Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:678

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-02-2016
Datum publicatie
04-02-2016
Zaaknummer
200.143.481/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vraag of bepaalde werkzaamheden zijn opgenomen in het bestek en zo nee, of onderaannemer de opdrachtgever daarop (in offertefase) had moeten wijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.143.481/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 123785 / HA ZA 12-358)

arrest van 2 februari 2016

in de zaak van

[appellant] , h.o.d.n. [A] ,

wonende te [B] ,

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. T.E. Heslinga, kantoorhoudend te Leeuwarden,

tegen

[geïntimeerde] B.V.,

gevestigd te [C] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. W.H.C. Bulthuis, kantoorhoudend te Leeuwarden.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van 10 april 2013 en 4 december 2013 van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 3 maart 2014,

- de memorie van grieven, met drie producties,

- de memorie van antwoord,

- een akte van [appellant] ,

- een antwoordakte van [geïntimeerde] .

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De vordering van [appellant] luidt:

"bij arrest - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - het vonnis van (…) 4 december 2013 te vernietigen en opnieuw rechtsprekende de vorderingen van geïntimeerde af te wijzen althans geïntimeerde deze te ontzeggen, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties."

3 De feiten

3.1

Tegen de door de rechtbank vastgestelde feiten, in het vonnis van 4 december 2013 opgenomen onder 2.1 tot en met 2.17, is geen grief gericht en ook overigens is niet van bezwaar tegen die feitenvaststelling gebleken. Aangevuld met wat in hoger beroep tussen partijen vast staat, zijn die feiten als volgt.

3.2

[appellant] exploiteert [A] aan de [a-straat] 10 te

[D] .

3.3

Op 11 mei 2010 hebben [E] B.V. (hierna: [E] ) als

opdrachtgever en [geïntimeerde] als aannemer een overeenkomst tot aanneming van werk gesloten met

betrekking tot de nieuwbouw van een bedrijfspand met een oppervlakte van 1.000 m² (25x40

meter) aan de [a-straat] 10 te [D] . [E] en [geïntimeerde] zijn een aanneemsom

van € 428.900,00 (exclusief omzetbelasting) overeengekomen.

3.4

Op 23 juni 2010 zijn [E] als opdrachtnemer en [appellant] als opdrachtgever

overeengekomen dat [E] voor [appellant] een bedrijfspand laat bouwen aan de

[a-straat] 10 te [D] , tegen een prijs van € 473.000 (exclusief omzetbelasting).

De aan deze overeenkomst voorafgaande opdrachtbevestiging van [E] aan [appellant]

d.d. 1 juni 2010 bevat als bijlage een technische omschrijving (inclusief installaties) van het nieuw te bouwen bedrijfspand. Hierin is het volgende opgenomen:

"9.1 DE VOLGENDE ONDERDELEN ZIJN NIET IN DE OFFERTE BEGREPEN:

- leges en andere gemeentelijke kosten

- aanvraag gebruikers- en overige vergunningen

- aansluitkosten nutsbedrijven en riolering

- grondonderzoek (AP-04)

- rapport beheersbaarheid bij brand

- NUTS invoeren

- afvoeren van overtollige grond

- drainage, hekken, bestrating en beplanting

- binnen- en buiteninrichtingen

- lockers

- zonwering en vloerbedekking

- nadere eisen ten aanzien van brandwering

- eventuele extra zaken/wensen voor bijvoorbeeld de spuitcabine o.i.d.

- overige ondérdelen, voor zover niet in de omschrijving genoemd."

3.5

In de overeenkomst tussen [E] en [appellant] is aangegeven dat de

overeengekomen prijs is gebaseerd op de opdrachtbevestiging van 1 juni 2010 en de

technische omschrijving van 1 juni 2010 inclusief installaties, alsmede op de bouwaanvraagtekening van [geïntimeerde] van 27 april 2010. In deze bouwtekening zijn twee spuitcabines ingetekend.

3.6

Als productie 3 bij zijn conclusie van antwoord heeft [appellant] een "omschrijving van de werkzaamheden" overgelegd, op briefpapier van [F] b.v., waarin staat vermeld welke installaties deel uitmaken van de offerte. In onderdeel 6 wordt vermeld dat de gasleiding vanaf de gasmeter in de meterkast naar de twee luchtverwarmers in de hal en de combiketel in de kantine gaan. Onderdeel 8 over de verdeelinrichting vermeldt dat een verdeler wordt toegepast, bestaande uit 1 hoofdschakelaar 40A, 2 krachtgroepen 400V 16A t.b.v. krachtstroom bedrijfshal en 8 groepen 230V 16A t.b.v. algemeen en verlichting. In punt 11 over de elektrische installatie is onder meer vermeld dat in de hal vier gecombineerde wcd's (het hof begrijpt: wandcontactdozen) 230V/400V 16A zijn aangehouden, en dat een overzicht per ruimte verderop in de offerte staat. Op de laatste pagina van deze productie 3 staat:

TL

Schakelaar

230V

400V

Noodverlichting

Bedrijfshal

31 (2x58W)

4

6

4

4

Tussen partijen staat vast dat [F] bij de bouw van het bedrijfspand voor [appellant] optrad als onderaannemer van [geïntimeerde] .

3.7

Op 7 september 2010 heeft de eerste bouwvergadering plaatsgevonden. Van deze

vergadering is een verslag gemaakt. Volgens het verslag waren bij de vergadering aanwezig

[appellant] , in het verslag aangeduid als huurder, [G] , directeur van [E] ,

[H] , projectleider bij installatiebedrijf [F] , en [I] en [J] ,

beiden werkzaam bij [geïntimeerde] , respectievelijk als hoofd bedrijfsbureau en projectleider. In het

verslag is aangegeven:

"9. Meer en minderwerk

- meer en minderwerk t.g.v. wijzigingen t.b.v. voorzieningen [K] of andere wensen huurder rechtstreeks naar [appellant]

- meer en minderwerk puur aan het casco via [G] ".

3.8

In oktober 2010 heeft [E] [L] , bouwkundig adviseur te [M] ,

benaderd om het bouwproject bouwkundig, technisch en financieel te begeleiden.

3.9

Op 12 oktober 2010 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] een offerte van € 8.200,00 (exclusief

omzetbelasting) gedaan ten behoeve van twee extra meterkasten in het nieuwe bedrijfspand.

In de offerte is aangegeven welke werkzaamheden in de geoffreerde prijs zijn inbegrepen.

Tevens is aangegeven dat in de geoffreerde prijs niet zijn inbegrepen de kosten van de

nutsbedrijven en de kosten van het installatiewerk, waarbij [geïntimeerde] [appellant] in de offerte heeft

meegedeeld dat hij hiervoor een aparte offerte ontvangt.

3.10

Op 15 oktober 2010 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] een offerte van € 28.841,00 (exclusief

omzetbelasting) gedaan ten behoeve van diverse technische aanpassingen in het nieuwe

bedrijfspand. In de offerte is aangegeven:

"De volgende werkzaamheden zijn in deze offerte meegenomen:

Nuts:

Voor de nutsaansluitingen is er overleg geweest. De wijzigingen in de veranderde opstelling en een extra

meterkast. Extra mantelbuizen worden geleverd en geplaatst.

Verwarming:

Het wijzigen (aanpassen tekenwerk) van de vloerverwarming deze vervalt onder het spuiterij gedeelte.

GAS:

Geheel nieuw tracé met 2x extra aansluiting voor de spuitcabines. De aansluiting is verzwaard naar G 63.

Leidingwerk 3 duims tot 1,5 duims.

Elektra verdeelinrichting:

De aansluiting van 40 ampere is verzwaard naar een groot verbruik 250 Ampere aansluiting. In verband met de

nieuwe opstelling komt er voor het kantoor een losse onderverdeelkast. In verband met geen kast om de

hoofdverdeler maar geplaatst in een grote vrije ruimte wordt de hoofdverdeler in een staande kast uitgevoerd.

Voedingskabel:

Bekabeling tussen de Liander aansluiting, extra hoofdschakelaar en onze hoofdverdeelinrichting aanbrengen.

Voedingskabel tussen Hoofdverdeler en onderverdeler kantoor.

Aarding:

Aarding verzwaren ivm grote aansluiting en geen PEN aansluiting van Liander. Wij zijn verplicht om een aarding

van kleiner dan 2 ohm te maken.

Verlichting:

De hoofdverdeler elektra wordt in een afgesloten grotere ruimte geplaatst. Voor de veiligheid is hier nu

noodverlichting verplicht. De verlichting boven de spuitcabines vervalt deels en wordt deels verplaatst naar het

verf opslag magazijn.

Elektrische aansluiting 230V:

Installatie aanpassen i.v.m. opstelling spuitcabines.

Stuur kabels toevoer unit:

Voor de sturing van de grote luchttoevoerunit en de afzuiging achterzijde wil de firma WLT stuurkabels tussen de

de 3 units achter en de grote unit voor. Deze kabels nemen wij mee met onze werkzaamheden.

Elektrische aansluiting 400V;

Voeding, kabel en aansluiting voor Spuitcabine 1

Voeding, kabel en aansluiting voor Spuitcabine 2

Voeding, kabel en aansluiting voor Grote luchttoevoerunit

Voeding, kabel en aansluiting voor Afzuigunit voorbewerker 1 ,

Voeding, kabel en aansluiting voor Afzuigunit voorbewerker 2 .

Voeding, kabel en aansluiting voor Afzuigunit voorbewerker 3

Projectkosten

Het langer gebruik maken van een hoogwerker

Tekenwerk

Engineering

Overig

Projectbegeleiding

Vervallen:

Onder deze post staan alle werkzaamheden en materialen die vervallen zijn in verband met grotere aansluiting.

Namelijk:

Vloerverwarming

Gasleiding koper

1 Verdeelinrichting 40A

Aarding 150 Ohm

Verlichting boven spuiterij (....)." .

Op pagina 3 van de offerte heeft [geïntimeerde] per post/werkzaamheid de kosten gespecificeerd.

3.11

Bij e-mailbericht van 2 november 2010 heeft [L] het volgende meegedeeld aan

[appellant] :

"Ik heb de meerwerkoverzichten van [geïntimeerde] bekeken en heb de volgende opmerkingen:

Meterkast

Voorbereidingskosten horen in de AK te zitten -/- € 328,-

En een redelijke staart onder de meerwerk begroting is 10%

Dit betekend dat je voor de meterkast op € 7.236,60 excl. B.T.W. uitkomt.

Aanvullende wensen nutsvoorzieningen

In de meerwerk opgave voor deze post is € 2.432,60 meegenomen voor de begeleiding tekenwerk etc. in de minderwerk opgave echter niets. Dit is zeer onwaarschijnlijk mijn voorstel is om bij het minderwerk € 1.200,-- voor begeleiding te rekenen dan komt dit saldo uit op € 29.455,89 -/-(€3930,46+ € 1.200,-)= € 24.325,89 excl. B.T.W.

Omdat er in de basis ook lampen aan het dak zitten is de opgevoerde post hoogwerker niet terecht. € 24.325,89-/-€ 1.144,-= € 23.181.89

Hiervoor geldt ook 10% opslag voor [geïntimeerde] en komt deze op € 25.500,08

Ook verwachten wij nog een minderprijs voor het vervallen van de kabelgoten en de voeding onder de vloer te laten lopen.

Daar dit meerwerk betreft buiten [E] om dient jij zelf [geïntimeerde] opdracht hiervoor te verstrekken."

3.12

Op 18 november 2010 vond opnieuw een bouwvergadering plaats. Volgens het

verslag van deze vergadering waren hierbij onder meer aanwezig [appellant] , [L] , [H] ,

[N] , werkzaam bij [K] , en [J] . In het verslag is aangegeven:

"9. Meer en minderwerk

- [J] maakt de kosten voor het verplaatsen van de meterkast inzichtelijk

- Post 2 van het oude overzicht vervalt

- Meerprijs voor het omdraaien van de grond (2a) is akkoord

- Extra meterkasten, prijs afgerond op € 7.475,- is akkoord

- Extra installatiewerk, volgens opgave van 15 november (€. 19.164,-) is akkoord

- Overzicht meer en minderwerk (18-11) wordt overhandigd".

3.13

In het "Overzicht meer- en minderwerk autoschade [appellant] " d.d. 28 april 2011 heeft [geïntimeerde] de onder 1, 2a, 3, 4, 5, 7, 10, 11, 12, 13 en 14 omschreven werkzaamheden als meerwerk aangemerkt en per werkzaamheid de kosten aangegeven. [geïntimeerde] heeft vervolgens de totale kosten vermeerderd met de kosten van twee stelposten (hang- en sluitwerk en keuken), het aldus ontstane totaalbedrag van € 43.955,75 (exclusief omzetbelasting) verminderd met een afgesproken korting van € 5.000,- en de kosten van twee stelposten (tegels en balie). Aldus bedroegen de totaalkosten € 38.060,- (exclusief omzetbelasting).

Bij factuur van 29 april 2011 heeft [geïntimeerde] deze kosten, inclusief omzetbelasting € 45.291,40, in rekening gebracht aan [appellant] en verzocht de factuur binnen 14 dagen te voldoen.

3.14

Bij brief van 7 juli 2011 heeft [appellant] [geïntimeerde] laten weten dat hij slechts akkoord kan

gaan met de kosten van de in het overzicht onder de punten 1, 2a, 3 en 7 omschreven

werkzaamheden, in totaal een bedrag van € 6.892,00. Vervolgens heeft [appellant] aangegeven

dat op dit bedrag nog in mindering moet worden gebracht een afgesproken korting, de

verrekening van twee stelposten (hang- en sluitwerk en balie), alsmede een bedrag voor

Enexis, in totaal een bedrag van € 6.155,50. Hierdoor resteert volgens [appellant] een bedrag van € 876,44 (inclusief omzetbelasting). [appellant] heeft [geïntimeerde] meegedeeld dat hij dit bedrag zal voldoen.

3.15

Bij brief van 29 juli 2011 heeft [geïntimeerde] [appellant] laten weten dat hij vanaf 13 mei 2011

wettelijke handelsrente over een bedrag van € 45.291,40 verschuldigd is omdat hij de

factuur van 29 april 2011 niet binnen 14 dagen heeft voldaan. [geïntimeerde] heeft zich echter bereid

verklaard niet over te gaan tot invordering van de verschuldigde wettelijke handelsrente

indien [appellant] de factuur uiterlijk op 10 augustus 2011 voldoet. Daarnaast heeft [geïntimeerde] [appellant]

voorgesteld om de factuur vermeerderd met de vanaf 13 mei 2011 verschuldigde wettelijke

handelsrente, in totaal een bedrag van € 46.248,72, in termijnen te voldoen.

3.16

Op 26 juni 2012 heeft op verzoek van [geïntimeerde] een voorlopig getuigenverhoor

plaatsgevonden. Bij die gelegenheid zijn gehoord [G] , [L] , [H] , [J]

en [O] . Op 10 september 2012 en 31 oktober 2012 heeft het tegenverhoor

plaatsgevonden. Bij deze gelegenheden zijn gehoord [appellant] en [P] , werkzaam

bij het administratiekantoor, ingeschakeld door [appellant] .

3.17

[appellant] heeft de factuur van [geïntimeerde] in zijn geheel onbetaald gelaten. In de loop van de procedure in eerste aanleg heeft [appellant] van de gefactureerde bedragen de posten onder 1, 2a, 3, 7, 12, 13 en 14 erkend (samen € 12.357,- exclusief omzetbelasting).

4 De vordering en beoordeling in eerste aanleg

4.1

[geïntimeerde] heeft van [appellant] betaling van haar factuur van 29 april 2011 gevorderd, te weten een bedrag van € 45.291,40 inclusief omzetbelasting, alsmede betaling van € 3.630,- wegens buitengerechtelijke incassokosten, een en ander te vermeerderen met de wettelijke handelsrente en onder veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

4.2

De rechtbank heeft die vordering toegewezen met uitzondering van handelsrente over de buitengerechtelijke kosten.

5 De beoordeling in hoger beroep

5.1

Het hof constateert dat [appellant] in hoger beroep een akte heeft genomen die, gelet op de inhoud, neerkomt op een vorm van repliek, en dat de antwoordakte van [geïntimeerde] neerkomt op een dupliek. In hoger beroep geldt evenwel de twee-conclusieregel: alle grieven en verweren dienen in één schriftelijke ronde duidelijk te worden (zie onder andere Hoge Raad 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959). Bij akte kan bijvoorbeeld nog wel op een nieuwe productie bij memorie van antwoord worden gereageerd, en een akte kan voorts gebruikt worden om nieuwe informatie te verstrekken die niet ten tijde van het nemen van de eerdere memorie bekend was.

Van dergelijke nova is geen sprake. Het hof laat daarom de inhoud van beide aktes buiten beschouwing.

5.2

Met zes grieven komt [appellant] op tegen toewijzing van de bedragen die zijn gevorderd voor de posten 4, 5, 10 en 11 op de factuur van [geïntimeerde] van 29 april 2011, alsmede tegen de toewijzing van buitengerechtelijke kosten en de proceskosten.

Met de grieven I en II betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat die posten buiten het bestek vallen en dat [appellant] dat in feite ook heeft erkend.

5.3

De posten 4, 5, 10 en 11 houden alle verband met de aanleg van de spuitcabines. Volgens [appellant] zijn deze in het tussen hem en [E] overeengekomen bestek opgenomen.

Het hof verwerpt dit standpunt. Het hof begrijpt dat de onder 3.6 vermelde specificatie van elektrotechnische werkzaamheden de bijlage is bij de onder 3.4 bedoelde technische omschrijving van 1 juni 2010. Daaruit is duidelijk welke concrete voorzieningen [appellant] mocht verwachten. Het bestek voorzag bijvoorbeeld niet in een gastracé naar de spuitcabines en ook niet in meer elektravoorzieningen dan in die bijlage zijn aangegeven.

Nu [appellant] geen andere, van het bestek deel uitmakende, bijlage met de overeengekomen installaties en installatiewerkzaamheden heeft overgelegd, heeft hij het standpunt van [geïntimeerde] dat deze werkzaamheden geen deel uitmaakten van het bestek niet voldoende gemotiveerd betwist.

[appellant] heeft voorts nog aangevoerd dat hij uit de passage in punt 9.1 van de opdrachtbevestiging (weergegeven onder randnummer 3.4) over de niet-inbegrepen "extra zaken/wensen voor bijvoorbeeld de spuitcabine o.i.d." heeft begrepen dat standaardvoorzieningen wel in het bestek zijn opgenomen. [appellant] heeft echter nagelaten te onderbouwen op grond van welke passage in het bestek hij mocht menen dat de posten 4, 5, 10 en 11, al dan niet als standaardvoorziening, daarvan deel uitmaakten.

5.4

[appellant] betoogt voorts dat hij mocht verwachten dat de aan [E] opgedragen werkzaamheden ook de voor spuitcabines noodzakelijke energievoorzieningen zouden omvatten. Daartoe voert hij aan dat alle partijen wisten dat in de hal spuitcabines geplaatst zouden worden (waarvoor [appellant] zelf zou zorgen), dat die spuitcabines ook zijn ingetekend op de bouwtekening, en dat [E] van hem het telefoonnummer heeft gekregen van de leverancier van die spuitcabines zodat [E] kon weten welke gasleiding en elektravoorziening nodig was.

Het hof begrijpt deze stelling aldus dat volgens [appellant] , voor het geval de tekst van het bestek niet de posten 4,5,10 en 11 inhoudt, dat bestek afwijkt van de afspraken die [appellant] met [E] heeft gemaakt bij het tot stand komen van de overeenkomst van aanneming van werk.

Het hof merkt op dat [geïntimeerde] geen partij is bij de overeenkomst tussen [appellant] en [E] . [geïntimeerde] heeft de opdracht aanvaard zoals zij die van [E] heeft gekregen, en in de verhouding tussen [geïntimeerde] en [E] bestaat er geen verschil van mening over dat de posten 4, 5, 10 en 11 buiten het overeengekomen bestek vallen. Als [appellant] in zijn verhouding tot [geïntimeerde] voor deze posten moet betalen maar hij van mening is dat dit in zijn verhouding tot [E] ten onrechte is, is dat een kwestie tussen [appellant] en [E] die buiten het bestek van deze procedure valt.

5.5

De grieven I en II zijn ongegrond.

5.6

Met grief IV maakt [appellant] aan het adres van [geïntimeerde] het verwijt, dat [geïntimeerde] hem had moeten waarschuwen voor het feit dat er zwaardere voorzieningen nodig waren ten behoeve van de autospuiterij. Volgens [appellant] had [geïntimeerde] hem moeten melden dat zij hieromtrent (in de offertefase) een vraag aan [E] had gesteld, en dat [E] daarop had geantwoord dat de basisvoorzieningen voldoende waren. [geïntimeerde] heeft volgens hem als onderaannemer een zekere verantwoordelijkheid voor het juist uitvoeren van het bestek.

Het hof verwerpt ook deze grief. Zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, valt niet in te zien dat [geïntimeerde] , die op verzoek van [E] een offerte uitbracht voor werkzaamheden in opdracht van [E] , gehouden was informatie te verstrekken aan de mogelijke opdrachtgever van [E] . Op dat moment is [geïntimeerde] bovendien nog geen onderaannemer en is er ook nog geen bestek bij de uitvoering waarvan [geïntimeerde] betrokken is.

5.7

Grief III is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellant] rechtstreeks aan [geïntimeerde] opdracht heeft gegeven tot het meerwerk in de posten 4, 5, 10 en 11 waarvoor, naast andere posten, in deze procedure betaling wordt gevorderd.

De rechtbank heeft het andersluidende standpunt van [appellant] gemotiveerd verworpen onder randnummer 4.5 van het beroepen vonnis. Het hof neemt die motivering over en maakt deze tot de zijne. Daaraan voegt het hof nog het volgende toe.

5.8

Getuige [L] heeft verklaard dat voorafgaand aan de tweede bouwvergadering bij de boekhouder van [appellant] is besproken dat het meerwerk voor rekening van [appellant] zou zijn, en dat [appellant] vanaf de tweede bouwvergadering akkoord heeft gegeven ten aanzien van de besproken meerwerkpunten en ook opdracht daartoe heeft gegeven. "Het ging zo dat de lijst meerwerkpunten werd voorgelezen door [J] , dat mij werd gevraagd of op de lijst voorkomende bedragen klopten, dat [appellant] werd gevraagd of hij akkoord was en daarop zei [appellant] ja. Daarmee bedoel ik dat [appellant] akkoord was met het uitvoeren van het meerwerk. [appellant] heeft niet letterlijk gezegd dat de kosten voor het meerwerk voor zijn rekening kwamen", aldus deze getuige.

Getuige [H] , projectleider bij [F] , heeft verklaard dat hij vanaf de allereerste bouwvergadering bij het project betrokken is geweest en dat de meerwerkstaat is besproken tijdens bouwvergaderingen waarbij [J] de lijst opsomde en [appellant] op deze lijst akkoord gaf. "Daarmee bedoel ik dat hij er akkoord mee was dat de werkzaamheden moesten worden uitgevoerd. De kosten van het meerwerk stonden op de meerwerkstaat genoemd. Er is in de bouwvergadering wel besproken dat de kosten voor het uitgevoerde werk voor rekening van [appellant] waren. Ik weet niet meer hoe dit in de vergaderingen is besproken. (…) Ik kan mij niet meer herinneren dat [appellant] tijdens de bouwvergaderingen expliciet heeft gezegd dat de kosten van het meerwerk voor zijn rekening waren", aldus [H] .

Naar het oordeel van het hof zijn deze verklaringen van personen, die geen dienstverband met een van partijen of [E] hebben, voldoende duidelijk en geloofwaardig. Aan hun verklaringen doet naar het oordeel van het hof niet af dat [appellant] zelf in contra-enquête als getuige heeft verklaard: "Ik heb nooit een opdracht gegeven. Er is bij de tweede of derde bouwvergadering opdracht gegeven. Er werd gemeld dat er een andere meterkast in moest en of dat in orde was. Ik heb tegen de heer [J] gezegd dat ik moeilijk zonder gas en licht kon. Op de vraag of dat in orde was, is er niet geantwoord. Iedereen is ervan uitgegaan dat dat in orde was. Ik heb tijdens die vergaderingen geen opdracht gegeven tot meerwerk."

De verklaring van [appellant] acht het hof niet geloofwaardig op het punt van de betwisting van iedere opdracht tot meerwerk van zijn kant, nu hij de andere meerwerkposten dan de nummers 4, 5 10 en 11 immers erkent verschuldigd te zijn zonder toe te lichten hoe zich dat tot verhoudt tot de betwisting daarvan opdrachtgever te zijn. Hier komt nog bij dat [appellant] de stelling van [geïntimeerde] niet heeft weersproken dat hij nimmer bezwaar heeft gemaakt tegen de verslaglegging van de bouwvergaderingen, waarin telkens het akkoord voor het meerwerk is vermeld.

Voorts is het hof, gelet op de afspraak wie over welk meerwerk ging zoals opgenomen onder randnummer 3.7, van oordeel dat ook uit de reacties die [appellant] naar zijn zeggen heeft gegeven, in de door hemzelf geschetste context een instemming met het voor zijn rekening komende meerwerk mag worden afgeleid.

Ook grief III faalt.

5.8

Het voorgaande brengt mee dat grief V, waarmee de verschuldigdheid wordt betwist van meer meerwerkposten dan de door [appellant] erkende, faalt en dat geldt ook voor de daarmee samenhangende grief VI betreffende de gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten.

Voor zover in de toelichting op grief VI nog is betoogd dat bij die laatste post de verkeerde staffel is gehanteerd, is dat onjuist. [geïntimeerde] heeft er terecht op gewezen dat het verzuim van [appellant] is ingetreden voor 1 juli 2012.

5.9

Nu alle grieven falen zal het vonnis, waarvan beroep, worden bekrachtigd. [appellant] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep. Hoewel de aktes buiten beschouwing zijn gebleven, zal het hof daarvoor toch een half punt toekennen nu begrijpelijk is dat mr. Bulthuis meende te moeten reageren op de akte van de wederpartij (salaris advocaat volgens liquidatietarief aldus 1,5 punt, tarief IV).

6. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van

4 december 2013;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 2.446,50 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 1.920,- voor verschotten;

verklaart dit arrest, voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft, uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. M.E.L. Fikkers, mr. L. Groefsema en mr. M.M.A. Wind en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 2 februari 2016.