Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:6922

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-08-2016
Datum publicatie
09-09-2016
Zaaknummer
15/01402 tm 15/01405
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2015:6414, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:1102
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting. Aftrek omzetbelasting. Ontbrekende facturen. Vergrijpboete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2016-2194
V-N Vandaag 2016/1945
Mr. C.C. van den Berg annotatie in NTFR 2016/2459

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummers 15/01402 tot en met 15/01405

uitspraakdatum: 30 augustus 2016

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , .wonende te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 20 oktober 2015, nummers AWB 15/256 tot en met 15/259, in het geding tussen belanghebbenden en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Hoofddorp (hierna: de Inspecteur).

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd van € 879. Verder is een boete opgelegd van € 87 en is een bedrag aan heffingsrente in rekening gebracht van € 74.

1.2.

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd van € 1.947. Verder is een boete opgelegd van € 194 en is een bedrag aan belastingrente in rekening gebracht van € 120.

1.3.

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd van € 3.278. Verder is een boete opgelegd van € 327 en is een bedrag aan belastingrente in rekening gebracht van € 103.

1.4.

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd van € 402. Verder is een boete opgelegd van € 40.

1.5.

De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 27 december 2014 de naheffingsaanslagen, de beschikking heffingsrente, de beschikkingen belastingrente en de boetebeschikkingen gehandhaafd.

1.6.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen. De rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) heeft bij uitspraak van 20 oktober 2015 de beroepen ongegrond verklaard.

1.7.

Belanghebbende heeft bij brief van 22 oktober 2015, ingekomen bij het Hof op
23 oktober 2015, tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.8.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.9.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juli 2016 te Arnhem. Belanghebbende is verschenen. Namens de Inspecteur zijn verschenen mr. [A] en [B] .

1.10.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft met ingang van 1 juni 2000 een onderneming gedreven onder de handelsnaam [C] . Daarnaast is belanghebbende op
17 mei 2003 een taxibedrijf gestart.

2.2.

In 2006 heeft belanghebbende voor de duur van vijf jaar een opdracht voor het bedienen van de bruggen in de gemeente [D] verworven. Eind 2006 heeft de gemeente het contract opgezegd. Belanghebbende heeft niet ingestemd met de opzegging en heeft daarover tot en met de Hoge Raad geprocedeerd. De Hoge Raad heeft op 25 oktober 2013, nr. 12/03040, arrest gewezen.

2.3.

Het taxibedrijf is op 12 december 2007 beëindigd. Gedurende de jaren 2007 en 2008 heeft belanghebbende als uitzendkracht van [C] bij [E] als chauffeur gewerkt.

2.4.

In 2011 en 2012 is belanghebbende in dienstbetrekking werkzaam geweest bij [E] .

2.5.

Vanaf 2013 heeft belanghebbende een bijstandsuitkering en volgt hij een bacheloropleiding rechtsgeleerdheid. Hij is werkzoekende.

2.6.

Op 28 maart 2014 is de onderneming [C] uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel.

2.7.

Met ingang van 30 april 2014 is bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld om de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over de periode 1 januari 2009 tot en met 1 april 2014 te beoordelen. Het onderzoek heeft zich in het bijzonder gericht op de in aftrek gebrachte omzetbelasting.

2.8.

De controleambtenaar heeft van het bezoek op 30 april 2014 de volgende aantekening gemaakt:

“administratie ingezien, dan wel wat er voor door moet gaan.

dramatisch alles zit in ordners gepropt, [belanghebbende] is niet ter zake kundig. Hij heeft geen adviseur meer.

alle facturen die zijn vorige adviseur over de afgelopen jaren NIET in aftrek heeft gebracht om wat voor reden dan ook, heeft [belanghebbende] achteraf in zijn aangifte OB gepropt en in aftrek gebracht.

e.e.a. bekeken en geconstateerd dat het overgrote deel privé was en hem dit medegedeeld.

na telefonisch overleg hem opnieuw bezocht omdat ik alles verkeerd had gezien!!????

hem het voordeel van de twijfel gegund en een tweede afspraak gemaakt, en hem de opdracht gegeven alle zakelijke facturen te verzamelen … en deze dan bij het tweede bezoek te herbeoordelen.”

2.9.

Tijdens het onderzoek heeft de controleambtenaar telefonisch contact gehad met de voormalige belastingadviseur van belanghebbende. In dit telefoongesprek is naar voren gekomen dat de adviseur de geclaimde voorbelasting inzake de (advocaat)kosten uit 2010 al in aftrek heeft gebracht in de aangiften omzetbelasting over 2010. De controleambtenaar heeft het volgende hierover vastgelegd:

“ook telefonisch contact gehad met de vroegere accountant, deze heeft verklaard alle ter zaken doende zakelijke facturen in het verleden in aftrek te hebben gebracht, maar dat [belanghebbende] zelf denkt dat alles wel kan en zakelijk is!!!”

2.10.

In het rapport van het boekenonderzoek, met dagtekening 22 september 2014, is onder meer het volgende vermeld:

3.4 Voorbelasting

Belastingplichtige had recht op aftrek van voorbelasting. Omzetbelasting mag terug gevraagd worden over de betaalde omzetbelasting op de gemaakte kosten. Deze kosten moeten te allen tijde onderbouwd kunnen worden door middel van bonnen of andere bescheiden waaruit onomstotelijk blijkt dat de gemaakte kosten daadwerkelijk door de onderneming ter bestrijding van zakelijke kosten zijn gemaakt. De facturen inzake de gemaakte kosten zijn beoordeeld en deels akkoord. Tijdens de controle heeft [belanghebbende] aangegeven dat de voorbelasting betrekking had op ten onrechte niet in aftrek gebrachte voorbelasting inzake advocaatkosten door de toenmalige adviseur [F] over de jaren 2008 tot en met 2010.

Primair dient er aan de inspecteur een verzoek te worden gericht om de aangiften te herzien over deze genoemde jaren omdat niet alle voorbelasting in aftrek is gebracht. Als de achteraf in aftrek gebrachte voorbelasting betrekking heeft op zakelijke kosten die niet eerder in aftrek zijn gebracht kan hier om praktische redenen in worden berust.

3.5

Beoordeling kosten

Tijdens de controle op 30 april 2014 is geconstateerd dat de administratie bestond uit een verzameling ordners met facturen. Een grootboek over de jaren 2009 tot en met 2014 was niet aanwezig. Op verzoek van [belanghebbende] heeft er een tweede beoordeling plaatsgevonden op 8 mei 2014, met het verzoek van ons om tijdens dit bezoek alle facturen te ordenen en de zakelijke, niet eerder in aftrek gebrachte kosten te overleggen. Dit heeft echter niet geleid tot andere inzichten.

Na afloop van de tweede beoordeling is [belanghebbende] een uitstelperiode toegezegd tot juli 2014 om alsnog een overzicht te overleggen van de juiste in aftrek te brengen voorbelasting Er is [belanghebbende] het advies gegeven contact op te nemen met zijn voormalige adviseur [F] om het een en ander nader te onderbouwen Er is geen overzicht van de juiste kosten overlegd na deze uitstelperiode.

3.5.1

Jaren 2009 en 2010

Inzake de jaren 2009 en 2010 is de administratie gevoerd door de adviseur en zijn alle facturen beoordeeld op zakelijkheid en is de voorbelasting op de juiste wijze in aftrek gebracht.

3.5.2

Jaar 2011

Voor het jaar 2011 is de administratie gevoerd door [belanghebbende] zelf (…).

Tijdens de controle is telefonisch contact geweest met de adviseur [F] uit [G] . Uit dit telefoongesprek is duidelijk gebleken dat de adviseur de geclaimde voorbelasting inzake de (advocaat)kosten uit 2010 al in het jaar 2010 in aftrek heeft gebracht in de aangifte omzetbelasting 2010. Gezien het feit dat voorbelasting niet tweemaal in aftrek kan worden gebracht zal de ten onrechte in aftrek gebrachte voorbelasting op de volgende wijze worden nageheven:

Voorbelasting volgens aangifte 2011 € 1038

Juiste voorbelasting 2011 € 159

Na te heffen € 879

3.5.3

Jaar 2012

Voor het jaar 2012 is op aangifte een totaal bedrag aan voorbelasting in aftrek gebracht van
€ 2.313. Na beoordeling van de facturen zij de volgende kosten als zakelijk aangemerkt en in het jaar 2012 in aftrek te brengen:

(…) € 366

De overig in aftrek gebrachte voorbelasting heeft betrekking op advocaatkosten die reeds in eerdere aangiften door de adviseur in aftrek zijn gebracht.

Voorbelasting volgens aangifte 2012 € 2313

Juiste voorbelasting 2012 € 366

Na te heffen € 1947

3.5.4

Jaar 2013

Voor het jaar 2013 is op aangifte een totaal bedrag aan voorbelasting in aftrek gebracht van
€ 3.956. Na beoordeling van de facturen zij de volgende kosten als zakelijk aangemerkt en in het jaar 2013 in aftrek te brengen:

(…) € 678

De overig in aftrek gebrachte voorbelasting heeft betrekking op kosten die reeds in eerdere aangiften door de adviseur in aftrek zijn gebracht.

Voorbelasting volgens aangifte 2012 € 3956 (het Hof leest: 2013)

Juiste voorbelasting 2013 € 678

Na te heffen € 3278

3.5.5.

Jaar 2014

Inzake het jaar 2014 zijn in het geheel geen facturen overlegd.

Voorbelasting volgens aangifte € 402

Juiste voorbelasting 2014 € 0

Na te heffen € 402

(…)

5 Vergrijpboete omzetbelasting

Over de correcties (…) ben ik voornemens naast de naheffingsaanslag een vergrijpboete ingevolge artikel 67f Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna AWR) en paragraaf 25 en 28 Besluit bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 op te leggen. De voorgenomen vergrijpboete bedraagt 25%.

De grondslag van de boete is het feit dat gesteld mag worden dat belastingplichtige op de hoogte was van het feit dat de adviseur de voorbelasting al in aftrek had genomen in de jaren waarop de kosten betrekking hadden. Het ten onrechte opnieuw in aftrek te brengen in latere jaren is gelijk te stellen aan een geval van onachtzaamheid, gelijk te stellen met grove schuld.

(…)

5.3.

Matiging boete

Gezien de persoonlijke omstandigheden en de financiële positie van [belanghebbende] zal de vergrijpboete worden gematigd tot 10%.”

2.11.

De Inspecteur heeft de in het controlerapport genoemde bedragen aan voorbelasting over de desbetreffende tijdvakken nageheven. Verder heeft de Inspecteur vergrijpboetes van 10 percent opgelegd. Belanghebbende heeft zowel tegen de naheffingsaanslagen als de vergrijpboetes bezwaar gemaakt.

2.12.

Bij brief van 21 november 2014 heeft de Inspecteur zijn voornemen tot uitspraak op de ingediende bezwaren kenbaar gemaakt en is belanghebbende in de gelegenheid gesteld te worden gehoord.

2.13.

Als bijlage bij het beroepschrift in eerste aanleg heeft belanghebbende een kopie van een brief van 26 november 2014 gevoegd, waarin hij het volgende aan de Inspecteur zou hebben geschreven:

“Middels dit schrijven en in antwoord op uw schrijven van 21 november laat ik u weten dat reeds door mij is aangegeven dat [de Inspecteur] gezien de omstandigheden van het geval in redelijkheid niet tot zijn beslissing heeft kunnen komen.

(…)

Dient mij te vermelden dat de belastingdienst zich aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur te houden heeft. U kunt mij horen.”

2.14.

Bij brief van 9 december 2014 heeft de Inspecteur een toelichting gegeven op de uitspraken op bezwaar die nog per separate post aan belanghebbende worden toegezonden. In deze brief is onder meer het volgende opgemerkt:

Hoorrecht

Naar aanleiding van dit bezwaar bent u uitgenodigd om te worden gehoord. U heeft echter geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om dit bezwaar toe te lichten. Ik heb mijn beslissing daarom genomen op basis van de informatie in uw bezwaarschrift.

(…)

Beslissing

De feiten en omstandigheden zoals vermeld in het rapport geven mij geen aanleiding af te wijken van de opgelegde naheffingsaanslagen en vergrijpboete. (…)”

2.15.

De Rechtbank heeft niet aannemelijk geacht dat belanghebbende terecht omzetbelasting in aftrek heeft gebracht, zodat de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd. Verder heeft de Rechtbank geoordeeld dat het aan grove schuld van belanghebbende is te wijten dat teveel voorbelasting in aftrek is gebracht, zodat ook de vergrijpboetes terecht zijn opgelegd. De Rechtbank heeft de ingestelde beroepen dan ook ongegrond verklaard.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de onderhavige naheffingsaanslagen omzetbelasting terecht en tot de juiste bedragen aan belanghebbende zijn opgelegd. Het geschil spitst zich toe op de vraag of belanghebbende tot de juiste bedragen omzetbelasting in aftrek heeft gebracht. Belanghebbende beantwoordt laatstgenoemde vraag bevestigend, de Inspecteur ontkennend.

3.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en de Inspecteur, en tot vernietiging van de naheffingsaanslagen. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

3.3.

Voorts is in geschil of de vergrijpboetes terecht en tot de juiste bedragen aan belanghebbende zijn opgelegd.

4 Overwegingen

Hoorplicht

4.1.

Belanghebbende heeft aangevoerd dat hij niet op de juiste wijze is gehoord op bezwaar. Volgens belanghebbende zou hij in een brief van 26 november 2014 (zie 2.13) hebben verzocht om te worden gehoord. De Inspecteur stelt echter dat hij deze brief in de bezwaarfase niet heeft ontvangen en pas in de beroepsfase als bijlage bij het beroepschrift voor het eerst heeft ontvangen.

4.2.

Indien, zoals in het onderhavige geval, een bestuursorgaan stelt een niet aangetekend verzonden stuk niet te hebben ontvangen, is het in beginsel aan de belanghebbende om aannemelijk te maken dat het stuk op het adres van de geadresseerde is ontvangen. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt evenwel het vermoeden van ontvangst van het stuk op dat adres. Dit brengt mee dat de belanghebbende in eerste instantie kan volstaan met het bewijs van verzending naar het juiste adres. Het ligt vervolgens op de weg van het bestuursorgaan voormeld vermoeden te ontzenuwen. Daartoe is het voldoende dat op grond van hetgeen de Inspecteur aanvoert ontvangst van het stuk op het bedoelde adres redelijkerwijs moet worden betwijfeld. Slaagt het bestuursorgaan daarin, dan zal de ontvangst van het stuk slechts aannemelijk geoordeeld kunnen worden indien de belanghebbende daarvan nader bewijs levert. Indien niet aannemelijk wordt dat het stuk op het adres van het bestuursorgaan is ontvangen, ligt het op de weg van de belanghebbende – in voorkomend geval – aannemelijk te maken dat zulks het gevolg is van aan het bestuursorgaan toe te rekenen omstandigheden (vgl. HR 15 december 2006, nr. 41.882, ECLI:NL:HR:2006:AZ4416; HR 28 februari 2014, nr. 13/01830, ECLI:NL:HR:2014:418).

4.3.

In het onderhavige geval heeft belanghebbende geen bewijs geleverd of aangeboden van verzending van de brief. Bovendien heeft de Inspecteur de ontvangst van de brief van
26 november 2014 op geloofwaardige wijze ontkend, zodat die ontvangst redelijkerwijs moet worden betwijfeld. Belanghebbende heeft op generlei wijze bewijs geleverd of aangeboden van de ontvangst van de brief en evenmin dat het niet ontvangen van de brief door de Inspecteur het gevolg is van aan hem toe te rekenen omstandigheden.

4.4.

Tot het dossier behoort een kopie van de brief van 26 november 2014 zoals deze door belanghebbende als bijlage bij het beroepschrift in eerste aanleg is gevoegd (productie 15), alsmede een kopie van deze brief zoals deze door de Inspecteur als bijlage bij het verweerschrift in eerste aanleg is gevoegd (bijlage 18). In laatstgenoemde versie zijn vrijwel alle punten weggevallen, zodat deze versie in dat opzicht niet overeenstemt met de door belanghebbende ingebrachte brief. Dit is voor het Hof evenwel geen reden om eraan te twijfelen dat de Inspecteur eerst met de kennisneming van het beroepschrift in eerste aanleg kennis heeft genomen van deze brief. Te meer niet nu bij meerdere door de Inspecteur ingebrachte stukken de punten ontbreken, zodat veeleer sprake lijkt te zijn van een technische beperking bij het reproduceren van de stukken door de Inspecteur.

4.5.

Aan het vorenstaande verbindt het Hof de conclusie dat belanghebbende niet heeft verzocht te worden gehoord. Van een schending van de hoorplicht is mitsdien geen sprake.

Naheffingsaanslagen

4.6.

Ingevolge artikel 15, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB) kan een ondernemer de aan hem door een ondernemer in het tijdvak van aangifte op een op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur in rekening gebrachte omzetbelasting in aftrek brengen, een en ander voor zover de goederen en de diensten door de ondernemer worden gebruikt voor belaste handelingen.

4.7.

Op de ondernemer rust de last om aannemelijk te maken dat hij terecht en tot het juiste bedrag omzetbelasting in aftrek heeft gebracht.

4.8.

Het Hof is met de Rechtbank van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij recht had op aftrek van de onderwerpelijke voorbelasting. Zo heeft belanghebbende geen facturen overgelegd waaruit blijkt dat in de onderhavige tijdvakken voorbelasting aan hem in rekening is gebracht tot de bedragen die door hem in aftrek zijn gebracht. De omzetbelasting die in eerdere jaren reeds in aftrek is gebracht, kan niet in onderhavige tijdvakken nogmaals in aftrek worden gebracht. De onderhavige naheffingsaanslagen, die zijn opgelegd voor de ten onrechte in aftrek gebrachte voorbelasting, zijn derhalve terecht en tot een juist bedrag opgelegd.

Motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel

4.9.

Gelijk de Rechtbank heeft geoordeeld, is ook het Hof niet gebleken dat de uitspraken op bezwaar onvoldoende zijn gemotiveerd of onzorgvuldig tot stand zijn gekomen. Bij brief van 9 december 2014 heeft de Inspecteur een deugdelijke motivering gegeven van zijn beslissingen op bezwaar. Van een schending van artikel 7:12 Algemene wet bestuursrecht is derhalve geen sprake. Verder is in deze brief aangegeven dat van horen is afgezien omdat belanghebbende daar niet om heeft verzocht, zodat ook van een schending van artikel 25, lid 1, Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) geen sprake is.

4.10.

Ook in hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, ziet het Hof geen aanleiding om te oordelen dat de Inspecteur bij het vaststellen van de naheffingsaanslagen en bij het beslissen op de bezwaren enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel, heeft geschonden.

Vergrijpboetes

4.11.

Aan belanghebbende zijn boetes van 10 percent opgelegd ter zake van het vergrijp dat het aan zijn grove schuld te wijten is dat de omzetbelasting welke op aangifte moet worden voldaan, niet is betaald (artikel 67f AWR).

4.12.

Artikel 6, lid 2, EVRM bevat de waarborg dat een ieder tegen wie een strafvervolging is ingesteld – een boeteoplegging wordt ingevolge HR 19 juni 1985, nr. 22.076, ECLI:NL: HR:1985:AC8934, BNB 1986/29, aangemerkt als het instellen van een strafvervolging – voor onschuldig wordt gehouden, totdat zijn schuld volgens de wet is bewezen. Dit uitgangspunt van de onschuldpresumptie brengt mee dat nu belanghebbende betwist dat sprake is van grove schuld, de Inspecteur moet stellen en aannemelijk maken dat sprake is van grove schuld. Deze bewijslastverdeling brengt mee dat indien twijfel erover bestaat of sprake is van grove schuld, dit ten nadele werkt van de Inspecteur.

4.13.

Uit de enkele omstandigheid dat een belastingplichtige onzorgvuldig te werk is gegaan, volgt nog niet dat deze onzorgvuldigheid kan worden aangemerkt als ten minste grove schuld. Van grove schuld kan slechts worden gesproken indien de handelwijze van de belastingplichtige als een in laakbaarheid aan opzet grenzende onachtzaamheid moet worden gekwalificeerd (vgl. HR 19 december 1990, nr. 25.301, ECLI:NL:HR:1990:ZC4481, BNB 1992/217).

4.14.

De Inspecteur heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat sprake is van grove schuld aan de zijde van belanghebbende, erop gewezen dat de voorbelasting al in eerdere tijdvakken in aftrek is gebracht en dat bekend mag worden verondersteld dat voorbelasting niet tweemaal in aftrek kan worden gebracht en dat de voorbelasting op privé-uitgaven niet voor aftrek in aanmerking komt.

4.15.

Gelijk de Rechtbank is het Hof van oordeel dat hetgeen door de Inspecteur is aangevoerd de conclusie kan dragen dat sprake is van een in laakbaarheid aan opzet grenzende onachtzaamheid zijdens belanghebbende. De Inspecteur heeft derhalve bewezen dat sprake is van grove schuld bij belanghebbende, hetgeen op grond van paragraaf 25 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst in beginsel aanleiding is voor een boete van 25 percent. De Inspecteur heeft gezien de persoonlijke en financiële omstandigheden van belanghebbende de vergrijpboetes van 25 percent gematigd tot 10 percent, hetgeen het Hof passend en geboden voorkomt.

Heffings- en belastingrente

4.16.

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffings- en belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte rente. Nu de naheffingsaanslagen niet worden verminderd, is er ook geen aanleiding voor een vermindering van de in rekening gebrachte rente.

Slotsom

Gelet op het vorenstaande dient het hoger beroep ongegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, mr. J.A. Monsma en
mr. A. van Dongen, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 augustus 2016.

De griffier, De voorzitter,

(E.D. Postema) (A.J.H. van Suilen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 30 augustus 2016

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

postbus 20303, 2500 EH Den Haag

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 – het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.