Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:6945

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-08-2016
Datum publicatie
22-09-2016
Zaaknummer
200.168.439
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzekeringsovereenkomst; verval van recht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2016, afl. 6, p. 336
NJF 2016/449

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.168.439

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 320334)

arrest van 30 augustus 2016

in de zaak van

1 [appellant sub 1] ,

2. [appellante sub 2],

beiden wonende te [plaatsnaam] ,

appellanten,

hierna: [appellanten] ,

advocaat: mr. I.J. Penning,

tegen:

de naamloze vennootschap

ASR Schadeverzekering N.V.,

gevestigd te Utrecht,

geïntimeerde,

hierna: ASR,

advocaat: mr. E.J.A.A. van Dal.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 23 mei 2012, 3 juli 2013 en 14 januari 2015 die de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, tussen appellanten als eisers en geïntimeerde als gedaagde heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de appeldagvaarding van 10 april 2015,

- de memorie van grieven, met producties,

- de memorie van antwoord en grieven in voorwaardelijk incidenteel appel,

- de memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel appel.

2.2

Vervolgens heeft ASR de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof, met instemming van [appellanten] , arrest bepaald op een dossier.

3 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.15 van het vonnis van 3 juli 2013. Daarnaast zijn enkele andere feiten als enerzijds gesteld en anderzijds onvoldoende gemotiveerd betwist komen vast te staan, die - voor zover relevant - in het navolgende worden besproken.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

Het gaat in dit hoger beroep - kort gezegd - om het volgende.

[appellanten] heeft voor zijn auto (de Auto) met ingang van 20 juli 2009 bij ASR een verzekering afgesloten, tegen onder meer diefstal. In artikel 6 aanhef en lid 5 van de algemene polisvoorwaarden is onder meer bepaald dat geen dekking wordt verleend als de verzekerde over een schade, ongeval of gebeurtenis opzettelijk onware of onvolledige mededelingen doet of laat doen.

Op 30 november 2010 heeft [appellanten] aangifte gedaan van diefstal van de Auto. Nadat [appellanten] ASR om een uitkering onder de schadeverzekering had verzocht, heeft ASR Adviesbureau Schade (ABS) opdracht gegeven onderzoek te verrichten. Daartoe heeft ABS onder meer een taxatierapport opgevraagd bij expertisebureau Verbeek. Blijkens dit taxatierapport, dat op verzoek van [appellanten] was opgemaakt ten behoeve van de BPM/BTW aangifte voor de invoer van de auto (het Rapport Verbeek I) bedroegen op 30 juni 2009 de herstelkosten van de auto € 87.171 en was de particuliere verkoopwaarde van de Auto op dat moment € 18.500. Voorts is op een factuur van 24 juli 2009 van garagebedrijf Stern Nieuwegein (Stern Nieuwegein) vermeld: ‘auto heeft zeer grote schade gehad, geen garantie op reparatie, zie bijgesloten advies, diverse rep. nodig’ In het betreffende advies (Bijlage 6 bij het rapport ABS) staan diverse gebreken vermeld, die door de opsteller van de factuur, [persoon 1] , in januari 2011 mondeling tegenover ABS zijn bevestigd. Blijkens het rapport van ABS was de Auto volgens een monteur van Stern Amersfoort ‘een rommelig voertuig (…), waarvan de schade niet netjes hersteld was’.

Nadat ASR de claim van [appellanten] op 7 maart 2011 had afgewezen, heeft Stern Amersfoort schriftelijk aan [appellanten] bevestigd dat zij de auto altijd in onderhoud heeft gehad, deze in goede staat verkeerde en er nooit enige twijfel is geweest inzake garantieafhandeling. Ook vanuit Stern Nieuwegein is in mei 2011 schriftelijk aan [appellanten] bevestigd dat de auto goed was onderhouden en na de schade volledig was hersteld.

4.2

[appellanten] heeft in eerste aanleg - kort gezegd - gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat ASR op grond van de tussen partijen gesloten verzekeringsovereenkomst aansprakelijk is voor de schade die hij als gevolg van de diefstal heeft geleden, alsmede dat ASR tot betaling van schadevergoeding wordt veroordeeld. Daarnaast heeft [appellanten] een verklaring voor recht gevorderd dat de verzekeringsovereenkomst niet geëindigd is, alsmede een veroordeling van ASR om [appellanten] uit het incidentenregister te verwijderen, een en ander met veroordeling van ASR in de gedingkosten.

4.3

ASR heeft verweer gevoerd en heeft in reconventie veroordeling van [appellanten] gevorderd tot betaling van de expertisekosten ad € 3.713,88 met rente, alsmede veroordeling in de gedingkosten.

4.4

Bij tussenvonnis van 3 juli 2013 heeft de rechtbank [appellanten] opgedragen om feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit kan worden afgeleid dat de Auto op 30 november 2010 is gestolen. Bij eindvonnis van 14 januari 2015 heeft de rechtbank geoordeeld dat [appellanten] dit bewijs niet heeft geleverd. De rechtbank heeft de vorderingen van [appellanten] afgewezen en de reconventionele vordering van ASR toegewezen en [appellanten] veroordeeld in de gedingkosten van conventie en reconventie.

4.5

[appellanten] is met zeven grieven tegen dit vonnis opgekomen. Bij memorie van

antwoord heeft ASR de grieven bestreden en voorwaardelijk incidenteel appel ingesteld.

Het hof zal in het kader van de devolutieve werking eerst grief II in het incidenteel appel bespreken.

4.6

Met grief II in incidenteel appel is ASR opgekomen tegen het (impliciet) verwerpen van haar verweer (in het vonnis van 3 juli 2013) dat niet is komen vast te staan dat [appellanten] zijn mededelingsplicht heeft geschonden of opzettelijk een onware opgave heeft laten uitgaan.

4.7

ASR heeft daartoe onder meer aangevoerd dat [appellanten] haar een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven omtrent de aanschafwaarde, de reparatiekosten en de staat van de Auto, hetgeen ingevolge artikel 7:941 lid 5 jo. lid 2 BW, alsmede op grond van artikel 6, aanhef en lid 5 van de polisvoorwaarden verval van diens recht meebrengt.

Stelplicht en bewijslast ter zake van dit zelfstandig verweer rusten op ASR.

[appellanten] heeft de stellingen van ASR bestreden.

4.8

Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 7:941 lid 2 BW zijn de verzekeringnemer en de tot uitkering gerechtigde verplicht binnen een redelijke termijn de verzekeraar alle inlichtingen en bescheiden te verschaffen welke voor deze van belang zijn om zijn uitkeringsplicht te beoordelen. Op grond van lid 5 van artikel 7:941 BW vervalt het recht op uitkering als de in lid 2 bedoelde verplichting niet wordt nagekomen met het opzet de verzekeraar te misleiden, behoudens voor zover deze misleiding het verval van het recht op uitkering niet rechtvaardigt.

4.9

Het hof volgt ASR in haar stelling dat [appellanten] reeds bij het aangaan van de verzekering en andermaal in verband met de schademelding ten onrechte heeft verklaard dat hij de Auto in 2009 heeft aangeschaft voor € 72.000 en vervolgens aan de Auto reparaties heeft laten verrichten voor een bedrag van € 30.000. Het hof neemt daarbij het volgende in aanmerking:

( i) In het Rapport Verbeek I d.d. 30 juni 2009 is een waarde van de Auto genoemd van € 18.500, derhalve een veel lager bedrag dan door [appellanten] als aanschafwaarde is genoemd, alsmede een bedrag van ruim € 87.000 aan reparatiekosten;

(ii) De historische verkoopgegevens met betrekking tot de Auto ondersteunen de door [appellanten] gestelde aanschafwaarde evenmin, nu de Auto in maart 2009 blijkens een factuur van 23 maart 2009 voor een bedrag van € 49.180 (kaalprijs zonder BPM € 11.206,47) via [persoon 2] aan [persoon 3] is verkocht en onvoldoende is onderbouwd dat de Auto in de periode tussen deze verkoop in maart 2009 en de koop door [appellanten] ingrijpend hersteld is, waaruit het verschil met het genoemde bedrag van € 72.000 kan worden verklaard;

(iii) Getuige [de getuige] , blijkens zijn werkervaring terzake deskundig schadeonderzoeker, heeft als getuige verklaard dat, uitgaande van de kennis van de taxateur, de getaxeerde waarde van de auto ten tijde van de aankoop door [appellanten] tussen de € 16.000 en € 25.000 lag en dat ten tijde van de verkoop aan [persoon 3] sprake moet zijn geweest van een aanzienlijke schade en dat de Auto in feite technisch total loss was;

(iv) De heer [persoon 1] van Stern Nieuwegein heeft in een advies behorende bij een factuur van 24 juli 2009 (Bijlage 6 bij het als productie 3 bij inleidende dagvaarding overgelegde onderzoeksrapport van ABS) aanzienlijke gebreken geconstateerd aan de Auto, waaraan op dat moment (buiten de Stern Nieuwegein garage) reparaties waren verricht, reden waarom geen garantie werd verleend (scheefstaande pook, schade aan de onderzijde, ontzet rechter voorwiel, slecht sluitende en onder spanning staande portieren, scheef liggende voor- en achterruit en zeer veel storingen). [persoon 1] heeft deze bevindingen in een gesprek met ABS in januari 2011 mondeling bevestigd en heeft aan genoemde gebreken onder andere toegevoegd dat de pook onder spanning stond en daardoor moeilijk te bedienen was;

( v) [appellanten] heeft tegenover ABS verklaard dat de auto op het moment van aanschaf weliswaar niet vrij was van schade, maar dat de Auto in goede staat van onderhoud verkeerde en dat de motor en versnellingsbak onbeschadigd waren, hetgeen in strijd is met voornoemde bevindingen van Stern Nieuwegein en met het Rapport Verbeek I waarin de herstelkosten voor de auto op € 87.000 zijn geraamd;

(vi) [appellanten] heeft geen factuur met betrekking tot de aankoop van de Auto overgelegd;

(vii) [appellanten] heeft voor een veel beperkter bedrag reparatienota’s overgelegd dan het door hem genoemde herstelbedrag van € 30.000 (inclusief btw en BPM);

(viii) [appellanten] heeft geen facturen van herstelbedrijf Geurts overgelegd;

(ix) [appellanten] heeft tegenover ABS verklaard dat alle onderdelen voor de herstelwerkzaamheden origineel werden gekocht bij de Mercedes dealer in Amersfoort; in hoger beroep heeft [appellanten] aangevoerd dat zijn broer diverse onderdelen op marktplaats heeft gekocht.

4.10

Het had, gelet op de concrete stellingen van ASR met betrekking tot de onjuistheid van zijn mededelingen, op de weg van [appellanten] gelegen om ter motivering van zijn betwisting de door ASR genoemde specifieke omstandigheden nader toe te lichten. Zo had hij bijvoorbeeld een verklaring dienen te geven voor het verschil tussen de sub ii en iii genoemde bedragen en het door hem gestelde aanschafbedrag. Ook kon hij niet volstaan met het slechts in het algemeen stellen dat de schade aan de Auto volledig hersteld was, maar had hij specifiek per door Stern Nieuwegein genoemd gebrek (zie r.o. 4.9 sub iv) concreet moeten aanvoeren of dit gerepareerd was, door wie en op welk moment, alsmede in hoeverre de facturen met betrekking tot de aangeschafte onderdelen op die gebreken betrekking hebben. Ook lag het op de weg van [appellanten] om toe te lichten hoe het mogelijk is dat Verbeek de Auto op 30 juni 2009 heeft getaxeerd op een bedrag van € 18.500 en vervolgens op 15 januari 2010 op een bedrag van € 79.500. Onvoldoende in dit verband acht het hof de verklaring dat het in het eerste geval een taxatie in verband met de BPM betrof en die taxatie zo laag mogelijk gehouden moest worden. Niet alleen is de eerste taxatie van Verbeek ook in overeenstemming met de eerder genoemde historische bedragen, voorts is onverklaard gebleven hoe het verschil tussen een zo gunstig mogelijke taxatie in verband met de vaststelling van de BPM en de werkelijke waardevaststelling na reparatie zo groot zou kunnen zijn. Dat [appellanten] in hoger beroep nog heeft aangevoerd dat het bedrag van € 72.000 was ‘inclusief verschillende bijgekochte onderdelen’ is onvoldoende concreet en overtuigt evenmin, niet in de laatste plaats omdat dit de stelling van ASR ondersteunt dat de door [appellanten] genoemde koopprijs niet alleen op de Auto betrekking kan hebben gehad.

4.11

Wat de herstelwerkzaamheden betreft zijn de door ASR genoemde onduidelijkheden en tegenstrijdigheden onvoldoende opgehelderd door de - voor het eerst in hoger beroep aangevoerde - verklaring van [appellant sub 1] dat hij het herstel van de Auto aan zijn broer heeft uitbesteed. Het hof acht de verklaring van [appellanten] dat zijn broer ten behoeve van het schadeherstel met van [appellant sub 1] gekregen contant geld veel (grote) onderdelen heeft gekocht, en dat zijn broer ook herstelwerkzaamheden aan de Auto heeft verricht of heeft laten verrichten, in de eerste plaats als reactie op voornoemde stellingen onvoldoende concreet. Bovendien is deze verklaring in strijd met de verklaring van [appellanten] tegenover ASB (zie het onderzoeksrapport van 3 januari 2011, productie 3 bij inleidende dagvaarding), dat het schadeherstel is uitgevoerd door de fa. Geurts in Utrecht en dat alle delen origineel werden gekocht bij de Mercedes Dealer in Amersfoort. De stellingen omtrent de aanschaf van veel grote onderdelen via Marktplaats zijn ook in strijd met de door [appellanten] bij memorie van grieven overgelegde schriftelijke verklaring van Stern Nieuwegein (Stans van de Wetering, zie productie 17 bij memorie van grieven) dat alle originele onderdelen voor de schade bij Stern zijn gekocht.

De omstandigheid dat [appellanten] voor het ontbreken van diverse facturen als verklaring heeft gegeven dat de gehele administratie met betrekking tot de Auto (inclusief de ontbrekende kwitanties met betrekking tot de gestelde reparaties) ten tijde van de diefstal in de gestolen auto lag, draagt bij aan de noodzaak van een nadere toelichting met betrekking tot de vraag wie wanneer welke reparaties heeft uitgevoerd, in het licht van de concrete stellingen van ASR. [appellanten] heeft die niet gegeven.

Het hof is dan ook van oordeel dat [appellanten] de stellingen van ASR onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, zodat de stelling van ASR dat [appellanten] onware opgaven heeft gedaan over de Auto als vaststaand dient te worden aangenomen.

4.12

Naar het oordeel van het hof heeft [appellanten] voorts onvoldoende gemotiveerd betwist dat hij aan ASR opzettelijk onjuiste informatie heeft gegeven. Het lag immers eveneens op zijn weg om voor de hiervoor vastgestelde onware opgaven een plausibele verklaring aan te voeren, bijvoorbeeld een die erop wijst dat [appellanten] onopzettelijk onnauwkeurig is geweest in zijn verklaringen, of zich heeft vergist. In dit verband acht het hof onvoldoende de enkele stelling van [appellanten] dat hij zich niet zelf met het (doen)herstellen van de schade aan de Auto heeft beziggehouden, maar zijn broer [de broer] en dat hij daardoor wellicht niet altijd precies wist hoe het zat met de waarde en de schade van de Auto. [appellanten] heeft ook overigens in dit verband onvoldoende concrete feiten en omstandigheden aangevoerd. [appellanten] heeft aldus ook dit verweer onvoldoende gemotiveerd.

4.13

Gelet op het voorgaande moet als vaststaand worden aangenomen dat [appellanten] opzettelijk een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven met betrekking tot de door hem voor de Auto betaalde prijs, de staat waarin de Auto verkeerde en de herstelkosten. Nu [appellanten] niet heeft betwist dat dit informatie betreft die voor een verzekeraar van belang is om haar uitkeringsplicht te beoordelen, komt het hof tot de conclusie dat zijn recht op een verzekeringsuitkering ingevolge artikel 7:941 lid 5 jo. lid 2 BW is vervallen.

[appellanten] heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd die tot het oordeel leiden dat een verval van recht in het onderhavige geval niet gerechtvaardigd is. Blijkens de toelichting in de parlementaire geschiedenis is uitgangspunt dat alleen in bijzondere gevallen aangenomen kan worden dat opzet tot misleiding het gehele verval van uitkering niet rechtvaardigt. Naar het oordeel van het hof vormt de omstandigheid dat [appellanten] , ook als de aanschafwaarde lager is geweest, als gevolg van de diefstal in ieder geval in enige mate schade zal hebben geleden, geen reden om aan te nemen dat de misleiding het verval van uitkering niet rechtvaardigt, temeer niet nu ook bij de gestelde diefstal de nodige vragen zijn gerezen. Weliswaar moet in aanmerking worden genomen dat het beroep op verval van recht voor [appellanten] ingrijpende gevolgen heeft, ook gelet op de melding in het incidentenregister, maar het hof kent in dezen een doorslaggevend belang toe aan de omstandigheid dat de verzekeraar voor de vaststelling van de omvang van de schade in hoge mate is aangewezen op de betrouwbaarheid van de verzekerde. Het bijzondere vertrouwenskarakter van de verzekeringsovereenkomst brengt in het onderhavige geval mee dat zelfs als de onjuiste mededelingen slechts in geringe mate op de waardebepaling van de Auto van invloed zouden zijn geweest, dit niet als een zodanig bijzondere omstandigheid kan worden aangemerkt dat op grond daarvan het verval van het recht op uitkering niet gerechtvaardigd is. Het hof acht dit oordeel in overeenstemming met hetgeen in de memorie van toelichting met betrekking tot art. 7:941 lid 5 BW is vermeld, namelijk dat het niet gewenst is dat bedrog bij de schaderegeling de verplichting van de verzekeraar de werkelijk geleden schade te vergoeden, onverlet zou laten, omdat de bedrieger dan geen enkel risico loopt en er alleen maar ontoelaatbaar voordeel uit zou kunnen trekken.

4.14

Gelet op het voorgaande is het recht van [appellanten] op uitkering onder de verzekeringsovereenkomst vervallen. Nu ASR hetzelfde rechtsgevolg heeft ingeroepen op grond van haar polisvoorwaarden, behoeft niet afzonderlijk te worden beoordeeld of haar beroep op het bepaalde in de polis eveneens slaagt. Aan de (ambtshalve) beoordeling of de betreffende polisbepaling al dan niet als algemene voorwaarde met een onredelijk bezwarend karakter moet worden aangemerkt, wordt aldus bij gebrek aan belang evenmin toegekomen. Een eventuele vernietiging van de polisbepaling op die grond zou er immers niet aan in de weg staan dat het door ASR ingeroepen rechtsgevolg op grond van de wet (art. 7:941 lid 5 BW) is ingetreden.

5 Slotsom

5.1

Grief II in het incidenteel appel slaagt. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen, nu [appellanten] haar hiervoor besproken stellingen en verweren - in het licht van de stellingen van ASR - onvoldoende heeft gemotiveerd en onderbouwd. Het slagen van Grief II in het incidenteel appel leidt tot de conclusie dat de vorderingen van [appellanten] niet toewijsbaar zijn en het bestreden vonnis, onder verbetering van gronden, moet worden bekrachtigd.

Bij een behandeling van de overige grieven in het principaal en incidenteel appel bestaat geen belang.

5.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellanten] in de kosten van het hoger beroep veroordelen, zowel in het principaal appel als in het incidenteel appel.

De kosten voor de procedure in hoger beroep in het principaal appel aan de zijde van ASR zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 711

- salaris advocaat € 894

De kosten voor de procedure in hoger beroep in het incidenteel appel aan de zijde van ASR zullen worden vastgesteld op:

- salaris advocaat € 447.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 14 januari 2015;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van ASR vastgesteld op € 711 voor verschotten en op € 894 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief in het principaal appel en op € 447 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief in incidenteel appel;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.B. Beekhoven van den Boezem, Ch. E. Bethlem en A.S. Gratama en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 30 augustus 2016.