Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:6823

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-08-2016
Datum publicatie
29-08-2016
Zaaknummer
K16/0022
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Het hof verklaart het beklag ongegrond voor zover het zich richt tegen de beslissing van de officier van justitie om beklaagde niet te vervolgen ter zake van artikel 6 WVW.

Het hof verklaart het beklag gegrond voor zover het zich richt tegen de (impliciete) beslissing van de officier van justitie om beklaagde niet te vervolgen ter zake van artikel 5 WVW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

K16/0022

Beschikking

inzake

[klager]

&

[klaagster]

domicilie kiezende ten kantore van hun gemachtigde

klagers

bijgestaan door mr. U. Yildirim, advocaat te Zwolle

tegen

[beklaagde]

domicilie kiezende ten kantore van zijn gemachtigde

beklaagde

bijgestaan door mr. M.W.G.J. IJsseldijk, advocaat te Arnhem.

Op 12 januari 2016 is ter griffie van het hof een klaagschrift binnengekomen van klagers. Het klaagschrift richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie van het arrondissementsparket Oost-Nederland om tegen beklaagde geen strafvervolging in te stellen.

Het hof heeft kennisgenomen van het ambtsbericht van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland, het schriftelijk verslag van de advocaat-generaal en de overige op deze zaak betrekking hebbende stukken, waaronder een mailwisseling tussen de raadsman van beklaagde en de behandelend officier van justitie van 4 en 5 juli 2016.

Op 8 juli 2016 is de zaak in raadkamer van dit hof behandeld. Bij de behandeling in raadkamer waren de gemachtigde van klagers, beklaagde en de gemachtigde van beklaagde aanwezig, alsmede de advocaat-generaal. Zij zijn in raadkamer gehoord.

De advocaat-generaal heeft – in overeenstemming met haar schriftelijk verslag – geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beklag voor zover het ziet op artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) en gegrondverklaring voor zover het beklag ziet op artikel 5 van de WVW.

Het beklag

Op 20 mei 2014 omstreeks 07.20 uur heeft op de Apeldoornseweg te Arnhem een ongeval plaatsgevonden. De betrokken partijen waren [naam zoon klagers] – de zoon van klagers (bestuurder van een motor) enerzijds en beklaagde (bestuurder van een personenauto) anderzijds. Ten gevolge van het ongeval tussen voornoemde voertuigen met personen is [naam zoon klagers] (hierna: het slachtoffer) op de dag van het ongeval omstreeks 07.55 uur overleden.

Door de politie is onder leiding van de officier van justitie onderzoek verricht naar de aard en toedracht van het ongeval.

Bij mail d.d. 11 november 2014 is door [gemachtigde] namens de officier van justitie aan klagers meegedeeld dat beklaagde niet verder strafrechtelijk vervolgd zal worden ter zake van artikel 6 WVW, nu er – kort gezegd – onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat beklaagde minimaal aanmerkelijke schuld heeft gehad aan het ongeval.

Namens de officier van justitie van het arrondissementsparket Oost-Nederland is bij brief d.d. 16 december 2014 – in aansluiting op het gesprek tussen klagers en de officier van justitie op 4 december 2014 – aan klagers nogmaals formeel meegedeeld dat beklaagde niet verder strafrechtelijk vervolgd zal worden wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs.

De beoordeling van het beklag

Ontvankelijkheid

Klagers kunnen in hun hoedanigheid als ouders van het slachtoffer – nabestaanden – als rechtstreeks belanghebbende worden beschouwd en zijn derhalve in zoverre ontvankelijk in hun beklag.

Blijkens de sepotbrief d.d. 16 december 2014 en bovengenoemde mail d.d. 11 november 2014 ziet de sepotbeslissing van de officier van justitie op artikel 6 WVW. Voor zover het beklag zich daartegen richt zijn klagers ontvankelijk. Hierover bestaat geen discussie.

Het klaagschrift strekt tot verdere vervolging van beklaagde ter zake van zowel artikel 5 WVW als artikel 6 WVW. Zodoende zal het hof eerst de vraag moeten beantwoorden of klagers ook ontvankelijk zijn in hun beklag voor zover dat ziet op artikel 5 WVW.

Ingevolge artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering kan een rechtstreeks belanghebbende klagen over een beslissing van de officier van justitie strekkende tot niet (verdere) vervolging van beklaagde. Dit veronderstelt dat er alvorens er beklag kan worden ingesteld een sepotbeslissing van de officier van justitie moet liggen, welke kenbaar is gemaakt.

Met betrekking tot het al dan niet vervolgen ter zake van artikel 5 WVW bevat het dossier de volgende relevante passages.

“(…) Wel zou art. 5 WVW bewezen kunnen worden, maar ik acht vervolging daarvoor niet opportuun in verband met medeschuld bij de motorrijder (het hof begrijpt: het slachtoffer). Ik laat het derhalve bij een sepot 02 voor 6 WVW. (…)” 1

“ (…) De zaak is in Compas (het hof begrijpt: een gerechtelijk registratiesysteem) ingeschreven als een 6 WVW zaak, en niet (ook) als een 5 WVW. Ik hoefde de zaak dan ook niet formeel te seponeren voor artikel 5 WVW. (…) Ik denk dat er wel voldoende bewijs is voor artikel 5 WVW. Ik denk ook dat er geen sprake is van AVAS (…), gelet op alles. (…) Ik meen dat er wel sprake is van een bepaalde mate van eigen schuld (hoe hard dat ook klinkt) Gelet op het feit dat er aanwijzingen zijn dat er te hard is gereden door het slachtoffer. Ik vond het dan ook niet opportuun om dhr. [beklaagde] voor artikel 5 WVW te dagvaarden voor de kantonrechter dan wel een strafbeschikking/trasactie aan te bieden. Concreet seponeren van de zaak voor artikel 5 WVW, was – zoals ik al schreef – echter niet nodig. (…)” 2

Gelet op de inhoud van bovenstaande passages en het verhandelde in raadkamer is het hof van oordeel dat de officier van justitie weliswaar formeel geen schriftelijke sepotbeslissing heeft genomen aangaande artikel 5 WVW, maar de officier van justitie niet voornemens is beklaagde hiervoor alsnog te vervolgen in welke vorm dan ook. Het hof begrijpt de officier van justitie zodoende zo dat hij beklaagde niet verder wil vervolgen ter zake van artikel 5 WVW, zodat klagers voor zover het beklag zich hiertegen richt eveneens ontvankelijk zijn in hun beklag.

De feiten

Beklaagde was in de vroege ochtend van 20 mei 2014 met de auto van zijn moeder op weg naar zijn stageadres toen hij op de radio hoorde dat er op de weg die hij normaliter zou vervolgen een ongeval had plaatsgevonden. Beklaagde besloot een alternatieve route te kiezen. Beklaagde was niet bekend met deze route. Ter plaatse gold een maximum snelheid van 80 km/u. Op enig moment stond beklaagde voorgesorteerd op de rijbaan van de A12 richting Utrecht toen hij – net nadat hij voorbij de stopstreep was gereden – constateerde dat hij niet op de juiste rijbaan stond. Beklaagde besloot hierop iets verderop te stoppen waar hij het linksafslaande verkeer niet hinderde om vervolgens in te kunnen voegen op de rijstrook voor het rechtdoorgaande verkeer. Vanuit stilstand – in de eerste versnelling – is beklaagde langzaam gaan rijden en hoorde hij één à twee seconde(n) later een knal en voelde hij een schok door zijn auto gaan. Niet veel later zag beklaagde een persoon door de lucht vliegen. Nadien is gebleken dat de betreffende persoon op een motor reed. Zoals hierboven reeds is weergegeven is de bestuurder van de motor – het slachtoffer – enkele minuten later op de plaats van het ongeval overleden. Beklaagde is door de politie aangehouden op verdenking van artikel 6 WVW.

Door de politie is – zoals hiervoor reeds is opgemerkt – nader onderzoek verricht. Van dit onderzoek is een politiedossier (PL078C 2014054655). Voorts zijn er op verzoek van de gemachtigde van beklaagde onderzoekshandelingen verricht bij de rechter-commissaris, bestaande uit het horen van getuigen bij de rechter-commissaris en het opmaken van een aanvullend proces-verbaal Verkeers Ongevallen Analyse (hierna VOA). Al deze bescheiden maken deel uit van het dossier.

Verkeers Ongevallen Analyse

Het proces-verbaal VOA en het aanvullende proces-verbaal VOA houden het volgende in. Zowel de auto van beklaagde als de motor van het slachtoffer vertoonden geen gebreken en/of aanwijzingen die van invloed zouden kunnen zijn geweest op het ontstaan van het ongeval. Ten tijde van het ongeval was het licht buiten en was het droog en helder weer. Op de plaats van het ongeval zijn remblokkeer- en krassporen aangetroffen. Aan de hand hiervan is – in samenspraak met een deskundige van het Nederlands Forensisch Instituut – een snelheidsberekening gemaakt van de vermeende snelheid van de motor. De resultaten komen uit op een minimale snelheid van 87,7 km/u met een maximale snelheid van 119 km/u. Met betrekking tot de toedracht van het ongeval houdt het rapport het volgende in.

“(…) De bestuurder van de motorfiets schrikt kennelijk van de personenauto die naar rechts stuurt en remt hierop krachtig. Dit gaat dusdanig krachtig dat het voorwiel van de motorfiets een remblokkeerspoor aftekent. Na een remblokkeerspoor van ongeveer 16 meter valt de motorfiets op de rechter zijkant tegen het wegdek. (…) Zeer waarschijnlijk komt de motorfiets tengevolge van de restsnelheid en het vallen tegen het wegdek, los van het wegdek en komt ongeveer 11 meter verder weer tegen het wegdek en botst vervolgens tegen de rechter achterkant van de personenauto. Hierop breekt de motorfiets in tweeën. (…) De bestuurder van de motorfiets valt, ergens tussen de eerste val van de motorfiets en de uiteindelijke botsing van de personenauto van de motorfiets en glijdt rechtdoor tot de uiteindelijke eindpositie van het slachtoffer. (…)” 3

Op het lichaam van het slachtoffer is op 20 mei 2014 door dr. [naam schouwarts] op 20 mei 2014 een schouw verricht. Geconstateerd is dat het slachtoffer vermoedelijk is overleden aan een hersentrauma.

Verklaring van beklaagde

Beklaagde is twee maal door de politie verhoord op 20 mei 2014. Beklaagde heeft verklaard dat hij zich vergiste in de rijbaan en besloot de auto zodanig neer te zetten dat hij het achteropkomende verkeer richting Utrecht niet zou hinderen, hij zijn rechter richtingaanwijzer aanzette en vervolgens wachtte tot de auto’s in laatgenoemde richting gepasseerd waren. Toen beklaagde zag dat er geen verkeer meer aankwam, keek hij in zijn binnenspiegel, rechterbuitenspiegel en vervolgens over zijn rechterschouder, zag hij dat de weg vrij was en reed vervolgens in de eerste versnelling met een snelheid van rond de zeven à tien km/u de rijstrook voor het verkeer richting Apeldoorn op. Op de vraag van de verbalisant of beklaagde wist uit weke richting de motorrijder kwam heeft beklaagde geantwoord dat hij dat niet wist omdat hij de motorrijder nooit heeft gezien. Beklaagde heeft verklaard dat hij zodoende aanvankelijk ook niet wist door wie of wat hij geraakt was.

Getuigenverklaringen

Van het ongeval zijn getuigen. Deze getuigen zijn door de politie gehoord vlak na het ongeval op 20 mei 2014. Al deze getuigen zijn eveneens door de rechter-commissaris gehoord op verzoek van de gemachtigde van beklaagde.

Getuige [getuige 1] is gehoord en heeft verklaard dat hij het ongeval zelf niet heeft zien gebeuren. Bij de politie heeft hij verklaard dat hij geen idee had waar de motorrijder vandaan kwam.

Getuige [getuige 2] is gehoord door de politie en heeft verklaard dat hij hoorde dat de motorrijder hard optrok en met volle snelheid het kuispunt naderde en over stak waarop het ongeval plaatsvond. Bij de rechter-commissaris heeft [getuige 2] op 25 augustus 2015 verklaard dat hij waarnam dat de motorrijder het gas vol losgooide toen hij uit de bocht van de Apeldoornseweg kwam, waarop [getuige 2] zelf nog de gedachte had dat het best gevaarlijk was wat de motorrijder deed en hij het zelf onverantwoord vond wat de motorrijder deed. Voorts verklaarde hij zelf motor te rijden.

Getuige [getuige 3] is door de politie gehoord en heeft verklaard dat hij zag dat klager nadat hij een tijdje stil stond optrok teneinde rechtdoor te rijden, toen daar ineens in een flits een motorrijder was welke hij niet had zien aankomen. Bij de rechter-commissaris heeft [getuige 3] op 25 augustus 2015 verklaard dat hij zag dat klager even stil stond en zoekend rondkeek alvorens hij de rechtdoorgaande rijbaan opreed, waarop hij in zijn ooghoek een impact zag van wat later een motor bleek te zijn. Voorts heeft [getuige 3] verklaard dat hij de motor niet heeft zien komen rijden.

Getuige [getuige 4] is door de politie gehoord en heeft verklaard dat hij het ongeval heeft zien gebeuren. Bij de rechter-commissaris heeft [getuige 4] op 25 augustus 2015 een gedetailleerdere verklaringen afgelegd en verklaard dat hij zag dat klager eerst al het overige verkeer voor liet gaan dat richting Apeldoorn reed, hij wachtte en vervolgens de rijbaan opdraaide. [getuige 4] heeft voorts verklaard dat hij de motorrijder niet zag toen klager de rijbaan op reed en klager zodoende voldoende ruimte had om van rijbaan te wisselen. De motor zou snel hebben geaccelereerd afgaande op het geluid van de motor en voorts zeker harder hebben gereden dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid, aldus [getuige 4] die tevens zelf motorrijder is.

Getuige [getuige 5] is door de politie gehoord en heeft verklaard dat hij het ongeval heeft zien gebeuren. Bij de rechter-commissaris heeft [getuige 5] op 25 augustus 2015 een uitgebreidere verklaring afgelegd en verklaard dat hij een motorrijder met een zodanige snelheid zag aankomen dat deze niet meer kon stoppen, maar hij de motorrijder niet heeft gezien toen klager de rechtdoorgaande rijbaan opreed. Voorts heeft [getuige 5] verklaard dat de motorrijder zeker wel 80 km/u reed.

Verhandelde in raadkamer

Door de gemachtigde van klagers is in raadkamer aangevoerd dat klagers het klaagschrift handhaven ook voor zover dat ziet op de vervolging van beklaagde ter zake van artikel 6 WVW, nu schuld in de zin van dit artikel volgens klagers wel bewezen kan worden. Voorts heeft de gemachtigde van klagers betoogd dat bij de beslissing van de officier van justitie om beklaagde niet verder te vervolgen te snel en eenvoudig is uitgegaan van de verklaringen van beklaagde en het uitgangspunt dat het slachtoffer vermoedelijk te hard heeft gereden, zodat te snel is aangenomen dat beklaagde geen verwijt kan worden gemaakt.

De gemachtigde van beklaagde heeft in raadkamer betoogd dat beklaagde geen strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Wat betreft artikel 6 WVW heeft hij aangevoerd dat beklaagde zich heeft vergewist van de verkeersituatie, juist heeft gehandeld en heeft gehandeld naar de maatstaven die van een oplettende bestuurder mogen worden verwacht. Daarbij heeft hij erop gewezen dat op basis van het onderzoek vaststaat dat het slachtoffer te hard heeft gereden vlak voorafgaand aan het ongeval. Wat betreft artikel 5 WVW heeft de gemachtigde van beklaagde aangevoerd dat beklaagde een geslaagd beroep op de schulduitsluitingsgrond ‘afwezigheid van alle schuld’ toekomt nu vast is komen te staan dat het slachtoffer vlak voor het ongeval aanzienlijk te hard heeft gereden en beklaagde juist heeft gehandeld onder de gegeven omstandigheden.

Beklaagde heeft in raadkamer verklaard dat hij tot op de dag van vandaag wordt geconfronteerd met datgene wat er op 20 mei 2014 is voorgevallen. Beklaagde heeft aangegeven dat hij zeer meevoelt met het enorme verlies van klagers en dat onder meer kenbaar heeft gemaakt door meermalen schriftelijk contact te zoeken met de familie van het slachtoffer. Voorts volgt uit het dossier en het verhandelde in raadkamer dat beklaagde op de dag van het ongeval bloemstukken heeft laten maken voor de plaats van het ongeval en de uitvaart van het slachtoffer. Beklaagde heeft aangegeven respect te hebben voor de overwegend afwijzende houding van klagers ten opzichte van hem, maar persoonlijk teleurgesteld te zijn nu hij graag met hen in gesprek zou willen.

Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat het beklag voor zover gericht tegen de beslissing tot niet verdere vervolging van beklaagde ter zake van artikel 6 WVW ongegrond is en overweegt daartoe als volgt. Artikel 6 WVW stelt dood en letsel door schuld in het verkeer strafbaar en houdt het volgende in dat het een ieder die aan het verkeer deelneemt verboden is zich zodanig te gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval plaatsvindt waardoor een ander wordt gedood of waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht of zodanig lichamelijk letsel wordt toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat. Vereist is dat er minimaal sprake is van aanmerkelijke schuld aan de zijde van beklaagde. Op grond van de beschikbare bewijsmiddelen zal vast moeten komen te staan dat aan beklaagde een zodanig verwijt kan worden gemaakt dat dit kan worden aangemerkt als schuld in de zin van artikel 6 WVW. Op basis van het dossier ziet het hof geen aanknopingspunten dat beklaagde zodanig onvoorzichtig heeft gehandeld en er zodoende sprake is van aanmerkelijke schuld in de zin van voornoemd artikel, zodat de kans dat een later oordelende strafrechter tot een bewezenverklaring van artikel 6 WVW zal komen zeer gering is. Uit het dossier volgt naar het oordeel van het hof het beeld dat beklaagde weliswaar een inschattingsfout maakte met betrekking tot de keuze voor de juiste rijbaan en door het vervolgens wisselen van rijbaan een verkeersovertreding heeft begaan maar daarmee is nog niet zonder meer sprake van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Hierbij is van belang dat beklaagde bij het oplossen van die verkeerde keuze alle oplettendheid en zorg heeft betracht die in een dergelijk situatie vereist en gewenst is van een bestuurder onder die omstandigheden. De verklaring van beklaagde dat hij , zijn richtingaanwijzer heeft aangedaan en goed heeft gekeken vindt op verschillende punten steun in verschillende getuigenverklaringen. Datzelfde geldt voor de onderzoeksresultaten van het snelheidsonderzoek. De officier van justitie heeft in deze zodoende een juiste beslissing genomen.

Voor zover het beklag zich richt tegen de impliciete beslissing van de officier van justitie om beklaagde niet verder te vervolgen voor artikel 5 WVW is het hof van oordeel dat het beklag gegrond is en overweegt daartoe als volgt. Om te kunnen spreken van gevaarzetting ex artikel 5 WVW is enkel vereist dat er gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd. Op grond van de stukken in het dossier staat vast dat beklaagde artikel 78, eerste lid, van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens heeft overtreden, door van rijbaan te verwisselen. Deze enkele handeling levert als zodanig al gevaar en hinder op in de zin van artikel 5 WVW.

Uit het voorgaande volgt dat het beklag ongegrond is voor zover het ziet op artikel 6 WVW en gegrond is voor zover het ziet op artikel 5 WVW. Er wordt als volgt beslist.

Beslissing

Het hof:

Wijst het beklag af voor zover het ziet op artikel 6 WVW.

Beveelt dat door de officier van justitie van het arrondissementsparket Oost-Nederland een strafvervolging tegen [beklaagde] zal worden ingesteld ter zake van het misdrijf zoals omschreven in artikel 5 WVW;

Bepaalt dat strafvervolging van [beklaagde] mag geschieden in de vorm van het uitvaardigen van een strafbeschikking.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.M.E. Tebbenhoff Rijnenberg, voorzitter,

mr. G. Mintjes en mr. F.A.M. Bakker, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. F.A.A.M. van der Veen, griffier,

op 23 augustus 2016 en ondertekend door de voorzitter en de griffier.

1 Mail d.d. 11 november 2014 van [gemachtigde] namens de officier van justitie.

2 Mail d.d. 5 juli 2016 van officier van justitie gericht aan de gemachtigde van beklaagde n.a.v. vragen van de gemachtigde van klager aan de officier van justitie met betrekking tot de seponering.

3 Proces-verbaal Verkeers Ongevallen Analyse d.d. 25 juli 2015 inhoudende relaas van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , pag. 27.