Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:6943

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-08-2016
Datum publicatie
31-08-2016
Zaaknummer
200.156.967
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2012:BY7828, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2014:5569, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHARL:2015:9532
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep van ECLI:NL:RBARN:2012:BY7828 en op ECLI:NL:RBGEL:2014:5569; vervolg op tussenarrest ECLI:NL:GHARL:2015:9532;

Schadeschatting wegens onrechtmatige procesvoering;

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.156.967

(zaaknummer rechtbank Arnhem, later Gelderland, zittingsplaats Arnhem, 228322)

arrest van 30 augustus 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Macon Nederland B.V.,

gevestigd te Wijchen,

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

eiseres in conventie tevens verweerster in reconventie,

hierna: Macon,

advocaat: mr. H.J. Ligtenbarg,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellant in het incidenteel hoger beroep,

gedaagde in conventie tevens eiser in reconventie,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. P.W.H.M. Dijkmans.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 15 december 2015 (verder: het tussenarrest) hier over.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- een akte uitlating van [geïntimeerde] met producties;

- een akte uitlating van Macon met producties;

- een akte van [geïntimeerde] , houdende reactie op een nieuwe productie zijdens Macon.

1.3

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De verdere beoordeling van de grieven en de vordering

2.1

Het hof verwijst naar en volhardt bij het tussenarrest. Ter correctie op rov. 4.2 daarvan merkt het hof op dat Macon haar vordering in conventie (iii) bij conclusie na enquête tevens houdende vermeerdering van eis nog had verhoogd tot € 34.929,95 in hoofdsom met toevoeging van een subsidiaire en meer subsidiaire vordering, maar deze kwestie is in appel niet meer aan de orde.

Bij het tussenarrest heeft het hof in conventie de primaire appelvordering I ad € 286.500 in hoofdsom toewijsbaar geoordeeld, maar de vorderingen II (ad USD 125.000) en IV (wegens buitengerechtelijke kosten) niet. In reconventie heeft het hof geoordeeld dat Macon jegens [geïntimeerde] ter zake van vordering (o) ad € 229.024,13 wegens een lening van USD 250.000 (ingetrokken ter comparitie in eerste aanleg, in een ander kader nog weer aan de orde in een voorlopig getuigenverhoor) en vordering (ii) ad € 100.825,90 (afgewezen in eerste aanleg) in verband met een lening van € 109.596,25 schadeplichtig is geworden wegens misbruik van procesrecht en onrechtmatig handelen. Het hof heeft de zaak naar de rol verwezen 1) opdat [geïntimeerde] zodanige specificaties bij de advocatendeclaraties in het geding zou brengen dat daaruit duidelijk wordt welke werkzaamheden tegen welk tijdsbeslag voor welke kwesties zijn verricht en voorts 2) opdat [geïntimeerde] met betrouwbare documenten zou aantonen dat de facturen uiteindelijk door hem zijn betaald.

2.2

Wat betreft vordering I primair ad € 286.500 heeft [geïntimeerde] verzocht terug te komen van de bindende eindbeslissingen in rov. 5.11 en 5.12 van het tussenarrest dat deze vordering voor toewijzing vatbaar is en dat de wettelijke rente daarover onweersproken is en heeft [geïntimeerde] ten slotte verzocht de veroordeling slechts voorwaardelijk uit te spreken in die zin dat deze vordering pas opeisbaar zal zijn op het moment dat de 3 miljoen aandelen door Revox aan hem, [geïntimeerde] , zijn overgedragen. Macon heeft hiertegen verweer gevoerd.

2.3

In het arrest HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2800, is geoordeeld dat de eisen van een goede procesorde meebrengen dat de rechter aan wie is gebleken dat een eerder door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte, eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen.

2.4

Het hof wijst er allereerst op dat rov. 5.4 van het tussenarrest niet over een geldlening gaat maar blijkens rov. 5.2 over regres. De verwijzing in de eerste regel van rov. 5.4 naar de overeenkomst van 30 november 2005 betreft de daarin opgenomen en door partijen ook niet ontkende samenwerking tussen [persoon 1] en [geïntimeerde] om zich voor gelijke delen te verbinden, zoals later, bij overeenkomst van 27 november 2009, tussen partijen uitgewerkt. Daaraan is de grondslag niet ontvallen door de in rov. 5.20 van het tussenarrest gesignaleerde misleiding bij de overlegging van de notulen met een onjuiste weergave van de bijeenkomst van 30 november 2005. In het licht hiervan biedt rov. 5.4 van het tussenarrest op basis van de daar verder opgenomen argumenten alle grond voor de daar neergelegde bindende eindbeslissing dat [geïntimeerde] en [persoon 1] zich over en weer hebben verbonden om op gelijke voet in een gezamenlijke onderneming te investeren (of voor [geïntimeerde] : door derden te doen investeren) ter verkrijging van aandelen in iTech en dat [geïntimeerde] zich er in de loop van het najaar van 2010 jegens [persoon 1] terdege van bewust toonde dat zijn funding van, de om fiscale redenen tussengeschoven, Revox geen gelijke voet had gehouden met die van [persoon 1] , dat hij in dit opzicht tegenover hem schuldig stond en dat hij bereid was om ander aandelenbezit te liquideren om alsnog aan zijn bijdrageplicht te voldoen voor de tot en met maart 2011 betaalde aandelen. Weliswaar bestrijdt [geïntimeerde] dat de overeenkomst van 27 november 2009 betrekking zou hebben op funding van Revox, maar het 12% aandeel van Van Duursen verplichtte deze slechts tot een investering in uren en niet in geld, terwijl [persoon 1] en [geïntimeerde] volgens deze overeenkomst ieder voor 44% zouden investeren in geld, zodat zij financiële investeringen fifty-fifty zouden inbrengen ter (middellijke) verkrijging van aandelen in iTech. Bovendien komt uit de in rov. 5.3 van het tussenarrest opgenomen e-mails van [geïntimeerde] vanaf 16 oktober 2010 naar voren dat [geïntimeerde] daarbij de funding van Revox voor ogen heeft gehad. Al met al bestaan er geen aanwijzingen voor een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, terwijl evenmin valt te verwachten dat op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zal worden gedaan.

2.5

De verschuldigdheid van wettelijke rente is op zichzelf niet weersproken, maar [geïntimeerde] heeft er nog op gewezen dat hij (bij memorie van antwoord in principaal appel sub 161) een algemeen beroep op opschorting van zijn verplichtingen heeft gedaan op de grond dat Revox nog geen enkel aandeel aan hem heeft geleverd. Naar het oordeel van het hof vloeit echter uit de verwerping in rov. 5.8 van het tussenarrest van dit opschortingsverweer voort dat dit verweer evenmin opgaat voor de wettelijke rente.

2.6

Ten slotte heeft [geïntimeerde] verzocht de veroordeling slechts uit te spreken onder de voorwaarde dat de vordering pas opeisbaar zal zijn op het moment dat de 3 miljoen aandelen door Revox aan hem zijn overgedragen.

Dit verweer had [geïntimeerde] in zijn eerste conclusie in hoger beroep kunnen en moeten voeren. De zogenaamde twee conclusie regel verzet zich er in beginsel tegen dat hij dit verweer thans voor het eerst voert, zodat daaraan bij gebreke van een uitzondering wordt voorbijgegaan.

2.7

In reconventie heeft het hof in het tussenarrest de zaak naar de rol verwezen onder andere opdat [geïntimeerde] met betrouwbare documenten zou aantonen dat de advocatendeclaraties uiteindelijk door hem zijn betaald.

2.8

Inmiddels staat vast dat de advocatendeclaraties niet op naam van [geïntimeerde] waren gesteld maar van BVBA Arosa Investments (verder: Arosa Investments), die ook alle facturen aan het advocatenkantoor heeft betaald. [geïntimeerde] heeft (als productie 103 bij zijn akte uitlating) een uitdraai overgelegd van alle mutaties van de bankrekening van die vennootschap via welke de uitgaande betalingen aan het advocatenkantoor verliepen en waarop tevens een aantal inkomende betalingen voorkomen van [geïntimeerde] dan wel zijn echtgenote [de echtgenote] , die volgens hem met hem in gemeenschap van goederen is gehuwd. [geïntimeerde] heeft dit alles samengevat in een Exceloverzicht (kolommen K en L in productie 104 bij die akte). Volgens [geïntimeerde] heeft hij dan wel zijn echtgenote en eenmaal - via zijn rekening courant - zijn vennootschap Valk Expresse Logistics B.V. steeds zoveel aan Arosa Investments betaald als nodig was ter doorbetaling aan het advocatenkantoor en heeft Arosa Investments de kosten ervan volledig doorbelast aan hem privé. Dit laatste heeft Macon betwist onder verwijzing naar de jaarrekeningen van Arosa Investments over augustus 2010 tot en met 2014 (producties 107 tot en met 110 bij haar akte uitlating), die volgens haar indiceren dat Arosa Investments overeenkomstig de advocatendeclaraties verliezen heeft geleden en deze ten laste van haar eigen vermogen heeft gebracht en dat Arosa Investments de betalingen van de zijde van [geïntimeerde] in zijn tegoed van Berndsens rekening courantverhouding met haar heeft geboekt, waardoor zijn vordering op haar aanzienlijk is opgelopen.

2.9

Naar aanleiding hiervan oordeelt het hof als volgt.

Bij haar laatste akte heeft Macon er (sub 5 en 7) al in voorzien dat [geïntimeerde] blijkbaar toch sinds 22 december 2000 in gemeenschap van goederen was gehuwd. [geïntimeerde] heeft vervolgens de akte tot wijziging van de huwelijkse voorwaarden van [geïntimeerde] in algehele gemeenschap van goederen per 22 december 2000 (productie 107) in het geding gebracht, waarop Macon, hoewel dat mogelijk was, niet meer heeft gereageerd. Daarom neemt het hof aan dat [geïntimeerde] in gemeenschap van goederen was gehuwd sedert 22 december 2000.

2.10

Inmiddels heeft [geïntimeerde] wel aangetoond dat hij dan wel zijn echtgenote en eenmaal - via zijn rekening courant - zijn vennootschap Valk Expresse Logistics B.V. de

advocatendeclaraties heeft voldaan aan Arosa Investments. De verdere boekhoudkundige verwerking daarvan bij Arosa Investments kan mogelijk nieuwe vragen oproepen welke Macon heeft gesteld, maar dit is niet doorslaggevend. [geïntimeerde] heeft bij zijn eerste akte na tussenarrest (sub 4) aangevoerd dat Arosa Investments geen middelen had om te betalen, hetgeen Macon niet heeft bestreden, terwijl Macon zelf bij haar akte na tussenarrest (sub 27) heeft uiteengezet dat er geen inkomstenstroom in Arosa Investments was. Aldus heeft [geïntimeerde] de betalingen door en voor hem aan Arosa Investments aangetoond en dat is uiteindelijk beslissend, niet hun interne boekhoudkundige afwikkeling.

2.11

Verder heeft het hof in het tussenarrest de zaak naar de rol verwezen opdat [geïntimeerde] zodanige specificaties bij de advocatendeclaraties in het geding zou brengen dat daaruit duidelijk wordt welke werkzaamheden tegen welk tijdsbeslag voor welke kwesties zijn verricht. [geïntimeerde] heeft wel de bij de declaraties behorende specificaties overgelegd maar deze vermelden niet meer dan honderden data, bestede minuten en uiterst summiere omschrijvingen zoals: brief, telefoon, overleg, notitie, studie, voorbereiding, processtuk, enzovoorts. Daaruit valt voor de wederpartij, naar Macon terecht heeft aangevoerd, en ook voor het hof zonder nadere toelichting van [geïntimeerde] , die ontbreekt, niet eenvoudig en overzichtelijk af te leiden hoeveel tijd de advocaat van [geïntimeerde] heeft besteed aan de bestrijding van de beide vorderingen (o) en (ii) in het kader van de hoofdprocedure en in het kader van het voorlopig getuigenverhoor. Het hof heeft de mogelijkheid overwogen alsnog van [geïntimeerde] te verlangen dat hij per verrichting duidelijk, gespecificeerd en controleerbaar opgeeft in hoeverre elke verrichting betrekking heeft op een van die beide vorderingen en dat hij voor zover bij die verrichtingen andere vorderingen aan de orde zijn geweest deze daaruit duidelijk, gespecificeerd en controleerbaar elimineert. Gelet op het schadedebat tot nu toe zou dit wel zo ongeveer een gecombineerd en kostbaar rapport van Berndsens advocaat en accountant vergen, waarna Macon dan ongetwijfeld met een tegenrapportage zou komen, zodat een deskundigenonderzoek dan in het verschiet ligt. Dit alles moet, zoveel jaren na de in 2005 aangevangen samenwerking en de sedert 2012 lopende procedure worden vermeden. Nu de omvang van de schade niet nauwkeurig (en zeker niet voortvarend, doeltreffend en betaalbaar) kan worden vastgesteld, zal zij op de voet van artikel 6:97 BW worden geschat, waarvoor onvermijdelijk een globale benadering is geboden. Maar voordat het hof dit onderwerp verder uitwerkt, komen eerst de andere verweren van Macon aan de orde.

2.12

Macon heeft aangevoerd dat de advocaatkosten voor rekening van [geïntimeerde] moeten blijven nu hij er zelf voor heeft gekozen om verweer te voeren tegen een in hoger beroep voor € 286.500 toewijsbaar geoordeelde vordering die ook in eerste aanleg al rechtens toewijsbaar was.

Naar het oordeel van het hof gaat dit standpunt echter niet op omdat de desbetreffende vorderingen (o) en (ii) destijds niet op de daar aangevoerde gronden toewijsbaar waren.

Verder heeft Macon het verweer gevoerd dat zij voor vordering (o) geen vonnis heeft gevraagd en een voorlopig getuigenverhoor is gestart dat niet door een procedure is gevolgd.

Naar het oordeel van het hof neemt dit alles niet weg dat [geïntimeerde] professionele inspanningen heeft moeten verrichten om die claim af te houden met alle kosten van dien. Dat een voorlopig getuigenverhoor toch al niet tot een veroordeling zou kunnen leiden, zoals Macon betoogt, is hier niet van belang omdat het aanhangig maken van een voorlopig getuigenverhoor in dit geval berust op onrechtmatig procederen.

Ook de opvatting van Macon dat [geïntimeerde] zich niet tegen vordering (ii) had behoeven te verweren omdat Macon uiteindelijk is meegegaan in de wijze van toerekening van deze betalingen aan Revox, zodat per saldo de hoogte van de vordering van Macon niet wezenlijk wijzigde, gaat naar het oordeel van het hof niet op, waartoe het hof verwijst naar zijn overweging in de tweede alinea van rov. 2.12.

Van eigen schuld in de zin van artikel 6:101 BW aan de zijde van [geïntimeerde] is dan ook geen sprake.

2.13

Tegen de omvang van de schadeposten heeft Macon bij haar akte na tussenarrest diverse detailverweren gevoerd, zoals (onder 45) dat [geïntimeerde] zich bij een zitting heeft laten bijstaan door twee advocaten, (onder 47) dat een bepaald telefoongesprek geen betrekking kan hebben op het voorlopig getuigenverhoor en dat op enige datum geen zitting zou hebben plaatsgevonden, (onder 48) dat buitenproportioneel is dat [geïntimeerde] op één dag 330 en 275 minuten met twee advocaten zou hebben gesproken en (onder 49 e.v.) dat evident onjuist is dat op 3 en 11 juni 2013 twee keer melding wordt gemaakt van een zitting, terwijl slechts één advocaat op die zittingen aanwezig is geweest zonder kantoorgenoot en de op de laatste zitting wel aanwezige advocaat mr. Ponds geen vragen zou hebben gesteld, waardoor er ook geen noodzaak was om bij het getuigenverhoor aanwezig te zijn.

Ook hier heeft het hof overwogen om [geïntimeerde] in de gelegenheid te stellen om op de kritiekpunten van Macon te reageren. Het hof acht echter de kritiekpunten van ondergeschikte aard, zodat - in het licht van de navolgende schattingswijze van de schade – daaraan onvoldoende gewicht toekomt en daaraan voorbij zal worden gegaan. Daarbij komt dat het primair aan [geïntimeerde] als opdrachtgever is om de gepresenteerde advocatendeclaraties kritisch te volgen en dat de daarop door zijn tegenpartij Macon geoefende kritiek niet snel zal kunnen slagen aangezien de wijze van verdediging en de afrekening daarvan nu eenmaal in beginsel een zaak is tussen de cliënt en zijn advocaat. De omstandigheid dat in het proces-verbaal van voorlopig getuigenverhoor geen melding wordt gemaakt van de aanwezigheid van twee advocaten, sluit niet uit, zoals regelmatig voorkomt, dat een tweede advocaat in burger als secondant aanwezig is, waardoor deze niet altijd in het proces-verbaal zal worden vermeld.

2.14

Het hof kiest namelijk voor een schadevergoeding op basis van het relatieve aandeel van de onrechtmatige vorderingen ten opzichte van alle vorderingen in conventie en in reconventie welk aandeel wordt vermenigvuldigd met de over bepaalde tijdsfasen totaal verschuldigd geworden advocatenhonoraria, hetgeen hierna als volgt zal worden uitgewerkt.

2.15

Vordering (o) in conventie betrof een hoofdsom van € 229.024,13 en is ingetrokken bij vermindering van eis d.d. 18 oktober 2012. Haar relatieve aandeel moeten worden betrokken op zowel de conventie als de (onder het liquidatietarief af te rekenen) reconventie. In conventie bedroegen de gevorderde hoofdsommen afgerond in totaal € 229.024 + € 253.410 + € 100.825 + € 24.130 = € 607.389. In reconventie bedroeg het gevorderde € 35.866 + € 77.273 en dan was er nog de vordering tot opheffing van de beslagen. Deze laatste vordering valt onder liquidatietarief II met een belang tussen € 20.000 en € 40.000, zodat het hof bij gebreke van enige andere aanwijzing aan deze vordering een gemiddelde waarde toekent van € 30.000. In totaal komt de reconventie dan neer op € 143.139. Haar relatieve aandeel bedroeg derhalve tot 18 oktober 2012 € 229.024 : (€ 607.389 + € 143.139) = afgerond 31%.

De declaraties voor de werkzaamheden tot en met 18 oktober 2012 (producties 98 en 99) bij eerste akte na tussenarrest) bedragen € 6.895,78 + € 1.936,62 + € 8.229,98 + € 876,09 + € 2.631,19 + € 7.016,67 + € 2.946,50 + € 5.333,39 + € 8.724,07+ € 268,71 + € 415,52 + € 8.900,56 + (beperkt tot en met 18 oktober 2012) € 9.453,15 = € 63.628,23. Daarom komt aan [geïntimeerde] wegens onrechtmatig procederen door Macon wegens vordering (o) een schadevergoeding toe van 31% x € 63.628,23 = afgerond € 19.725.

2.16

Vordering (o) is daarna blijkens het verzoekschrift (productie 41 bij conclusie van [geïntimeerde] van 28 augustus 2013) het enige onderwerp geweest van het voorlopig getuigenverhoor, zodat zij 100% betreft van het declaratiebedrag van € 34.148,82 (producties 101 en 102 bij eerste akte van [geïntimeerde] na het tussenarrest), van welk bedrag ook Macon uitgaat.

2.17

Vordering (ii) in conventie betrof een hoofdsom van € 100.825,90 en is afgewezen bij eindvonnis van 25 juni 2014. Ook haar relatieve aandeel moeten worden betrokken op zowel de conventie als de reconventie. De gevorderde hoofdsommen bedroegen afgerond in totaal tot 18 oktober 2012 in conventie € 607.389 + in reconventie € 143.139 = € 750.528
(zie hiervoor) en vanaf 18 oktober 2012 tot 25 juni 2014 in conventie € 253.410 + € 100.825 + € 24.130 + in reconventie € 176.837 = € 555.202. Haar relatieve aandeel bedroeg derhalve tot 18 oktober 2012 € 100.825 : € 750.528 = afgerond 13% en vanaf 18 oktober tot 25 juni 2014 € 100.825 : € 555.202 = afgerond 18%.

De declaraties voor de werkzaamheden tot en met 18 oktober 2012 (producties 98 bij eerste akte na tussenarrest) bedragen tezamen € 63.628,23 (zie hiervoor).

De declaraties voor de werkzaamheden vanaf 18 oktober 2012 tot en met 25 juni 2014 (producties 99 en 100 bij eerste akte van [geïntimeerde] na tussenarrest) bedragen € 1.428,86 + € 1.206,63 + € 1.803,33 + € 2.795,22 + € 985,80 + € 1.635,32 + € 8.742,09 + € 2.468,48 + € 711+ € 1.348,85 + € 528,68 + € 4.862,10 + € 1.800,68 + € 576,38 + € 898,35 + € 8.516,84 + € 1.646,71 + € 572,40 + € 4.325,95 + € 2.595,15 + € 760,02 + € 569,49 + € 627,53 + € 765,86 + € 14.091,92 + € 12.796,82 = € 79.060,46.

Daarom komt aan [geïntimeerde] wegens onrechtmatig procederen door Macon wegens vordering (ii) een schadevergoeding toe van 13% x € 63.628,23 + 18% x € 79.060,46 = afgerond € 22.503.

2.18

Het totaal van deze schadebedragen komt uit op afgerond € 19.725 + € 34.149 + € 22.503 = € 76.377. Voor een aftrek op basis van het liquidatietarief bestaat bij deze benadering geen grond omdat de proceskostenliquidatie daarop niet is betrokken. Derhalve is in reconventie een bedrag toewijsbaar van € 76.377, vermeerderd met de wettelijke rente.

2.19

Macon heeft tenslotte vergoeding gevorderd van door haar gemaakte kosten wegens een eerste beslaglegging in januari 2012 en van een tweede beslaglegging in januari 2015. In hoger beroep heeft [geïntimeerde] deze vordering niet (gemotiveerd) bestreden, zodat zij toewijsbaar is zoals hieronder vermeld.

2.20

Tegen de afwijzing van de waarmerking als Europese territoriale titel heeft Macon geen grief gericht en dit ook in haar integrale petitum aan het slot van de memorie van grieven niet opnieuw gevorderd. Daarom blijft deze vordering in hoger beroep buiten beschouwing.

3 De slotsom

3.1

Het principaal en incidenteel appel slagen, zodat de bestreden vonnissen moeten worden vernietigd, met uitzondering van de veroordelingen in reconventie in het eindvonnis onder 3.4 en 3.5.

Zoals in het tussenarrest overwogen, is in conventie de vordering van € 286.500 voor toewijzing vatbaar, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 22 december 2010.

Zoals in dit arrest overwogen, is in reconventie de vordering van € 76.377 voor toewijzing vatbaar, vermeerderd met de onweersproken wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW.

De restitutievorderingen zijn over en weer toewijsbaar zoals hieronder vermeld.

3.2

Als de overwegend in het ongelijk te stellen partij zal [geïntimeerde] worden veroordeeld in de kosten van het principaal appel en in de kosten voor de procedure in eerste aanleg in conventie inclusief de beslagkosten.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg in conventie aan de zijde van Macon zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 163,35

- eerste beslagexploten € 1.305,83

- tweede beslagexploten € 0

- griffierecht beslagrekest en € 1.188,00

- griffierecht hoofdzaak € 2.471,00

- getuigentaxen € 365,00

subtotaal verschotten € 5.493,18

- salaris advocaat € 15.000,00 (7,5 punten x tarief VI)

totaal € 20.493,18.

De kosten voor de procedure in het principaal appel aan de zijde van Macon zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 79,15

- griffierecht € 5.114,00

subtotaal verschotten € 5.193,15

- salaris advocaat € 11.420,50 (3,5 punten x appeltarief VI)

totaal € 16.613,65.

3.3

Als de overwegend in het ongelijk te stellen partij zal Macon worden veroordeeld in de kosten van het incidenteel appel en in de kosten voor de procedure in eerste aanleg in reconventie.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg in reconventie aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op:

- getuigentaxen € 214,80

subtotaal verschotten € 214,80

- salaris advocaat € 8.526,00 (6 punten x tarief V)

totaal € 8.740,80.

De kosten voor de procedure in incidenteel appel aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op:

- salaris advocaat € 9.212,00 (3,5 punten x appeltarief V).

3.4

Als niet weersproken zal het hof ook de over en weer gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten (ten gunste van Macon vermeerderd met de wettelijke rente) toewijzen zoals hierna vermeld.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt de vonnissen van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 6 november 2013 en van 25 juni 2014, dit laatste met uitzondering van het dictum onder 3.4, en 3.5, en doet voor het overige opnieuw recht:

in het principaal appel:

in conventie:

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan Macon van een bedrag van € 286.500, vermeerderd met de wettelijke rente daarover als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 22 december 2010 tot de dag der voldoening;

voorts:

veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling aan Macon van hetgeen zij ter voldoening aan het eindvonnis van 25 juni 2014 aan [geïntimeerde] heeft voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van betaling tot de dag der terugbetaling;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het principaal appel en de eerste aanleg in conventie, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van Macon wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 5.493,18 voor verschotten en op € 15.000 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en tot aan deze uitspraak wat betreft het principaal hoger beroep vastgesteld op € 5.193,15 voor verschotten en op € 11.420,50 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde] in de nakosten, begroot op € 131, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68 in geval hij niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;

in het incidenteel appel:

in reconventie:

veroordeelt Macon tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 76.377, vermeerderd met de wettelijke rente daarover als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 14 dagen na betekening van dit arrest tot de dag der algehele voldoening;

voorts:

veroordeelt Macon tot terugbetaling aan [geïntimeerde] van hetgeen hij ter voldoening aan het eindvonnis van 25 juni 2014 aan Macon heeft voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van betaling tot de dag der terugbetaling;

veroordeelt Macon in de kosten van het incidenteel appel en de eerste aanleg in reconventie, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 214,80 voor verschotten en op € 8.526 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en tot aan deze uitspraak wat betreft het incidenteel hoger beroep vastgesteld op € 9.212 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt Macon in de nakosten, begroot op € 131, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68 in geval zij niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

in het principaal en incidenteel appel:

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.W. Steeg, Ch.E. Bethlem, en A.M.C. Groen, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 30 augustus 2016.