Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:6774

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-08-2016
Datum publicatie
01-12-2016
Zaaknummer
WAHV 200.160.826
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Officiersappel. WAM-zaak. Verbalisantcode 404040. De kantonrechter had naar aanleiding van het arrest van het hof van 20 februari 2014 (GHARL:2014:1236) besloten om zaken die betrekking hebben op verbalisantcode 404040 voor onbepaalde tijd op te schorten en op enig moment als gegrond af te doen. Op 5 juni 2014 wees het hof een nieuw arrest over verbalisantcode 404040 (GHARL:2014:4324). De kantonrechter heeft de inleidende beschikking op 15 juli 2014 vernietigd en overwogen dat de opschorting die had plaatsgevonden, er niet toe mag leiden dat de betrokkene in een slechtere positie terecht komt. Die beslissing houdt geen stand, omdat de kantonrechter de zaak dient te beoordelen naar de huidige stand van de jurisprudentie, ook als dat voor de betrokkene nadelig is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

WAHV 200.160.826

23 augustus 2016

CJIB 169355252

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

locatie Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant

van 15 juli 2014

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing gegrond verklaard en de inleidende beschikking vernietigd.

Het procesverloop

De officier van justitie heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 390,- opgelegd ter zake van “voor een motorvoertuig niet de vereiste verzekering afsluiten en in stand houden”, welke gedraging blijkens een registercontrole van de RDW zou zijn verricht op 17 december 2012 met het voertuig met het kenteken [kenteken].

2. De betrokkene heeft gedurende de procedure aangevoerd dat haar auto wel verzekerd was. De betrokkene heeft bankafschriften bijgevoegd waaruit betalingen aan haar verzekeraar blijken. Voorts heeft de betrokkene een betalingsherinnering van haar verzekeraar overgelegd en een brief waaruit blijkt dat de betrokkene een betalingsachterstand heeft en - indien zij de premie niet voor 5 december 2012 betaalt - de verzekering wordt opgezegd. Uit de door de betrokkene overgelegde bankafschriften blijkt dat zij op 17 en 20 december 2012 een betaling heeft gedaan.

3. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene gegrond verklaard en de beslissing van de officier van justitie vernietigd. De kantonrechter heeft overwogen dat (ambtshalve) opschorting wegens een arrest van het hof d.d. 20 februari 2014 (WAHV 200.119.209, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:GHARL:2014:1236) er niet toe mag leiden dat de betrokkene in een slechtere positie terecht komt. In het onderhavige geval is dat wel gebeurd.

4. De officier van justitie kan zich niet verenigen met voornoemde beslissing van de kantonrechter. De officier van justitie heeft aangevoerd dat de kantonrechter - in strijd met artikel 12 van de WAHV - alvorens uitspraak te doen heeft verzuimd om de betrokkene en het openbaar ministerie te horen. Voorts heeft de officier van justitie aangevoerd dat de sanctie door een bevoegde ambtenaar is opgelegd. Verwezen wordt naar het arrest van het hof d.d. 5 juni 2014 (gepubliceerd op rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:GHARL:2014:4324).

5. Het hof stelt vast dat uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat de betrokkene en de officier van justitie ter zitting zijn verschenen. Voorts blijkt dat de kantonrechter kennis heeft genomen van de door de officier van justitie aangedragen argumenten. Uit deze gang van zaken leidt het hof af dat de officier van justitie voldoende in de gelegenheid is gesteld om zijn standpunt naar voren te brengen. Het hof verwerpt het verweer in zoverre.

6. De betreffende gedraging is een overtreding van artikel 30, tweede lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM). Deze bepaling brengt mee dat voor een motorrijtuig waarvoor een kentekenbewijs is afgegeven, degene aan wie het kenteken is opgegeven een verzekering overeenkomstig deze wet dient af te sluiten en in stand te houden.

7. Gelet op de stukken uit het dossier is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Ten tijde van de registercontrole was het op naam van de betrokkene gestelde voertuig niet verzekerd en de geldigheid van het kentekenbewijs evenmin geschorst. Indien de betrokkene aannemelijk had willen maken dat voornoemd voertuig ten tijde van de gedraging was verzekerd, had zij daartoe een zogenoemde artikel 34 WAM verklaring van de verzekeraar in de procedure dienen te brengen. De door de betrokkene overgelegde bankafschriften zijn - in het licht van de door de betrokkene overgelegde brief van Univé Verzekeringen d.d. 27 november 2012 - onvoldoende. Vervolgens dient het hof te beoordelen of er andere redenen zijn een sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen.

8. Uit het zaakoverzicht van het CJIB volgt dat onderhavige sanctie een gedraging betreft die is geconstateerd met toepassing van verbalisantcode 404040. Naar aanleiding van het arrest van het hof van 20 februari 2014, waarnaar de kantonrechter in zijn beslissing heeft verwezen, heeft de advocaat-generaal nieuwe informatie in het geding gebracht. Op basis daarvan heeft het hof in zijn arrest van 5 juni 2014 (gepubliceerd op rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:GHARL:2014:4324) ter zake van een soortgelijke gedraging als hiervoor genoemd, waarbij in het zaakoverzicht van het CJIB eveneens de verbalisantcode 404040 is vermeld, geoordeeld dat kan worden vastgesteld dat de sanctie door een bevoegde ambtenaar in de zin van artikel 3, tweede lid, WAHV is opgelegd.

9. Uit de beslissing van de kantonrechter blijkt dat naar aanleiding van het arrest van het hof d.d. 20 februari 2014 is besloten om de zaken die betrekking hebben op verbalisantcode 404040 voor onbepaalde tijd op te schorten en deze zaken op enig moment, zodra er voldoende zittingscapaciteit is, als gegrond af te doen. In de tussenliggende periode is het hof teruggekomen op zijn eerder genoemde arrest van 20 februari 2014. Naar het oordeel van het hof is dit geen omstandigheid die aanleiding geeft een sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen. De kantonrechter dient de geldende jurisprudentie toe te passen, ongeacht of deze jurisprudentie inmiddels ten nadele van de betrokkene is gewijzigd.

10. Het voorgaande brengt mee dat de kantonrechter het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ten onrechte gegrond heeft verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen en doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, te weten het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaren.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Dörholt als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.