Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:7172

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-08-2016
Datum publicatie
07-09-2016
Zaaknummer
200.183.928/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie. Van aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven voldaan vanwege een onjuiste uitgekomen toekomstverwachting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2016-0237

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.183.928/01

(zaaknummer rechtbank C16 / 399476 FL RK 15-1887)

beschikking van 25 augustus 2016

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat voorheen: mr. J.H. Six-van der Werf te Soest,

thans geen advocaat gesteld.

en

[verweerster] ,

wonende te [A] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. S.J. Nijhof te Apeldoorn.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad (verder ook te noemen: de rechtbank), van 22 oktober 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 18 januari 2016;

- het verweerschrift.

2.2

Bij journaalbericht van 29 juli 2016 heeft mr. Six-van der Werf zich onttrokken als advocaat van de man.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 9 augustus 2016 plaatsgevonden. De vrouw is verschenen, bijgestaan door haar advocaat. De man is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het huwelijk van partijen is [in] 2011 ontbonden door echtscheiding.

3.2

De man en de vrouw zijn de ouders van:

- [de minderjarige1] , geboren [in] 2004;

- [de minderjarige2] , geboren [in] 2007; en

- [de minderjarige3] , geboren [in] 2008,

(verder gezamenlijk ook te noemen: de kinderen) over wie partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen. De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw.

3.3

Bij beschikking van 1 juni 2011 heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Lelystad, bepaald dat de man met ingang van 1 juni 2011 dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met een bedrag van € 258,- per kind per maand. Bij beschikking van 26 januari 2012 heeft het gerechtshof Leeuwarden, conform de overeenstemming van partijen, de beschikking van de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Lelystad, van 1 juni 2011 vernietigd en bepaald dat de man met ingang van 1 juni 2011 dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met een bedrag van € 200,- per kind per maand.

3.4

Bij beschikking van 3 februari 2014 heeft de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, de beschikking van het gerechtshof Leeuwarden van 26 januari 2012 gewijzigd en bepaald dat de man met ingang van 1 oktober 2013 dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met een bedrag van € 50,- per maand.

3.5

Bij inleidend verzoekschrift van 27 augustus 2015, ingekomen ter griffie van de rechtbank op 31 augustus 2015, heeft de vrouw verzocht de beschikking van de rechtbank van 3 februari 2014 in die zin te wijzigen dat de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van 1 oktober 2013 wordt vastgesteld op een bedrag van € 200,- per kind per (naar het hof begrijpt:) maand, althans die bijdrage vast te stellen per datum indiening inleidend verzoekschrift, althans de beschikking van de rechtbank zodanig te wijzigen en met ingang van een zodanige datum als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren. De man heeft daartegen geen verweer gevoerd.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna ook: kinderalimentatie). Bij de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank de bij beschikking van de rechtbank van
3 februari 2014 aan de man opgelegde kinderalimentatie gewijzigd, in die zin dat de kinderalimentatie met ingang van 1 oktober 2013 is bepaald op € 200,- per kind per maand.

4.2

De man is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en zijn bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van 27 augustus 2015 te wijzigen en een zodanige bijdrage te bepalen als het hof redelijk en in overeenstemming met de draagkracht van beide partijen acht.

4.3

De vrouw heeft het hoger beroep van de man bestreden en verzocht het verzoek in hoger beroep af te wijzen, alsmede de bestreden beschikking, zo nodig onder verbetering van de gronden, te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing


Wijziging van omstandigheden

5.1

De vrouw heeft de rechtbank in eerste aanleg verzocht de bij beschikking van
3 februari 2014 met ingang van 1 oktober 2013 gewijzigde bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen te wijzigen, nu deze bijdrage van aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord ex artikel 1:401 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) en/of omdat er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel
1:401 lid 5 BW en/of omdat door een wijziging van omstandigheden de bijdrage niet langer aan de wettelijke maatstaven voldoet. De man betwist in hoger beroep dat sprake is van een wijzigingsgrond.
* Artikel 1:401 lid 4 BW

5.2

Ingevolge artikel 1:401 lid 4 BW kan een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

5.3

Uit het inleidend verzoekschrift van de man d.d. 4 december 2013 blijkt dat de man zijn draagkracht voor kinderalimentatie heeft berekend, daarbij (onder meer) rekening houdend met de rentebetaling op de huwelijkse schuld van partijen bij de Nederlandse Voorschotbank (voorheen: AFAB). Deze draagkracht heeft hij verminderd met een bedrag van € 75,- per maand, welk bedrag hij stelt te zullen gaan aanwenden ter aflossing van de genoemde schuld bij de Nederlandse Voorschotbank.

5.4

De vrouw stelt, naar het hof begrijpt, dat bij de uitspraak van de rechtbank van
3 februari 2014 van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan, omdat van de draagkracht van de man een bedrag van € 75,- zou worden aangewend voor aflossing op de schuld aan de Nederlandse Voorschotbank, terwijl hij deze toezegging niet gestand heeft gedaan.

5.5

Toepassing van artikel 1:401 lid 4 BW wordt door de Hoge Raad ruim opgevat: zij heeft betrekking op ieder gegeven waarvan achteraf aannemelijk wordt gemaakt dat het bij de uitspraak waarvan wijziging wordt verzocht een rol had behoren te spelen maar niet heeft gespeeld, of waarvan achteraf aannemelijk wordt gemaakt dat het onjuist is, terwijl het ontbrekende of juiste gegeven tot een andere vaststelling van de onderhoudsuitkering op grond van draagkracht of behoefte zou hebben geleid. Het maakt daarbij niet uit dat de partij die zich op de bepaling beroept en die voor ommekomst van de beroepstermijn heeft kunnen bemerken dat bij de betrokken uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan, daartegen ook een rechtsmiddel had kunnen aanwenden. Voorts is niet van belang of sprake is van een vergissing en zo ja, of de rechter dan wel (één van de) partijen die vergissing hebben (heeft) gemaakt (HR 21 april 2006 ECLI:NL:HR:2006:AU9734 en de conclusie van de P-G ECLI:NL:PHR:2006:AU9734).

5.6

Zelfs vergissingen van de raadslieden van partijen kunnen tot honoreren van een wijzigingsverzoek leiden (HR 28 mei 2004 ECLI:NL:HR:2004:AO4015). Evenmin doet ter zake of een der partijen kan worden verweten dat een relevant gegeven niet of onjuist is verstrekt en of de verzoekende partij door een verstek, referte of berusting heeft laten passeren dat van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

5.7

Uit het door de man bij zijn wijzigingsverzoek d.d. 4 december 2013 overgelegde overzicht van De Nederlandse Voorschotbank blijkt dat de schuld van de man bij deze instelling (onder contractnummer [00000] ) per 30 juni 2012 € 28.233,78 bedroeg. Uit het door de vrouw als productie 5 bij haar wijzigingsverzoek d.d. 27 augustus 2015 overgelegde overzicht van De Nederlandse Voorschotbank blijkt dat het inlossaldo van diezelfde schuld per 29 juni 2015 € 27.313,30 bedroeg. Het hof gaat er, gelet op deze stukken en bij ontbreken van andersluidende informatie, van uit dat de man in de periode gelegen tussen 1 oktober 2013 (zijnde de datum met ingang waarvan zijn onderhoudsbijdrage mede op grond van de door hem gestelde toekomstige aflossingen is verlaagd) en 31 augustus 2015, zijnde de datum van indiening van het inleidend verzoekschrift door de vrouw, een bedrag van
€ 920,48 heeft afgelost op de schuld aan de Nederlandse Voorschotbank. Daarmee heeft hij niet volledig voldaan aan de door hem toegezegde aflossing van € 75,- per maand. Het hof is dan ook van oordeel dat de rechtbank bij de beschikking van 3 februari 2014 is uitgegaan van een onjuist gegeven zoals bedoeld in artikel 1:401 lid 4 BW, namelijk een onjuiste verwachting over de toekomstige aflossingen door de man, en dat de beschikking van
3 februari 2014 reeds daardoor van aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan. Het hof zal gelet hierop overgaan tot een hernieuwde beoordeling van de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.
De ingangsdatum

5.8

Het hof acht het in beginsel niet redelijk om een wijziging van de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen eerder in te laten gaan dan met ingang van 31 augustus 2015, zijnde de datum van indiening van het inleidend verzoekschrift door de vrouw. Per die datum heeft de man er rekening mee kunnen houden dat zijn onderhoudsbijdrage voor de kinderen zou worden verhoogd ten opzichte van de bij de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 3 februari 2014 bepaalde
€ 50,- per maand. Vast staat echter ook dat de kinderalimentatie bij de beschikking van de rechtbank van 3 februari 2014 is verlaagd naar € 50,- per maand, daarbij uitgaande van een toekomstige aflossing door de man van € 75,- per maand op de schuld aan de Nederlandse Voorschotbank, en dat de man niet volledig aan deze aflossingsverplichting heeft voldaan. Bij gebrek aan nadere onderbouwing van de periode waarin de man heeft afgelost, welke informatie beide partijen hadden kunnen verstrekken, gaat het hof ervan uit dat hij in de 23 maanden die zijn gelegen tussen 1 oktober 2013 en 31 augustus 2015, 12 maanden de door hem toegezegde aflossing van € 75,- per maand heeft voldaan (€ 920,48 / € 75,- = € 12,27) en 11 maanden niet. Gelet hierop acht het hof het redelijk om de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarbij de kinderalimentatie over de periode van 1 oktober 2013 tot 31 augustus 2015 is gewijzigd, en opnieuw beschikkende te bepalen dat de man over die periode naast de verschuldigdheid van € 50,- kinderalimentatie per maand zoals die volgt uit de beschikking van 3 februari 2014, ter finale kwijting tevens een bedrag van € 825,-
(11 x € 75,-) aan de vrouw verschuldigd is.

5.9

Het hof zal hierna de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van 31 augustus 2015 opnieuw beoordelen en daarbij de door de Expertgroep Alimentatienormen aanbevolen rekenwijze hanteren, zoals die per april 2013 is gewijzigd.
De behoefte van de kinderen

5.10

Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van de kinderen in 2011 € 200,- per kind per maand bedroeg, oftewel geïndexeerd naar 2015 € 209,55 per kind per maand en geïndexeerd naar 2016 € 212,27 per kind per maand.
De draagkracht van de man

5.11

Het hof zal voor de berekening van de draagkracht van de man uitgaan van een bruto jaarinkomen (bestaande uit loon uit dienstbetrekking) van € 47.376,-, zoals opgenomen in de draagkrachtberekening gevoegd bij het wijzigingsverzoek van de man van 4 december 2013. De man heeft in hoger beroep weliswaar gesteld dat zijn inkomen inmiddels door beëindiging van zijn dienstverband in april 2014 is gedaald, en hij nadien aanvankelijk via een vennootschap onder firma en vanaf 5 januari 2015 in de vorm van een eenmanszaak als vrachtwagenchauffeur werkzaam is, maar hij heeft deze stelling naar het oordeel van het hof onvoldoende met stukken onderbouwd. De man heeft uittreksels uit het Handelsregister in het geding gebracht betreffende respectievelijk de inmiddels ontbonden vennootschap onder firma [B] V.O.F. en de eenmanszaak [C] , maar hij heeft gesteld noch onderbouwd hoe hoog zijn inkomen uit deze ondernemingen is of is geweest.

5.12

Uitgaande van voormeld inkomen van € 47.376,- bedraagt het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man blijkens de aan deze beschikking gehechte en door de griffier gewaarmerkte berekening € 2.584,- per maand.

5.13

De draagkracht van de man dient te worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 875)] en bedraagt aldus € 653,66 per maand.
De draagkracht van de vrouw

5.14

Het hof zal gelet op het feit dat de vrouw een bijstandsuitkering ontvangt, en rekening houdend met haar kindgebonden budget, uitgaan van een totale draagkracht van € 50,- per maand.
Het aandeel van partijen in de kosten van de kinderen

5.15

De vrouw heeft ter zitting naar voren gebracht dat de man vanaf het begin van de zomer geen uitvoering meer wenst te geven aan de zorgregeling met de kinderen. Nu de man, die niet ter zitting aanwezig was, dit niet heeft betwist, moet dit als vaststaand worden aangenomen. Het hof zal daarom met ingang van 1 juni 2016 geen zorgkorting meer in aanmerking nemen. In de periode tot 1 juni 2016 bedraagt de zorgkorting 15%, oftewel afgerond € 94,-.

5.16

Zoals hiervoor overwogen bedraagt de draagkracht van de man € 653,66 per maand en de draagkracht van de vrouw € 50,- per maand. De totale draagkracht van de man en de vrouw van € 703,66 per maand is derhalve voldoende om in de volledige behoefte van de kinderen in 2015 van € 628,65 per maand te voorzien. Nu de totale draagkracht van de man en de vrouw ten behoeve van de kinderen hun behoefte overstijgt, zal het hof het aandeel van de man in de kosten van de kinderen bepalen aan de hand van een draagkrachtvergelijking. De verdeling van de kosten over beide ouders wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte. Het aandeel van de man in de behoefte van de kinderen bedraagt aldus afgerond € 584,- per maand (€ 653,66 / € 703,66 x € 628,65). In de periode tot 1 juni 2016 dient de man derhalve, na vermindering met de zorgkorting, bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met een bedrag van € 490,- per maand (€ 584,- minus € 94,-) en in de periode vanaf 1 juni 2016 met een bedrag van afgerond € 592,- per maand (€ 653,66/
€ 703,66 x € 636,81).

5.17

Het vorenstaande leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Leeuwarden, van 22 oktober 2015, en in zoverre opnieuw beschikkende:


wijst het inleidend verzoek van de vrouw tot wijziging van de bij beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 3 februari 2014 aan de man opgelegde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen af voor zover het de periode van 1 oktober 2013 tot 31 augustus 2015 betreft;

veroordeelt de man om binnen veertien dagen na betekening van deze beschikking aanvullend een bedrag van € 825,- te voldoen aan de vrouw ter finale kwijting over de periode van 1 oktober 2013 tot 31 augustus 2015;

wijzigt de bij beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van
3 februari 2014 aan de man opgelegde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen [de minderjarige1] , geboren [in] 2004, [de minderjarige2] , geboren [in] 2007 en [de minderjarige3] , geboren [in] 2008 en bepaalt deze bijdrage met ingang van 31 augustus 2015 op € 490,- per maand en met ingang van 1 juni 2016 op € 592,- per maand, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;


verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, mr. G.M. van der Meer en mr. A.H. Garos en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 25 augustus 2016 in bijzijn van de griffier.