Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:689

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-02-2016
Datum publicatie
04-02-2016
Zaaknummer
200.156.654/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inventaris- en bedrijfsschadeverzekering. Gedekt voorval? Brand in de zin van de polisvoorwaarden? Bewijslast op verzekerde. Bewijs niet geleverd. Overweging ten overvloede: geen causaal verband.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2016/105
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.156.654/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/131251/ HA ZA 13-364)

arrest van 2 februari 2016

in de zaak van

de vennootschap onder firma [appellante] ,

gevestigd te [A] ,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. J.H. Linstra, kantoorhoudend te Groningen, die ook heeft gepleit,

tegen

[geïntimeerde] N.V.,

gevestigd te [B] , kantoorhoudende te [C] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. A.P.E. de Ruiter, kantoorhoudend te Zwolle, die ook heeft gepleit.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 16 juli 2014 dat de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 17 september 2014,

- de memorie van grieven (met productie),

- de memorie van antwoord,

- de pleidooien, waarbij is gepleit aan de hand van pleitnotities en waarbij akte is verleend van het feit dat door [appellante] als productie 2 een afschrift van een [a-bank] -rekening in het geding is gebracht.

2.2

Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald op het pleitdossier.

2.3

[appellante] vordert in het hoger beroep:
“bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, van 16 juli 2014, gewezen onder het zaaknummer

C/17/131251 / HA ZA 13-364, tussen appellante als eiser en geïntimeerde als gedaagde, te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van appellante alsnog toe te wijzen, althans haar vorderingen toe te wijzen als het Hof in goede justitie zal vermenen te behoren, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van het geding in beide instanties.”

3 De vaststaande feiten

3.1

Tegen de vaststelling van de feiten door de rechtbank in r.o. 2 (2.1 tot en met 2.18) van het vonnis van 16 juli 2014 zijn geen grieven gericht en is ook overigens niet van bezwaren daartegen gebleken, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan. Aangevuld met hetgeen in dit hoger beroep vast staat, gaat het om het volgende.

3.2

[appellante] drijft een snackbar te [A] aan het adres [a-straat] nr. 6.

De heer [D] (hierna: [D] ) is vennoot van [appellante] en exploitant van de snackbar.

3.3

[appellante] heeft bij [geïntimeerde] een inventaris- en bedrijfsschadeverzekering

afgesloten. Op de verzekeringsovereenkomst zijn de volgende polisvoorwaarden van

toepassing:

- Algemene Voorwaarden Zaken Zekerplan (hierna: AV-ZZP)

- Brand begrippenlijst (hierna: de begrippenlijst)

- Uitgebreide gevarenverzekering roerende zaken (hierna UGV-RZ)

- Uitgebreide bedrijfsschadeverzekering (hierna: UBV).

3.4

In artikel 1 van de AV-ZZP is de dekking voor schade aan inventaris - voor zover

hier van belang - omschreven als:

'Wij vergoeden u tot ten hoogste de verzekerde som, ook indien de gebeurtenis veroorzaakt

is door aard en gebrek van de roerende zaak, materiële schade aan of verlies van de in de

opstal aanwezige inventaris en/of voorraad zaken door de volgende gebeurtenissen:

1. brand

(...)"

3.5

In artikel 1 van de UBV is de dekking voor bedrijfsschade omschreven als:

"Wij vergoeden u tot ten hoogste de verzekerde som de bedrijfsschade die u lijdt

door hedrijfsstilstand of bedrijfsstoornis direct en uitsluitend veroorzaakt door

materiële schade aan of verlies van de opstal en/of de roerende zaken die hij de

bedrijfsactiviteiten gebruikt worden, ook indien de gebeurtenis het gevolg is van

eigen gebrek of eigen bederf van de genoemde zaken, door de volgende

gebeurtenissen:

1. brand

(...)"

3.6

In de begrippenlijst is brand gedefinieerd ais:

"Een vuur buiten een haard, dat veroorzaakt wordt door verbranding, dat met vlammen

gepaard gaat en dat in staat is zich op eigen kracht voort te planten. Derhalve is o. a. geen

brand:

- schroeien, zengen, smelten, verkolen, broeien

- doorbranden van elektrische apparaten en motoren

- oververhitten, doorbranden, doorbreken van ovens en ketels. "

3.7

Achter de toonbank van [appellante] bevindt zich een roestvrijstalen

frituurinstallatie van het merk "Tornado" met onder andere gaspitten,

warmhoudbakken en drie gasgestookte vetpannen. De ruimte onder deze installatie

is bereikbaar via roestvrijstalen deurtjes. Onder elke vetpan bevindt zich een

afgesloten branderruimte met een branderbed, welke zich in het midden onder de

vetpan bevindt. Op de bodem van de onderkast staat ten behoeve van elke vetpan

een vrijstaande roestvrijstalen kast met de elektronica en de gasaansluiting. In elk

van de vetpannen is ruimte voor twee frituurmanden.

De frituurinstallatie ziet er - voor zover van belang - als volgt uit:

(kopie van de tekening als productie 5 bij de conclusie van antwoord overgelegd)

3.8

Leverancier van de frituurinstallatie is de firma [E] te

[F] .

3.9

Op 20 november 2012, omstreeks 12.45 uur, heeft [D] een geur van

verbrande olie en rookontwikkeling geconstateerd in de omgeving van de

frituurinstallatie. Hierbij heeft hij in de branderruimte van de meest linkse

frituurpan vlammen opgemerkt. Meteen daarna heeft hij de heer [G]

(hierna te noemen; [G] ), een monteur van [E] ,

gebeld, die vervolgens snel is langsgekomen. [G] heeft toen de behuizing

van de verbrandingskamer gedemonteerd. De vlammen zijn gedoofd met een

koolzuursneeuwblusser.

3.10

Genoemde [G] heeft op 20 november 2012 een schriftelijke verklaring

omtrent het incident met de frituurinstallatie opgesteld, waarin hij verklaart:

"Ik, de heer [G] werkzaam bij [E] , heb mij op 20

november 2012 naar de snackbar van de heer [D] begeven, omdat [D] melde

dat hij een branderige geur rook en dat de bakwand ploffende geluiden maakte. Ik heb hem

direct gezegd de oven uit te zetten.

Ik reed op circa 15 minuten afstand van [appellante] en ik heb aangegeven direct naar

hem toe te komen.

Toen ik rond 13:00 uur in de snackbar arriveerde heb ik de verbrandingskamer

ontmanteld. De brander heb ik naar mijn service bus gebracht.


Ondertussen riep de heer [D] dat ik direct moest komen. Uit de verbrandingsruimte

kwam rook en er was brand. Toen ik terug naar de bakwand liep zag ik een vlam, gepaard

gaande met rookontwikkeling hieronder vandaan komen. De heer [D] had inmiddels

het blusapparaat gepakt en heeft de brand geblust.
Ik schrok hiervan, om dat een collega 1 keer eerder te maken heeft gehad met een

spontane zelfontbranding. Dit kan wanneer vet op een hete (metalen) ketel komt en er

zuurstof toevoer is. Dit laatste is zeker het geval bij een ontmantelde verbrandingskamer.

Indien de heer [D] niet als zodanig handelend had opgetreden kan een brand zich

verder uitbreiden met alle gevolgen van dien!"

3.11

[geïntimeerde] heeft nadat zij een schademelding van [appellante] had ontvangen,

een eigen expert, [H] , naar de schadelocatie gestuurd. Het bezoek van deze expert heeft op 22 november 2012 plaatsgevonden. In het daarvan opgemaakte rapport is onder meer vermeld:

"(...)

Eigen bevindingen

Tijdens mijn bezoek toonde verzekerde mij de bakwand. Uiterlijk was er niets te zien. Er

hing geen brandlucht en er was geen roetaanslag. Ik heb het kastje aan de onderzijde

geïnspecteerd omdat verzekerde daar de vlammen gedoofd heeft. Het betreft een systeem

dat gas gestookt is. De ketel wordt verwarmd door een brander (zie foto). Ik heb geen

direct sporen van brand kunnen vaststellen. Verzekerde gaf aan dat hij altijd bij de

brandweer heeft gezeten en dat hij direct wist wat hij moest doen. Hij heeft de vlammen

gedoofd. Er is een monteur van de firma [E] bij geweest. Deze

monteur heeft blijkens zijn rapport het branderdeksel (zit onder de ketel) verwijderd. Deze

monteur heeft ook de andere twee pannen gecontroleerd en vastgesteld dat ook deze twee

leksporen vertoonden. Op basis van de verklaring van verzekerde, mijn eigen bevindingen

en het rapport van [E] kan geconcludeerd worden dat er vlammen onder de pan zijn

gezien en zijn gedoofd. Dat de betreffende pan lek was. Dat olie hierdoor op de

branderdeksel terecht is gekomen. Dat de twee andere pannen ook leksporen vertoonden.

Dat het zeer waarschijnlijk is dat de vlammen hierdoor ontstaan zijn. Dat er thans sprake is

van stagnatie doordat de overige pannen niet gebruikt mogen worden.

(...)

Schade

De materiële schade bestaat uit lekke pannen. Onder één pan zijn vlammen gezien. Dit is

echter een eigen gebrek/constructiefout. Een pan hoort niet te lekken en vooral niet als deze

gasgestookt is en pas 3 jaar oud is. Of de vlammen onder de pan meer schade hebben

veroorzaakt acht ik onwaarschijnlijk. In ieder geval niet aan de overige twee pannen.
(…)
Het probleem is dat de leverancier van de pannen failliet is en er geen pannen geleverd

kunnen worden.


Om die redenen huurt verzekerde nu een snackkar en heeft deze voor zijn eigen snackbar

geplaatst. Dit levert bedrijfsschade (extra kosten) op maar ook hiervan ben ik van mening

dat deze niet is ontstaan door brand maar door lekkende pannen. Immers, naast de pan

waaronder vlammen zijn gezien, zijn er nog twee pannen die niet bruikbaar zijn. Ook

zonder vlammen zou verzekerde deze pannen niet kunnen gebruiken.


Naar mijn mening dient verzekerde de leverancier van de pannen aan te spreken.

(...)"

3.12

[geïntimeerde] heeft verder een onderzoek laten instellen naar de omstandigheden

rondom het ontstaan van de schade door [I] (hierna: [I] ). Het onderzoek is op 14 december 2012 uitgevoerd. Hiervan is een schaderapport d.d. 9 januari 2013 door [I] opgesteld. In dit rapport wordt onder meer gemeld:

3. Technische expertise

(...)

3.3.

Expertise ontstaansgebied brand

De heer [D] verklaarde dat het vuur had gewoed in de branderruimte van de, vanuit de

keuken gezien, eerste vetpan. Hij zou na het uitschakelen van de frituurinstallatie vlammen

hebben waargenomen in de branderruimte via het kijkvenster aan de voorzijde van deze

branderruimte (foto 8). Ten tijde van de gestelde expertise op 14 december 2012 was het

branderbed van die branderruimte verwijderd (foto's 9 en 10). De kast met elektronica

stond eveneens los in de onderkast (foto's 11 en 12). In deze branderruimte was aan de

onderzijde van de vetpan op twee plaatsen roetafzetting aanwezig en was op één plaats een

blauwachtige verkleuring zichtbaar (foto's 13 en 14). Tevens was een stukje van een

isolatieplaat in deze ruimte bruin verkleurd (foto 15). Mede gelet op de nader te noemen

verklaring van de heer [D] , kan gesteld worden dat zich in de branderruimte

vlamverschijnselen buiten het branderbed hebben voorgedaan.

(....)

4.1.

Gesprek met [D] (verzekerde)

(...)

Kort samengevat verklaart de heer [D] dat:

- hij op 20 november 2012 vlammen had geconstateerd in de branderruimte onder de,

vanuit de keuken gezien, eerste vetpan;

- hij kort hiervoor de bakwand had uitgeschakeld en daarmee ook de gastoevoer afgesloten

was;

- de waargenomen vlammen beperkt waren gebleven tot de desbetreffende branderruimte

en

- hij deze vlammen na het verwijderen van het branderbed door een monteur van [E]

[E] zelf had kunnen doven.

(...)

5. Discussie

Gezien de constructie van de drie vetpannen kunnen de geconstateerde vlammen in de

branderruimte onder de ene pan geen schade veroorzaken aan de andere twee pannen. De

lekkage van de twee andere vetpannen betreft dus kennelijk een eigen gebrek. Aangezien

deze lekkage aan de vetpannen reeds door de monteur was vastgesteld is geen nader

onderzoek ingesteld naar de oorzaak van deze lekkage. Gezien het bovenstaande is dan ook

het zeer aannemelijk te achten, dat alle drie pannen, reeds voorafgaande aan de

ongecontroleerde vlamverschijnselen in de branderruimte, lekkage vertoonden. De gasvlam

van het in werking zijnde branderbed kan gelekte olie eenvoudig ontsteken.

Onder het begrip "brand" verstaat [geïntimeerde] het volgende;

"Brand

Een vuur buiten een haard, dat veroorzaakt wordt door verbranding, dat met vlammen

gepaard gaat en dat in staat is zich op eigen kracht voort te planten.

Derhalve is o.a. geen brand;

- schroeien, zengen, smelten, verkolen, broeien

- doorbranden van elektrische apparaten en motoren

- oververhitten, doorbranden, doorbreken van ovens en ketels."


Nu deze vlammen c.q. het vuur niet buiten de "haard" (i.e. de branderruimte) zijn/is

getreden kan gesteld worden dat deze gebeurtenis naar de mening van rapporteur niet

gerangschikt kan worden onder het begrip "brand" zoals door opdrachtgever wordt

gehanteerd, lees zoals in de polis gesteld.


Bovendien is de schade aan de frituurinstallatie (lekkage van de pannen) eerder de oorzaak

voor het ontstaan van de vlammen dan het gevolg hiervan. Tijdens het in bedrijf zijn van

een bakwand zijn de branderbedden van de vetpannen in werking. Deze gasvlammen

kunnen en mogen geen schade veroorzaken aan deze vetpannen. Hieruit volgt dat ook

vlammen van gelekte en verbrandende frituurolie geen schade aan de pannen kunnen en

mogen veroorzaken.

(...)

7. Samenvatting en conclusie

Gezien het vorenstaande, kan als resultaat van de ingestelde technische en tactische

expertise en daarbij gelet op de inhoud van de verklaring, de overlegde bescheiden en de

gedane mededelingen worden gesteld dat:

- op 20 november 2012 een vlammende brand heeft gewoed in de branderruimte van een

vetpan, deel uit makende van de bakwand in [appellante] ;

- kort voor het constateren van deze vlammen het branderbed in werking geweest is;

- ten tijde van het constateren van de vlammende brand de bakwand en daarmee het

branderbed/gastoevoer uitgeschakeld waren geworden;

- deze vlammen niet buiten de branderruimte getreden zijn;

- na deze gebeurtenis geconstateerd werd dat de drie vetpannen in deze bakwand sporen

van lekkage vertoonden en

- de onderhavige brand geen brand betreft zoals door opdrachtgever in de

verzekeringspolis is gesteld.

Resumerend wordt dan ook gesteld, dat de oorzaak voor het ontstaan van deze vlammen

c.q. het vuur in de branderruimte vrijwel zeker het gevolg is van lekkage van de

onderhavige vetpan. Tijdens het opwarmen van de olie in deze vetpan en het in werking zijn

van het branderbed is de in de branderruimte gelekte olie mee gaan branden en deze bleef

branden ook nadat de installatie door de heer [D] was uitgeschakeld.

De geconstateerde leksporen aan de andere twee vetpannen duiden op een eigen gebrek in

deze installatie. (...)"

3.13

[geïntimeerde] heeft, onder verwijzing naar de rapportage van [I] , dekking onder

de polis afgewezen, omdat er geen sprake zou zijn van een "brandhaard" als

bedoeld in de polis.

3.14

In opdracht van (de advocaat van) [appellante] heeft [J]

(hierna: [J] ) vervolgens een onderzoek ingesteld naar de brand in de

frituurinstallatie. In het hiervan opgestelde rapport d.d. 16 juli 2013 wordt onder

meer gemeld:

" KORTE TOEDRACHT/ONTDEKKING
(…)
Omstreeks 12.45 uur rook de heer [D] een penetrante geur van verbrande olie en constateerde hij rookontwikkeling in de omgeving van de frituurinstallatie. Door het kijkvenster (glaasje) in de voorzijde van de verbrandingskamer controleerde hij de gasbranders onder de pannen. In de verbrandingskamer van de eerste (meest linkse) frituurpan zag de heer [D] nog vlammen en hij realiseerde zich dat er brand was.
(…)
TUSSENRAPPORT EXPERTISEDIENST BRAND/VARIA
(…)
Qpmerking [J]

Nu niet is vastgesteld wat de oorzaak van het lekken van de olie naar de branderruimte is

geweest werd een eigen gebrek niet aangetoond. Na drie jaar kan niet meer gesproken

worden van een constructiefout. Een dergelijke fout zou door het intensieve gebruik van de

bakwand al eerder tot schade hebben geleid.

(...)

RAPPORT [I]

(...)

Opmerking [J]

De omschrijvingen van [I] en de ondersteunende foto's maken duidelijk dat er in de

branderkamer brand heeft geheerst. De plaatselijke bruine en blauwachtige verkleuringen

en de eveneens plaatselijke roetafzettingen wijzen op een brand die niet hoort bij de

normale verbranding van aardgas boven het branderbed.

(...)

Opmerking [J]

Het staat niet vast dat de brand niet buiten zijn haard i.c. de branderruimte is getreden.

Indien direct na de brand een onderzoek in die richting plaats had kunnen vinden, dan

waren er voor een geoefend oog sporen van brand in de rookgasafvoer verbindingen

vastgesteld. Nu werd er na het constateren van de brand, op de dag van de brand, al een

grote schoonmaakactie uitgevoerd waardoor sporen werden gewist. Het onderzoek van

[I] vond op 14 december 2012, 25 dagen later, plaats. De onderzoeker maakt geen

melding van zijn inspanningen om de rookgasafvoerkanalen te onderzoeken op de

(minimale) sporen van brand.

(...)

BEVINDINGEN [J]

(....)

In de branderruimte bleef brand met vlamwerking achter, die zoals is gebleken zeer wel in

staat was om zich op eigen kracht voort te zetten.

Dat de brand zich niet heeft uitgebreid naar de afzuiging van de bakwand, eventueel naar

het oppervlak van de olie in de frituurpannen, naar de rookgasafvoer, ventilator enzovoort

is enkel te danken aan het vroegtijdige en adequate optreden van verzekerde.

(...)

SAMENVATTING

Op basis van de resultaten van ons onderzoek en de verkregen informatie wordt door ons

het volgende gesteld:

- Nadat verzekerde de gastoevoer had dichtgedraaid en de gasvlammen op het branderbed

waren gedoofd bleef in de branderruimte vlamwerking actief.

- Op dat moment ontstond er een oncontroleerbare brand, die zich zeer wel mogelijk buiten

het branderbed kon verplaatsen.

- Gevoed door een aanhoudende toevoer door warme en dun vloeibare frituurolie bestond

het grote gevaar dat de brand zich zou uitbreiden naar de afzuiginstallatie en vervolgens

naar de rookafvoerkanalen.

- Dan zou er sprake zijn geweest van een bedreigende brand.

(...)

- Door de expert werd niet onderkend dat op het moment van zijn inspectie al uitgebreide

schoonmaakwerkzaamheden waren uitgevoerd.

- Uit het onderzoek van [I] blijkt echter dat er wel degelijk sporen van brand

aanwezig waren.

(...)

- De brand in de frituuroven was zeer wel in staat om zich buiten een haard voort te

planten.

- [J] gaat er van uit dat de brand zich inderdaad ook heeft uitgebreid naar de

aansluitende rookgasafvoer kanalen en dat minimale sporen daarvan verloren zijn gegaan.

(...)"

3.15

Onder verwijzing naar de bevindingen van [J] heeft [appellante] zich

wederom tot [geïntimeerde] gewend, met het verzoek om dekking onder de polis te verlenen en tot

uitkering van de schade over te gaan.

3.16

Op verzoek van [geïntimeerde] heeft [I] vervolgens een 15 augustus 2013

gedateerde nadere rapportage opgesteld, als reactie op het rapport van [J] . In deze

nadere rapportage meldt [I] onder meer:

2.2 .

Brand in de branderruimte

Zoals ook vermeld in rapport 396/12 aco van [I] BV noemt het rapport van

[J] (pagina 5) de sporen van brand in de branderruimte (branderkamer). Dat er brand

is geweest in de branderruimte als gevolg van lekkende olie staat naar mening van

rapporteur dan ook niet ter discussie. Wel ter discussie staat het feit of er brand is geweest

in de zin van de polis. Dit is naar mening van rapporteur (zoals ook vermeld in rapport

396/12) niet het geval. In deze situatie kan en mag de branderruimte in zijn geheel worden

aangemerkt als "haard" en de brand is niet buiten die "haard" getreden. Sporen hiervan

werden dan ook niet aangetroffen (zie hierna punt 2.3.)

2.3 .

Brand buiten de branderruimte

Op pagina 6 vermeldt [J] : Het staat niet vast dat de brand niet buiten zijn haard i.c. de

branderruimte is getreden. Indien direct na de brand een onderzoek in die richting plaats

had kunnen vinden, dan waren er voor een geoefend oog sporen van brand in de

rookgasafvoer verbindingen vastgesteld.

(...)

Uit de dagelijkse praktijk van forensisch brandonderzoekers blijkt evenwel dat een brand in

een bakwand zich vaak snel uitbreidt in het afzuigsysteem. Aan het afzuigsysteem van de

onderhavige bakwand werd echter geen schade geconstateerd. Indien het vuur zich vanuit

de branderruimte reeds had uitgebreid tot in het afzuigsysteem, dan had verzekerde niet

meer zelf kunnen blussen en zou de schade in en aan het pand vrijwel zeker aanzienlijk zijn

geweest. Verzekerde heeft alleen de vlammen in de branderruimte hoeven te doven.

(...)

3. Samenvatting en conclusie

Gezien het vorenstaande, zijn in het rapport van [J] geen argumenten genoemd welke

rapporteur nopen tot een andere conclusie dan die zijn vastgelegd in rapport 396/12 co.

Aanvullend kan worden gesteld, dat door handelen van verzekerde (het reinigen van de

bakwand en de snackbar direct na de onderhavige gebeurtenis) de schade-expert niet in

staat werd gesteld de eventuele schade te beoordelen. (...)"

3.17

[geïntimeerde] heeft volhard in haar weigering dekking te verlenen onder de polis en een

schade-uitkering aan [appellante] te doen.

3.18

Een voormalig collega van [D] bij de brandweer, de heer [K] , heeft een

schriftelijke verklaring gedateerd 12 november 2013 opgesteld, waarin hij meldt:

"Op 18-02-2013 (18 februari tweeduizenddertien) was ik bij de heer [D] in diens zaak

voor het halen van een snack. De heer [D] vroeg mij om als ex brandweer collega te

kijken naar zijn oven die in de brand heeft gestaan.

Ik heb gezien dat de aftapkraan zwart verkoold was. De aftapkraan bevindt zich op een

extern punt buiten de ketel (en dus ook buiten de branderruimte van de ketel). Ik heb de

heer [D] dit laten zien. Dit was nog niet gezien door de heer [D] en volgens de

heer [D] ook niet door iemand anders.

Gezien dat het vet in de pan waaraan de aftapkraan bevestigd is niet heter wordt dan 175

gr Celsius is dit gebeurd door straling van openvuur.

Dit alles heb ik geconstateerd door mijn lang ervaring als brandweerman en als brandweer

instructeur."

4 Het geschil en de beslissing van de rechtbank

4.1

[appellante] heeft in eerste aanleg gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I voor recht te verklaren dat de door brand veroorzaakte schade een gedekt evenement is in de zin van de toepasselijke polis;

II [geïntimeerde] te veroordelen om aan [appellante] tegen kwijting te betalen een bedrag van
€ 45.379,85, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over voornoemd bedrag vanaf 11 december 2012, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen datum, tot aan de dag der algehele voldoening;

III [geïntimeerde] te veroordelen om aan eiseres te betalen een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten van € 1.228,79, en aan onderzoekskosten € 1.791,14;

IV [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van de procedure, het salaris van gemachtigde
en nasalaris (ad € 131,- zonder betekening respectievelijk € 199,- met betekening) daaronder begrepen, en te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over dit bedrag vanaf
11 december 2012 dan wel een in goede justitie vast te stellen datum, tot aan de dag der algehele voldoening.

4.2

[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd.

4.3

De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen en heeft daartoe – kort samengevat en zoals door het hof begrepen – het volgende overwogen. Uit de stellingen van partijen blijkt dat de vlammen in de branderruimte zijn ontstaan doordat er lekkende olie op het branderbed terecht is gekomen. Uit het rapport van [I] blijkt dat het vuur in de branderruimte heeft gewoed en niet daarbuiten. [appellante] heeft gelet daarop en in het licht van de overige producties waaronder het rapport [J] onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die, mits bewezen, de conclusie kunnen rechtvaardigen dat sprake is geweest van een vuur buiten een haard. Bovendien heeft zij onvoldoende gesteld om aan te kunnen nemen dat het vuur, zo dit al buiten de branderruimte zou zijn gekomen, zich buiten de branderruimte zelfstandig had kunnen voortplanten. Er is daarom geen sprake van een brand in de zin van de polisvoorwaarden.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [appellante] voorts onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld om tot de conclusie te komen dat het beroep van [geïntimeerde] op de primaire dekkingsomschrijving naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

5 Bespreking van de grieven

5.1

Grief I houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het aan [appellante] is om te stellen en te bewijzen dat zich een onder de verzekering gedekt voorval heeft voorgedaan. [appellante] stelt zich op het standpunt dat vast staat dat zich een brand heeft voorgedaan en dat zij daartegen is verzekerd en dat het aan [geïntimeerde] is om te stellen en te bewijzen dat haar een uitsluitingsgrond toekomt.

5.2

Het hof overweegt als volgt. Tussen partijen staat niet vast maar is juist in geschil dat zich een brand in de zin van de polisvoorwaarden [onderstreping door het hof] heeft voorgedaan. [geïntimeerde] doet geen beroep op een uitsluiting van de dekking, maar voert het verweer dat er geen sprake is van een gedekt voorval. Nu [appellante] stelt dat dit wel het geval is en uit dien hoofde aanspraak maakt op een verzekeringsuitkering, rusten de stelplicht en bewijslast op haar.

5.3

De grief faalt.

5.4

De grieven II tot en met V zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat er geen sprake is van een gedekt voorval en lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

5.5

[appellante] stelt dat zij schade heeft geleden als gevolg van brand. In de van toepassing zijnde begrippenlijst is brand als volgt gedefinieerd:
Een vuur buiten een haard, dat veroorzaakt wordt door verbranding, dat met vlammen gepaard gaat en dat in staat is zich op eigen kracht voort te planten.

Vast staat dat er in de branderruimte onder een van de vetpannen een vuur heeft gewoed dat veroorzaakt werd door verbranding van olie en dat met vlammen gepaard ging.
De branderruimte is een afgesloten ruimte onder de vetpan, waarin zich het branderbed bevindt. Tussen partijen is niet in geschil dat deze ruimte is aan te merken als een haard.
Om van brand in de zin van de polissen te kunnen spreken, dient sprake te zijn van
(1) een vuur buiten een haard (2) dat in staat is zich op eigen kracht voort te planten.

5.6

[appellante] stelt dat aan deze twee eisen is voldaan. Zij verwijst naar de stukken en zij heeft in de toelichting op de onderhavige grieven in dit verband nog het volgende aangevoerd.
[D] komt terug op zijn jegens [I] afgelegde verklaring dat de vlammen beperkt waren gebleven tot de branderruimte. [D] heeft een rooklucht geroken. Rook binnen de branderruimte kun je niet ruiken. Het kan derhalve niet anders zijn dan dat het vuur buiten de haard is getreden. Uit de verklaringen van [G] en Van [K] blijkt eveneens dat de brand buiten de haard is getreden.
[J] gaat er in haar rapport vanuit dat door een aanhoudende toevoer van warme olie het gevaar bestond dat de brand zich zou uitbreiden naar de afzuiginstallatie en vervolgens de rookafvoerkanalen. Dat de brand zich niet heeft uitgebreid naar de afzuiging van de bakwand is enkel te danken aan het adequate optreden van [appellante] en betekent niet dat het vuur niet buiten de haard is getreden. [J] gaat er van uit dat de brand zich heeft uitgebreid naar de aansluitende rookgasafvoerkanalen en dat minimale sporen daarvan verloren zijn gegaan.

5.7

Het hof overweegt als volgt.
Nu [geïntimeerde] gemotiveerd heeft betwist dat aan de hiervoor onder 5.5. genoemde twee voorwaarden is voldaan, rust (als gezegd) op [appellante] de bewijslast ter zake van die stelling. [appellante] bevestigt dat juist is dat [D] vlammen heeft geconstateerd in de branderruimte onder de vetpan. Het is volgens [appellante] alleen niet juist dat [D] heeft waargenomen dat die vlammen beperkt zijn gebleven tot de branderruimte. Dat kan ook niet omdat [D] een brandlucht heeft geroken, zo betoogt [appellante] .
heeft ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep gesteld – en aangeboden te bewijzen – dat het een feit van algemene bekendheid is dat rook binnen een haard/branderruimte niet te ruiken is. Daaraan verbindt zij de conclusie dat het daarom wel zo moet zijn dat het vuur buiten de haard is getreden.
Het hof overweegt dat een feit van algemene bekendheid geen bewijs behoeft. Naar het oordeel van het hof is het echter geen feit van algemene bekendheid dat rook in een haard/branderruimte (daarbuiten) niet valt te ruiken.
biedt weliswaar bewijs aan van deze algemene stelling, maar geeft niet aan op welke wijze zij dat bewijs wil leveren. Het hof ziet geen aanleiding ter zake ambtshalve een deskundigenbericht te gelasten. Uit de enkele omstandigheid dat [D] een brandlucht heeft waargenomen, volgt naar het oordeel van het hof niet dat er ook vuur buiten de branderruimte is getreden.
[appellante] stelt ook niet dat [D] daadwerkelijk vlammen buiten de branderruimte heeft waargenomen. Dat strookt ook met de beschrijving van de toedracht van het incident door [J] , die in opdracht van [appellante] een rapport heeft uitgebracht. Daaruit blijkt immers dat [D] een geur van verbrande olie rook en rook waarnam in de omgeving van de frituurinstallatie en dat hij vervolgens door het kijkglaasje van de branderruimte keek en ín de branderruimte vlammen zag.
heeft in dezelfde zin jegens [H] en [I] verklaard.

5.8

[J] stelt in de samenvatting van haar rapport dat het gevaar bestond dat de brand, gevoed door een aanhoudende stroom frituurolie, zich zou uitbreiden naar de afzuiginstallatie en vervolgens naar de rookgasafvoerkanalen. Vervolgens stelt ze dat zij er van uit gaat dat de brand zich inderdaad ook heeft uitgebreid naar de aansluitende rookgasafvoer kanalen en dat minimale sporen daarvan verloren zijn gegaan.
Uit het rapport wordt echter niet duidelijk waarop [J] dit uitgangspunt baseert. Integendeel, dit uitgangspunt laat zich niet verenigen met bladzijde 6 van haar rapport waar zij juist concludeert dat een dergelijke uitbreiding zich niet heeft voorgedaan: “Dat de brand zich niet heeft uitgebreid naar de afzuiging van de bakwand, eventueel naar het oppervlak van de olie in de frituurpannen, naar de rookgasafvoer, ventilator enzovoort is enkel te danken aan het vroegtijdige en adequate optreden van verzekerde.”
Bovendien blijkt uit het aanvullende rapport van [I] (blad 5) dat [D] jegens [I] heeft verklaard dat hij na het incident de gehele frituurinstallatie alsmede de afvoerkanalen heeft gecontroleerd – waartoe hij zelfs op het dak is geweest – en dat hij daarbij verder geen schade en/of vuurverschijnselen heeft gezien.

Tegenover het rapport van [J] staan de rapporten van [H] en [I] die op grond van hun onderzoek tot de conclusie komen dat het vuur beperkt is gebleven tot de branderruimte onder een van de vetpannen. Het hof is van oordeel dat aan de bevindingen van [H] en [I] meer gewicht toekomt dan aan die van [J] omdat [H] en [I] kort na het incident – op 22 november 2012 respectievelijk 14 december 2012 – onderzoek hebben verricht, terwijl [J] pas een half jaar na het incident, namelijk op
13 mei 2013 opdracht van [appellante] heeft gekregen om onderzoek te doen naar het ontstaan en het verloop van de brand. [J] heeft toen geen onderzoek ter plaatse kunnen instellen, omdat de schade op dat moment al was hersteld en geen van de betrokken onderdelen bewaard was gebleven.

5.9

Naar het oordeel van het hof volgt uit de verklaring van [G] evenmin dat het vuur buiten de branderruimte is getreden. [G] verklaart immers dat hij, nadat hij het branderbed had verwijderd, rook uit de verbrandingsruimte [onderstreping door het hof] zag komen en dat er brand was. Hij verklaart tevens dat wanneer er vet op een hete metalen ketel komt en er zuurstof toevoer is – zoals bij een ontmantelde verbrandingskamer – dit kan ontbranden. Uit zijn verklaring blijkt aldus dat de vlammen zich binnen die hete branderruimte bevonden, doch niet dat deze daarbuiten zijn getreden. Uit de verklaring van [G] blijkt juist dat de brand zich niet heeft uitgebreid doordat [D] deze heeft geblust.

5.10

Van [K] heeft op 12 november 2013 schriftelijk verklaard dat hij op 18 februari 2013, derhalve drie maanden na de brand, heeft gezien dat de aftapkraan, die zich buiten de ketel bevindt, zwart verkoold was.
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat deze verklaring onvoldoende overtuigend is.
Op basis van de verklaring valt niet vast te stellen dat de aftapkraan waarover Van [K] spreekt, onderdeel was van de in het geding zijnde installatie en evenmin dat de daarop voorkomende aanslag op 20 november 2012 is ontstaan. Dat valt evenmin vast te stellen aan de hand van de in het geding gebrachte foto, die zeer onduidelijk is. [appellante] heeft bevestigd dat de betreffende aftapkraan is afgevoerd en dat ook de overige na de brand vervangen onderdelen van de installatie niet bewaard zijn.

5.11

Het hof is gelet op al het voorgaande van oordeel dat [appellante] haar stelling dat er sprake is geweest van een vuur buiten de haard niet heeft bewezen. [appellante] heeft aangeboden ter zake [D] , [G] en Van [K] als getuigen te doen horen. Omdat [appellante] niet heeft aangegeven wat [D] meer of anders zou kunnen verklaren dan uit de verschillende rapporten blijkt en evenmin wat [G] en Van [K] meer of anders zouden kunnen verklaren dan wat uit hun schriftelijke verklaringen blijkt, gaat het hof aan dat bewijsaanbod voorbij.
Nu niet is komen vast te staan dat er sprake was van een vuur buiten de branderruimte, is geen sprake van een gedekt voorval in de zin van de polissen.
De vraag of het vuur in staat was om zich op eigen kracht voort te planten, behoeft daarom geen bespreking meer.

5.12

De grieven II tot en met V falen.

5.13

Grief VI houdt in dat de rechtbank [appellante] ten onrechte niet heeft gevolgd in haar betoog dat haar op grond van de redelijkheid en billijkheid niet kan worden toegerekend dat het vuur niet buiten de haard is getreden. [appellante] stelt dat het voor haar objectief bezien onvoldoende kenbaar was wanneer een brand buiten een haard is getreden en dat het op basis van die onduidelijkheid niet van haar kon worden verwacht dat zij daarvan ten tijde van de brand een duidelijk beeld had en haar (blus)gedrag daarop had aangepast.

5.14

Het hof overweegt dat het een verzekeraar vrij staat in haar polisvoorwaarden aan te geven binnen welke grenzen zij bereid is dekking te geven (ECLI:NL:HR:2006:AV9435 en ECLI:NL:HR:2008:BC2793).
Het hof is van oordeel dat voldoende duidelijk is dat met het begrip ‘haard’ in de begrippenlijst van de polisvoorwaarden wordt gedoeld op een afgebakende ruimte die geschikt is voor verbranding en het bevatten van vuur, zodat de branderruimte – en niet slechts het branderbed – als zodanig moet worden aangemerkt.
De suggestie van [appellante] dat zij haar (blus)gedrag daarop had kunnen aanpassen – waarmee zij kennelijk beoogt te stellen dat zij met blussen had willen wachten tot na het moment waarop het vuur zich tot buiten de branderruimte had uitgebreid – is uit den boze.
Een verzekeringnemer of verzekerde heeft immers de wettelijke plicht om zodra hij van de verwezenlijking van het risico of het ophanden zijn daarvan op de hoogte is, naarmate hij daartoe in de gelegenheid is, binnen redelijke grenzen alle maatregelen te nemen, die tot voorkoming of vermindering van de schade kunnen leiden (artikel 7:957 lid 1 BW).
De omstandigheid dat [appellante] overeenkomstig haar wettelijke plicht heeft gehandeld door kordaat op te treden en het vuur snel te blussen, leidt dan ook niet tot het oordeel dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [geïntimeerde] zich op de primaire dekkingsomschrijving in haar polisvoorwaarden beroept.
Hetzelfde geldt voor de gestelde omstandigheid dat [appellante] een nette snackbar is die aan alle (verzekerings)eisen voldeed.

5.15

[appellante] heeft verder nog gesteld dat zij na de brand heeft schoongemaakt waardoor sporen van de brand buiten de haard niet, dan wel moeilijk waar te nemen waren. Zoals hiervoor is overwogen, is niet gebleken dat het vuur buiten de haard is getreden. Maar zo dat wel het geval zou zijn geweest en dit door de schoonmaakactie van [appellante] niet meer vast te stellen zou zijn, dient dat voor haar rekening te blijven, nu zij immers de stelplicht en bewijslast draagt ten aanzien van de stelling dat zich een gedekt evenement heeft voorgedaan.
Lid 2 van artikel 7:957 BW bepaalt dat de verzekeraar de kosten van bereddering vergoedt. [appellante] heeft in deze procedure echter geen vergoeding van die kosten gevorderd.

5.16

Grief VI faalt.

5.17

Met grief VII vult [appellante] de gronden van haar eis aan met de stelling dat ook in het geval komt vast te staan dat geen sprake is geweest van een brand in de zin van de polis, uit artikel 1 van de AV-ZZP polis volgt dat zij ook verzekerd is voor het geval een gebeurtenis is veroorzaakt door een eigen gebrek van de roerende zaak.
voegt daaraan toe dat partijen verdeeld zijn over de vraag of er sprake was van een brand, maar niet over de vraag of er een gebeurtenis is geweest.

5.18

Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Het gaat in genoemd artikel niet om iedere willekeurige gebeurtenis – zoals [appellante] kennelijk wil betogen – maar om één van de in dat artikel genoemde gebeurtenissen, waaronder brand. Als er sprake is van brand is de schade als gevolg van die brand [cursivering door het hof] inderdaad óók gedekt in het geval de brand is veroorzaakt door een eigen gebrek van de roerende zaak (in casu de vetpan).
In dit geval is echter niet komen vast te staan dat er sprake is geweest van een brand in de zin van de polis. [appellante] heeft in haar memorie van grieven ook niet gesteld dat zich een andere gebeurtenis als bedoeld in de polis heeft voorgedaan.
Pas ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep heeft [appellante] gesteld dat zich mogelijk een explosie heeft voorgedaan die de scheurtjes in de vetpannen veroorzaakt heeft, zodat de brand niet is veroorzaakt door een eigen gebrek van de vetpannen, maar de brand de schade aan de vetpannen heeft veroorzaakt. Enige onderbouwing van deze nieuwe stelling ontbreekt. De stelling staat ook haaks op het standpunt dat [appellante] eerder innam, namelijk dat de brand is veroorzaakt doordat de vetpan olie is gaan lekken (vergelijk cvr sub 3) en valt niet te rijmen met het feit dat ook de beide vetpannen die niet met het vuur in aanraking zijn gekomen scheurtjes vertoonden. Bovendien betreft het hier een nieuwe grief die in strijd met de twee conclusieregel is opgeworpen en waaraan het hof, mede gezien het daartegen door [geïntimeerde] gemaakte bezwaar, voorbij heeft te gaan.

5.19

Het hof voegt aan al het voorgaande nog het volgende toe. De schade waarvan [appellante] vergoeding vordert, bestaat – kort gezegd – uit de kosten van het vervangen van de vetpannen, de huur van een snackwagen en gederfde winst.
Deze schade staat niet in causaal verband met de brand. De noodzaak om de vetpannen te vervangen vond niet haar oorzaak in de brand, maar in de ondeugdelijkheid van de pannen zelf. Immers, niet alleen de vetpan waaronder het vuur in de branderruimte heeft gewoed, vertoonde scheurtjes, maar ook de overige vetpannen die niet met dit vuur in aanraking zijn geweest. De vetpannen hadden derhalve sowieso vervangen moeten worden, ook als het onderhavige incident zich niet had voorgedaan. De huur van de snackwagen en de gederfde winst zijn evenmin aan te merken als schade als gevolg van de brand. [appellante] was genoodzaakt de wagen te huren omdat de vetpannen als gevolg van een faillissement van de leverancier niet op korte termijn leverbaar bleken. Afgezien van de gebrekkige vetpannen, was er geen enkel beletsel om de snackbar onmiddellijk weer in gebruik te nemen. [D] heeft blijkens het aanvullende rapport van [I] immers verklaard dat de snackbar nog dezelfde dag in drie uur tijd door een drietal personen is schoongemaakt en dat er – afgezien van de afgekeurde vetpannen – geen sprake was van verdere schade.

5.20

Voor zover [appellante] met de grief voorts klaagt dat de rechtbank de vorderingen van [appellante] ten onrechte heeft afgewezen met veroordeling van [appellante] in de proceskosten, behoeft deze, gelet op het falen der grieven, geen afzonderlijke bespreking meer.

5.21

Ook grief VII faalt.

Slotsom

5.22

Het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 16 juli 2014 waarvan beroep, zal worden bekrachtigd. [appellante] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep. Deze worden aan de zijde van [geïntimeerde] wat het geliquideerd salaris voor de advocaat betreft begroot op
€ 4.893,- (3 pt, tarief € 1.631,-), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van dit arrest, alsmede te vermeerderen met € 131,- voor nasalaris voor de advocaat en voorts met € 68,- voor nasalaris voor de advocaat indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak is voldaan èn betekening heeft plaatsgevonden.

De beslissing
Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 16 juli 2014 waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de kosten van de procedure in hoger beroep en begroot deze aan de zijde van [geïntimeerde] op € 1.920,- aan verschotten en op € 4.893,- aan salaris voor de advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de dag van dit arrest tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede vermeerderd met een bedrag van € 131,- aan nasalaris voor de advocaat en voorts te vermeerderen met een bedrag van € 68,- aan nasalaris indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak is voldaan èn betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.


Aldus gewezen door mr. M.M.A. Wind, mr. L. Janse en mr. W.J. Overtoom en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag

2 februari 2016.