Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:6947

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-08-2016
Datum publicatie
31-08-2016
Zaaknummer
200.162.933
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Appellabiliteit; integrale proceskostenveroordeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.162.933

(zaaknummer rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, zaaknummer 271719

arrest in kort geding van 30 augustus 2016

in de zaak van

[appellant],

wonende te [plaatsnaam],

appellant,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. J.H. Hemmes

tegen:

de stichting

Stichting Hulpfonds MG Competitions Holland,

gevestigd te Rozendaal, kantoorhoudende te Vught

(hierna: de Stichting),

2. [geïntimeerde sub 2],

wonende te [plaatsnaam],

3. [geïntimeerde sub 3],

wonende te [plaatsnaam],

geïntimeerden,

(hierna gezamenlijk: de Stichting c.s.),

advocaat: mr. T.J. van Veen.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 14 november 2014 dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland (locatie Arnhem) tussen [appellant] als eiser en de Stichting c.s. als gedaagde heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 12 december 2014,

- de memorie van grieven, met producties,

- de memorie van antwoord.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3. De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.9 van het bestreden vonnis van 14 november 2014.

Weliswaar heeft [appellant] bij memorie van grieven (randnummer 39) aangevoerd dat de feiten in hoger beroep opnieuw moeten worden vastgesteld, maar omdat hij zijn bezwaren tegen de feitenvaststelling in het bestreden vonnis onvoldoende concreet heeft toegelicht en geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die tot een ander oordeel kunnen leiden dan in de navolgende rechtsoverwegingen is weergegeven, gaat het hof daaraan voorbij.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

[appellant] heeft in eerste aanleg een verbod jegens de Stichting c.s. gevorderd om – kort gezegd – het vonnis van 3 september 2014 (het Vonnis) te executeren (Vordering I), alsmede om enige executiemaatregel te nemen ten aanzien van de kosten die voor de Stichting c.s. met de betekening van het Vonnis gemoeid zijn geweest (Vordering II). Ter zitting in kort geding heeft [appellant] Vordering I ingetrokken. De voorzieningenrechter heeft Vordering II afgewezen en heeft [appellant] veroordeeld tot vergoeding van het volledige salaris van de advocaat van de Stichting c.s.

4.2

Onder aanvoering van vijftien grieven heeft [appellant] vernietiging gevorderd van het bestreden vonnis. Volgens [appellant] heeft de voorzieningenrechter Vordering II ten onrechte afgewezen en hem ten onrechte veroordeeld tot vergoeding van het volledige salaris van de advocaat van de Stichting.

De Stichting c.s. heeft de grieven gemotiveerd bestreden. Voorts heeft de Stichting aangevoerd dat zij op het met Vordering II gemoeide bedrag van € 92,25 geen aanspraak meer heeft gemaakt en dit ook in de toekomst niet zal doen.

4.3

Allereerst dient het hof ambtshalve de vraag te beoordelen of het in eerste aanleg gewezen vonnis vatbaar is voor hoger beroep. Voor de appellabiliteit van het vonnis is de waarde van de vordering waarover de rechter in eerste aanleg had te beslissen, bepalend. Ten tijde van het vonnis in eerste aanleg lag alleen Vordering II nog aan de voorzieningenrechter ter beoordeling voor. Vordering II is van onbepaalde waarde, doch in dit geval bestaan duidelijke aanwijzingen dat de vordering geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 1750, nu deze strekt tot een verbod tot het invorderen van betekeningskosten ter hoogte van € 92,25.

Bij memorie van grieven heeft [appellant] voorts bezwaar gemaakt tegen de in eerste aanleg uitgesproken proceskostenveroordeling. Proceskosten in de zin van de artikelen 237 tot en met 240 Rv worden voor de appellabiliteit van een vonnis echter niet in aanmerking genomen. Voor zover al zou moeten worden aangenomen dat de integrale proceskostenveroordeling voor het bepalen van de appellabiliteit van het vonnis wél van belang is voor zover die een kostenveroordeling conform het liquidatietarief overstijgt, is ook dit bedrag (vermeerderd met het hiervoor genoemde bedrag van € 92,25) onder de appelgrens van € 1.750 gelegen, ook als van het minimale geliquideerde salaris van € 527 in eerste aanleg zou worden uitgegaan.

Dit brengt mee dat het hof [appellant] in zijn hoger beroep niet ontvankelijk zal verklaren.

4.4

Het hof overweegt nog ten overvloede dat hetgeen [appellant] heeft gevorderd ook in hoger beroep niet toewijsbaar zou zijn geweest, indien het hof aan een inhoudelijke beoordeling zou zijn toegekomen. Voor wat betreft Vordering II ontbreekt daartoe het vereiste belang (art.3:303 BW) aan de zijde van [appellant]: de Stichting c.s. heeft immers bij memorie van antwoord uitdrukkelijk aangevoerd dat zij niet zal overgaan tot de executie die Vordering II beoogt te verbieden; voorshands acht het hof evenmin aannemelijk dat het vereiste spoedeisend belang bij deze vordering in eerste aanleg wél heeft bestaan.

Naar het oordeel van het hof is in het onderhavige geval voorts sprake van bijzondere omstandigheden die de toewijzing van de integrale proceskostenveroordeling in eerste aanleg rechtvaardigen. [appellant] had immers op voorhand, zelfs al op het moment dat hij zijn rechtshelper opdracht gaf om de dagvaarding op te stellen (op 22 oktober 2014) moeten begrijpen dat hij geen belang had bij enige spoedmaatregel ter voorkoming van een executie die zijn wederpartij reeds uitdrukkelijk en schriftelijk had opgeschort. [appellant] had ook naar het oordeel van het hof moeten beseffen dat een tegen een geschorste executie aan te wenden spoedvoorziening geen kans van slagen zou hebben en had reeds het uitbrengen van de kortgedingdagvaarding daarom, in verband met de betrokken belangen van zijn wederpartij, achterwege behoren te laten. Nadat de Stichting c.s. bij brief van 3 november 2014 ook nog eens uitdrukkelijk had laten weten dat zij had besloten af te zien van het incasseren van de (volgens de Stichting) verbeurde dwangsommen, is het belang van [appellant] bij een executieverbod ten aanzien van de dwangsommen vervolgens definitief komen te vervallen. Tot het desondanks doorzetten van de procedure had [appellant] naar het oordeel van het hof op dat moment in redelijkheid niet mogen besluiten.

Het hof neemt daarbij mede in aanmerking dat het [appellant] niet volgt in zijn aan het verbod ten grondslag gelegde stelling dat hij behoorlijk uitvoering heeft gegeven aan het Vonnis. [appellant] is in het Vonnis immers veroordeeld om - kort gezegd - binnen zeven dagen na betekening bij de Kamer van Koophandel een tweetal bestuurders van de Stichting uit te (doen) schrijven en twee andere bestuurders in te (doen) schrijven, een en ander middels de daartoe bestemde formulieren. Vaststaat dat het handelen van [appellant] niet tot die in- en uitschrijvingen hebben geleid binnen zeven dagen na 30 september 2014, terwijl de stellingen van [appellant] niet het oordeel rechtvaardigen dat van hem bij het voldoen aan de veroordeling niet meer inspanning en zorgvuldigheid mocht worden verwacht. Gelet op de inhoud van de veroordeling, uitgelegd naar doel en strekking daarvan, mocht van [appellant] immers worden verwacht dat hij zich niet als bestuurder zou laten uitschrijven alvorens hij zich ervan zou hebben vergewist dat de in- en uitschrijving waartoe hij was veroordeeld daadwerkelijk was gerealiseerd. [appellant] heeft dit nagelaten.

5 De slotsom

5.1

Uit hetgeen in r.o. 4.3 is overwogen volgt reeds dat het hof aan een behandeling van de zaak ten principale niet toekomt. [appellant] zal in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.

5.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen. Het hof ziet geen aanleiding om ook voor wat betreft de kostenveroordeling in hoger beroep van het liquidatietarief af te wijken. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van de Stichting c.s. zullen aldus worden begroot op € 704 aan griffierecht en op € 632 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief (1 punt x tarief I).

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep in kort geding:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep van het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem van 14 november 2014;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Stichting c.s. vastgesteld op € 704 aan verschotten en op € 632 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.A. van der Pol, M.B. Beekhoven van den Boezem en H. M. L. Dings en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 30 augustus 2016.