Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:6963

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-08-2016
Datum publicatie
06-10-2016
Zaaknummer
200.181.357 en 200.181.358
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling partneralimentatie en verdeling huwelijksgoederengemeenschap. Gebruikers- en eigenaarslasten echtelijke woning.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 81
Burgerlijk Wetboek Boek 1 82
Burgerlijk Wetboek Boek 1 84
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2016/130 met annotatie van prof. mr. B.E. Reinhartz

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.181.357 en 200.181.358

(zaaknummers rechtbank 373552 en 395710)

beschikking van 30 augustus 2016

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats],
verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M.H. van den Berg te Zeist,

en

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats],

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. T. Charatjan te Amsterdam.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht van 9 september 2015, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, tevens aanvullend/wijziging verzoek met producties A tot en met G en

1 tot en met 17, ingekomen op 4 december 2015;

- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met producties 27 tot en met 43,

ingekomen op 29 januari 2016;

- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met producties 18 tot en met 23,

ingekomen op 7 maart 2016;

- een journaalbericht van mr. van den Berg van 12 mei 2016 met producties 23 tot en met

31, ingekomen op 13 mei 2016;

- een brief van mr. Charatjan van 13 mei 2016, ingekomen op die datum;

- een journaalbericht van mr. Charatjan van 13 mei 2016 met producties 44 tot en met 60,

ingekomen op 17 mei 2016;

- een journaalbericht van mr. van den Berg van 17 mei 2016 een aantal ongenummerde

producties behorend bij productie 27, ingekomen op die datum;

- een journaalbericht van mr. Charatjan van 18 mei 2016 met producties 61 tot en met 63,

ingekomen op die datum.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 30 mei 2016 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen. De vrouw bijgestaan door zijn advocaat en de man bijgestaan door zijn advocaat en mr. O.I.M. Ydema, advocaat te Amsterdam.

2.3

Ter mondelinge behandeling heeft mr. Van den Berg - met instemming van mr. Charatjan - nog een brief van 23 mei 2016 met als producties een tweetal verklaringen van [kind 1] overgelegd.

3 De vaststaande feiten

3.1

Partijen zijn op 21 juni 1996 in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. De vrouw heeft op 21 juli 2014 een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend. Het huwelijk van partijen is op 23 december 2015 ontbonden door echtscheiding.

3.2

Partijen zijn de ouders van [kind 1] (hierna: [kind 1]), geboren op [geboortedatum] 1997, en [kind 2] (hierna: [kind 2]), geboren op [geboortedatum] 1999. Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit over [kind 2].

3.3

De man, geboren op [geboortedatum] 1971, vormt met [kind 2] een gezin.

Het belastbare loon van de man bedraagt volgens de jaaropgave 2015 in dat jaar € 161.590,-.

Het inkomen van de man bedraagt blijkens de salarisspecificaties van januari, februari en maart 2016 € 10.829,96 bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag.

3.4

De lasten van de man bedragen per maand:

- € 1.855,92 aan hypotheekrente;

- € 150,- aan aflossing/premie levensverzekering gekoppeld aan de hypotheek;

- € 95,- aan overige eigenaarslasten;

- € 152,- aan ziektekosten in 2015/16:

- € 161,- premie basisverzekering ZVW,

- € 30,- eigen risico,

verminderd met het in de bijstandsnorm begrepen nominale deel premie ZVW

van € 39,- per maand voor een alleenstaande.

Het eigenwoningforfait van de woning bedraagt € 5.550,- per jaar.

3.5

De vrouw, geboren op [geboortedatum] 1964, vormt met [kind 1] een gezin. Het inkomen van de vrouw bedraagt blijkens de salarisspecificatie van november 2015 € 2.208,78 bruto per maand (€ 1.437,92 netto per maand), te vermeerderen met vakantietoeslag. Daarnaast ontvangt zij een eindejaarsuitkering van € 2.207,87 per jaar.

3.6

De lasten van de vrouw bedragen per maand:

- € 1.000,- aan huur;

- € 63,89 aan ziektekosten in 2015:

- € 79,89 premie basisverzekering ZVW,

- € 23,- eigen risico,

verminderd met het in de bijstandsnorm begrepen nominale deel premie ZVW

van € 39,- per maand voor een alleenstaande.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw, alsmede de verdeling van de gemeenschap van goederen. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier relevant, in overweging 3.8 de wijze van verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap vastgesteld en het verzoek van de vrouw om een bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud afgewezen.

4.2

De vrouw is met vijf grieven in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van 9 september 2015. De vrouw heeft tevens haar verzoek aangevuld dan wel gewijzigd. De grieven zien op de behoefte van de vrouw, haar behoeftigheid, de draagkracht van de man en de verdeling van de polis Reaal. De vrouw verzoekt:

I. te bepalen dat de man een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw moet betalen van € 3.500,- per maand, althans een zodanig bedrag als het hof juist acht, ingaande de datum dat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

II. voor recht te verklaren dat ter zake de polis Reaal, gekoppeld aan de hypothecaire geldlening van de echtelijke woning, als peildatum geldt de datum dat de polis wordt afgekocht en op het moment dat het aandeel van de woning van de vrouw aan de man wordt toegedeeld althans, mocht de woning toch worden verkocht dan wel de man stellen dat deze polis toch moet blijven voortbestaan, de datum dat de woning aan derden wordt geleverd, dan wel het aandeel van de vrouw in de woning aan de man wordt toegedeeld.

III. te bepalen dat de man inzage moet geven in de saldi van de in de bestreden beschikking genoemde rekeningen, de rekening bij de ABN AMRO-bank met nummer [nummer 1] van zijn ondernemingsrekening(-en) en de waarde van de beleggingsportefeuille van Alex, binnen acht dagen na de door uw Hof te wijzen uitspraak zulks op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag voor iedere dag dat de man hiermee in gebreke blijft.

IV. te bepalen dat de man aan de vrouw moet betalen het bedrag overeenkomend met de helft van de saldi van de in de beschikking genoemde bankrekeningen bij Achmea Retail Bank ([nummer 2]), Binck Bank ([nummer 3]), ING-bank ([nummer 4] en [nummer 4]) en SNS-bank ([nummer 5]), ABN AMRO ([nummer 1]), de ondernemingsrekening(-en) van de man (tenzij de man aantoont dat deze al bij de voornoemde rekeningnummers zijn meegenomen) en de waarde van de beleggingsportefeuille bij Alex ([nummer 3]).

V. te bepalen dat de man de saldi van de bankrekeningen bij ING-bank met nummer [nummer 4] en bij de ABN AMRO-bank met nummer [nummer 1] moet aanzuiveren met overig vermogen zodanig dat genoemde rekeningen geen negatief saldo meer hebben zulks binnen acht dagen na de te wijzen beschikking en dat de man vervolgens medewerking moet verlenen aan het opheffen van alle bankrekeningen, zulks eveneens op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat de man met één dezer veroordelingen in gebreke blijft.

VI. te bepalen dat de man aan de vrouw moet betalen een bedrag van € 242,50 als zijnde het aandeel van de vrouw in de aangifte IB 2013 en € 69,44 als zijnde het aandeel van de vrouw in de aangifte IB 2014.

4.3

De man heeft verweer gevoerd en is op zijn beurt met twee grieven in incidenteel hoger beroep gekomen. De grieven zien op de eigenaars- en gebruikerslasten van de echtelijke woning, alsmede de afspraak ter zake de verdeling van de inboedel. De man verzoekt:

In principaal hoger beroep:

- de vrouw niet ontvankelijk te verklaren in haar beroep, dan wel al haar stellingen af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

In het incidentele hoger beroep de vrouw te veroordelen:

- tot het betalen aan de man binnen twee weken na betekening van de door het hof te wijzen beschikking, van een bedrag van € 20.724,- aan de man voor haar aandeel in de vaste lasten verbonden aan de eigendom van 21 juli 2014 tot aan 30 december 2015, als ook

- tot het betalen van een bedrag van € 5.986,- voor de variabele lasten verbonden aan het exclusieve gebruik van die woning vanaf 21 juli 2015 tot aan 27 oktober 2015.

- alsook te bepalen dat de man gerechtigd zal zijn tot verrekening met enig bedrag dat de man op enig moment aan de vrouw verschuldigd zal blijken te zijn, onverminderd zijn recht om de beschikking rauwelijks te executeren;

- tot het betalen van een bedrag van 7.902,- voor de ten onrechte meegenomen goederen uit de inboedel.

5 De motivering van de beslissing

in de zaak met nummer 200.181.357

partneralimentatie

5.1

De grieven 1 tot en met 4 in het principaal hoger beroep betreffen de afwijzing door de rechtbank van het verzoek van de vrouw om een bijdrage van de man in haar levensonderhoud vast te stellen. Deze grieven lenen zich voor een gezamenlijke bespreking en zullen in het navolgende aan de orde komen.

hoogte van de behoefte vrouw

5.2

De vrouw handhaaft in hoger beroep haar standpunt dat zij behoefte heeft aan een (aanvullende) bijdrage van de man in haar levensonderhoud. Volgens de vrouw bedroeg het netto-gezinsinkomen tijdens het huwelijk € 6.000,- en heeft zij volgens haar behoeftelijst een behoefte van € 4.459,- netto per maand. Rekening houdend met haar arbeidsinkomen, heeft zij een aanvullende behoefte van € 3.500,- per maand. De man betwist dat.

5.3

De man heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat aan de zijde van de vrouw helemaal geen behoefte aan een bijdrage in haar levensonderhoud bestaat omdat de verdiencapaciteit van de vrouw door de feitelijke inrichting van het huwelijk niet is verminderd. Ook dient het hof te anticiperen op de Wet herziening partneralimentatie. De opvatting dat de behoefte haar rechtsgrond vindt in de levensgemeenschap zoals die door het huwelijk is geschapen, welke levensgemeenschap in de onderhoudsplicht haar werking behoudt, is achterhaald. Doordat de vrouw gedurende het huwelijk is blijven werken is haar verdiencapaciteit niet verminderd en is er geen compensatie nodig.

5.4

Het hof ziet vooralsnog geen aanleiding om te anticiperen op het wetsvoorstel 34 231 (Wet herziening partneralimentatie). Of dit voorstel de status van wet verkrijgt, moet worden afgewacht. Afgezien daarvan is het hof van oordeel dat de feitelijke inrichting van het huwelijk was dat de vrouw minder is gaan werken om voor de kinderen te kunnen zorgen, zodat er wel invloed is geweest op haar verdiencapaciteit. Ook de omstandigheid dat de vrouw gedurende het huwelijk gezondheidsklachten heeft gekregen die haar verdiencapaciteit beïnvloeden kan niet zomaar buiten beschouwing worden gelaten.

5.5

De hoogte van behoefte van de vrouw is mede gerelateerd aan de welstand tijdens het huwelijk. Bij de bepaling van de hoogte van de behoefte dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden. Dit betekent dat de rechter zowel in aanmerking zal moeten nemen wat de inkomsten tijdens de laatste jaren van het huwelijk zijn geweest als een globaal inzicht zal moeten hebben in het uitgavenpatroon in dezelfde periode om daaruit te kunnen afleiden in welke welstand partijen hebben geleefd. De hoogte en de aard van zowel de inkomsten als de uitgaven geven immers een aanwijzing voor het niveau waarop de onderhoudsgerechtigde na de beëindiging van het huwelijk wat de kosten van levensonderhoud betreft in redelijkheid aanspraak kan maken. Ook (de mogelijkheid van) vermogensvorming zal in beginsel - afhankelijk van de omstandigheden - bijdragen tot het oordeel dat echtelieden in een bepaalde welstand hebben geleefd. De behoefte zal daarnaast zo veel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud door de rechter worden bepaald. In hoeverre de vaste lasten en de overige, globaal te schatten, uitgaven of reserveringen voor te verwachten lasten van de onderhoudsgerechtigde redelijk zijn, zal mede beoordeeld moeten worden naar de mate van welstand zoals deze door de rechter op vorenbedoelde wijze is vastgesteld.

5.6

Het hof zal de behoefte van de vrouw bepalen aan de hand van de door haar in het geding gebrachte behoeftelijst (productie 8 bij het beroepschrift) nu de man zich tegen toepassing van de hofnorm heeft verzet en partijen in hoger beroep zelf ook uitgaan van de door de vrouw overgelegde behoeftelijst. De vrouw stelt een behoefte te hebben van € 4.459,- netto per maand. De man heeft bij productie 28 bij het verweerschrift per post aangegeven wat volgens hem als een redelijke last moet worden beschouwd. De man komt op een totale behoefte van € 1.246,81 per maand. Het hof zal de navolgende maandelijkse posten van de behoeftelijst van de vrouw, met inachtneming van hetgeen partijen over en weer hebben gesteld, in redelijkheid overnemen dan wel aanpassen als volgt.

Huisvesting

- hypotheek/huur € 1.000,-

- gas-water-licht € 98,-

- telefoon € 24,-

- televisie/wifi e.d. € 45,-

- inboedelverzekering: het hof houdt rekening met een pakketverzekering waaronder de inboedel-, aansprakelijkheids-, rechtsbijstands-, begrafenis/overlijdensrisico-, en reisverzekering vallen, zie bij vaste uitgaven.

Levensonderhoud

- boodschappen € 386,-

Vervoer

- brandstof (in redelijkheid gesteld op) € 110,-

- verzekering € 42,-

- onderhoud € 45,-

- ANWB € 5,-

- parkeergelden € 50,-

- openbaar vervoer (in redelijkheid gesteld op) € 25,-

- fiets € 15,-

- wegenbelasting € 19,-

Vaste uitgaven

- ziektekosten € 160,-

- pakketverzekering (in redelijkheid gesteld op) € 21,-

Ontspanning

- tijdschriften en abonnementen: het hof houdt geen rekening met deze post, nu deze is komen te vervallen

- sport € 50,-

- vakantie € 141,-

- uit eten/ uitgaan (in redelijkheid gesteld op) € 200,-

- boeken € 20,-

- tuin/bloemen/cadeaus/bijzondere uitgaven € 40,-

Persoonlijke verzorging

- kapper (in redelijkheid gesteld op) € 100,-

- schoonheidsspecialiste (in redelijkheid gesteld op) € 25,-

- kleding en schoenen € 212,-

- persoonlijke verzorging (in redelijkheid gesteld op) € 100,-

Reserveringen

- vervanging inboedel het hof houdt hier geen rekening mee. De vrouw kan de vervanging van de inboedel bekostigen uit haar eigen middelen.

- vervanging huishoudelijke apparatuur € 100,-

- vervanging auto (in redelijkheid gesteld op) € 150,-

- vervanging telefoon valt onder vervanging huishoudelijke apparatuur

Oudedagsvoorziening

- pensioenpremies en lijfrentepolis (in redelijkheid gesteld op) € 500,-

Op grond van het voorgaande stelt het hof de behoefte van de vrouw vast op € 3.683,- netto per maand.

5.7

De vrouw stelt dat zij niet geheel in die behoefte kan voorzien. Zij stelt dat zij vanwege medische beperkingen niet meer dan drie dagen in de week kan werken. De man betwist dat en voert aan dat de vrouw volledig kan werken. Daarnaast kan zij, volgens de man, haar vermogen aanwenden om in haar levensonderhoud te voorzien.

5.8

Het hof stelt voorop dat partijen ten tijde van het huwelijk zijn overeengekomen dat de vrouw twee dagen in de week zou gaan werken om voor de kinderen te kunnen zorgen. Niet betwist is ook dat de vrouw op een gegeven moment rugklachten heeft gekregen en aan een hernia is geholpen. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw deze klachten voldoende onderbouwd. Zij werkt nu drie dagen in de week, met tussendagen om te voorkomen dat de klachten terug komen. Dit volgt ook uit de verklaring van […], teamhoofd kindergeneeskunde, die aangeeft dat de vrouw gezien haar lichamelijke conditie om de dag werkt. Extra uren werken is niet gewenst, omdat de vrouw dit lichamelijk niet kan waarmaken en daarnaast is er ook geen ruimte binnen de formatie voor uitbreiding van de uren. Het hof is van oordeel dat de vrouw zich gelet op haar lichamelijke beperkingen voldoende inspant om gedeeltelijk in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Gelet hierop en op het feit dat er ook bij haar huidige werkgever geen ruimte is voor uitbreiding van haar uren, is het hof van oordeel dat van de vrouw niet kan en behoeft te worden verwacht dat zij haar vaste baan opzegt om elders een uitbreiding van het aantal uren te realiseren.

5.9

Het hof is voorts van oordeel dat het vermogen van de vrouw bij de bepaling van haar aanvullende behoefte buiten beschouwing dient te blijven. Het hof zal ook bij de draagkracht van de man zijn vermogen buiten beschouwing laten. Partijen hebben onweersproken ter zitting gesteld dat zij kosten hebben moeten maken voor deze procedure, alsmede dat zij kosten hebben moeten maken ter inrichting van hun woningen. Het hof heeft hiervoor reeds overwogen dat de vrouw de vervanging van de inrichting dient te bekostigen uit haar eigen middelen. Nu beide partijen uit hun eigen middelen aanzienlijke uitgaven zullen moeten doen, zal het hof deze middelen als inkomstenbron buiten beschouwing laten.

5.10

Rekening houdend met de eigen inkomsten van de vrouw van afgerond € 1.438,- netto per maand en met haar lasten, heeft de vrouw een aanvullende behoefte aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud van € 2.245,- netto per maand, ofwel € 3.802,-bruto per maand. De vrouw heeft derhalve in ieder geval behoefte aan het door haar verzochte bedrag van € 3.500,- bruto per maand.

draagkracht van de man

5.11

Het hof gaat bij de vaststelling van de draagkracht van de man uit van de hiervoor onder 3.3 en 3.4 vermelde financiële gegevens, voor zover daarover hierna niet anders wordt geoordeeld.

5.12

Het hof gaat uit van een inkomen aan de zijde van de man van € 159.468,- bruto per jaar, zijnde het belastbare loon volgens de jaaropgave 2015, verminderd met de fiscaal belaste bijtelling privégebruik leaseauto.

5.13

De man heeft recht op de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.

5.14

Nu het de vaststelling van de draagkracht van de man voor de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw betreft, houdt het hof rekening met de norm voor een alleenstaande en het door de Werkgroep Alimentatienormen aanbevolen draagkrachtpercentage van 60.

5.15

Vast staat dat de kosten van [kind 2] € 712,50 bedragen. De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat zij ook voor een deel in deze behoefte van [kind 2] voorziet, doordat hij in het kader van een omgangsregeling een aantal dagen bij haar verblijft. Het hof ziet aanleiding om een korting van 25% toe te passen, zodat aan de zijde van de man rekening zal worden gehouden met kosten voor [kind 2] van € 534,- per maand.

5.16

De man stelt voorts dat hij kosten maakt voor de jongmeerderjarige [kind 1]. De man stelt deze kosten op €1.112,- per maand, het bedrag dat een uitwonend jongmeerderjarig kind per maand kost volgens het Nibud. De vrouw heeft betwist dat de man deze kosten voor [kind 1] daadwerkelijk maakt.

5.17

Het hof zal, nu partijen niet eens zijn over de behoefte van [kind 1], aansluiten bij het normbudget voor levensonderhoud van de Belastingdienst voor een thans nog thuiswonend studerend kind, hetgeen neer komt op € 655,70. Hierop dient in ieder geval in mindering te worden gebracht de € 185,- die [kind 1] volgens haar verklaring maandelijks aan de man (terug) dient te betalen, nu onvoldoende gebleken is dat [kind 1] dit geld van de man weer terug zal ontvangen aan het einde van het studiejaar. Het hof houdt rekening met kosten voor [kind 1] van € 470,- per maand, nu de door de man voor [kind 1] te betalen kosten naar het oordeel van het hof dit bedrag niet overstijgen.

5.18

De woonlasten van de man bedragen volgens de door hem overgelegde draagkrachtberekening € 1.855,92 aan hypotheekrente per maand. Daarnaast betaalt hij € 150,- aan aflossing/premie levensverzekering per maand en zal worden uitgegaan van € 95,- per maand aan overige eigenaarslasten. Voor zover de vrouw heeft aangevoerd dat aan de zijde van de man met niet met de volledige hypothecaire geldlening rekening moet worden gehouden, maar dat dit bedrag met € 30.000,- zou moeten worden verminderd omdat de man dit bedrag niet heeft gebruikt voor de aanschaf van de woning, vat het hof dit standpunt van de vrouw op als een beroep op een onredelijke woonlast aan de zijde van de man. Het hof volgt dit standpunt van de vrouw echter niet. Gelet op het inkomen van de man kan niet worden gesproken over een onredelijke woonlast. Het hof zal dan ook uitgaan van het door de man in zijn draagkrachtberekening opgevoerde bedrag van € 1.855,92 aan hypotheekrente per maand.

5.19

De vrouw heeft zich voorts nog op het standpunt gesteld dat de man samenwoont met zijn nieuwe partner en dat hij (zo begrijpt het hof:) de woonlasten kan delen. Naar het oordeel van het hof is op dit moment niet gebleken dat de man samenwoont en zijn woonlasten kan delen. Gelet op de gemotiveerde betwisting door de man heeft de vrouw haar desbetreffende standpunt onvoldoende onderbouwd.

5.20

Het hof houdt geen rekening met de door de man in zijn draagkrachtberekening opgenomen advocaatkosten. Zowel de man als de vrouw dienen deze kosten ten laste te laten komen van hun vermogen. Verder wordt met het vermogen van beide partijen geen rekening gehouden.

5.21

Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden en gelet op de fiscale consequenties hiervan heeft de man met ingang van 23 december 2015 voldoende draagkracht voor de door de vrouw verzochte bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud van € 3.500,- per maand.

5.22

Het hof ziet geen aanleiding om rekening te houden met de door de man gestelde toekomstige omstandigheden, nu deze op zijn vroegst een wijziging in het inkomen van de man kunnen meebrengen vanaf 1 juli 2017, dan wel 1 juli 2018. Het hof raadt partijen aan te zijner tijd in onderling overleg de alimentatie aan te passen.

in de zaak met nummer 200.181.358 (verdeling)

5.23

De vrouw heeft grief 5 in het principaal hoger beroep met betrekking tot de polis bij Reaal ingetrokken, zodat deze grief geen nadere behandeling behoeft.

bankrekeningen

5.24

De vrouw heeft zich nog op het standpunt gesteld dat partijen het eens zijn dat waar het betreft de bank- en spaarrekeningen en de waarde van de beleggingsportefeuille bij Alex moet worden uitgegaan van de saldi op de peildatum 21 juli 2014. Volgens de vrouw is ter zitting overeengekomen dat de saldi van de bank- en spaarrekeningen moeten worden verdeeld en de rekeningen na verdeling van de saldi moeten worden opgeheven. In het door rechtbank in overweging 3.8.3 genoemde overzicht ontbreekt de bankrekening bij ABN AMRO met nummer [nummer 1]. Nu de man het voorgaande niet heeft betwist, zal het hof bepalen dat partijen met betrekking tot de bankrekening ABN AMRO met nummer [nummer 1] het saldo op de peildatum 21 juli 2014 bij helfte tussen partijen dient te worden verdeeld. Voor zover er sprake is van een negatief saldo op de peildatum dient de man dit saldo aan te zuiveren, zodat de rekening daarna kan worden opgeheven. Het hof ziet geen aanleiding om hieraan een dwangsom te verbinden.

5.25

Partijen hebben met betrekking tot de beleggingsportefeuille bij Alex (met nummer [nummer 3]) nadere afspraken gemaakt. De waarde van deze beleggingsportefeuille zal tussen partijen bij helfte worden verdeeld.

5.26

Met betrekking tot de rekening bij Achmea Retail Bank ([nummer 6]), de rekening bij de Binck Bank ([nummer 3]) en de rekening bij SNS Bank ([nummer 5]) zal het hof de man conform het onbestreden verzoek van de vrouw de man veroordelen om de helft van de saldi op de bankrekeningen op 21 juli 2014 aan de vrouw te betalen.

5.28

Met betrekking tot de twee rekeningen bij de ING Bank met nummer ([nummer 4]) ING Bank ([nummer 4]) heeft de man ter mondelinge behandeling aangevoerd dat na de peildatum de roodstand is opgelopen tot het maximale bedrag van € 2.500,-. Volgens de vrouw werd op deze rekening de voorlopige teruggave van de belastingdienst (in verband met de hypotheekrenteaftrek) gestort. Ook werd de hypotheekrente van deze rekening voldaan. Doordat de hypotheekrente meer bedroeg dan de voorlopige teruggave is de roodstand ontstaan. Op de peildatum bedroeg de roodstand slechts € 144,-. Het hof is van oordeel dat nu is gebleken dat de maximale roodstand is ontstaan door het voldoen aan een gezamenlijke verplichting richting de bank, de vrouw de helft van het negatieve saldo (zijnde € 1.250,-) dient aan te zuiveren. De man heeft onweersproken gesteld dat hij reeds een bedrag van € 1.500,- heeft betaald, zodat de vrouw een bedrag van € 1.250,- dient te voldoen aan de bank en een bedrag van € 250,- aan de man.

5.29

Dat hiernaast nog sprake is van andere (ondernemings-)rekeningen waarvan het saldo voor verdeling in aanmerking komt, is door de vrouw - naar het oordeel van het hof - onvoldoende gemotiveerd gesteld.

teruggave inkomstenbelasting

5.30

De vrouw heeft zich nog op het standpunt gesteld dat zij recht heeft op haar deel van de teruggave inkomstenbelasting over de jaren 2013 en 2014 tot de peildatum 21 juli 2014. Volgens de vrouw bedroeg de teruggave in 2014 een bedrag van € 246,- en heeft zij recht op een bedrag van € 69,44.

5.31

Het hof is van oordeel de vrouw in beginsel recht heeft op de helft van de teruggave IB over de jaren 2013 en 2014 (tot de peildatum 21 juli 2014). Dat de teruggave slechts ziet op de hypotheekrenteaftrek, is niet, dan wel onvoldoende gebleken. De vrouw vordert ook slechts haar deel van de teruggave tot aan de peildatum. Nu ook niet is gebleken dat de teruggaven IB op de rekening van partijen zijn gestort vóór 21 juli 2014, dient de man een bedrag van € 242,50 (2013) en een bedrag van € 69,44 (2014) aan de vrouw te vergoeden.

gebruikers- en eigenaarslasten echtelijke woning

5.32

De man heeft zich met grief 1 in het incidenteel hoger beroep op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte niet heeft beslist op het verzoek van de man om te bepalen dat de vrouw vanaf 21 juli 2014 tot aan de datum van de verdeling van de eigendom van de echtelijke woning de helft dient te betalen van alle eigenaarslasten verbonden aan die woning, alsook te bepalen dat de vrouw vanaf de peildatum tot aan de datum dat zij de echtelijke woning verliet alle gebruikslasten van die woning moet betalen. Volgens de man dient de vrouw nog een bedrag van € 20.724,- (50% vaste lasten) periode 21 juli 2014 tot 30 december 2015 (productie 39 en 40) te betalen, alsmede een bedrag van € 5.968,- voor variabele lasten (nota's productie 41).

5.33

De vrouw heeft zich hiertegenover op het standpunt gesteld dat de man thans voor het eerst in hoger beroep verzoekt te bepalen dat de vrouw tot de datum van verdeling van de eigendom van de echtelijke woning dient bij te dragen in de eigenaarslasten en totdat zij de echtelijke woning heeft verlaten alle gebruikerslasten van de woning dient te betalen. Voor zover de man dit verzoek wel heeft gedaan in eerste aanleg, was het onvoldoende geconcretiseerd en tardief in de procedure. Volgens de vrouw is zij niet gehouden om de gebruikerslasten en de eigenaarslasten aan de man te vergoeden. Ingevolge artikel 1:81 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) dienen echtgenoten elkander de nodige gelden te verschaffen. Partijen zijn pas op 23 december 2015 officieel gescheiden. De vrouw heeft op 27 oktober 2015 de woning al verlaten. Op grond van artikel 1:82 BW zijn partijen jegens elkaar verplicht de tot het gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen en komen op grond van artikel 1:84 BW de kosten der huishouding ten laste van het gemene inkomen. De gebruikerslasten van de woning vallen in ieder geval onder de kosten van de huishouding. De betalingen door de man komen daarnaast overeen met de onderlinge verhouding van de draagkracht van partijen en de man heeft de vrouw tot nu toe ook nooit partneralimentatie betaald. De vrouw acht het verzoek van de man dan ook in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Indien de vrouw zou hebben geweten dat de man deze kosten van de vrouw zou terugvorderen, zou zij voorlopige voorzieningen hebben gevraagd en zou zij verzocht hebben om alimentatie voor de kinderen en de vrouw te bepalen. De vrouw heeft voorts de door de man gestelde bedragen betwist.

5.34

Naar het oordeel van het hof kan het verzoek van de man, de vrouw te veroordelen tot betaling van haar aandeel in de vaste lasten, alsmede de variabele lasten, verbonden aan de eigendom, dan wel het exclusieve gebruik van de echtelijke woning, in redelijkheid niet worden toegewezen. Gelet op de verplichting die uit artikel 1:81 BW voortvloeit, is er geen plaats voor een vergoeding van deze kosten gedurende het huwelijk van partijen. Op grond van artikel 1:81 BW zijn echtgenoten verplicht elkaar het nodige te verschaffen. In het onderhavige geval acht het hof van belang dat de man een aanzienlijk hoger maandinkomen had dan de vrouw, zodat van hem kon worden verwacht dat hij een groter aandeel van de huishoudelijke kosten zou voldoen. Nu er ook geen sprake was van een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw, dan wel de kinderen, moet het er voor worden gehouden dat de man aan de vrouw door het voldoen van de vaste - en eigenaarslasten van de echtelijke woning het nodige heeft verschaft. Nu de echtscheiding tussen partijen pas op 23 december 2015 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, gold deze verzorgingsplicht in ieder geval tot die datum. De vrouw had de woning toen al verlaten. Op 30 december 2015 is de eigendom van de woning vervolgens overgegaan op de man alleen. Gezien het korte tijdsbestek tussen de feitelijke verdeling van de echtelijke woning en het einde van het huwelijk, ziet het hof in redelijkheid ook geen aanleiding om aan de vrouw nog een verplichting tot betaling van enig bedrag op te leggen over deze korte periode.

inboedel

5.35

De man heeft zich met grief 2 in het incidenteel hoger beroep nog op het standpunt gesteld dat de rechtbank weliswaar de afspraak tussen partijen over de inboedel heeft opgenomen, maar heeft nagelaten te beslissen dat als een der partijen in strijd met hetgeen ter zitting is afgesproken inboedelgoederen meeneemt, hij of zij de waarde ervan aan de ander dient te vergoeden.

5.36

Ter mondelinge behandeling zijn partijen overeengekomen dat de vrouw het olieverfschilderij van Gino Sauerbier (blauw schilderij met vissen) aan de man zal afgeven. De man heeft verklaard verder af te zien van een vergoeding voor door de vrouw ten onrechte meegenomen goederen. Het hof leidt hieruit af dat er op dit punt geen nadere beslissing gewenst is.

6 De slotsom

in het principaal en het incidenteel hoger beroep

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slagen in het principaal hoger beroep de grieven met betrekking tot de partneralimentatie (grieven 1 tot en met 4) en behoeft grief 5 geen nadere bespreking. In het incidenteel hoger beroep faalt grief 1 en behoeft grief 2 geen nadere bespreking. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover in het dictum het meer of anders verzochte wordt afgewezen (4.6), vernietigen en beslissen als volgt. Het hof zal de beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, voor het overige (4.1-4.5) bekrachtigen.

6.2

Het hof zal, gelet op de familierechtelijke aard van de procedure, de proceskosten in hoger beroep compenseren.

7 Aanhechten draagkrachtberekeningen

Het hof heeft een berekening van de draagkracht van de man gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekening is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

8 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 9 september 2015, voor zover in het dictum het meer of anders verzochte wordt afgewezen (4.6), en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van 23 december 2015 als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud € 3.500,- per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat partijen met betrekking tot de bankrekening ABN AMRO met nummer [nummer 1] het saldo op de peildatum 21 juli 2014 bij helfte dienen te verdelen. Voor zover er sprake is van een negatief saldo op de peildatum dient de man dit saldo aan te zuiveren, zodat de rekening daarna kan worden opgeheven;

veroordeelt de man tot betaling van de helft van de saldi op 21 juli 2014 op de bankrekeningen bij Achmea Retail Bank ([nummer 6]), bij de Binck Bank ([nummer 3]) en bij SNS Bank ([nummer 5]) aan de vrouw;

bepaalt dat de vrouw de helft van het negatieve saldo (zijnde € 1.250,-) op de rekeningen bij de ING Bank met nummer ([nummer 4]) ING Bank ([nummer 4]) dient aan te zuiveren en bepaalt dat de vrouw een bedrag van € 1.250,- dient te voldoen aan de bank en een bedrag van € 250,- aan de man;

bepaalt dat de man aan de vrouw een bedrag van € 242,50 (2013) en een bedrag van € 69,44 (2014) met betrekking tot de teruggaven IB 2013 en 2014 aan de vrouw dient te vergoeden;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 9 september 2015, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.L. van der Bel, R. Prakke-Nieuwenhuizen en J.U.M. van der Werff, bijgestaan door mr. E. Baan als griffier, en is op 30 augustus 2016 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.