Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:6930

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-08-2016
Datum publicatie
30-08-2016
Zaaknummer
200.181.938/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkheid incidenteel appèl wegens onvoldoende aanvoering van gronden. Zorgregeling en kinderalimentatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.181.938/01

(zaaknummer rechtbank C/17/133786 / FA RK 14-550)

beschikking van 9 augustus 2016

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. H.M. Bakker te Heerenveen,

en

[verweerster] ,

wonende te [A] ,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. A. Kauling-Leeftink te Oosterwolde.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 22 oktober 2014 en 9 september 2015 (hersteld bij beschikking van 18 november 2015), uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 9 december 2015;

- een journaalbericht van mr. Bakker van 16 december 2015 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Bakker van 17 december 2015 met productie(s);

- een brief van de raad voor de kinderbescherming (hierna te noemen: de raad) van

16 december 2015;

- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met productie(s);

- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Bakker van 20 mei 2016 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Bakker van 30 mei 2016 met productie(s).

2.2

De minderjarigen [de minderjarige1] (hierna te noemen: [de minderjarige1] ), geboren [in]

[in] 2000, en [de minderjarige2] (hierna te noemen: [de minderjarige2] ), geboren [in] 2003, hebben bij brieven van 4 mei 2016 aan het hof hun mening kenbaar gemaakt met betrekking tot het verzoek.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 2 juni 2016 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad is - in het kader van zijn adviserende taak - de heer [B] verschenen.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het huwelijk van partijen is in 2010 ontbonden door echtscheiding.

3.2

De man en de vrouw zijn de ouders van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] , over wie partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen. De kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw en hebben vanaf december 2011 geen contact meer met de man gehad.

3.3

Partijen hebben op 28 september 2010 een ouderschapsplan ondertekend. Hierin hebben zij afgesproken dat de kinderen een weekend per veertien dagen en de helft van de vakantie en feestdagen bij de man verblijven. Bij beschikking van 20 oktober 2010 heeft de (voormalige) rechtbank Leeuwarden partijen onder andere veroordeeld tot naleving van dit ouderschapsplan.

3.4

Bij beschikking van 6 maart 2013 heeft de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, bepaald dat de man met ingang van 13 juli 2012 tot 1 november 2012 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] aan de vrouw dient te betalen van € 280,- per kind per maand en vanaf 1 november 2012 een bedrag van € 210,- per kind per maand. Deze beschikking is door het hof bekrachtigd.

3.5

Bij inleidend verzoekschrift heeft de man de rechtbank verzocht te bepalen dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] eenmaal per veertien dagen van vrijdag 19.00 uur tot zondag 19.00 uur bij de man verblijven, alsmede de helft van de vakanties en de feestdagen. De man heeft de rechtbank voorts primair verzocht te bepalen dat de beschikking van 6 maart 2013 wordt gewijzigd met dien verstande dat de man vanaf 13 juli 2012 tot november 2012 een bedrag van € 125,50 per kind per maand dient te betalen, vanaf november 2012 tot juni 2013 een bedrag van € 75,- per kind per maand en dat vanaf juni 2013 de alimentatie ten behoeve van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] op nihil wordt gesteld en zo door hem in dit verband enig bedrag aan de vrouw zou zijn betaald, te bepalen dat de vrouw deze bedragen aan hem dient te restitueren, dan wel, geheel subsidiair, een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te bepalen welke de rechtbank juist acht. (Meer) subsidiair verzoekt de man de rechtbank te bepalen dat met ingang van 6 juni 2013 de alimentatie ten behoeve van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] op nihil wordt gesteld, dan wel, meer subsidiair, met ingang van de datum indiening van het verzoek.

3.6

De vrouw heeft verweer gevoerd en verzocht het verzoek van de man ten aanzien van de zorgregeling af te wijzen, hetgeen de man primair heeft verzocht af te wijzen, althans te beslissen dat de beslissing van het hof van 18 februari 2014 in stand blijft daar waar het betreft de periode voor 6 juni 2013 maar dat de man vanaf 6 juni 2013 gehouden is om € 25,- per kind per maand bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] , waarbij er voor de vrouw geen terugbetalingsverplichting ontstaat voor het geval de man onverwacht toch onverschuldigd heeft betaald.

3.7

De rechtbank heeft op 22 oktober 2014 een tussenbeschikking gegeven en de raad verzocht een onderzoek in te stellen naar de mogelijkheden om een zorgregeling tussen de man en de kinderen vast te stellen.

3.8

De raad heeft op 29 januari 2015 gerapporteerd en de rechtbank geadviseerd om het verzoek van de man met betrekking tot de zorgregeling tussen hem en [de minderjarige1] en [de minderjarige2] af te wijzen.

3.9

Bij de bestreden uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking, hersteld bij beschikking van 18 november 2015, heeft de rechtbank de beschikking van 6 maart 2013, bekrachtigd door het hof bij beschikking van 18 februari 2014, gewijzigd, en bepaald dat de man van 1 januari 2013 tot 6 juni 2013 een bedrag van € 162,- per kind per maand aan de vrouw dient te betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] , van 6 juni 2013 tot 1 juli 2015 een bedrag van € 96,- per kind per maand en met ingang van 1 (naar het hof begrijpt:) juli 2015 een bedrag van € 25,- per kind per maand.
De rechtbank heeft aan de vrouw geen terugbetalingsverplichting opgelegd en de overige verzoeken afgewezen.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is de zorgregeling tussen de man en [de minderjarige1] en [de minderjarige2] en de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] .

4.2

De man is met vier grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van

9 september 2015. Deze grieven zien op zijn draagkracht en het afwijzen van de zorgregeling tussen hem en de kinderen. De man verzoekt het hof te bepalen dat de beschikking van

9 september 2015, hersteld bij beschikking van 18 november 2015, ten aanzien van de kinderbijdrage wordt vernietigd en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de man vanaf

1 januari 2013 tot 6 juni 2013 een bedrag van € 108,50 per kind per maand dient te betalen en vanaf 6 juni 2013 tot 1 juli 2015 een bedrag van € 45,25 per kind per maand dient te betalen en dat vanaf 1 juli 2015 de alimentatie ten behoeve van de kinderen op nihil wordt gesteld, dan wel (subsidiair) een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van de minderjarige kinderen te bepalen welke het hof juist acht. De man heeft het hof voorts verzocht de bestreden beschikking te vernietigen ten aanzien van de beslissing omtrent de zorgregeling en opnieuw rechtdoende te bepalen dat partijen worden verwezen naar het Kenniscentrum Kind en Echtscheiding en voorts te bepalen dat het contact tussen de man en de kinderen wordt hersteld en dat er uiteindelijk toegewerkt gaat worden naar een zorgregeling waarbij de kinderen eenmaal per veertien dagen van vrijdag 19.00 uur tot zondag 19.00 uur alsmede de helft van de vakanties en feestdagen bij de man verblijven.

4.3

De vrouw heeft verweer gevoerd en is op haar beurt met twee grieven in incidenteel hoger beroep gekomen. De grieven van de vrouw zien op de draagkracht van de man en de zorgkorting. De vrouw verzoekt het hof het verzoek van de man tot vernietiging van de bestreden beschikking wat betreft de alimentatie ten behoeve van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] af te wijzen en opnieuw rechtdoende de bijdrage van de man te vast te stellen op hetgeen de rechtbank in haar beschikking heeft vastgesteld, aangevuld met hetgeen door de vrouw is aangevoerd in incidenteel appel, althans te bepalen dat de man dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met een bedrag dat het hof juist acht en daarbij aan te tekenen dat er voor de vrouw geen restitutieverplichting geldt gelet op het consumptieve karakter van de kinderalimentatie en het verzoek van de man tot vernietiging van de bestreden beschikking ten aanzien van de beslissing omtrent de zorgregeling af te wijzen en genoemde beslissing te bekrachtigen. De vrouw heeft het hof voorts verzocht de man te veroordelen in de kosten van de procedure.

4.4

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep gezamenlijk beoordelen. Tussen partijen zijn de volgende punten in geschil:

● de zorgregeling;

● de draagkracht van de man en wel op de volgende punten:

○ de verwijtbaarheid van het inkomensverlies van de man;

○ de aflossingen op schulden;

○ de draagkracht van de man vanaf 1 juli 2015;

● de zorgkorting;

● de proceskosten.

5 De ontvankelijkheid van het incidenteel appel

Ingevolge artikel 359 juncto 278 van het Wetboek van Rechtsvordering (hierna: Rv) dient het verzoekschrift in hoger beroep een duidelijke omschrijving van het verzoek en de gronden waarop het berust in te houden. De omschrijving van het verzoek dient daaruit te bestaan dat vernietiging van de bestreden beschikking wordt verzocht en voorts wordt aangegeven welke andere beslissing van de rechter in hoger beroep wordt verwacht.
Uit het incidentele beroepschrift van de vrouw kan het hof - zelfs met welwillend lezen -
niet opmaken wat de vrouw in hoger beroep verzoekt ten aanzien van haar eerste grief en
wat derhalve de omvang van de rechtsstrijd is. Het petitum is in deze volstrekt onduidelijk. De advocaat van de vrouw heeft ter zitting, ondanks de bij herhaling geboden gelegenheid hiertoe, niet kunnen concretiseren en/of verduidelijken hoe het hof het petitum van het incidentele beroepschrift dient te lezen en wat de consequenties zouden moeten zijn van het toewijzen van haar eerste grief. Het hof zal de vrouw derhalve niet-ontvankelijk verklaren in haar hoger beroep voor zover het haar eerste grief betreft nu niet is voldaan aan de hiervoor genoemde vereisten. Het geschilpunt ten aanzien van de verwijtbaarheid van het inkomensverlies van de man komt hiermee te vervallen.

6 De motivering van de beslissing

De zorgregeling

6.1

Tussen partijen is in geschil de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] .

6.2

Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten:

a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede en uitsluitend indien het belang van het kind dit vereist, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben;

b. de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft;

c. de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze ouder wordt geraadpleegd;

d. de wijze waarop informatie door derden overeenkomstig artikel 1:377c, eerste en tweede lid, BW wordt verschaft.

6.3

De man is van mening dat de rechtbank zijn verzoek tot het vaststellen van een zorgregeling tussen hem en [de minderjarige1] en [de minderjarige2] ten onrechte heeft afgewezen. In het raadsrapport van 29 januari 2015 concludeert de raad - kort gezegd - dat er bij de kinderen kenmerken van ouderverstoting aanwezig zijn. Het bestaan van (kenmerken van) het ouderverstotingssyndroom bij de kinderen vormt een zeer ernstige bedreiging voor hun geestelijke ontwikkeling en zorgt vaak voor problemen op volwassen leeftijd. De man stelt dat deze bedreiging moet worden afgewend. Hij is van mening dat de kinderen hulp nodig hebben en dat binnen die hulp gekeken moet worden naar de mogelijkheden voor contactherstel. Binnen de hulpverlening moet gewerkt worden aan het ombuigen van het negatieve beeld van de kinderen over de man naar een positief beeld.

6.4

De vrouw is van mening dat de rechtbank het verzoek van de man om een zorgregeling tussen hem en de kinderen vast te stellen terecht heeft afgewezen nu de rechtbank het risico te groot acht dat omgang ten koste zal gaan van de ontwikkeling van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . De vrouw is van mening dat de man zijn aandeel in de weerstand van de kinderen bagatelliseert. De kinderen hebben veel meegemaakt in hun relatie met de man en zij hebben uitdrukkelijk en bij herhaling uitgesproken dat zij geen contact met hem wensen.

6.5

De raad heeft in zijn rapport van 29 januari 2015 gesteld dat de raad zich zorgen maakt over de ernstig verstoorde relatie tussen de man en de kinderen. Bij de kinderen is er geen enkele ruimte voor contact met de man. Ze zijn alleen maar negatief over de man en niet nieuwsgierig of bereid om op wat voor manier dan ook contact te hebben. Het is voor de raad duidelijk dat de kinderen op dit moment een dusdanig negatieve beleving van hun vader hebben dat er geen mogelijkheden zijn voor contact. Hoewel de negatieve verhalen van de kinderen over de man volgens de kinderen gebaseerd zijn op eigen ervaringen, maakt de raad zich zorgen over de invloed en de houding van de vrouw hierin. De vrouw heeft onvoldoende oog voor het belang en het recht van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] om beide ouders te zien en is niet in staat gebleken nuances aan te brengen en de negatieve verhalen van de kinderen over de man bij te sturen. De raad constateert dat de kinderen de man inmiddels volledig afwijzen en geen ruimte voelen voor hem in hun leven. De raad heeft de optie van een verwijzing naar het omgangscentrum overwogen maar is tot de conclusie gekomen dat de risico's voor de kinderen op een terugval in hun ontwikkeling te groot zijn. Gezien de buitengewoon afwijzende houding van de vrouw en de kinderen zullen de kinderen te veel stress ervaren mocht deze vorm van hulp opgelegd worden. De raad verwacht bovendien dat wanneer omgang nu wordt opgelegd de man hiervan de schuld zal krijgen en het beeld dat de kinderen van de man hebben nog meer in negatieve zin beïnvloed wordt. De raad ziet op dit moment geen enkele mogelijkheid voor contactherstel en adviseert het verzoek van de man af te wijzen.

6.6

Uit het raadsrapport en hetgeen de vrouw hieromtrent heeft verklaard ter zitting van het hof is duidelijk dat de vrouw op dit moment geen ruimte heeft om de omgang tussen de man en de kinderen te ondersteunen en dat de kinderen zich verzetten tegen contact met de man.

Gelet op de leeftijd van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] en in aanmerking genomen dat zij consistent zijn in hun wens om nu geen contact met de man te hebben, is het hof van oordeel dat hun mening serieus moet meewegen bij de beoordeling van het verzoek van de man. Gelet hierop acht het hof, het advies van de raad in aanmerking nemende, bij deze stand van zaken het vaststellen van een zorgregeling tussen de vader en de kinderen in strijd met hun zwaarwegende belangen. Het hof is, met de raad, van oordeel dat het thans gedwongen tot stand proberen te brengen van contact tussen de man en de kinderen contraproductief zal werken. De man heeft het hof verzocht partijen te verwijzen naar het Kenniscentrum Kind en Echtscheiding. Dit verzoek is gekoppeld aan zijn verzoek om het contact tussen hem en de kinderen weer tot stand te brengen en om uiteindelijk tot een reguliere zorgregeling te komen. Het hof zal het verzoek van de man op dit punt, gelet op het vorenstaande, dan ook afwijzen. Dit laat echter onverlet dat het voor de vrouw erg raadzaam zou zijn om in gesprek te gaan bij het Kenniscentrum Kind en Echtscheiding. Het hof onderschrijft de visie van de raad dat het van belang is dat de vrouw zich laat voorlichten over de negatieve consequenties van de huidige situatie voor de kinderen. Het is belangrijk dat de vrouw leert op een neutrale wijze over de man te praten en zich niet alleen te laten leiden door haar emoties. Het kenniscentrum zou haar handvatten kunnen geven om de kinderen buiten de strijd te houden en hen zo goed mogelijk te begeleiden in deze lastige situatie. De vrouw dient zich te realiseren dat het volledig uitblijven van contact met hun vader [de minderjarige1] en [de minderjarige2] op termijn in hun ontwikkeling zal belemmeren. Het hof adviseert de vrouw dan ook dringend om wel in gesprek te gaan met het kenniscentrum, niet zo zeer om thans de omgang tussen de man en de kinderen weer op gang te brengen, maar meer om te leren hoe zij de kinderen de ruimte kan bieden om een ander beeld van de man, hun vader, te krijgen. Daarnaast zal ook de man dienen te werken aan zijn houding jegens de vrouw en de kinderen en dienen te accepteren dat zij een andere beleving hebben van de gebeurtenissen in het verleden dan hij.

6.7

Het hof zal de bestreden beschikking op het punt van de zorgregeling bekrachtigen.

De hoogte van de behoefte van de kinderen

6.8

Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in 2013

€ 403,- per kind per maand bedroeg. Ingevolge de wettelijke indexering is de behoefte van de kinderen in 2015 (afgerond) € 410,- per kind per maand en in 2016 (afgerond) € 415,- per kind per maand.

De berekening van de draagkracht van de man

*De aflossingen op schulden

6.9

De man is van mening dat de rechtbank bij de berekening van zijn draagkracht ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de aflossingen die hij verricht op zijn schulden. De man lost met € 108,- per maand af op een doorlopend krediet en met € 50,- per maand op een creditcardschuld. Beide schulden zijn volgens hem tijdens het huwelijk ontstaan en ten aanzien van de creditcardschuld is alleen dat deel van de aflossing meegenomen dat ziet op het gemeenschappelijk deel van partijen.

6.10

De vrouw stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een niet vermijdbare en niet verwijtbare schuld en dat derhalve de aflossing op de schulden niet meegenomen dient te worden bij de bepaling van de draagkracht van de man. De vrouw stelt dat het doorlopend krediet waarop de man aflost in het echtscheidingsconvenant toebedeeld is aan de man omdat ook de auto die met deze lening was gefinancierd aan de man werd toebedeeld. De man heeft deze auto inmiddels verkocht en het had voor de hand gelegen dat hij met de opbrengst de lening had afgelost.

Voor wat betreft de creditcardschuld wijst de vrouw erop dat de man na de beëindiging van het huwelijk in 2010 nieuwe uitgaven met de creditcard heeft gefinancierd en dat het openstaande saldo in oktober 2009 € 1.016,37 bedroeg. De man heeft op 12 augustus 2012

€ 700,- afgelost op de schuld, de vrouw is dan ook van mening dat de man deze schuld allang ingelost zou kunnen hebben.

6.11

Het hof stelt voorop dat in beginsel alle schulden van de man van invloed zijn op diens draagkracht. Wel kan er reden zijn aan bepaalde schulden geen of minder gewicht toe te kennen, bijvoorbeeld als schulden na vaststelling van de onderhoudsplicht nodeloos zijn aangegaan of de onderhoudsplichtige de mogelijkheid heeft zich van een schuld te bevrijden of een regeling te treffen. Ook kunnen er anderszins onredelijk te achten schulden zijn die de rechter buiten beschouwing kan laten.

6.12

Ten aanzien van de door de man te verrichten aflossingen op het doorlopend krediet heeft de vrouw onbetwist gesteld dat deze schuld is aangegaan voor de koop van een auto, dat deze auto inmiddels is verkocht en dat de man deze schuld met de opbrengst hiervan had kunnen aflossen. De man heeft niet uiteen gezet waarom hij het doorlopend krediet tot op heden nog niet heeft afgelost. Het hof zal het draagkrachtloos inkomen van de man dan ook niet verhogen met deze schuld omdat het hof ervan uit gaat dat de man zich al had kunnen bevrijden van deze schuld.

Ten aanzien van de creditcardschuld is het hof van oordeel dat ook deze schuld inmiddels al afgelost had kunnen zijn. Uit de stukken blijkt dat de man na het ontstaan van deze schuld diverse opnames dan wel betalingen heeft verricht met de creditcard in plaats van af te lossen op deze schuld. De man had zich hiervan dienen te onthouden gelet op zijn onderhoudsverplichting jegens [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Ook met deze schuld zal het hof derhalve geen rekening houden bij de berekening van de draagkracht van de man.

De draagkracht van de man in de periode van 1 januari 2013 tot 6 juni 2013

6.13

Nu het hof bij de berekening van de draagkracht van de man, net als de rechtbank, geen rekening houdt met de door de man gedane aflossingen op zijn schulden en er overigens geen grieven zijn gericht tegen de draagkrachtberekening van de rechtbank over deze periode bepaalt het hof de draagkracht van de man in deze periode, conform de rechtbank, op € 363,- per maand.

De draagkracht van de man in de periode van 6 juni 2013 tot 1 juli 2015

6.14

Het hof zal voor de periode na 6 juni 2013 bij de bepaling van de draagkracht van de man zijn netto besteedbaar inkomen tot uitgangspunt nemen. Dit inkomen wordt vastgesteld door het bruto inkomen en de werkelijke inkomsten uit vermogen alsmede het te ontvangen kindgebonden budget, te verminderen met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn. De draagkracht zal in de periode na 1 april 2013 - of per datum eerst volgende wijziging na deze datum - worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 850,-)], nu het een netto besteedbaar inkomen betreft dat hoger is dan € 1.500,- per maand, in 2014 aan de hand van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 860,-)], in 2015 aan de hand van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 875,-)] en in 2016 aan de hand van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 890,-)]. Deze benadering houdt in dat aan de zijde van de man het draagkrachtloos inkomen wordt vastgesteld op 30% van het netto besteedbaar inkomen ter zake van forfaitaire woonlasten, vermeerderd met een bedrag aan overige lasten, en dat van het bedrag, dat van het netto besteedbaar inkomen resteert na aftrek van dit draagkrachtloos inkomen, 70% beschikbaar is voor kinderalimentatie.

6.15

Nu er geen grieven zijn gericht tegen het door de rechtbank berekende netto besteedbaar inkomen van de man in deze periode zal het hof dit bedrag, ad € 1.639,- per maand, als uitgangspunt nemen bij de berekening van de draagkracht van de man. Conform de in 2013 geldende formule berekent het hof de draagkracht van de man in deze periode aldus op (70% [1.639 - (0,3 x € .1639,- + € 850,-)]) (afgerond) € 208,- per maand.

De draagkracht van de man vanaf 4 juni 2015

6.16

Uit de in het geding gebrachte stukken blijkt dat de man na een bezwaar van zijn kant alsnog met terugwerkende kracht een WW-uitkering is toegekend vanaf 4 juni 2015. De politie heeft tegen de toekenningsbeslissing van het UWV weliswaar beroep ingediend maar de feitelijke situatie is thans dat de man reeds vanaf 4 juni 2015 een WW-uitkering ontvangt. Het hof zal dit inkomen dan ook als uitgangspunt nemen bij de berekening van de draagkracht van de man in de periode vanaf 4 juni 2015. Het hof heeft het netto besteedbaar inkomen van de man berekend aan de hand van zijn WW-dagloon. Het hof komt aan de hand hiervan op een hoger netto besteedbaar inkomen dan de man zelf heeft berekend, dit is gelegen in het feit dat de man de door hem te ontvangen WW-uitkering heeft beschouwd als een maandinkomen terwijl bij WW-uitkeringen die zijn ingegaan voor 1 juli 2015 de uitkering eens per vier weken wordt uitbetaald. Blijkens de brief van het UWV van

16 december 2015 bedroeg het WW-dagloon van de man in de periode van 4 juni 2015 tot

4 augustus 2015 € 131,18 bruto per dag, zijnde (21,75 x € 131,18) € 2.853,17 per maand. Aan de hand hiervan berekent het hof het netto besteedbaar inkomen van de man in deze periode op € 1.901,- per maand en zijn draagkracht ten behoeve van de kinderalimentatie op (70% [€ 1.901,- - (0,3 X € 1.901,- + € 875,-)]) (afgerond) € 319,-- per maand. In de periode vanaf 4 augustus 2015 bedroeg het WW-dagloon van de man € 122,43 bruto per maand, zijnde (21,75 x € 122,43) € 2.662,85 per maand. Op basis hiervan berekent het hof het netto besteedbaar inkomen van de man op € 1.796,- en zijn draagkracht ten behoeve van de kinderalimentatie op (70% [€ 1.796,- - (0,3 x 1.796,- + € 875,-)]) (afgerond) € 268,- per maand.

6.17

De man heeft gesteld dat hij, indien de toekenning van zijn WW-uitkering weer zal worden teruggedraaid, aangewezen zal zijn op een bijstandsuitkering en dat hij dan door de aflossing op zijn schulden een inkomen heeft dat lager is dan 90% van de voor hem geldende bijstandsnorm. De door de rechtbank vastgestelde minimale bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] van € 25,- per kind per maand leidt volgens hem derhalve tot het onaanvaardbare resultaat dat de man dan niet meer in zijn noodzakelijke kosten van levensonderhoud kan voorzien. De man doet in zoverre een beroep op de aanvaardbaarheidstoets.

6.18

In die gevallen waar sprake is van schulden, andere lasten of een lager inkomen dan

€ 1.275,--, kan de vaststelling van een bijdrage op basis van de tabel tot een onaanvaardbare situatie leiden voor de onderhoudsplichtige. Van een onaanvaardbare situatie is sprake indien de onderhoudsplichtige:

- bij de vast te stellen bijdrage niet meer in de noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien, of

- van zijn inkomen na vermindering van de lasten minder dan 90% van de voor hem geldende bijstandsnorm overhoudt, waarbij er in beginsel vanuit wordt gegaan dat de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet niet voor hem geldt.

6.19

Het ligt op de weg van de onderhoudsplichtige om te stellen en te onderbouwen dat sprake is van lasten en dat de op basis van het rekenmodel vastgestelde bijdrage in dat specifieke geval niet aanvaardbaar is, alle omstandigheden in aanmerking genomen.
Tot de omstandigheden die van belang zijn worden gerekend, de financiële situatie (inkomen en vermogen) van de onderhoudsplichtige, de noodzaak van de lasten, de mogelijkheid zich van de lasten te bevrijden, de verhouding tussen de onderhoudsplichtigen en de zorgregeling. Zoals hiervoor onder punt 6.12 uiteengezet is het hof van oordeel dat de man zich al van de door hem genoemde schulden had kunnen en moeten bevrijden. Daarbij heeft de man niet aangetoond dat hij in dat geval geen afbetalingsregeling zou kunnen treffen waardoor hij niet onder de 90% van de bijstandsnorm komt. Nu ook de door de rechtbank vastgestelde minimale bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van € 25,- per kind per maand er niet toe leidt dat de man - in het geval dat hij toch aangewezen zou zijn op een bijstandsuitkering - onder de 90% van de bijstandsnorm komt slaagt zijn beroep op de aanvaardbaarheidstoets niet.

De zorgkorting

6.20

De vrouw is van mening dat de rechtbank bij het vaststellen van de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in de periode van 1 januari 2013 tot 6 juni 2013 ten onrechte rekening heeft gehouden met een zorgkorting. Er is geen sprake van omgang tussen de man en de kinderen, de kinderen hebben de man al ruim drie jaar niet meer gezien en er is bij de kinderen geen enkele ruimte voor contact met de man.

6.21

De man is van mening dat er rekening dient te worden gehouden met een zorgkorting van 15% van de behoefte, nu hij wel graag omgang met de kinderen wil hebben en het niet aan hem te wijten is dat er thans geen omgang plaatsvindt.

6.22

Het hof houdt in tegenstelling tot de rechtbank geen rekening met de zorgkorting, nu het de draagkracht van de man betreft in een periode die ingaat vóór 1 april 2013 waardoor de draagkracht van de man aan de hand van de "oude" rekenmethode is berekend. Pas bij wijziging van het rekensysteem vanaf 1 april 2013 is de zorgkorting ingevoerd, voor die tijd werd in de berekening van de draagkracht rekening gehouden met de kosten van de omgangsregeling ad € 5,- per dag. Nu er in die periode geen omgang plaatsvond tussen de man en de kinderen en de man derhalve geen daadwerkelijke omgangskosten maakte zal het hof hier geen rekening mee houden.

De door de man aan de vrouw te betalen bedragen aan kinderalimentatie

6.23

Gelet op het vorenstaande zal het hof de beschikking van de rechtbank bekrachtigen, nu de man in de genoemde perioden over voldoende draagkracht beschikt om de door de rechtbank vastgestelde bedragen te betalen en de vrouw - gelet op haar niet-ontvankelijkheid in haar incidentele appel - niet in appel is gekomen tegen de hoogte van de door de rechtbank vastgestelde door de man te betalen bedragen aan kinderalimentatie zodat dit de bovengrens van het geschil vormt.

De proceskosten

6.24

Het hof ziet in hetgeen de vrouw hieromtrent heeft aangevoerd geen aanleiding om af te wijken van het gebruikelijke standpunt dat de proceskosten bij gewezen echtgenoten worden gecompenseerd.

7 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen falen de grieven van de man en wordt de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.

8 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar incidentele appel;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van

9 september 2015, hersteld bij beschikking van 18 november 2015;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.H. Garos, J.D.S.L. Bosch en M.P. de Hollander, bijgestaan door mr. M. Koster als griffier, en is op 9 augustus 2016 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.