Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:6789

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-08-2016
Datum publicatie
30-08-2016
Zaaknummer
200.175.349/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewind. Aansprakelijkheid voormalig bewindvoerder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.175.349/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 3812758 LT VERZ 15-601)

beschikking van de familiekamer van 16 augustus 2016

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: [verzoeker] ,

advocaat: mr. A.J. Verweij te Ermelo,

en

[verweerder] ,

wonende te [B] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: [verweerder] .

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

[de rechthebbende] ,

wonende te [C] ,

verder te noemen: de rechthebbende.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep.

1.1

Het hof heeft op 19 april 2016 een tussenbeschikking gegeven, waarvan de inhoud als hier ingevoegd beschouwd dient te worden.

1.2

Ter griffie van het hof is na de tussenbeschikking van 19 april 2016 binnengekomen:
- een journaalbericht van 29 april 2016 van mr. Verweij met productie(s);

- een journaalbericht van 4 juli 2016 van mr. Verweij met productie(s), waaronder een akte uitlating;
- een brief van 5 juli 2016 van [verweerder] ;

- een brief van 6 juli 2016 van [verweerder] met productie(s);

- een journaalbericht van 19 juli 2016 van mr. Verweij met als productie een akte uitlating.

1.3

[verzoeker] heeft het hof uiteindelijk verzocht te bepalen dat [verweerder] tekort is geschoten in zijn taak als bewindvoerder en hem aansprakelijk te achten voor de daaruit door de rechthebbende geleden schade ad € 4.789,33, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van de overboeking (d.d. 6 december 2012) en de gemaakte juridische kosten (tweemaal de eigen bijdrage ad € 143,- voor de gefinancierde rechtsbijstand). Hij heeft verzocht middels een beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, [verweerder] te veroordelen om aan de rechthebbende tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen - door overmaking op de bewindvoerdersrekening ( [00000] t.n.v. [de rechthebbende] ) - het schadebedrag ad € 4.789,33, vermeerderd met de wettelijke rente over deze hoofdsom vanaf 6 december 2012 tot de dag der algehele voldoening en met veroordeling van [verweerder] in de kosten van de procedure in eerste aanleg alsook in hoger beroep.

1.4

Het hof acht een nadere mondelinge behandeling niet noodzakelijk en partijen hebben daartoe evenmin de wens uitgesproken. Het hof zal de zaak daarom verder op de stukken afdoen.

2 De verdere beoordeling
* De vordering van het zorgkantoor op de rechthebbende van € 13.911,51

2.1

[verzoeker] heeft bij voornoemd journaalbericht van 4 juli 2016 de beschikking op het bezwaar tegen de terugvordering door het zorgkantoor van het bedrag van € 13.911,51 overgelegd. Het bezwaar is gegrond verklaard en er is alsnog verantwoording geaccepteerd voor een bedrag van € 13.636,-. De terugvordering wegens niet besteed persoonsgebonden budget is, rekening houdend met een vrij besteedbaar bedrag van € 208,67, verlaagd naar een bedrag van € 66,84. [verzoeker] heeft in zijn akte van 4 juli 2016 naar voren gebracht dat hij hiermee akkoord is. Het hof behoeft op dit punt derhalve geen beslissing meer te nemen.
* De vordering van het zorgkantoor op de rechthebbende van € 2.763,87

2.2

Uit de na de tussenbeschikking van 19 april 2016 overgelegde stukken is naar het oordeel van het hof genoegzaam gebleken dat het bedrag van € 2.763,87 dat op 30 mei 2014 door het zorgkantoor is overgeboekt op de pgb-rekening van de rechthebbende bij vooruitbetaling is betaald voor door [D] in juni 2014 aan de rechthebbende te verlenen zorg. Nu deze zorg in verband met de opzegging per 1 juni 2014 nimmer is verleend, is de terugvordering door het zorgkantoor van dit bedrag naar het oordeel van het hof correct.

2.3

Zoals het hof heeft overwogen in de tussenbeschikking van 19 april 2016, is daarmee echter nog niet verklaard hoe het kan dat het saldo op de pgb-rekening van de rechthebbende bij de ABN AMRO Bank met nummer [00001] (verder te noemen: de pgb-rekening) ontoereikend was om voormelde terugvordering te kunnen voldoen. Het hof heeft partijen in de tussenbeschikking van 19 april 2016 opgedragen om gezamenlijk na te gaan hoe het tekort op de pgb-rekening van de rechthebbende is ontstaan.

2.4

Uit de na de tussenbeschikking van 19 april 2016 overgelegde stukken is het hof gebleken dat partijen, met name [verzoeker] , hier uitvoerig onderzoek naar hebben verricht. Daaruit is naar voren gekomen dat de pgb-gelden voor december 2012 door het zorgkantoor op 28 november 2012 op de pgb-rekening zijn gestort die de rechthebbende destijds had bij de ING-bank (rekeningnummer [00003] ). Deze bankrekening van de rechthebbende bij de ING-bank is [in] 2012 door [verweerder] beëindigd. Het batig saldo van € 4.789,33 is echter abusievelijk niet overgeboekt naar de nieuwe pgb-rekening van de rechthebbende bij de ABN AMRO Bank, maar naar de pgb-rekening van een andere cliënte van [verweerder] . Deze gang van zaken wordt door [verweerder] in zijn brief van 6 juli 2016 erkend. [verzoeker] stelt dat de andere cliënte van [verweerder] in december 2012 al aan [verweerder] heeft gemeld dat abusievelijk een bedrag van € 4.789,33 op haar rekening was bijgeschreven en dat [verweerder] aan deze cliënte heeft toegezegd dit te zullen corrigeren. Gebleken is dat dit niet is gebeurd. Het hof is gelet op het vorenstaande van oordeel dat [verweerder] toerekenbaar tekort is geschoten in de financiële zorg die van een bewindvoerder mag worden verwacht. Het hof zal [verweerder] veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van deze beschikking het door hem erkende bedrag van € 4.789,33 over te maken op de pgb-rekening van de rechthebbende bij ABN AMRO Bank met rekeningnummer [00000] . Voor een veroordeling van [verweerder] tot vergoeding van de wettelijke rente vanaf 6 december 2012 tot de dag der algehele voldoening bestaat geen aanleiding, omdat [verzoeker] niet onderbouwd heeft gesteld dat, althans op welke wijze, [verweerder] in verzuim is geraakt.
* Hoger beroep van de goedkeuring van de eindrekening en -verantwoording

2.5

Bij de tussenbeschikking van 19 april 2016 heeft het hof [verzoeker] in de gelegenheid gesteld om alsnog stukken in het geding te brengen waaruit blijkt dat de eindrekening en
-verantwoording van [verweerder] door de kantonrechter is goedgekeurd. Nu [verzoeker] dit heeft nagelaten, is het hof niet in staat dit verzoek te beoordelen en zal [verzoeker] (voor zover hij dit verzoek heeft gehandhaafd) reeds op deze grond niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn verzoek in hoger beroep om goedkeuring aan de eindrekening en -verantwoording van [verweerder] te onthouden. Voor zover [verzoeker] met zijn onder 1.3 vermelde verzoek heeft bedoeld een verklaring voor recht te vragen, acht het hof deze in de vorm zoals [verzoeker] deze heeft geformuleerd niet toewijsbaar, en valt zonder nadere toelichting, gelet op de toewijzing van zijn (hoofd)verzoek, niet in te zien welk belang [verzoeker] hierbij heeft. Hieraan gaat het hof derhalve voorbij.
* De proceskosten

2.6

Het hof zal [verweerder] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten (tweemaal de eigen bijdrage ad € 143,- voor de gefinancierde rechtsbijstand), zoals door [verzoeker] verzocht en door [verweerder] niet bestreden.

2.7

Op grond van het vorenstaande zal het hof beslissen als na te melden.

3 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn verzoek in hoger beroep om goedkeuring aan de eindrekening en -verantwoording van [verweerder] te onthouden;

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 19 mei 2015, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

veroordeelt [verweerder] om binnen veertien dagen na betekening van deze beschikking een bedrag van € 4.789,33 over te maken op de pgb-rekening van de rechthebbende met rekeningnummer [00000] ;

veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding, zoals door [verzoeker] verzocht, derhalve aan diens zijde vastgesteld op € 286,- voor salaris;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.D.S.L. Bosch, mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard en
mr. B.J. Voerman en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 16 augustus 2016 in bijzijn van de griffier.