Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:6980

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-08-2016
Datum publicatie
01-09-2016
Zaaknummer
200.142.706/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Werkgeversaansprakelijkheid. Vestigingsmanager van uitzendbureau is jaren geleden (2002) mishandeld door een uitzendkracht. Enkele jaren later wordt hij gedurende een periode van zo’n twee jaar (2006-2008) herhaaldelijk verbaal bedreigd door iemand die zegt dat te doen namens (voormalige) uitzendkrachten. Na kennisname van de bedreigingen heeft de werkgever daar een einde aan weten te maken. De vestigingsmanager krijgt psychische klachten en stelt zijn werkgever daarvoor aansprakelijk op de voet van artikel 6:170 BW en 7:658 BW. Het hof verwerpt aansprakelijkheid op de voet van 6:170 BW. Voor de aansprakelijkheid op de voet van 7:658 BW geldt dat vooralsnog geen aanknopingspunten bestaan om te veronderstellen dat de werkgever redelijkerwijs bedacht had dienen te zijn op geweld/bedreigingen tegen medewerkers en maatregelen had behoren te nemen om schade daardoor te voorkomen. Uitgegaan wordt van de juistheid van de stellingen van werkgever dienaangaande. Werknemer, die had aangevoerd dat geweld tegen medewerkers wel vaker voorkwam, krijgt de gelegenheid tot het leveren van tegenbewijs.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 170
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 658
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-0964
PS-Updates.nl 2016-0320
JA 2016/162
AR 2016/2544

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.142.706/01

(zaaknummer rechtbank Groningen 565924 \ CV EXPL 12-12088)

arrest van 30 augustus 2016

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. A. Kolder, kantoorhoudend te Emmen,

tegen

HECS B.V.,

gevestigd te De Meern,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: Hecs,

niet verschenen in hoger beroep.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van 16 januari 2013 en 25 september 2013 van (thans) de rechtbank Noord-Nederland, afdeling privaatrecht, locatie Groningen (hierna: de kantonrechter).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 20 december 2013,

- de memorie van grieven (met producties).

2.2

Hecs heeft zich aanvankelijk gesteld en heeft verzocht het verschuldigde griffierecht in termijnen af te betalen. Dit verzoek is afgewezen en nadat Hecs het verschuldigde griffierecht niet had voldaan is tegen Hecs overeenkomstig de artikelen 139 Rv juncto 353 Rv verstek verleend.

2.3

[appellant] heeft de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en het hof heeft arrest bepaald.

2.4

De vordering van [appellant] , zoals opgenomen in de memorie van grieven, luidt:

"te vernietigen het vonnis d.d. 25 september 2013 door de Rechtbank Noord-Nederland uitgesproken tussen [appellant] als eiser en Hecs als gedaagde, onderhavige kwestie zelf af te doen en opnieuw rechtdoende, zonodig onder aanvulling en/of verbetering van gronden, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad;

I. te verklaren voor recht dat geïntimeerde jegens appellant aansprakelijk is voor al zijn

geleden en nog te lijden schade ten gevolge van de mishandeling door [X] en

bedreigingen door [Y] ;

II. geïntimeerde te veroordelen om aan appellant te vergoeden de reeds begrote schade van

€ 340.166,12, te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag ad € 25.000,00

(smartengeld) vanaf 21 mei 2008 tot aan de dag der algehele voldoening en te

vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag ad € 315.166,12 vanaf de datum

van de inleidende dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede de

overige schade welke nog nader bij staat dient te worden opgemaakt en vereffend volgens

de wet;

III. geïntimeerde te veroordelen tot het verstrekken van een deugdelijke fiscale garantie;

IV. geïntimeerde te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten zowel in eerste aanleg als in hoger beroep."

3 De vaststaande feiten

3.1

De kantonrechter heeft in zijn vonnis van 25 september 2013 onder 1.1 t/m 1.10 een aantal feiten vastgesteld. Tegen die vaststelling zijn geen grieven gericht en het hof is ook niet gebleken van bezwaren tegen die vaststelling, zodat ook van die feiten wordt uitgegaan. Aangevuld met feiten die in hoger beroep zijn komen vast te staan luiden de feiten, voor zover in hoger beroep van belang, als volgt:

3.2

[appellant] is op 5 april 1991 in dienst getreden bij de rechtsvoorganger van Hecs (te weten Hartman Productie en Evenementen Service BV) in de functie van planner, werkvoorbereider. Vanaf september 2002 is hij werkzaam geweest als vestigingsmanager van de locatie in Groningen. Zijn contractuele arbeidsduur bedroeg laatstelijk 45 uur per week en zijn brutosalaris € 3.655,87 per maand, exclusief vakantietoeslag.

3.3

In november 2002 is [appellant] mishandeld door dhr. [X] , toentertijd een uitzendkracht van Hecs. Die mishandeling heeft [appellant] gemeld aan de directie van Hecs. Er is geen aangifte van gedaan bij de politie.

3.4

In de periode van april 2006 tot medio 2008 is [appellant] verschillende malen bedreigd door dhr. [Y] , die daarbij aangaf dat hij optrad namens een aantal voormalige uitzendkrachten van Hecs. Deze bedreigingen zijn op enig moment bekend geworden bij de directie van Hecs. Ook van die bedreigingen is geen aangifte bij de politie gedaan.

3.5

[appellant] heeft zich op 5 september 2007 ziek gemeld, daarbij aangevend dat het werk voor Hecs ten koste van zijn lichamelijke en geestelijke gezondheid ging. Op
21 mei 2008 heeft hij zich opnieuw ziek gemeld. Na deze laatste ziekmelding heeft [appellant] zijn werkzaamheden voor Hecs niet meer hervat.

3.6

Op 8 mei 2009 heeft Hecs aan [appellant] kenbaar gemaakt te streven naar beëindiging van de arbeidsovereenkomst op bedrijfseconomische gronden. In oktober 2009 heeft Hecs [appellant] (buiten diens medeweten) formeel hersteld gemeld voor zijn werkzaamheden.
Bij beschikking van 19 november 2009 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbonden per 1 januari 2010 vanwege verstoorde verhoudingen onder toekenning aan [appellant] van een vergoeding van € 47.380,00 bruto, gebaseerd op de kantonrechtersformule waarbij de factor C op 1 is gesteld. In de beschikking is onder meer overwogen: “Die verstoring is veroorzaakt door gebeurtenissen op het werk, de mishandeling en de bedreiging, die in de risicosfeer van Hecs vallen en waarvan in ieder geval [appellant] geen verwijt kan worden gemaakt.”
3.7 Bij brief van 11 mei 2010 heeft [appellant] Hecs aansprakelijk gesteld ex art. 7:658 BW, danwel, subsidiair, ex art. 6:162 BW danwel art 7:611 BW, op de grond dat Hecs geen (adequate) maatregelen heeft ondernomen terzake voormelde mishandeling en bedreigingen.

3.8

Op 1 februari 2011 heeft [appellant] zich vanuit de WW ziek gemeld vanwege psychische klachten. Na een wachttijd van 104 weken is hij per 29 januari 2013 voor 35/80% arbeidsongeschikt verklaard, welk oordeel in bezwaar is herzien tot een arbeidsongeschiktheid van 80% tot 100% (prod. 29 memorie van grieven).

3.9

Bij beschikking van 7 november 2011 heeft de kantonrechter op verzoek van [appellant] een voorlopig deskundigenbericht gelast met benoeming van W.H.J. Mutsaers, psychiater, tot deskundige.
De deskundige heeft op 2 juli 2012 zijn rapport uitgebracht. In dat rapport is onder meer het volgende vermeld:
“SAMENVATTING
Onderzochte is een 42-jarige voormalig vestigingsmanager bij Hecs BV. Hij heeft bij de rechtbank om een voorlopig psychiatrisch deskundigen bericht gevraagd. Hij meent dat er bij hem sprake is van een arbeidsgerelateerde psychiatrische aandoening, t.w. overspannenheid en een posttraumatische stress stoornis. Een en ander heeft te maken met het feit dat hij in zijn werk jarenlang onder grote psychische druk heeft gestaan, niet alleen omdat hij permanent voor het bedrijf beschikbaar moest zijn maar ook omdat hij in 2002 in zijn werk slachtoffer is geweest van een gewelddadige overval en in de periode 2006-2008 langdurig is afgeperst. Om de hierdoor bij hem opgeroepen angst te bestrijden is hij in toenemende mate alcohol gaan gebruiken c.q. misbruiken. Hij verwijt zijn werkgever dat deze in zijn zorgplicht ernstig tekort geschoten is, niet alleen omdat hij onvoldoende steun en medewerking van de directie kreeg bij de uitoefening van zijn werkzaamheden, maar ook omdat de bedrijfsleiding niets heeft gedaan om onderzochte te beveiligen en te beschermen. Er zijn in het onderzoek geen aanwijzingen gevonden voor de gedachte, dat onderzochte eerder lijdende is geweest aan een psychiatrische stoornis of een persoonlijkheidsstoornis.
(…)
DIAGNOSE (D.S.M-IV-R)
As 1: Posttraumatische stress stoornis met status na alcoholmisbruik (309.81, 305.00)
As 2: Geen diagnose
As 3: Geen diagnose
As 4: Problemen in en door het werk; afpersing en geweldsincident tijdens werk; ontbreken van steun en begeleiding in werk; werkoverbelasting; ontslag uit het werk
As 5: Gaf-score: 60
(…)
BEANTWOORDING VAN DE VRAGEN
de situatie mishandeling in 2002 en bedreigingen in 2006
(…)
a. Hoe luidt de anamnese voor wat betreft de aard en de ernst van het letsel, het verloop van de klachten, de toegepaste behandelingen en het resultaat van deze behandelingen?
Antwoord: hiervoor wordt verwezen naar de beschrijving van de voorgeschiedenis en de speciële anamnese van de anamnestische gegevens.

b. Wilt u bij antwoord op de vraag 1.a aangeven welke gegevens u ontleent aan het relaas van betrokkene en welke u ontleent aan onderzoek van de door u verkregen medische gegevens?
Antwoord: de onder 1.a genoemde gegevens zijn ontleend aan het relaas van betrokkene.

c. Wat zijn uw bevindingen bij psychiatrisch en eventueel hulponderzoek?
Antwoord: bij mijn psychiatrisch onderzoek constateerde ik de nodige verschijnselen van een posttraumatische stressstoornis.

d. Wat is de diagnose op uw vakgebied?
"Antwoord: verwezen wordt naar het onderdeel "Diagnose D.S.M. IV-R".

e Welke huidige mate van functieverlies (impairment) kunt u vaststellen op uw vakgebied? Wilt u dit uitdrukken in een percentage volgens de richtlijnen van de American Medical Association (AMA guide, laatste druk), aangevuld met eventuele richtlijnen van uw eigen beroepsvereniging?
Antwoord: conform de AMA-guide (zesde druk, 2009): M&D Impairment: 10 %.

f. Welke beperkingen ondervindt betrokkene naar uw oordeel in zijn huidige toestand in het dagelijks leven, bij de vrijetijdsbesteding, bij het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden en bij het verrichten van loonvormende arbeid? Wilt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven en zo nodig toelichten ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige?
Antwoord: als gevolg van de terugkerende schrik- en angstreacties, de verhoogde prikkelbaarheid en overmatige waakzaamheid met het daarmee gepaard gaande vermijdingsgedrag kan onderzochte zich minder goed dan voorheen concentreren, kan hij ook minder goed de aandacht houden bij hetgeen hij doet en is hij sneller afleidbaar. Hij neemt weinig initiatieven, hij vermijdt veel sociale situaties en hij geniet onvoldoende van zijn activiteiten. In meer algemene zin kan men zeggen dat zijn plezier in de dingen en de souplesse is afgenomen.

g. Acht u de huidige toestand van betrokkene zodanig dat een beoordeling van de blijvende gevolgen van het ongeval mogelijk is, of verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van het op uw vakgebied geconstateerde letsel?
Antwoord: onderzochtes huidige toestand en resterende klachten en psychopathologische verschijnselen zullen op den duur kunnen verbeteren c.q. minder nadrukkelijk aanwezig zijn. Echter, voordat het proces van herstel van de met de post traumatische stressstoornis gepaard gaande klachten en verschijnselen in gang gezet kan worden, zal onderzochte in de gelegenheid gesteld moeten worden met zijn voormalig werkgever serieus in gesprek te komen over hetgeen hem is overkomen in zijn werk en over de wijze waarop de directie tegenover hem tekort is geschoten in haar zorgplicht.

h. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?
Antwoord: zie bij g

i. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht?
Antwoord: zie bij g.

j. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de mate van functieverlies (als bedoeld in vraag 1.e) en de beperkingen (als bedoeld in vraag 1.f)?
Antwoord: ik verwacht dat onderzochtes klachten en psychopathologische verschijnselen op den duur grotendeels zullen verdwijnen.

De hypothetische situatie zonder mishandeling in 2002 en bedreigingen in 2006
a. Zijn er op uw vakgebied klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest, of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan, indien de genoemde gebeurtenissen betrokkene niet waren overkomen?
Antwoord: [appellant] heeft geen psychiatrische voorgeschiedenis en heeft ook voor de genoemde gebeurtenissen nooit psychiatrische of psychologische hulp nodig gehad. Ik heb in zijn verhaal noch in mijn onderzoeksobservaties en de bestudeerde informatie aanwijzingen gevonden voor zogenoemde premorbide problematiek c.q. klachten of verschijnselen.

b. Voorzover u de vorige vraag bevestigend beantwoord (dus zonder gebeurtenissen ook klachten), kunt u dan een indicatie geven met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de klachten en afwijkingen dan hadden kunnen ontstaan?
Antwoord: n.v.t.

c. Kunt u aangeven welke mate van functieverlies (als bedoeld in vraag 1 e) en welke beperkingen (als bedoeld in vraag 1.f) uit deze klachten hadden zouden zijn voortgevloeid?
Antwoord: n.v.t.

d. Kunt u aangeven of er andere werkgerelateerde factoren aanwezig zijn geweest, die het huidig klachtenbeeld van betrokkenen (mede), direct of indirect hebben veroorzaakt?
Antwoord: onderzochtes werkbelasting was groot. Die was mede het gevolg van het feit dat hij permanent beschikbaar moest zijn voor het bedrijf. Het compliceerde de context waarin de afpersing plaatsvond en in die zin kan men zeggen, dat deze indirect bijgedragen heeft aan het ontstaan van zijn p.t.s.s. Bovendien ontbrak het aan een noodzakelijke steun en begeleiding in zijn door de afpersing ontstane moeilijke werksituatie. Dat heeft de p.t.s.s. en het alcoholmisbruik doen verergeren."

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[appellant] heeft, na wijziging en vermeerdering van eis, gevorderd:
I. Hecs te veroordelen aan [appellant] te betalen het bedrag van € 340.166,12 te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag van € 25.000.- vanaf 21 mei 2008 alsmede te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag van € 315.166,12 vanaf de datum van de inleidende dagvaarding alsmede;
II. Hecs te veroordelen aan [appellant] te betalen de overige materiële schade,
waaronder pensioenschade en het wegvallen van de leaseauto, welke schade nader dient te worden opgemaakt bij staat en te worden vereffend volgens de wet alsmede;
III. Hecs te veroordelen in de kosten van deze procedure.

4.2

Hecs heeft verweer gevoerd.
4.3 De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure, begroot op € 2.400,00.

5 De (omvang van de) vordering in hoger beroep

5.1

[appellant] heeft in zijn appeldagvaarding gevorderd:
te vernietigen de vonnissen van het kantongerecht te Groningen op 25 september 2013 en
16 januari 2013 onder zaaknummer 565924 CV EXPL 12-12088 tussen partijen gewezen en, opnieuw rechtdoende, bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de

vorderingen van requirant, zoals geformuleerd in het petitum van de inleidende dagvaarding in eerste aanleg, alsnog, toe te wijzen, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van het geding in beide instanties.

5.2

In het petitum van de inleidende dagvaarding in eerste aanleg heeft [appellant] , gevorderd:
I. Hecs B.V. te veroordelen aan [appellant] te betalen het bedrag van € 296.678,12 te

vermeerderen met de wettelijke rente over € 25.000.— vanaf 21 mei 2008 alsmede te

vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag van € 271.675,12 vanaf de datum van

opeisbaarheid alsmede;

II. Hecs B.V. te veroordelen aan [appellant] te betalen de overige materiële schade, waaronder

pensioenschade, en het wegvallen van de leaseauto en overige schade ten titel van v.a.v.,

welke schade nader dient te worden opgemaakt bij staat en te worden vereffend volgens de

wet alsmede;

III. Hecs B.V. te veroordelen in de kosten van deze procedure.

5.3

Het hof stelt vast dat de vorderingen van [appellant] zoals geformuleerd in zijn memorie van grieven (zie hiervoor onder 2.3) gedeeltelijk afwijken van de vorderingen zoals die zijn geformuleerd in de inleidende dagvaarding. Daarmee verschillen de vorderingen zoals opgenomen in de memorie van grieven ook van de vorderingen zoals opgenomen in de appeldagvaarding. Immers wordt in de appeldagvaarding uitsluitend verwezen naar het petitum van de inleidende dagvaarding.
Nu Hecs in hoger beroep niet in het geding is verschenen en niet is gesteld en evenmin is gebleken dat de memorie van grieven bij exploot aan Hecs is betekend, volgt uit het bepaalde in artikel 130 Rv. juncto artikel 353 Rv dat voor zover die verschillen een vermeerdering van eis inhouden, zij uitgesloten zijn.
5.4 Dit lot treft de in de memorie van grieven onder I. geformuleerde vordering tot verklaring voor recht, en de vordering in de memorie van grieven onder III.
Die vorderingen zijn derhalve niet toewijsbaar. Voor de vordering onder II. geldt dat het bedrag in hoofdsom beperkt dient te worden tot het in de oorspronkelijke dagvaarding aan hoofdsom gevorderde bedrag van € 296.678,12.

5.5

Het hof stelt verder vast dat [appellant] in zijn memorie van grieven de grondslagen van zijn vorderingen heeft aangevuld, aldus dat aan de grondslagen voor de vorderingen is toegevoegd dat Hecs op de voet van artikel 6:170 BW ook aansprakelijk is voor de bedreigingen door [Y] . Ook die aanvulling van grondslag moet worden aangemerkt als een wijziging in de zin van artikel 130 Rv. en is derhalve uitgesloten. Het hof zal dus ook niet toekomen aan een beantwoording van de vraag of Hecs BV op de voet van artikel 6:170 BW aansprakelijk is voor de bedreigingen door [Y] .

6
6. De beoordeling van de grieven en de vordering

6.1

[appellant] heeft drie grieven opgeworpen tegen het vonnis van 25 september 2013.
Met inachtneming van de beperkingen die voortvloeien uit wat hiervoor onder 5. is overwogen, stellen die grieven de volgende vragen centraal:
a) is Hecs op de voet van artikel 6:170 BW aansprakelijk voor schade die het gevolg is van de mishandeling van [appellant] door [X] , en/of;
b) is Hecs op de voet van artikel 7:658 BW aansprakelijk voor de schade die het gevolg is van de (psychische) aandoeningen waaraan [appellant] lijdt?
Indien één van deze vragen bevestigend wordt beantwoord komt aan bod de vraag naar de omvang van de schade van [appellant] .

aansprakelijkheid ex artikel 6:170 BW
6.2 In grief 1 komt [appellant] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat terzake de mishandeling door [X] onvoldoende is gesteld, laat staan gebleken “dat tussen die mishandeling en de vervulling van zijn taak door die ondergeschikte een functioneel verband bestond” en dat daarom het beroep van [appellant] op artikel 6:170 BW niet opgaat.

6.3

Bij de beantwoording van de vraag of een werkgever aansprakelijk is voor een fout van een werknemer (i.c. een mishandeling) moet aan de hand van alle terzake dienende omstandigheden worden onderzocht of tussen de fout van de betrokken werknemer en diens werkzaamheden in dienstbetrekking een zodanig verband bestaat dat zijn werkgever voor de daardoor veroorzaakte schade aansprakelijk is.

6.4

Onweersproken staat vast dat [X] in dienst was van Hecs en dat de mishandeling plaatsvond onder werktijd van [appellant] en op zijn kantoor. Hecs heeft niet weersproken dat de aanleiding voor de mishandeling was dat [X] vaker aan het werk gezet wilde worden bij concerten in de Oosterpoort, maar dat de Oosterpoort dat liever niet had en dat [appellant] hem dat heeft verteld.
De mishandeling betrof aldus kennelijk een reactie van [X] op een mededeling die [appellant] hem als (functioneel) leidinggevende had gedaan. Daarmee bestaat naar het oordeel van het hof een voldoende functioneel verband tussen de mishandeling en de werkzaamheden van [X] als werknemer van Hecs. Zonder dat dienstverband zou de mishandeling niet hebben plaatsgevonden en daarmee heeft dat dienstverband de kans op de onderhavige mishandeling aanmerkelijk vergroot.

6.5

Grief 1 is derhalve terecht voorgesteld. Daarmee staat echter nog niet vast dat dit ook dient te resulteren in vernietiging van het vonnis en toewijzing van de vorderingen van [appellant] . De devolutieve werking van het hoger beroep brengt met zich dat de niet behandelde of verworpen verweren van Hecs in eerste aanleg tegen de vordering tot schadevergoeding wegens die mishandeling (opnieuw) beoordeeld dienen te worden, waarbij het niet verschijnen van Hecs in hoger beroep, niet de gevolgtrekking wettigt dat die verweren door Hecs prijs gegeven zijn.

6.6

Het beroep van Hecs op verjaring van de vordering tot schadevergoeding vanwege die mishandeling faalt, nu Hecs niet (gemotiveerd) heeft aangevoerd dat meer dan vijf jaar zijn verstreken tussen het moment waarop schade als gevolg van de mishandeling zich heeft geopenbaard en het instellen van de onderhavige vordering (vgl. art. 3:310 BW).

6.7

Het verweer dat geen oorzakelijk verband bestaat tussen de mishandeling en de in deze procedure gevorderde schade, slaagt daarentegen wel. Uit de stellingen van [appellant] valt niet te destilleren dat zijn (psychische) klachten rechtstreeks het gevolg zijn van de mishandeling door [X] . De stellingen van [appellant] , bezien in hun verband en samenhang, komen er integendeel op neer dat zijn klachten zijn veroorzaakt door een combinatie van die mishandeling en de latere bedreigingen door [Y] , tegen de achtergrond van een (te) hoge werkbelasting, waarbij met name de (langdurige) bedreigingen door [Y] zijn klachten zouden hebben veroorzaakt. Ook uit het rapport van de deskundige komt naar voren dat de mishandeling door [X] alleen een (eerste) schakel is geweest in een keten die later tot de klachten heeft geleid. Het verband tussen de mishandeling en de klachten is daarmee te ver verwijderd om die klachten op de voet van artikel 6:170 BW toe te rekenen aan Hecs.
Hoewel grief I dus terecht is voorgesteld, leidt dat niet tot vernietiging van het vonnis.

6.8

Terzijde en ten overvloede merkt het hof op dat als –anders dan is overwogen onder 5.5- in de beoordeling van de aansprakelijkheid van Hecs op de voet van artikel 6:170 BW de bedreigingen door [Y] wel betrokken hadden dienen te worden, dit niet tot een andere uitkomst geleid zou hebben. Niet is gesteld en evenmin is gebleken dat [Y] een werknemer was van Hecs, terwijl de omstandigheid dat hij de bedreigingen zou hebben geuit namens (ex) werknemers van Hecs BV onvoldoende is voor het aannemen van een functioneel verband in de hiervoor onder 6.3 bedoelde zin. Daarbij merkt het hof op dat uit de stellingen van [appellant] ook niet naar voren komt dat [Y] met die bedreigingen iets wilde bereiken voor die (ex)werknemers. Integendeel, hij wilde daarmee kennelijk zichzelf bevoordelen (namelijk zonder betaling gebruik kunnen maken van auto´s van Hecs).

Aansprakelijkheid ex artikel 7:658 BW

6.9

In grief 2 komt [appellant] op tegen het oordeel dat Hecs niet tekort is geschoten in haar zorgverplichting als werkgever als bedoeld in artikel 7:658 BW.

6.10

Bij de beantwoording van de vraag of Hecs al dan niet tekort is geschoten in haar uit artikel 7:658 BW voortvloeiende zorgverplichting stelt het hof voorop dat de kantonrechter in zijn vonnis heeft overwogen dat op basis van de stellingen van partijen en de voorliggende rapportage van de deskundige als vaststaand moet worden aangenomen dat [appellant] in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft opgelopen.
Het hof neemt dat oordeel over.
In het bijzonder kan uit het hiervoor weergegeven rapport van de deskundige blijken dat [appellant] psychische schade heeft opgelopen door de mishandeling gevolgd door de (langdurige) bedreigingen. Uit dat rapport komt weliswaar naar voren dat daarnaast ook de arbeidsbelasting een rol heeft gespeeld, maar dat aspect is, zo leidt het hof af uit het rapport, echter niet de oorzaak van de psychische klachten geweest, maar heeft de klachten als gevolg van de mishandeling en (met name) de bedreigingen alleen “gecompliceerd”. De werkbelasting betreft daarmee niet een omstandigheid die (gedeeltelijk) het causale verband doorbreekt tussen de klachten en de incidenten.
Hecs heeft (in eerste aanleg) nog wel een verklaring overgelegd van een werkneemster waaruit zou moeten blijken dat de psychische problemen van [appellant] al dateren van vóór de incidenten (prod. 1 bij CvD), maar [appellant] heeft die verklaring betwist en Hecs heeft op dat punt geen nadere bewijslevering aangeboden, waarmee die verklaring onvoldoende tegenwicht biedt tegen het rapport van de deskundige.

6.11

Wanneer, zoals hier, vast staat dat een werknemer schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden, waaronder ook valt schade die het gevolg is van psychische klachten, kan de werkgever zich van aansprakelijkheid voor die schade alleen bevrijden door te stellen en zonodig te bewijzen dat hij zijn in het eerste lid van
artikel 7:658 BW genoemde (zorg)verplichtingen is nagekomen, dan wel dat sprake is geweest van opzet of bewuste roekeloosheid aan de zijde van de werknemer.

6.12

Bij de beantwoording van de vraag of de werkgever aan zijn zorgplicht heeft voldaan, moet in aanmerking worden genomen dat met de zorgplicht van de werkgever weliswaar niet wordt beoogd een absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen het gevaar van arbeidsongevallen, maar dat gelet op de ruime strekking van de zorgplicht niet snel mag worden aangenomen dat de werkgever daaraan heeft voldaan en bijgevolg niet aansprakelijk is voor door de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden geleden schade. Art. 7:658 BW vergt immers een hoog veiligheidsniveau van de betrokken werkruimte, werktuigen, gereedschappen en kleding alsmede van de organisatie van de werkzaamheden, en vereist dat de werkgever het op de omstandigheden van het geval toegesneden toezicht houdt op behoorlijke naleving van de door hem gegeven instructies. Het antwoord op de vraag welke maatregelen de werkgever dient te treffen, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de werkzaamheden, de kans dat zich een ongeval zal voordoen, de ernst die de gevolgen van een ongeval kunnen hebben en de mate van de bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen (vgl. HR 5 december 2014, NJ 2015/182, ECLI:NL:HR:2014:3519).

6.13

Hecs heeft in eerste aanleg aangevoerd dat zij niet op geweld bedacht hoefde te zijn.
Het werken op een kantoor van een uitzendorganisatie brengt naar haar mening niet een specifiek risico daarop met zich. Volgens haar zou zij in een periode van dertig jaar ook slechts eenmaal zijn geconfronteerd met geweld, te weten het onderhavige geweld tegen [appellant] . Er bestond daarom ook geen aanleiding voor het opstellen van een risico inventarisatie op dit punt. Zij heeft er verder nog op gewezen dat juist de gemakkelijke toegankelijkheid een belangrijke eigenschap van een uitzendbureau is.

6.14

De kantonrechter heeft in zijn vonnis in verband met die zorgplicht overwogen dat Hecs kennelijk geen specifieke maatregelen heeft getroffen om geweld en/of bedreigingen te voorkomen, maar dat bij het ontbreken van een redelijke aanwijzing voor dit soort incidenten, niet valt in te zien welke maatregelen Hecs had moeten treffen ter voorkoming van de incidenten. Dat verder ook niet valt in te zien welke maatregelen Hecs na de kennisname van de incidenten had moeten nemen ter voorkoming van verdere (psychische) schade, in aanmerking nemend dat Hecs een regeling heeft getroffen met [Y] die een einde heeft gemaakt aan de bedreigingen, [appellant] zelf geen aangifte wilde doen, en [appellant] binnen het bedrijf een zelfstandige positie had die de directie van Hecs begrijpelijk wilde respecteren.

6.15

[appellant] heeft in zijn toelichting op zijn grief aangevoerd dat bij Hecs wel regelmatig agressie en geweld voorkwam. Volgens hem was sprake van aan het werk inherente en structurele risico’s en had Hecs maatregelen daartegen kunnen nemen, zowel op preventief niveau als op instruerend en begeleidend niveau. Een risico inventarisatie en –evaluatie zoals voorgeschreven in artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet ontbrak echter, aldus [appellant] .

6.16

Het hof is voorshands van oordeel dat als agressie en geweld vaker voorkwam bij Hecs, althans op haar vestiging in Groningen, en Hecs daarvan wist, althans behoorde te weten, Hecs redelijkerwijs bedacht had dienen te zijn op de mogelijkheid van geweld en dat het in het licht van de hiervoor weergegeven zorgverplichting dan op haar weg zou hebben gelegen om preventieve maatregelen hiertegen te treffen, althans (minimaal) te zorgen voor instructies en/of begeleiding gericht op het zoveel mogelijk voorkomen, althans beperken van (fysieke en/of psychische) schade door geweld. Buiten die situatie valt echter niet in te zien dat Hecs maatregelen had dienen te nemen en/of aanwijzingen en instructies (protocollen) had behoren te verstrekken om schade door geweld, waaronder begrepen bedreigingen, te voorkomen.

6.17

Het hof heeft vooralsnog geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat Hecs redelijkerwijs bedacht had dienen te zijn op de mogelijkheid van geweld (op haar locatie in Groningen) en (preventief) maatregelen had behoren te nemen om schade door geweld te voorkomen, althans te beperken. In het bijzonder heeft het hof geen aanleiding om te veronderstellen dat aan het werken op het kantoor van een uitzendorganisatie als Hecs risico’s op het zich voordoen van geweldssituaties zijn verbonden en dat buiten de onderhavige incidenten Hecs (op haar vestiging in Groningen) vaker is geconfronteerd met geweld en/of bedreigingen. Hecs heeft (in eerste aanleg) voldoende gemotiveerd betoogd dat dit niet het geval is. [appellant] heeft zich in hoger beroep weliswaar beroepen op door hem overgelegde schriftelijke verklaringen waaruit volgens hem kan blijken dat geweld een aan het werk inherent en structureel risico vormde, maar de overgelegde verklaringen zijn daarvoor te beperkt en te weinig specifiek. Het ligt in die situatie op de weg van [appellant] om tegenbewijs te leveren tegen de voorshands als juist aangenomen stelling van Hecs dat zij niet bedacht hoefde te zijn op de mogelijkheid van geweld (op haar locatie in Groningen)
heeft (tegen)bewijslevering aangeboden middels (in ieder geval) het horen van getuigen. Tot dat bewijs zal [appellant] derhalve worden toegelaten.

6.18

Voor zover [appellant] heeft betwist dat Hecs na kennisname van de bedreigingen door [Y] heeft nagelaten adequaat in te grijpen, wordt nog overwogen dat [appellant] heeft nagelaten te concretiseren wat Hecs meer of anders had kunnen/moeten doen dan zij heeft gedaan. Daarbij tekent het hof aan dat [appellant] geen grieven heeft gericht tegen de overwegingen van de kantonrechter dat Hecs een regeling heeft getroffen met [Y] die een einde heeft gemaakt aan de bedreigingen, [appellant] zelf geen aangifte wilde doen, en [appellant] binnen het bedrijf een zelfstandige positie had die de directie van Hecs begrijpelijk wilde respecteren.

6.19

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

7
7. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:


laat [appellant] toe tot het leveren van tegenbewijs tegen de voorshands als juist aanvaarde stelling van Hecs dat zij behoudens de incidenten met [X] en [Y] niet bekend was met (de dreiging van) geweld (op haar locatie in Groningen) en daarop (dus) ook niet bedacht had hoeven te zijn;

bepaalt dat, indien [appellant] uitsluitend bewijs door bewijsstukken wenst/wensen te leveren, hij die stukken op de roldatum van dinsdag 27 september 2016 in het geding dient te brengen,

bepaalt dat, indien [appellant] dat bewijs (ook) door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. O.E. Mulder, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan het Wilhelminaplein 1 te Leeuwarden en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;

bepaalt dat [appellant] bij het getuigenverhoor aanwezig dient te zijn opdat hem naar aanleiding van de getuigenverklaringen vragen kunnen worden gesteld;

bepaalt dat [appellant] het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van beide partijen, van hun advocaten en van de getuigen zal/zullen opgeven op de roldatum dinsdag 13 september 2016, waarna dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;


bepaalt dat [appellant] overeenkomstig artikel 170 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor aan de griffier van het hof dient op te geven;

Dit arrest is gewezen door mr. O.E. Mulder, mr. D.H. de Witte en mr. W.A. Zondag en is uitgesproken door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 30 augustus 2016.