € 241.207,19).

2.47

De man heeft de volgende waarde-opgave van zijn eindvermogen (op 28 januari 2015) gedaan:

Activa

Boerderij in Australië in Australische dollars 425.000,- € 267.987,--

Spaargeld in Australië in Australische dollars 45.000,- € 29.098,67

Aandelen in Brazilië in reaal 8.540,- € 1.945,42

(Spaar-)geld in het Verenigd Koninkrijk £ 551,34 € 749,92

Boot in Australische dollars 25.000,- € 16.013,32

Uitgestelde bonusregeling 463 aandelen x

£ 38,06 = £ 17.621,78 = € 22.123,- / 12 € 1.843,58

Bonus 2015 £ 12.753,98 / 12 = £ 1.062,83 € 1.334,28

totaal € 318.972,19

Passiva

Hypotheek boerderij Australië in Aus. dollars 142.530,- € 90.340,87

Schuld aan ouders man in Australische dollars 23.000,- € 14.732,26

totaal € 105.073,13

De man stelt zijn eindvermogen derhalve op een bedrag van € 213.899,06 (te weten: € 318.972,19 minus € 105.073,13).

2.48

Het hof is - anders dan de vrouw - van oordeel dat de berekening van de man, waarbij hij de aandelen door 12 heeft gedeeld, correct is, nu er een waarde-opgave per 28 januari 2015 diende te worden gedaan en de in aandelen uitgekeerde bonus betrekking heeft op het gehele jaar 2015. De vrouw heeft als productie 5, bij journaalbericht van 17 mei 2015 van mr. Aartsen, bescheiden overgelegd van september 2012, waaruit volgens haar blijkt dat de man in Brazilië nog over (andere) aandelen beschikt naar schatting ter waarde van

€ 15.000,--. De man heeft dit bestreden en aangegeven dat hij in 2013 toen partijen van Brazilië naar Maleisië verhuisden het geld heeft overgeboekt naar een bankrekening in Maleisië. In haar berekening van het vermogen van de man gaat de vrouw uit van een bedrag van € 92.000,-- aan spaargeld in het Verenigd Koninkrijk. De man stelt dit bedrag niet te kunnen plaatsen. Daar de vrouw geen enkele toelichting op dit punt heeft gegeven, zal het hof met dit bedrag geen rekening houden. Gelet op het vorenstaande zal het hof uitgaan van de onder rechtsoverweging 2.47 weergegeven waarde-opgave van de man.

2.49

De Zugewinn aan de zijde van de man kan derhalve naar het oordeel van het hof op een bedrag van € 174.777,48 (te weten: € 213.899,06 minus € 39.121,58) worden gesteld.

2.50

De vrouw heeft - onbestreden - gesteld dat zij niet over enig aanvangsvermogen (op 8 mei 2004) beschikte, zodat haar aanvangsvermogen op € 0,-- wordt gesteld.

2.51

De vrouw heeft de volgende waarde-opgave van haar eindvermogen (op 28 januari 2015) gedaan:

Activa

Opbrengst polis levensverzekering (in juli 2014) € 25.000,--

Juwelen € 13.535,--

totaal € 38.535,--

2.52

Het hof zal - anders dan de man betoogt - geen rekening houden met een bedrag van € 7.000,-- ter zake de auto van de vrouw. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de vrouw op 13 augustus 2014 een auto (Peugeot 307) heeft aangeschaft voor een bedrag van € 5.125,--. Aangezien de polis levensverzekering in juli 2014 aan de vrouw is uitgekeerd, acht het hof de stelling van de vrouw dat zij van de opbrengst van de polis levensverzekering een auto heeft aangeschaft, aannemelijk. De vrouw heeft, naar eigen zeggen, geen aangifte IB 2014 gedaan, zodat zij niet in staat is om één en ander in het geding te brengen. Het hof zal, gelet op het vorenstaande, uitgaan van de onder rechtsoverweging 2.51 weergegeven waarde-opgave van de vrouw. Dit brengt de Zugewinn van de vrouw op een bedrag van € 38.535,-- (te weten: € 38.535,-- minus € 0,--).

2.53

Zoals reeds in de (tussen)beschikking van 25 februari 2016 (meer in het bijzonder rechtsoverweging 6.30) werd overwogen, dient het verschil in vermogensaanwas tussen de echtgenoten te worden vereffend. Dit brengt met zich dat de man, naar het oordeel van het hof, een bedrag van € 68.121,24 (te weten: € 174.777,48 minus € 38.535,- / 2) aan de vrouw zal dienen te voldoen. Het hof zal dienovereenkomstig bepalen.

DE VEREVENING/VERREKENING VAN HET PENSIOEN

2.54

Bij (tussen)beschikking van 25 februari 2016 zijn partijen in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de waarde van het door hen tijdens het huwelijk opgebouwde pensioen en over de wijze van verevening/verrekening daarvan.

2.55

In het kort komt de pensioenverevening naar Duits recht er op neer dat de opbouw van pensioenrechten van de echtgenoten wordt vergeleken en dat de echtgenoot die de hoogste waarde aan pensioenrechten heeft opgebouwd, de helft van de meerwaarde aan de andere echtgenoot dient uit te keren.

2.56

Voor de bepaling van de waarde van de opgebouwde pensioenrechten dient gerekend te worden vanaf de eerste dag van de maand waarin het huwelijk werd gesloten tot aan de laatste dag van de maand waarin het verzoek tot echtscheiding werd gedaan. Nu het huwelijk van partijen op 8 mei 2004 is gesloten en het verzoek tot echtscheiding op 28 januari 2015 bij de griffie van de rechtbank is binnengekomen, betekent dit dat vastgesteld dient te worden hoeveel pensioen er is opgebouwd over de periode van 1 mei 2004 tot 31 januari 2015. Uit de nagekomen stukken blijkt dat beide partijen het er kennelijk over eens zijn dat het door de vrouw opgebouwde pensioen dusdanig klein is dat deze buiten de verevening/verrekening dient te blijven. Derhalve zal het hof slechts de waarde van het door de man tijdens het huwelijk opgebouwde pensioen in de beoordeling betrekken.

2.57

De man heeft, naar eigen zeggen, pensioen in het Verenigd Koninkrijk en in Australië opgebouwd. De man geeft aan dat de pensioenopbouw bij [I] UK Pension Fund op 1 januari 2004 van start is gegaan en dat het opgebouwde pensioen per 29 september 2015 £ 472.946,07 (omgerekend € 639.894,61) bedroeg. Het pensioenplan in Australië (te weten: [J] onder nummer [00000] ) is volgens de man op 22 februari 2000 ingegaan, welk opgebouwd pensioen per 14 september 2015 150.159,-- Australische dollars (omgerekend € 94.866,46) bedroeg. Daar zowel de door de man opgebouwde pensioenen als de waarde-opgaven van de man niet door de vrouw zijn weersproken, zal het hof van de juistheid daarvan uitgaan.

2.58

Het hof constateert dat geen exacte waarde-opgave is gedaan van het te verevenen/verrekenen pensioen van de man, te weten: het over de periode van 1 mei 2004 tot 31 januari 2015 door de man opgebouwde pensioen.

2.59

Nu partijen het er over eens zijn dat het door de vrouw opgebouwde pensioen buiten de verevening/verrekening blijft, dient de man de helft van het door hem tijdens het huwelijk opgebouwde pensioen aan de vrouw uit te keren.

2.60

Partijen zijn echter verdeeld over de wijze van verevening/verrekening daarvan. De man stelt voor om de helft van het door hem tijdens het huwelijk opgebouwde pensioen aan de vrouw uit te keren op het moment dat hij de 65-jarige leeftijd zal bereiken.

De vrouw verzoekt het hof - kort gezegd - om de man te veroordelen zijn pensioenverzekeraar te verzoeken om bij het bereiken van zijn pensioengerechtigde leeftijd spontaan dan wel op verzoek van de vrouw over te gaan tot het doen van periodieke uitkeringen aan de vrouw.

2.61

Er bestaat, naar het oordeel van het hof, naar Duits recht een verschil tussen de publiekrechtelijke en de verbintenisrechtelijke pensioenverevening. Op grond van de publiekrechtelijke pensioenverevening verkrijgt de vereveningsgerechtigde echtgenoot een rechtstreekse aanspraak jegens de verzekeraar c.q. het uitvoeringsorgaan, terwijl de echtgenoot op grond van de verbintenisrechtelijke pensioenverevening een aanspraak jegens de andere echtgenoot verkrijgt die pas ontstaat bij het ingaan van het te verevenen pensioen.

2.62

Aangezien het in casu om pensioenen gaat die in het Verenigd Koninkrijk en Australië zijn opgebouwd, het onduidelijk is in welke gevallen een dergelijk pensioen tot uitkering komt en onduidelijk is of de door de vrouw verzochte wijze van verevening/verrekening ook aldaar uitvoerbaar is, zal het hof de navolgende bepaling opnemen in het dictum, waarbij het hof tevens in zijn overweging betrekt dat partijen van mening verschillen over de formulering van een dergelijke bepaling. Het hof bepaalt dat de man gehouden is om vanaf het moment dat hij een ouderdomspensioenuitkering zal ontvangen van [I] UK Pension Fund en [J] onder nummer [00000] (Australië), de helft van het ouderdomspensioen, voor zover dat in de periode van 1 mei 2004 tot 31 januari 2015 is opgebouwd en wel op basis van het inkomen van de man op 28 januari 2015, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding bij de rechtbank, aan haar te voldoen in gelijke maandelijkse termijnen en zolang partijen leven.

2.63

Het hof geeft partijen in overweging om gezamenlijk de beide pensioenfondsen te benaderen met het verzoek het aandeel van de vrouw uit te rekenen over de periode van 1 mei 2004 tot 31 januari 2015, waarbij zij tevens de buitenlandse pensioenfondsen kunnen verzoeken om het aandeel van de vrouw te zijner tijd rechtstreeks aan haar uit te betalen. Het hof kan deze rechtstreekse verplichting niet aan de pensioenuitvoerders opleggen. Het recht van de vrouw op uitbetaling bestaat slechts jegens de man.

2.64

Gelet op het vorenstaande zal het hof de bestreden beschikking ter zake de verdeling van de huwelijksgemeenschap van partijen vernietigen en opnieuw beslissen als hierna te melden.

2.65

De kosten van de procedure in hoger beroep zullen worden gecompenseerd in die zin dat partijen elk hun eigen kosten dragen.

3 De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van 29 juli 2015, voor zover het de beslissingen met betrekking tot de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (onder 3.4. van het dictum) en de verdeling van de huwelijksgemeenschap van partijen (onder 3.7., 3.8. en 3.9. van het dictum) betreft;

en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud € 1.633,80 per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat de man in het kader van de afwikkeling van de Zugewinngemeinschaft een bedrag van € 68.121,24 aan de vrouw dient te voldoen;

bepaalt dat de man gehouden is om vanaf het moment dat hij een ouderdomspensioenuitkering zal ontvangen van [I] UK Pension Fund en [J] onder nummer [00000] (Australië), de helft van het ouderdomspensioen, voor zover dat in de periode van 1 mei 2004 tot 31 januari 2015 is opgebouwd en wel op basis van het inkomen van de man op 28 januari 2015, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding bij de rechtbank, aan haar te voldoen in gelijke maandelijkse termijnen en zolang partijen leven;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van de procedure in hoger beroep in die zin dat partijen elk hun eigen kosten dragen;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. G. Jonkman, mr. B.J.H. Hofstee en mr. J.P. Evenhuis, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 30 augustus 2016 in bijzijn van de griffier.