Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:6929

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-08-2016
Datum publicatie
30-08-2016
Zaaknummer
200.194.418/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Machtiging gesloten plaatsing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.194.418/01

(zaaknummer rechtbank C/16/416819 / JL RK 16-345)

beschikking van 9 augustus 2016

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] , thans verblijvende te [B] (jeugdzorgplus [C] ),
verzoeker,

verder te noemen: [verzoeker],

advocaat: mr. G.I.H. Schulte te Almere,

en

Stichting Samen Veilig Midden-Nederland,

gevestigd te Almere,

verweerster,

verder te noemen: de GI (gecertificeerde instelling).

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

[de moeder] ,

wonende te [A] ,

verder te noemen: de moeder,

niet verschenen.

[de vader] ,

wonende te [A] , thans verblijvende in Turkije,

verder te noemen: de vader,

niet verschenen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 21 juni 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift van [verzoeker] met producties, ingekomen op 29 juni 2016;

- het verweerschrift van de GI, ingekomen op 18 juli 2016;

- een faxbericht van mr. Schulte van 20 juli 2016;

- een brief van mr. Schulte van 22 juli 2016 met een productie.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 25 juli 2016 plaatsgevonden. [verzoeker] is in persoon verschenen en werd bijgestaan door zijn advocaat. Namens de GI was aanwezig mevrouw [D] , jeugdbeschermer. Hoewel behoorlijk opgeroepen is de vader niet ter zitting verschenen en was ter zitting evenmin een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming aanwezig. Ook de moeder is niet verschenen, zoals zij het hof voorafgaand aan de zitting reeds telefonisch had medegedeeld.

3 De vaststaande feiten

3.1

Uit het door echtscheiding ontbonden huwelijk van de vader en de moeder is, voor zover hier van belang, [in] 1999 [verzoeker] geboren. [verzoeker] heeft zijn hoofdverblijf bij de moeder. De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [verzoeker] .

3.2

Bij beschikking van 12 november 2015 heeft de kinderrechter [verzoeker] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur tot 12 november 2016. Bij afzonderlijke beschikking is voorts machtiging verleend om [verzoeker] uit huis te plaatsen in een accommodatie van de jeugdhulpaanbieder. [verzoeker] is op basis van deze machtiging geplaatst in [E] .

3.3

De GI heeft in mei 2016 een opname van [verzoeker] in een gesloten accommodatie nodig geacht (artikel 6.1.2. lid 5 Jeugdwet (Jw)). Een gekwalificeerde gedragswetenschapper die [verzoeker] met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht, heeft ingestemd met het verzoek daartoe aan de kinderrechter.

3.4

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de kinderrechter de GI gemachtigd om [verzoeker] in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg te doen opnemen en doen verblijven voor de termijn van 21 juni 2016 tot uiterlijk 12 november 2016.

3.5

[verzoeker] is vervolgens geplaatst bij [C] in [B] en verblijft daar sindsdien.

4 De omvang van het geschil

4.1

[verzoeker] is in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. Zijn grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. [verzoeker] verzoekt het hof de beschikking van 21 juni 2016 te vernietigen en te bepalen dat de uithuisplaatsing in een instelling voor gesloten jeugdzorg met onmiddellijke ingang wordt beƫindigd.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge artikel 6.1.1 lid 2 Jw is [verzoeker] ontvankelijk in zijn hoger beroep.

5.2

Ingevolge artikel 6.1.2 lid 1 Jw kan de kinderrechter op verzoek een machtiging verlenen om een jeugdige in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven. Een machtiging kan ingevolge artikel 6.1.2 lid 2 Jw slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren en de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken.

5.3

Het hof constateert ambtshalve dat is voldaan aan de formele wettelijke vereisten, waaronder die zijn vastgelegd in de artikelen 6.1.2 lid 3, 6.1.2. lid 5, 6.1.2 lid 6, 6.1.10 lid 1 en 6.1.7 Jw. Dit betekent dat thans ter beoordeling voorligt of er wordt voldaan aan de gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing in een gesloten accommodatie.

5.4

[verzoeker] kan zich niet verenigen met de door de rechtbank verleende machtiging. Hij onderkent dat er sprake is van opgroei- of opvoedingsproblemen die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren, maar betwist dat de gesloten plaatsing noodzakelijk is om te voorkomen dat hij zich aan deze benodigde jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken. Er is niemand die hem aan de behandeling probeert te onttrekken en hij is zelf ook nooit weggelopen. Binnen de gesloten plaatsing zal geen andere behandeling worden ingezet. De GI wil volgens [verzoeker] enkel meer mogelijkheden om hem te kunnen straffen bij ongewenst gedrag. Als geen sprake is van onwil maar van onmacht, is een gesloten plaatsing niet het juiste antwoord. [verzoeker] betwist voorts een deel van de door de GI genoemde incidenten, plaatst een ander deel in een andere context en over een langere periode en stelt tot slot dat er geen veiligheidsredenen zijn (voor hem, leiding of groepsgenoten) die een gesloten plaatsing noodzakelijk maken. [verzoeker] meent ook dat het alternatief van een voorwaardelijke machtiging onderzocht had moeten worden als minder verstrekkende maatregel.

5.5

De GI stelt dat een machtiging tot gesloten plaatsing voor korte duur noodzakelijk is. [verzoeker] heeft zich zodanig verzet tegen zijn verblijf en behandeling in [E] waar hij eerder was geplaatst, dat de behandeling niet van de grond kwam. In de huidige gesloten setting met de strakke structuur en de stevige sturing, gaat het beter met [verzoeker] .

5.6

Het hof stelt voorop dat niet in geschil is - en dat komt ook voldoende uit de overgelegde stukken naar voren - dat bij [verzoeker] sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren.

5.7

Aan het hof ligt voor of deze ernstige problemen maken dat de opneming en het verblijf in een gesloten setting noodzakelijk zijn om te voorkomen dat [verzoeker] zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken. Anders dan [verzoeker] mogelijk meent, is van onttrekken niet alleen sprake bij daadwerkelijk weglopen uit de instelling, al dan niet onder invloed van derden, maar kan daarvan ook sprake zijn wanneer een jeugdige zich op andere wijze in ernstige mate verzet tegen de noodzakelijke behandeling (waardoor het niet tot behandeling komt).

5.8

Op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen is het hof van oordeel dat de gronden voor opneming en verblijf in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg aanwezig zijn. Het hof overweegt hiertoe als volgt.

5.9

Uit het persoonlijkheidsonderzoek van [verzoeker] bij [F] blijkt dat [verzoeker] is gediagnosticeerd met een oppositioneel-opstandige gedragsstoornis (ODD) terwijl uit dit onderzoek ook is gebleken dat bij hem sprake is van een aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit (ADHD, gecombineerd type). De forse gedragsproblemen van [verzoeker] (vooral tot uiting komende in voortdurende conflicten met zijn omgeving) hebben medio november 2015 geleid tot zijn plaatsing in [E] maar ook daar is zijn ontwikkeling zorgelijk en negatief verlopen. [verzoeker] heeft bij herhaling grensoverschrijdend gedrag laten zien op de groep en was daarbij in sterke mate zelfbepalend en externaliserend. Door zijn geringe probleembesef en -inzicht en zijn gebrekkige impulscontrole was hij niet goed aanspreekbaar op zijn gedrag. [verzoeker] accepteerde het gezag van de leiding onvoldoende en bleek moeilijk tot medewerking aan zijn behandeling te bewegen: hij verzette zich tegen en onttrok zich aan de aanwijzingen van de medewerkers onder meer door voortdurend de discussie aan te gaan. Op cruciale momenten was hij niet in staat om begrenzing in de vorm van sancties, gedragsinstructies of andere behandelinterventies te accepteren. Zijn gedrag heeft ertoe geleid dat de medewerkers in de open setting in ernstige mate handelingsverlegen zijn geraakt nu zij - binnen de mogelijkheden die hen ter beschikking staan - geen verantwoord adequaat antwoord (meer) konden geven op het gedrag van [verzoeker] .

5.10

Tegen deze achtergrond, mede bezien in het licht van de bij [verzoeker] geconstateerde gedragsstoornis, acht het hof een machtiging voor gesloten jeugdhulp op dit moment opportuun en noodzakelijk. Dat de behandeling van [verzoeker] binnen de gesloten setting nauwelijks afwijkt van de behandeling binnen de open setting, doet niet af aan de omstandigheid dat de structuur, de regelmaat en de regels die gelden binnen de gesloten setting - binnen de groep waar [verzoeker] verblijft en binnen de instelling - een behandeling op zich vormen waarbij voor [verzoeker] ook duidelijk is dat hij zich hieraan minder vrijblijvend kan onttrekken dan bij een open setting. Anders dan [verzoeker] meent, is de begrenzing binnen een gesloten setting niet een doel op zich maar een toegestaan middel om hem te laten ervaren dat hij de door regels en afspraken gestelde grenzen heeft overschreden teneinde hem tot inzicht en reflectie op zijn handelen te bewegen. Uit de mededelingen van de GI ter zitting is naar voren gekomen dat [verzoeker] goed reageert op de strakke structuur en de stevige aansturing binnen de huidige setting: hij accepteert het gezag van de groepsleiding en volgt hun aanwijzingen op en laat daarmee zien dat hij bereid en in staat is tot positieve gedragsverandering. Het hof leidt hieruit af dat de behandeling binnen de gesloten plaatsing - ondanks de bij [verzoeker] door zijn stoornis aanwezige onmacht - effectief is.

5.11

Een minder verstrekkende maatregel, zoals de namens [verzoeker] genoemde mogelijkheid van een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp, volstaat op dit moment naar het oordeel van het hof niet, nog daargelaten of het hof daartoe in de onderhavige procedure zou kunnen beslissen gelet op de specifieke wettelijke regeling voor zo'n voorwaardelijke machtiging (en de ter zitting genoemde omstandigheid dat de bereidheid van de instellingen, zorgaanbieders, nagenoeg ontbreekt).

5.12

Het hof merkt hierbij op dat de GI ter zitting heeft verklaard dat zij zal nagaan of [verzoeker] , gezien zijn positieve gedragsveranderingen, op korte termijn kan worden overgeplaatst naar een lichtere gesloten groep waar hij meer vrijheden zal hebben en waar meer activiteiten zijn tijdens de vakantie, en dat zij ook de mogelijkheden voor telefonisch contact van [verzoeker] met de vader in Turkije zal bekijken. Tot slot merkt het hof ten overvloede op dat het zorgelijk is dat de agressieregulatietherapie die [verzoeker] nodig heeft - en waar hij ook achter staat - nog niet is aangevangen in verband met de wachtlijsten.

5.13

Uit het voorgaande volgt dat het hof de beschikking dient te bekrachtigen.

5.14

De beschikking is ingevolge artikel 6.1.12 lid 1 Jw bij voorraad uitvoerbaar.

5 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 21 juni 2016.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, mr. I.A. Vermeulen en mr. H. Lenters, en is op 9 augustus 2016 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.