Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:7124

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-09-2016
Datum publicatie
16-09-2016
Zaaknummer
15/00670
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:2208, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vennootschapsbelasting. Rechterlijke bevoegdheid. Winst behaald met champignonhandel. Toerekening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/1981
V-N 2017/6.7 met annotatie van Redactie
FutD 2016-2256
NTFR 2016/2553 met annotatie van mr. M. de Jonge
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummer 15/00670

uitspraakdatum: 6 september 2016

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 2 april 2015, nummer AWB 14/5752, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Arnhem (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is voor het jaar 2008 een aanslag in de vennootschapsbelasting (hierna: Vpb) opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 403.201. Aan heffingsrente is daarbij een bedrag berekend van € 3.099. Bij beschikking is een boete opgelegd van € 2.295.

1.2

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar bedrag van € 376.651 en de heffingsrente dienovereenkomstig verminderd tot € 2.522. Daarnaast heeft hij de boetebeschikking vernietigd.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Den Haag. Deze heeft het beroepschrift op de voet van artikel 6:15, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) doorgezonden naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Het beroep van belanghebbende is bij uitspraak van 2 april 2015 ongegrond verklaard.

1.4

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Deze heeft het hogerberoepschrift op de voet van artikel 6:15, eerste lid, Awb doorgezonden naar het Hof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het Hof). De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2016 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. [A] , als de gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door mr. [B] , alsmede mr. [C] namens de Inspecteur, bijgestaan door [D] .

1.7

De gemachtigde van belanghebbende heeft een pleitnota overgelegd.

1.8

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende is [in] 1996 opgericht en is een beheersmaatschappij. De bestuurders van belanghebbende zijn [E] en zijn echtgenote mevr. [F] .

2.2

De vader van mevr. [F] hield in ieder geval tot 12 april 2008 100% van de aandelen in, en was bestuurder van [G] B.V. (hierna: [G] BV).

2.3

Met ingang van 2004 zijn de activiteiten van v.o.f. [H] (hierna: de v.o.f.) volledig ingebracht in [G] BV. Deze BV had reeds een belang van 90% in de v.o.f. De overige 10% waren tot dat moment van [I] privé. De ingebrachte activiteiten bestaan uit het aankopen en verwerken van champignons, door deze te wassen, blancheren, snijden en te verpakken en vervolgens te verkopen aan groothandel en in mindere mate aan de detailhandel. Daarnaast worden ook aardappelschijfjes, kaas en frites ingekocht bewerkt en verkocht. Deze activiteiten worden hierna gezamenlijk aangeduid als “de champignonhandel”.

2.4

[G] BV heeft op 23 december 2005, alle aandelen in [J] B.V. verworven, waarbij de naam van die B.V. werd gewijzigd in [H] B.V. (hierna: [H] BV). [G] BV en [H] BV zijn per 23 december 2005 gevoegd in een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. Aan het voornemen om de van de v.o.f. overgenomen activiteiten vanuit [G] BV in te brengen in [H] BV is nimmer uitvoering gegeven. Tot – in ieder geval – 12 april 2008 werden in [H] BV geen activiteiten ontplooid.

2.5

Op 20 april 2008 hebben [G] BV (de verkoper) en belanghebbende (koper) een overname-overeenkomst gesloten waarbij onder meer het volgende is bepaald:

“Overwegende dat:

- partijen overeenstemming hebben bereikt over de verkoop en levering van bepaalde activa behorende tot de door verkoper gedreven onderneming, hierna te noemen “de onderneming”, en overname van bepaalde tot de onderneming behorende passiva, teneinde koper in staat te stellen de onderneming voor eigen rekening na 12 april 2008 voort te zetten;

- de overdracht zal geschieden naar de waarde van de activa en de passiva per 12 april 2008;

- partijen de gesloten overeenkomst wensen te bekrachtigen, schriftelijk vast te leggen en nader uit te werken.

(…)

Artikel 4 – Personeel

1. Partijen erkennen dat de rechten en plichten die voor verkoper voortvloeien uit de arbeidsovereenkomsten tussen verkoper en het bij haar werkzame personeel, hierna: te noemen: “het personeel”, bij ondertekening van de overeenkomst van rechtswege overgaan op koper (…).”

2.6

Blijkens een notariële akte zijn op 30 juni 2008 de aandelen in [H] BV door [G] BV aan belanghebbende geleverd. Per dezelfde datum is [G] BV ontslagen als directeur van [H] BV en is belanghebbende tot enig directeur van die vennootschap benoemd.

2.7

Per 30 juni 2008 is belanghebbende met haar dochtervennootschap [H] BV een fiscale eenheid aangegaan.

2.8

Op 11 januari 2010 heeft er een boekenonderzoek plaatsgevonden bij belanghebbende, waarbij de aanvaardbaarheid van de aangiften Vpb, omzetbelasting en inkomstenbelasting gedurende de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2007 zijn onderzocht. De jaarrekening over 2008 was in concept vastgesteld ten tijde van het onderzoek, zodat het jaar 2008 is beoordeeld tot en met de conceptcijfers.

2.9

Belanghebbende heeft op 14 juni 2010 aangifte Vpb over het jaar 2008 gedaan naar een belastbaar bedrag van € 256.572. [H] BV heeft per dezelfde datum aangifte Vpb gedaan over de periode 13 april 2008 tot 30 juni 2008 naar een belastbaar bedrag van € 120.079.

2.10

Het rapport inzake het bij belanghebbende ingestelde boekenonderzoek van 1 december 2010 vermeldt onder meer:

2.1. Fiscale eenheid

(…)

In verband met verkoop van de aandelen in 2008 is de fiscale eenheid tussen [G] BV en [H] BV weer ontbonden. Vanaf de datum verkoop aandelen vormen [X] BV en [H] BV een fiscale eenheid.

(…)

6 Vennootschapsbelasting

Over de periode april 2008 tot en met juni 2008 wordt een winstaangifte ingediend door [H] BV met een positief resultaat van € 120.079. De BV is echter niet zelfstandig belastingplichtig geweest in 2008. [H] BV is van de fiscale eenheid met [G] BV overgegaan naar de fiscale eenheid met [X] BV. Het resultaat van [H] BV moet worden aangegeven bij [X] BV. Het belang ligt in het tariefsverschil.”

2.11

In het rapport is aangegeven dat aan belanghebbende een aanslag Vpb over het jaar 2008 zal worden opgelegd naar een belastbare winst van € 403.201, waarbij de aangifte voor een bedrag van € 146.629 zal worden gecorrigeerd, bestaande uit het bij [H] BV aangegeven belastbare bedrag van € 120.079 en uit € 26.550 voor overige correcties. Over één van de overige correcties zal tevens een vergrijpboete van 50% worden opgelegd.

2.12

Met dagtekening 24 december 2010 is aan belanghebbende de aanslag Vpb over het jaar 2008 opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 403.201. In hetzelfde geschrift is tevens bij beschikkingen een vergrijpboete van € 2.295 opgelegd en € 3.099 aan heffingsrente aan belanghebbende in rekening gebracht. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

2.13

Bij uitspraken op bezwaar van 12 juli 2014 is het bezwaar van belanghebbende deels gegrond verklaard. De correctie van € 120.079 is gehandhaafd, de overige correcties zijn teruggenomen. De aanslag is bij uitspraak op bezwaar verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar bedrag van € 376.651. De boetebeschikking is komen te vervallen en de aan belanghebbende in rekening gebrachte heffingsrente is verminderd tot € 2.522.

2.14

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Den Haag, alwaar het beroepschrift op 21 augustus 2014 is ontvangen. De rechtbank Den Haag heeft het beroepschrift op de voet van artikel 6:15, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) doorgezonden naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant.

2.15

Voorafgaand aan de zitting heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant geconstateerd dat niet zij, doch de rechtbank Gelderland bevoegd was kennis te nemen van de zaak, waarna zij contact heeft opgenomen met de rechtbank Gelderland, die aangaf geen bezwaar te hebben tegen behandeling van de zaak door de rechtbank Zeeland-West-Brabant. De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft het beroep bij uitspraak van 2 april 2015, verzonden op 10 april 2015, ongegrond verklaard.

2.16

Belanghebbende heeft bij brief van 18 mei 2015 tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, alwaar het op 20 mei 2015 is ontvangen. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft het hogerberoepschrift op de voet van artikel 6:15, eerste lid, Awb doorgezonden naar het Hof.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of de Inspecteur terecht het in de periode van 13 april 2008 tot 30 juni 2008 behaalde resultaat ter zake van ‘de champignonhandel’ bij belanghebbende heeft belast. Belanghebbende stelt van niet, de Inspecteur stelt van wel.

3.2

Belanghebbende stelt primair dat het fiscale resultaat van € 120.079 bij [H] BV dient te worden belast. Belanghebbende heeft hiertoe gesteld dat er begin april 2008, nog voordat de onderneming (activa/passiva) door [G] BV was overgedragen aan belanghebbende, een mondelinge koopovereenkomst tussen belanghebbende en [G] BV is gesloten waarbij [G] BV de aandelen in [H] BV in economische zin heeft overgedragen aan belanghebbende. Belanghebbende heeft vervolgens de per 13 april 2008 overgenomen onderneming (activa/passiva) van [G] BV weer op dezelfde dag direct overgedragen aan [H] BV voor dezelfde waarde als de overnameprijs, hetgeen eveneens mondeling overeengekomen is. Dat belanghebbende deze mondelinge overeenkomsten met [G] BV en [H] BV is aangegaan blijkt onder meer uit de administratie van [H] BV, aldus belanghebbende. Subsidiair stelt belanghebbende dat het fiscale resultaat van € 120.079 bij [G] BV dient te worden belast, omdat – aldus belanghebbende – de fiscale eenheid tussen [G] BV en [H] BV pas op 30 juni 2008 werd verbroken.

3.3

De Inspecteur heeft betwist dat belanghebbende met [G] BV en [H] BV de onder 3.2 genoemde mondelinge overeenkomsten is aangegaan. De Inspecteur heeft onder meer gesteld dat dit niet aannemelijk is gelet op de bewoordingen van de akte van levering van de aandelen [H] BV van 30 juni 2008, waarin is opgenomen dat op die datum, 30 juni 2008, de directie van [H] BV nog gevoerd werd door [G] BV. De stelling van belanghebbende impliceert dat de heer en mevrouw [E/F] een onderneming dreven in een vennootschap waarvan zij destijds niet (middellijk) vertegenwoordigingsbevoegd waren. Belanghebbende kan [H] BV eenvoudigweg niet hebben gebonden aan een overeenkomst tot inbreng van de onderneming, nu de directie van [H] BV volgens de leveringsakte nog tot 30 juni 2008 bij [G] BV berustte. Van andersluidende mondelinge afspraken is niets gebleken, zodat het fiscale resultaat terecht is toegerekend aan belanghebbende, aldus de Inspecteur.

3.4

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.

3.5

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en die van de Inspecteur en tot vermindering van de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar bedrag van € 256.572.

3.6

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

Bevoegde rechters

4.1

Belanghebbende is feitelijk en statutair gevestigd te [Z] (gemeente Maasdriel). Op grond van het bepaalde in artikel 8:7, tweede en derde lid, Awb jo. artikel 8, tweede lid, van bijlage 2 bij de Awb jo artikel 2 van de Regeling tijdelijke aanwijzing bevoegde gerechten, is de rechtbank Gelderland bevoegd kennis te nemen van het beroep van belanghebbende. De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft, alvorens tot behandeling van het beroep van belanghebbende over te gaan, daarover contact opgenomen met de rechtbank Gelderland, die heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen een feitelijke behandeling van het beroep door (een lid van) de rechtbank Zeeland-West-Brabant. De uitspraak vermeldt niet op welke juridische grondslag deze verklaring berust. Enerzijds is denkbaar dat de rechtbank Gelderland ermee heeft ingestemd dat een lid van de rechtbank Zeeland-West-Brabant de zaak zou behandelen als rechter-plaatsvervanger in de rechtbank Gelderland (vgl. artikel 40, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie (hierna: Wet RO)). Daartegen pleit evenwel dat de uitspraak en het proces-verbaal van de zitting de rechtbank Zeeland-West-Brabant vermelden. Voorts heeft dan de zitting niet plaatsgevonden in een plaats waar de rechtbank Gelderland zitting houdt (artikel 21b van de Wet RO jo. Besluit zittingsplaatsen gerechten). Anderzijds is ook mogelijk dat de rechtbank Gelderland de behandeling van de zaak op de voet van artikel 46b van de Wet RO of artikel 8:13 van de Awb heeft overgedragen aan de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Daartegen pleit dat in de onderhavige zaak geen sprake is van een van de omstandigheden als bedoeld in die artikelen. Een derde mogelijkheid is dat de rechtbank Zeeland-West-Brabant de zaak heeft behandeld, hoewel zij daartoe niet bevoegd was. In het eerste geval is het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bevoegd het hoger beroep te behandelen; in het tweede en derde geval het gerechtshof ’s‑Hertogenbosch. Wat daarvan ook zij, gelet op de stand van het geding zal het Hof om redenen van proces-economie de zaak thans inhoudelijk afdoen. Voor zoveel nodig merkt het Hof de uitspraak aan als bevoegdelijk gedaan (artikel 8:117 Awb).

Ontvankelijkheid in hoger beroep

4.2

Belanghebbende heeft in eerste instantie volstaan met het inzenden van een pro-forma hoger beroepschrift, zonder vermelding van de gronden van het beroep. De griffier van het Hof heeft belanghebbende bij brief van 21 juli 2015 verzocht dit verzuim uiterlijk op 18 augustus 2015 te herstellen. Op verzoek van belanghebbende heeft de griffier nadien, bij aangetekende brief van 3 augustus 2015 de termijn voor het herstel van het verzuim verlengd tot 1 oktober 2015, en daarbij vermeld dat langer uitstel niet wordt verleend. Belanghebbende heeft bij brief van 30 september 2015, door het Hof ontvangen op 28 oktober 2015, de gronden voor het hoger beroep vermeld.

4.3

Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende niet kunnen aangeven of de aanvulling van het hoger beroep aangetekend aan het Hof is verzonden of op andere wijze op 30 september 2015 is ingediend. Uit nadien door belanghebbende – op verzoek van het Hof – ingezonden informatie blijkt dat de aanvulling alleen bij niet-aangetekende brief van 30 september 2015 aan het Hof is verzonden. Belanghebbende heeft niet de beschikking over een verzendbewijs, en voor de omstandigheid waarom de aanvulling eerst op 28 oktober 2015 op de griffie van het Hof is ontvangen heeft belanghebbende geen verklaring.

4.4

Uit onderzoek op de griffie van het Hof is nadien gebleken dat het Hof geen door of namens belanghebbende “voor ontvangst” getekend bericht heeft ontvangen van haar met dagtekening 3 augustus 2015 aan belanghebbende aangetekend verzonden brief. Ook nader onderzoek door PostNL kon geen nadere duidelijkheid verschaffen over de wijze en het mogelijke tijdstip van aanbieding van de betreffende brief. Naar het oordeel van het Hof dient onder deze omstandigheden niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep achterwege te blijven.

Geschil

4.5

Partijen verschillen erover van mening of het in de periode 13 april 2008 – 30 juni 2008 met de champignonhandel behaalde resultaat bij belanghebbende kan worden belast. Indien de Inspecteur dat resultaat terecht bij belanghebbende heeft belast, is tussen partijen niet in geschil dat de omvang van dat resultaat € 120.079 beloopt.

4.6

Vaststaat dat op 20 april 2008 tussen belanghebbende en [G] BV een overeenkomst is gesloten welke inhoudt dat de voorheen door [G] BV verrichte activiteiten (activa/passiva, handelsnaam) die betrekking hebben op de champignonhandel, met ingang van 13 april 2008 voor rekening en risico van belanghebbende zijn. Zoals vermeld staat tevens vast dat het met die activiteiten behaalde resultaat over de periode 13 april 2008 – 30 juni 2008 € 120.079 bedraagt. Onder deze omstandigheden rust op belanghebbende de last haar stelling aannemelijk te maken dat zij de activiteiten met betrekking tot de champignonhandel direct na de verkrijging hiervan op 12 april 2008 heeft overgedragen aan [H] BV. Het Hof acht belanghebbende daarin niet geslaagd.

4.7

Indien het Hof er – veronderstellenderwijs – met belanghebbende van uitgaat dat zij op 12 april 2008 de economische eigendom van de aandelen [H] BV heeft verworven, dan maakt belanghebbende nog op geen enkele wijze aannemelijk dat zij de van [G] BV overgenomen activiteiten met betrekking tot de champignonhandel op enig moment vóór 1 juli 2008 heeft overgedragen aan [H] BV. Dat sprake zou zijn geweest van een mondelinge overeenkomst tussen belanghebbende en [H] BV heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt. Terecht wijst de Inspecteur erop dat het bestuur van [H] BV tot de aandelenoverdracht op 30 juni 2008, werd gevormd door [G] BV. Uit niets is aannemelijk geworden dat [I] , namens [G] BV als enig bestuurder van [H] BV, zou hebben ingestemd met een dergelijke “dooroverdracht”. Dat voorafgaande aan de overname van de activiteiten en activa/passiva met betrekking tot de champignonhandel, namens belanghebbende door [E] en zijn echtgenote [F] , met de adviseur van belanghebbende over de mogelijkheid van een “dooroverdracht” van de activiteiten zou zijn gesproken – zoals door belanghebbende gesteld – acht het Hof onvoldoende om aan te kunnen nemen dat een dergelijke dooroverdracht ook feitelijk heeft plaats gevonden.

4.8

Verder bieden noch de overname-overeenkomst van 20 april 2008, noch de leveringsakte van de aandelen in [H] BV van 30 juni 2008 aanknopingspunten voor het door belanghebbende gestelde. De overname-overeenkomst vermeldt in de aanhef slechts dat de transactie plaats vindt “teneinde koper [Hof: belanghebbende] in staat te stellen de onderneming voor eigen rekening na 12 april 2008 voort te zetten” (2.5), en in artikel 4 dat het bij verkoper werkzame personeel van rechtswege overgaat op koper. In dat verband merkt het Hof nog op dat de Inspecteur onweersproken heeft gesteld dat [H] BV tot en met augustus 2008 voor de loonbelasting nihil-aangiften heeft ingediend en dat zij eerst vanaf september 2008 loonheffing heeft ingehouden en afgedragen.

4.9

Dat in de periode 13 april 2008 – 30 juni 2008 door belanghebbende geen facturen op eigen naam, doch op naam van [H] BV, zijn verzonden acht het Hof evenmin doorslaggevend nu voorheen, toen de onderneming werd uitgeoefend voor rekening en risico van [G] BV evenmin facturen werden uitgereikt op naam van [G] BV maar eveneens op naam van de – kennelijk als handelsnaam fungerende – [H] BV. Dat het met de champignonhandel in 2008 behaalde financiële resultaat administratief werd bepaald als resultaat van [H] BV, waarna het achteraf werd toegedeeld aan – achtereenvolgens – [G] BV (tot en met 12 april 2008) en vanaf 30 juni 2008 aan belanghebbende is in dit verband ook niet van belang, nu deze handelswijze op een kennelijk onjuiste grondslag berust. Verder zijn ter zitting van het Hof vastgestelde onjuistheden in administratie onopgehelderd gebleven.

4.10

Met hetgeen belanghebbende verder nog heeft aangevoerd, heeft zij evenmin aannemelijk gemaakt dat het resultaat uit de activiteiten met betrekking tot de champignonhandel in de periode 13 april – 30 juni 2008 niet bij haar dient te worden belast.

4.11

Subsidiair stelt belanghebbende dat het fiscale resultaat van € 120.079 bij [G] BV dient te worden belast, omdat – aldus belanghebbende – de fiscale eenheid tussen [G] BV en [H] BV pas op 30 juni 2008 werd verbroken. Deze stelling slaagt evenmin. Niet in geschil is dat [H] BV – in ieder geval tot 12 april 2008 – een lege vennootschap was. De op 8 april 2008 aan de notaris verstrekte opdracht om de overdracht van de aandelen [H] BV aan belanghebbende voor te bereiden, waarbij de overnameprijs is gesteld op € 1,00 duidt daar ook op. De door belanghebbende, naar de toestand per 12 april 2008, van [G] BV gekochte onderneming is voorheen op geen moment voor rekening en risico van [H] BV gedreven (2.4). Op geen enkele wijze heeft belanghebbende aannemelijk gemaakt dat in de periode 13 april 2008 – 30 juni 2008 binnen [H] BV ondernemingsactiviteiten werden ontwikkeld, laat staan activiteiten die verband hielden met de door belanghebbende overgenomen onderneming. Het moment waarop de fiscale eenheid tussen [G] BV en [H] BV werd verbroken is dat verband dan ook niet van belang.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.J.M. van Kempen, voorzitter, mr. J. van de Merwe en mr. R.A.V. Boxem, in tegenwoordigheid van mr. N.G.U. Wasch als griffier.

De beslissing is op 6 september 2016 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(N.G.U. Wasch)

(M.G.J.M. van Kempen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 6 september 2016

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij:

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.