Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:698

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-01-2016
Datum publicatie
05-02-2016
Zaaknummer
15/00704
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2015:3069, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wet woz. Proceskosten. Samenhangende zaken. Begrip.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/313
Belastingblad 2016/163 met annotatie van J.P. Kruimel
V-N 2016/26.6 met annotatie van Redactie
FutD 2016-0407
NTFR 2016/817 met annotatie van mr. A.A. Feenstra
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummer 15/00704

uitspraakdatum: 26 januari 2016

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , wonende te [Z] (hierna: belanghebbende),

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 1 mei 2015, nummer UTR 14/1819, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraad-schap Utrecht (hierna: de heffingsambtenaar).

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking de waarde van de onroerende zaak
[a-straat] 13 te [Z] (hierna: de onroerende zaak) voor het kalenderjaar 2013, naar waardepeildatum 1 januari 2012, vastgesteld op € 328.000.

1.2.

De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 11 februari 2014 de vastgestelde waarde gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen. De rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank) heeft bij uitspraak van 1 mei 2015 het beroep gegrond verklaard, de vastgestelde waarde verminderd tot € 311.000, en de heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 294.

1.4.

Belanghebbende heeft bij brief van 27 mei 2015, ingekomen bij het Hof op
28 mei 2015, tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2015. Belanghebbende is vertegenwoordigd door mw. mr. [A] , werkzaam bij [B] te [C] . De heffingsambtenaar is vertegenwoordigd door
mw. mr. [D] en mw. [E] .

1.7.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van de onroerende zaak. Het betreft een
in 1934 gebouwde rijwoning. De waarde van de onroerende zaak is door de heffingsambtenaar bij beschikking vastgesteld.

2.2.

Belanghebbende heeft mw. mr. [A] (hierna: de gemachtigde) gemachtigd om onder meer bezwaar te maken en (hoger) beroep in te stellen ter zake van voornoemde WOZ-beschikking en ter zake van de in dat kader toegekende proceskostenvergoeding.

2.3.

Het beroep van belanghebbende is ter zitting van de Rechtbank (nagenoeg) gelijktijdig behandeld met acht andere beroepen over de WOZ-waarde van woningen die in eenzelfde appartementencomplex in [Z] zijn gelegen. Belanghebbendes rijwoning is niet in dit complex gelegen. Zowel in belanghebbendes beroep als in deze andere beroepen is steeds rechtsbijstand verleend door het kantoor van belanghebbendes gemachtigde.

2.4.

De Rechtbank heeft vijf van de negen beroepen, waaronder het beroep van belanghebbende gegrond verklaard. De Rechtbank heeft de vastgestelde WOZ-waarde van de onroerende zaak verminderd. Verder heeft de Rechtbank een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase toegekend van € 294. Daarbij heeft de Rechtbank in aanmerking genomen dat sprake is van vijf samenhangende zaken in de zin van artikel 3, lid 2, Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb; tekst vanaf 2015). In de overige vier zaken die gelijktijdig zijn behandeld, is het beroep ongegrond verklaard.

3 Geschil

3.1.

In hoger beroep is uitsluitend de hoogte van de toegekende proceskostenvergoeding voor de beroepsfase in geschil. Het geschil spitst zich toe op de vraag of sprake is van samenhangende zaken in de zin van artikel 3, lid 2, Bpb.

3.2.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van samenhangende zaken, omdat de werkzaamheden in elk van de zaken niet nagenoeg identiek konden zijn. De heffingsambtenaar verdedigt de tegenovergestelde opvatting.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot een vergoeding van de kosten voor de behandeling van het beroep bij de Rechtbank ten bedrage van thans € 992 (1 punt voor beroepschrift, 1 punt voor zitting, waarde per punt € 496). De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de beslissing van de Rechtbank omtrent de proceskostenvergoeding (van € 294) voor de behandeling van het beroep.

3.4.

Beide partijen zijn in hoger beroep eensluidend van mening dat de Rechtbank ten onrechte geen vergoeding heeft toegekend voor de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken. Deze vergoeding beloopt volgens beide partijen € 244 (thans: € 246). Reeds daarom is het hoger beroep van belanghebbende gegrond.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Tot 1 januari 2015 luidde artikel 3 Bpb als volgt:

“1. Samenhangende zaken worden voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, onder a, beschouwd als één zaak.

2. Samenhangende zaken zijn: gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig door een of meer belanghebbenden tegen nagenoeg identieke besluiten op vergelijkbare gronden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, is verleend door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn.”

4.2.

In de Lijst van vragen en antwoorden inzake het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit proceskosten bestuursrecht (TK vergaderjaar 2001–2002, 27 024, nr. 16) heeft de minister van Justitie op de vraag wanneer sprake is van identieke zaken het volgende geantwoord:

“De wegingsfactor C2 is bedoeld om de werking van artikel 3 van het besluit te verzachten. Het gaat hier om een correctiemogelijkheid, waarbij het bestuursorgaan vrij is om hiervan gebruik te maken. (…) Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een verleende bouwvergunning, waartegen verschillende omwonenden bezwaar maken, bijgestaan door één rechtsbijstandverlener.”

4.3.

Bij “Besluit van 27 oktober 2014 tot wijziging van het Besluit proceskosten bestuursrecht in verband met een verruiming van de regeling voor samenhangende zaken” (Staatsblad 2014, 411) is artikel 3, lid 2, Bpb met ingang van 1 januari 2015 gewijzigd. Artikel 3, lid 2, Bpb luidt sindsdien als volgt:

“Samenhangende zaken zijn: door een of meer belanghebbenden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen, die door het bestuursorgaan of de bestuursrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn.”

4.4.

Het overgangsrecht is opgenomen in artikel II van voornoemd Besluit van
27 oktober 2014. Dit artikel luidt als volgt:

“Het Besluit proceskosten bestuursrecht zoals dat luidde voor 1 januari 2015 blijft van toepassing op een voor die datum bekendgemaakte beslissing op een bezwaar of administratief beroep en op een voor die datum bekendgemaakte uitspraak van een bestuursrechter. In afwijking van de eerste volzin geldt het Besluit proceskosten bestuursrecht zoals het ingevolge dit besluit is komen te luiden indien de bestuursrechter een beslissing op bezwaar of administratief beroep of een uitspraak van een bestuursrechter vernietigt en daarbij een partij veroordeelt in de kosten van bezwaar, administratief beroep of beroep bij de bestuursrechter waarop vóór 1 januari 2015 is beslist of uitspraak is gedaan.”

4.5.

Gelet op het overgangsrecht is in het onderhavige geval de samenhangregeling van toepassing zoals deze luidt vanaf 1 januari 2015. De Rechtbank heeft immers na
1 januari 2015 een beslissing op bezwaar vernietigd en daarbij de heffingsambtenaar veroordeeld in de kosten van beroep.

4.6.

De Nota van toelichting bij voornoemd Besluit van 27 oktober 2014 bevat de volgende passages:

“Dit besluit strekt ertoe om in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) de regeling voor samenhangende zaken in het bestuursrecht te verruimen. Hierdoor zal sneller sprake zijn van samenhangende zaken, hetgeen gevolgen heeft voor het bedrag van de vergoeding van onderscheidenlijk veroordeling in proceskosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand bij bezwaar of administratief beroep onderscheidenlijk beroep bij de bestuursrechter (artikelen 7:15, vierde lid, en 7:28, vijfde lid, onderscheidenlijk artikel 8:75, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)).

De kostenveroordeling is in het Bpb op twee manieren begrensd. Artikel 1 somt limitatief op welke kostenposten onder de kostenveroordeling kunnen worden gevat. Artikel 2, eerste lid, van het Bpb geeft voorts aan hoe de hoogte van de toegewezen posten door de rechter en het bestuursorgaan wordt vastgesteld. De kostenberekening voor verlening van rechtsbijstand is uitgewerkt in de bijlage bij het Bpb, op basis een systeem van puntentoekenning voor verschillende proceshandelingen en daaraan gekoppelde waarden per punt en wegingsfactoren. (…) De kostenvergoeding en kostenveroordeling zijn niet bedoeld als een volledige schadevergoeding, maar als een tegemoetkoming in de kosten.

Toch komt het, ondanks de dubbele begrenzing, voor dat de kostenvergoeding voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand die op basis van het Bpb wordt vastgesteld, onevenredig hoog is. Daarmee wordt afbreuk gedaan aan het karakter van de kostenvergoeding, zijnde een tegemoetkoming in de werkelijke kosten. Dit besluit strekt ertoe dit effect weg te nemen.

Artikel 2, derde lid, van het Bpb biedt de rechter en het bestuursorgaan de mogelijkheid om in bijzondere gevallen af te wijken van het bepaalde in het eerste lid. Zo kan voor de vaststelling van de kosten voor verleende rechtsbijstand worden afgeweken van het forfaitaire tarief dat is opgenomen in de bijlage bij het Bpb. Uit de toelichting op de uitzonderingsmogelijkheid (Stb. 1993, 763, p. 10) volgt dat de uitzondering wegens bijzondere omstandigheden in het Bpb is opgenomen omdat in uitzonderlijke gevallen strikte toepassing van de forfaitaire regeling onrechtvaardig kan uitpakken. De rechter en het bestuursorgaan kunnen daarom in gevallen waarin sprake is van bijzondere omstandigheden de volgens het Bpb berekende vergoeding verlagen of verhogen. Verder wordt aldaar opgemerkt dat hierbij geen afbreuk mag worden gedaan aan het karakter van een tegemoetkoming in de werkelijke kosten. Voorts wordt benadrukt dat er werkelijk sprake moet zijn van een uitzondering. Gelet op deze toelichting passen de rechter en het bestuursorgaan de uitzondering wegens bijzondere omstandigheden terughoudend toe.

In de praktijk komt het regelmatig voor dat verschillende zaken met eenzelfde rechtsbijstandverlener tegelijkertijd of volgtijdelijk worden behandeld op een zitting of hoorzitting. Daarbij wordt tijdens die (hoor)zitting in kort tijdsbestek een veelvoud van zaken behandeld die sterk op elkaar lijken. Een strikte toepassing van het Bpb kan dan onredelijk uitwerken. Dergelijke zittingen kunnen zelden worden aangemerkt als een samenhangende zaak in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Bpb. Vaak is niet voldaan aan alle in die bepaling gestelde vereisten, namelijk dat de bezwaren onderscheidenlijk beroepen gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn gemaakt onderscheidenlijk ingesteld en dat het nagenoeg identieke besluiten betreft, waartegen op vergelijkbare gronden bezwaar wordt gemaakt of beroep wordt ingesteld. De Hoge Raad ziet in belastingzaken niet snel aanleiding om te spreken van nagenoeg identieke zaken, aangezien veelal per zaak afzonderlijk moet worden beoordeeld of aanslagen naar de juiste heffingsgrondslag zijn opgelegd (zie ook HR 1 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3090). Immers, bij veel aanslagen zullen de werkzaamheden van de rechtsbijstandverlener in niet onbetekenende mate de individuele omstandigheden betreffen.

Om die reden is het wenselijk te komen tot een verruiming van het begrip «samenhangende zaak» in artikel 3, tweede lid, van het Bpb. Dit wordt bewerkstelligd door schrapping van de vereisten dat het moet gaan om nagenoeg identieke besluiten waartegen op vergelijkbare gronden bezwaar of gemaakt of beroep is ingesteld. Het vereiste dat de bezwaren of beroepen gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig moeten zijn ingediend, wil sprake kunnen zijn van samenhangende zaken, is vervangen door het criterium dat de bezwaren of beroepen gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig moeten zijn behandeld. Zo is men voor de vraag of sprake is van samenhangende zaken niet afhankelijk van de rechtsbijstandverlener en de vraag of deze de bezwaren of beroepen al dan niet gelijktijdig indient. Leidend wordt de vraag of het bestuursorgaan onderscheidenlijk de bestuursrechter de bezwaren onderscheidenlijk beroepen gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig behandelt. Door deze verruiming van het tweede lid zal dus sneller sprake zijn van een samenhangende zaak waardoor het bestuursorgaan en de rechter vaker in situaties dat meerdere zaken gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig worden behandeld, en dezelfde rechtsbijstandverlener nagenoeg identieke werkzaamheden kon verrichten in iedere zaak, voor de kosten de vergoeding voor één zaak (bij minder dan vier zaken) dan wel 1,5 zaak (bij vier of meer zaken) in aanmerking zal nemen. Dit heeft in zaken waarin een rechtsbijstandverlener (nagenoeg) identieke werkzaamheden verricht in diverse zaken tot gevolg dat de rechtsbijstandverlener niet langer voor ieder zaak apart een kostenvergoeding ontvangt, waarmee een onredelijk hoge vergoeding wordt ontvangen voor zijn werkzaamheden.

Ingeval de kostenvergoeding voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in een bepaald geval onevenredig hoog is, kunnen bestuursorgaan en rechter gebruik maken van artikel 2, derde lid, Bpb, dat het bestuursorgaan en de bestuursrechter de mogelijkheid biedt om in bijzondere omstandigheden af te wijken van de volgens het Bpb berekende vergoeding.”

4.7.

Blijkens de nieuwe samenhangregeling is sprake van samenhang indien:

i. door een of meer belanghebbenden bezwaren zijn gemaakt of beroepen zijn ingesteld;

ii. de bezwaren of beroepen door het bestuursorgaan of de bestuursrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld;

iii. de beroepsmatige rechtsbijstand is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband; en

iv. de werkzaamheden van de gemachtigde in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn.

4.8.

Tussen partijen is uitsluitend in geschil of is voldaan aan het vereiste dat de werkzaamheden van de gemachtigde in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn (vereiste iv). Belanghebbende betoogt dat niet aan dit vereiste is voldaan. In dat verband voert belanghebbende aan dat in de overige acht zaken sprake is van woningen die in eenzelfde appartementencomplex zijn gelegen, terwijl de onroerende zaak een rijwoning betreft, waartegen ook op andere gronden beroep is ingesteld. De heffingsambtenaar is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

4.9.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat voor de beantwoording van de vraag of werkzaamheden nagenoeg identiek konden zijn de volgende aspecten van belang zijn: i) het karakter van de objecten (allemaal woningen binnen dezelfde gemeente), ii) het gebruik van telkens de vergelijkingsmethode voor de waardering van die objecten, iii) de aard van het geschil (de waarde is te hoog), en iv) de aard van de beroepsgronden (algemene gronden, zoals onvoldoende rekening gehouden met kwaliteit of onderhoud, of liggingsaspecten). Een aanwijzing dat werkzaamheden niet nagenoeg identiek konden zijn, kan volgens de Rechtbank gelegen zijn i) in het zeer verschillende karakter van de objecten (zoals combinatie van woning, winkel of bedrijfspand) of een zeer verschillende ligging (zoals objecten buiten de bebouwde kom en agrarische objecten), ii) in het gebruik van verschillende waarderingsmethoden, en iii) in de zeer specifieke beroepsgronden (cultuurgrondvrijstelling of beperkte rechten).

4.10.

De Rechtbank heeft vastgesteld dat het in het onderhavige geval en in de andere zaken om woningen gaat binnen dezelfde gemeente en dat de door belanghebbende aangevoerde gronden, evenals in die andere zaken, de vergelijkbaarheid betreffen van de referentiewoningen binnen de vergelijkingsmethode. Voorts stelt de Rechtbank vast dat de zitting waarop de negen beroepen zijn behandeld, in totaal ongeveer anderhalf uur heeft geduurd. Gelet op de totale tijdsduur van de zitting, de aard van het geschil, het karakter van de objecten en de gehanteerde vergelijkingsmethode, heeft de Rechtbank geoordeeld dat de verrichte werkzaamheden in de negen beroepszaken nagenoeg identiek konden zijn. Het Hof acht dit oordeel van de Rechtbank onjuist. In dat verband overweegt het Hof het volgende.

4.11.

De beantwoording van de vraag of sprake is van samenhangende zaken in de zin van artikel 3, lid 2, Bpb dient naar het oordeel van het Hof per fase van de procedure te worden beoordeeld. Een andere uitleg, waarbij de samenhang per proceshandeling wordt beoordeeld – bijvoorbeeld alleen voor het verschijnen ter hoorzitting in de bezwaarfase – is denkbaar (vgl. HR 28 november 2003, nr. 39.216, ECLI:NL:HR:2003:AN9083), maar zou ertoe leiden dat het (leidende) criterium of de bezwaren onderscheidenlijk beroepen door het bestuursorgaan of de bestuursrechter (nagenoeg) gelijktijdig zijn behandeld, zinledig zou zijn voor die proceshandelingen – zoals het indienen van een bezwaarschrift of beroepschrift – waarbij van (nagenoeg) gelijktijdige behandeling door het bestuursorgaan of de bestuursrechter in het algemeen geen sprake is.

4.12.

Verder heeft als uitgangspunt te gelden dat voor de beantwoording van de vraag of sprake is van samenhangende zaken, die zaken in aanmerking worden genomen waarbij vanwege de gegrondheid van het bezwaar door het bestuursorgaan een proceskostenvergoeding is toegekend of waarbij de bestuursrechter het bestuursorgaan in de proceskosten heeft veroordeeld.

4.13.

In het onderhavige geval is tussen partijen niet in geschil dat aan de eerste drie van de onder 4.7 genoemde vereisten voor samenhang is voldaan. Uitsluitend is in geschil of is voldaan aan het vereiste dat de werkzaamheden van de gemachtigde in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn (vereiste iv). Dit vereiste was reeds neergelegd in het Besluit proceskosten bestuursrecht van 22 december 1993, Staatsblad 1993, 763, en is ongewijzigd overgenomen in het Besluit van 27 oktober 2014.

4.14.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 1 oktober 2004, nrs. 37.851, 39.191 en 39.192, ECLI:NL:HR:2004:AR3090, geoordeeld dat niet is voldaan aan het vereiste dat de werkzaamheden van de gemachtigde in elk van die zaken nagenoeg identiek konden zijn, als in iedere zaak mede de – uiteraard per zaak afzonderlijk te beoordelen – vraag aan de orde is of de aanslagen naar de juiste heffingsgrondslag waren opgelegd. De werkzaamheden van de gemachtigde betreffen dan in niet onbetekenende mate de individuele omstandigheden per zaak, aldus de Hoge Raad.

4.15.

Naar het oordeel van het Hof leidt voornoemde uitleg van de Hoge Raad ertoe dat als in WOZ-zaken per afzonderlijk object aan de hand van de objectkenmerken en gehanteerde vergelijkingsobjecten de vastgestelde WOZ-waarde moet worden beoordeeld, in zijn algemeenheid niet kan worden gezegd dat de werkzaamheden van de gemachtigde in elk van die zaken nagenoeg identiek konden zijn. De werkzaamheden betreffen dan immers in niet onbetekenende mate de individuele omstandigheden per object. Voor een meer abstracte toets, waarbij de aard van het geschil (WOZ-procedure), de aard van het object (bijvoorbeeld woningen), de gehanteerde waarderingsmethode (bijvoorbeeld de vergelijkingsmethode) en de aard van de beroepsgronden (bijvoorbeeld referentieobjecten zijn onvoldoende vergelijkbaar) worden beoordeeld, vindt het Hof gelet op voornoemde uitleg geen ruimte.

4.16.

Voornoemde uitleg brengt mee dat wel kan zijn voldaan aan het vereiste dat de werkzaamheden van de gemachtigde in elk van die zaken nagenoeg identiek konden zijn, als woningen of objecten aan de orde zijn die identiek zijn, in die zin dat de onderlinge verschillen verwaarloosbaar zijn, zoals het geval kan zijn bij appartementen in eenzelfde complex of bij objecten uit eenzelfde bouwstroom.

4.17.

In het onderhavige geval, waarbij de onroerende zaak een rijwoning betreft en de overige zaken appartementen in een complex, betreffen de werkzaamheden van de gemachtigde in niet onbetekenende mate de individuele omstandigheden van de onroerende zaak. Daarom kan niet worden gezegd dat die werkzaamheden in elk van die zaken nagenoeg identiek konden zijn. Nu niet is voldaan aan dit vereiste, is geen sprake van samenhangende zaken in de zin van artikel 3, lid 2, Bpb. Alsdan is tussen partijen niet in geschil dat de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase € 980 dient te bedragen.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep van belanghebbende gegrond.

5 Proceskosten

Het Hof vindt aanleiding de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar, beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 246 voor de bezwaarfase (1 punt voor bezwaarschrift, waarde per punt € 246), op € 992 voor de beroepsfase (1 punt voor beroepschrift, 1 punt voor zitting, waarde per punt € 496), en op € 496 voor de hogerberoepsfase (1 punt voor hogerberoepschrift, 1 punt voor zitting, waarde per punt € 496, wegingsfactor 0,5).

6 Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank met betrekking tot de beslissing omtrent de proceskosten;

– veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.734 en

– gelast dat de heffingsambtenaar het door belanghebbende in hoger beroep betaalde griffierecht van € 123 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, mr. B. van Walderveen en mr. R.F.C. Spek, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2016.

De griffier, De voorzitter,

(S. Darwinkel) (A.J.H. van Suilen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 26 januari 2016

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

postbus 20303, 2500 EH Den Haag

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 – het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.