Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:677

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-02-2016
Datum publicatie
10-02-2016
Zaaknummer
200.142.695/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Waarschuwingsplicht in geval van kostenverhogende omstandigheden als bedoeld in artikel 7:753, derde lid BW.

Ontgraven grond bleek ernstiger vervuld dan verwacht waardoor de kosten voor de verwerking van die grond hoger zouden uitvallen. Aannemer heeft de grond laten afvoeren zonder eerst de opdrachtgever te waarschuwen voor de hogere kosten voor het verwerken van die grond. De omstandigheid dat de kostenverhogende omstandigheid pas aan het licht trad één dag voordat vervolgwerkzaamheden waren gepland –het plaatsen van een kelder- bracht in dit geval nog niet met zich dat op de aannemer geen waarschuwingsplicht meer zou rusten. De planning van de werkzaamheden dient voor rekening en risico van de aannemer te worden gelaten. Het beroep van opdrachtgevers op het niet voldoen aan die waarschuwingsplicht is niet onaanvaardbaar en aannemer heeft daarmee geen aanspraak op aanpassing van de aanneemsom.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 753
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RVR 2016/53
JBO 2016/128 met annotatie van H.J. Bos
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handelsrecht

zaaknummer gerechtshof 200.142.695/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 420645 \ CV EXPL 13-884)

arrest van 2 februari 2016

in de zaak van

1 [appellant1] ,

gevestigd te [A] ,

hierna: [appellant1],

2. [appellant2] ,

wonende te [B] ,

hierna: [appellant2],

3. [appellant3] B.V.,

gevestigd te [C] ,

hierna: [appellant3],

appellanten in het principaal hoger beroep,

geïntimeerden in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagden in conventie en eisers in reconventie,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten] c.s.,

advocaat: mr. A.A. Westers, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [D] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. S. Buddingh, kantoorhoudend te Utrecht.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van de 17 mei 2013 en 8 november 2013 van de rechtbank Leeuwarden, afdeling kanton, locatie Leeuwarden (hierna: de kantonrechter).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 7 februari 2014,

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord, tevens van grieven in incidenteel hoger beroep (met producties),

- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De vordering van [appellanten] c.s. (als opgenomen in de memorie van grieven) luidt:

MET CONCLUSIE :
I. Dat uw hof het vonnis van de kantonrechter vernietigt en opnieuw rechtdoende de vorderingen van geïntimeerde in eerste aanleg in conventie alsnog niet ontvankelijk klaart [het hof verstaat: verklaart] dan wel deze ontzegt en in reconventie de vordering van [appellant1] [het hof leest in: om] de prijs aan te passen alsnog toewijst.

II. Voorts [geïntimeerde] te veroordelen om al hetgeen [appellant1] ter

uitvoering van het vonnis aan [geïntimeerde] heeft voldaan aan [appellant1]

terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de

dag van terugbetaling.

III. [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van beide instanties.”

2.4

In incidenteel appel heeft [geïntimeerde] gevorderd:

" MET CONCLUSIE:

het is op vorenstaande gronden dat [geïntimeerde] de eer heeft te concluderen dat het Uw Hof behage het tussen [geïntimeerde] en [appellant1] onder zaaknummer 420645\CV EXPL 13-884 gewezen vonnis te bekrachtigen, zo nodig in verband met het incidenteel appel onder verbetering van de gronden, met veroordeling van [appellant1] in de kosten van het appel, een en ander uitvoerbaar bij voorraad.".

3 De omvang van het hoger beroep

3.1

De grieven van [appellanten] c.s. in principaal appel en van [geïntimeerde] in incidenteel appel hebben uitsluitend betrekking op het vonnis van 8 november 2013, zodat het appel zich tot dat vonnis beperkt.

4 Feiten

4.1

De kantonrechter heeft in zijn vonnis van 8 november 2013 onder 2.1 t/m 2.5 een aantal vaststaande feiten opgenomen. Tegen die vaststelling zijn geen grieven gericht, zodat ook het hof van die feiten uitgaat. Samen met hetgeen het hof verder heeft vastgesteld gaat het daarmee in deze zaak om het volgend:

4.2

Tussen [geïntimeerde] en [appellant1] is een overeenkomst van aanneming van werk tot stand gekomen met betrekking tot de bouw van een woning te Zuidlaren, voor een aanneemsom van € 170.735,-. De woning werd gebouwd op een daartoe door [geïntimeerde] ter beschikking gestelde bouwkavel, die deze kavel in eigendom had verkregen van de heer [E] .

Onderdeel van de overeenkomst betrof het plaatsen van een kelder.

4.3

Op 30 november 2011 heeft de partner van [geïntimeerde] , dhr. [F] , aan [appellant1] per e-mail onder meer het volgende geschreven (prod. 3 inleidende dagvaarding):


“Aansluitend op onze even constructieve als plezierige bespreking van afgelopen vrijdag in [A] - en dat ondanks de enorme financiële tegenvaller t.g.v. de boorpalen! - zouden wij nog onze gedachten laten gaan over de (financiële) consequenties van een en ander. Wij zijn er nog niet helemaal uit en ook al neigen wij naar het doorzetten van de kelder, tóch willen we jullie vragen nog even met ons mee te denken respectievelijk nog enkele (te verwachten) kostenposten voor ons helder te maken, want het al dan niet doorgaan van de kelder is voor ons afhankelijk van de bijkomende kosten die daar mogelijk nog mee gemoeid zullen zijn -->

1. uit het bijgevoegde BODEMONDERZOEK (2007) blijken ons drie zaken (zie ook pagina 11):
- "de bovengrond van het terrein kan worden aangemerkt als licht verontreinigde grond (vermoedelijk categorie 1 grond); indien deze grond wordt afgevoerd en wordt toegepast in het kader van het Bouwstoffenbesluit, dan is een partijkeuring conform VKB protocol 1001 noodzakelijk" --> wat betekent dit qua te verwachten afvoer-,keurings- en/of stortingskosten...?
- "de onderzochte ondergrond kan worden aangemerkt als schone bodem" --> wat betekent dit qua te verwachten afvoer- en/of stortingskosten...?

4.4

Het rapport waarnaar in de mail wordt verwezen en dat daarbij is gevoegd, betreft een rapport dat op 21 mei 2007 door [G] B.V.(hierna te noemen: [G] ) in opdracht van [H] B.V. is opgesteld. Het betreft een rapport van verkennend bodemonderzoek van de bouwkavel. In hoofdstuk 1 van dit rapport met het opschrift “samenvatting”, staat onder meer vermeld:
"Doel van dit onderzoek is het vaststellen van de kwaliteit van de grond en het grondwater op de onderzoeklocatie."

Hoofdstuk 7 van het rapport met het opschrift “Conclusies en aanbevelingen” bevat onder meer de volgende tekst:
"(…) Aan de resultaten van dit onderzoek kunnen de navolgende conclusies worden verbonden:
- Aan de hand van het vooronderzoek is de onderzoekslocatie als "onverdacht" aangemerkt en dienovereenkomstig onderzocht conform de MEN 5470 methode.
- In de bovengrond zijn puinresten en kooldeeltjes waargenomen. Er zijn geen asbestverdachte materialen op het maaiveld of in de bodem aangetroffen.
- de zintuiglijke waarnemingen wijzen verder niet op aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem.
- De bovengrond is licht verontreinigd aan PAK en minerale olie.
- De ondergrond is licht verontreinigd aan zink.
(...)
De hypothese "onverdacht" dient te worden verworpen. Hiervoor zou namelijk voor geen van de onderzochte stoffen de streefwaarde mogen worden overschreden. De onderzochte bovengrond kan worden aangemerkt als niet schone bodem. De onderzochte ondergrond kan worden aangemerkt als schone bodem omdat hiervoor wordt voldaan aan de ministeriële vrijstellingsregeling (MVR, zie toelichting bijlage V).
De bovengrond van het terrein kan worden aangemerkt als licht verontreinigde grond (vermoedelijk categorie I grond). (…)
Uit milieuhygiënisch oogpunt is er geen bezwaar tegen de voorgenomen verkoopplannen en eventuele nieuwbouwplannen."

4.5

In antwoord op voormeld e-mailbericht van 30 november 2011 heeft [appellant1] , in de persoon van de heer [I] , het volgende bericht, eveneens per e-mail van 30 november 2011 (prod. 3 bij inleidende dagvaarding):

Op het eerste punt kan ik wel een antwoord geven. De licht verontreinigde grond (vermoedelijk categorie I grond) wordt alleen aangemerkt als vervuilde grond als het grond afgevoerd word. Als deze grond op de kavel blijft is het geen vervuilde grond. De overige grond is schone grond en mag wel afgevoerd worden. In de bebouwde kom van een dorp wordt bijna altijd de grond aangemerkt als grond categorie 1
Als de bouwput van de woning met bijvoorbeeld een kelder wordt uitgegraven wordt dit altijd iets groter uitgegraven. We kunnen de bovenlaag wel apart uitgraven en opslaan op het terrein. Zodra de kelder is geplaatst en de fundering gereed is wordt alles weer aangevuld met grond.
Indien we hier de licht verontreinigde grond voor gaan gebruiken hoeft deze niet speciaal afgevoerd en bemonsterd worden. Indien er veel puin resten in de grond aanwezig zijn kunnen we dit puin ook afvoeren in een container bak naar een puin verwerking bedrijf. Een 15 m3 puin container kost ongeveer € 200,00. Bovenstaande verhaal wil ik ook wel even opnemen met de toezichthouder van de gemeente. Tijdens het uitgraven kunnen we ook pas precies beoordelen hoe de grondgesteldheid is en of er echt rommel in de grond zit. Sowieso moet er grond afgevoerd worden. Dit laat ik vaak uitvoeren door een vrachtauto welke heen en weer rijd als we aan het graven zijn. Als ik deze vrachtauto een dag inhuur kost dit ongeveer 8 uur maal € 75,00

Meestal kunnen we de schone grond wel ergens kwijt zonder dat we er voor hoeven te betalen. De preciese kosten kan ik nu dus nog niet aangeven. Als er niets verstopt is' in de grond valt het mee met de kosten en als we van alles tegenkomen met het graven moeten we dit zo creatief en goedkoop mogelijk oplossen.

4.6

De (geprefabriceerde) kelder is op 17 februari 2012 geplaatst. In verband daarmee is op 16 februari 2012 een bouwput gegraven. De daarbij vrijkomende grond zou deels worden afgevoerd naar een boer en deels op de bouwkavel achterblijven. De kosten voor het afvoeren van de grond zouden door [geïntimeerde] worden gedragen.

Tijdens het graven van de bouwput heeft [appellant1] besloten de vrijgekomen grond af te voeren naar [J] B.V., verder te noemen: [J] , in verband met geconstateerde bodemverontreiniging. [appellant1] heeft (de partner van) [geïntimeerde] daarvan op 17 februari 2012 in kennis gesteld. De kosten van het verwerken van de vervuilde grond door [J] hebben uiteindelijk € 10.706,72 bedragen. [J] heeft die kosten aan [appellant1] in rekening gebracht, [appellant1] heeft die kosten doorbelast aan [geïntimeerde] en [geïntimeerde] heeft die kosten onder protest betaald aan [appellant1] .

4.7

Op 16 juli 2012 is door milieukundig en geotechnisch adviesbureau [K] B.V. (verder te noemen: [K] ) in opdracht van [J] een onderzoeksrapport van een partij grond afkomstig van de [L] te [D] , opgesteld naar aanleiding van een op 4 juli 2012 uitgevoerd veldonderzoek. Amicon concludeert in dit rapport:
"Uit de toetsing blijkt dat voor de partij de waarde voor industrie wordt overschreden door lood, PAK en minerale olie. Daarnaast wordt de waarde voor wonen overschreden door koper, nikkel, zink en PCB's. De waarden voor kobalt en kwik overschrijden de achtergrondwaarde. Voor géén van de overige parameters zijn overschrijdingen van de waarden voor wonen of industrie aangetoond.

(..)
Conclusies

op basis van de resultaten van onderhavige keuring heeft de partij met een opgemeten omvang van circa 136 m3 (circa 230 ton) de bodemkwaliteitsklasse NIET TOEPASBAAR."

Niet toepasbaar houdt in, naar de kantonrechter onder de vastgestelde feiten niet in grief bestreden heeft overwogen, dat in de grond één of meer overschrijding(en) van de

interventiewaarde is aangetoond.

5 De vorderingen in eerste aanleg en de beslissing daarop

5.1

[geïntimeerde] heeft in conventie hoofdelijke veroordeling gevorderd van [appellanten] c.s. tot betaling van een bedrag van € 10.706,72, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening en betaling van € 874,- aan buitengerechtelijke kosten, en tot betaling van de proceskosten.
5.2 In reconventie hebben [appellanten] c.s., na wijziging van eis, gevorderd de prijs aan te passen met het bedrag van € 10.706,72 , met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

5.3

In het vonnis van 8 november 2013 is in conventie, uitvoerbaar bij voorraad, de vordering van [geïntimeerde] toegewezen, uitgezonderd de buitengerechtelijke kosten, met hoofdelijke veroordeling van [appellanten] c.s. in de proceskosten, begroot op € 918,88.
In reconventie is de vordering van [appellanten] c.s. afgewezen, met veroordeling van [appellanten] c.s. in de proceskosten, begroot op € 300,-.

6 De motivering van de beslissing in hoger beroep

Inleiding

6.1

Het geschil heeft zich toegespitst op de vraag of [geïntimeerde] de kosten van het verwerken van de vervuilde grond verschuldigd is aan [appellant1] . [geïntimeerde] heeft zich in eerste aanleg (in conventie) op het standpunt gesteld dat zij die kosten onverschuldigd heeft voldaan en restitutie daarvan gevorderd.
[appellant1] heeft verweer gevoerd en heeft zich (in reconventie) op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat de volledige grond vervuild bleek, een kostenverhogende omstandigheid vormde die een aanpassing van de prijs rechtvaardigt met de extra kosten voor het verwerken van de grond.
6.2 De kantonrechter heeft in zijn vonnis van 8 november 2013 overwogen dat het geschil wordt beheerst door artikel 7:753 BW (kostenverhogende omstandigheden) en niet door artikel 7:755 BW (meerwerk). Verder heeft de kantonrechter, in de kern samengevat, overwogen dat [appellant1] niet heeft voldaan aan haar waarschuwingsplicht als bedoeld in artikel 7:753 lid 3 BW, dat zij daarom geen aanspraak kan maken op een prijsaanpassing en dat derhalve [geïntimeerde] onverschuldigd heeft betaald.

6.3

[appellanten] c.s. hebben in principaal appel vier grieven gericht tegen het vonnis van 8 november 2013 en [geïntimeerde] heeft in incidenteel appel één grief tegen dat vonnis gericht.

De beoordeling van de grieven

in principaal appel

6.4

De grieven I t/m III richten zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellant1] haar waarschuwingsplicht niet is nagekomen en daarom geen aanspraak heeft op een aanpassing van de prijs. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Grief IV heeft geen zelfstandig karakter, maar betreft een “veeggrief”.

6.5

De kantonrechter heeft het geschil beoordeeld in de sleutel van artikel 7:753 BW, dat handelt over de mogelijkheid om de overeengekomen aanneemsom aan te passen in het geval na het sluiten van de overeenkomst van aanneming kostenverhogende omstandigheden ontstaan of aan het licht komen. Tegen het oordeel dat artikel 7:753 BW van toepassing is op het onderhavige geschil is geen grief gericht (in principaal noch incidenteel beroep) en het hof kan zich daar ook mee verenigen. Veronderstellenderwijs aannemend dat de voor de aanleg van de kelder ontgraven grond vervuild bleek te zijn –het hof heeft daarover nog geen oordeel gegeven- en dat daardoor extra kosten voor de verwerking van de afgevoerde grond zijn ontstaan, kan worden gesproken van een kostenverhogende omstandigheid die aan het licht is gekomen na het sluiten van de overeenkomst van aanneming.
Voor de volledigheid merkt het hof daar aanvullend nog het volgende bij op.

In de oorspronkelijke overeenkomst van aanneming was de prijs exclusief “grond” bepaald, zodat de afspraak over het afvoeren van de grond door [appellant1] een aanvullende (meerwerk) afspraak betreft. Over de prijs daarvoor hebben partijen geen vaste afspraak gemaakt, maar wel zijn zij uitgegaan van de (lagere) kosten voor afvoer van schone grond. Dat de grond (beweerdelijk) vervuild was kan dan worden beschouwd als een kostenverhogende omstandigheid betrekkelijk tot die aanvullende afspraak. Omdat die afspraak deel is gaan uitmaken van de overeenkomst van aanneming, valt dan ook die kostenverhogende omstandigheid onder de reikwijdte van artikel 7:753 BW (en niet onder de reikwijdte van artikel 7:755 BW, dat betrekking heeft op verhoging van de aanneemsom met meerwerk).

6.6

Uit het bepaalde in het derde lid van artikel 7:753 BW, bezien in samenhang met het bepaalde in de eerste twee leden van dat artikel, volgt dat de mogelijkheden die een aannemer heeft om de aanneemsom aan te passen aan kostenverhogende omstandigheden die zich pas voordoen na het sluiten van de overeenkomst of die pas daarna aan het licht treden, alleen gelden “indien de aannemer de opdrachtgever zo spoedig mogelijk voor de noodzaak van een prijsverhoging heeft gewaarschuwd, opdat deze tijdig hetzij gebruik kan maken van het hem in artikel 764 toegekende recht [ toevoeging hof: het recht om de overeenkomst te allen tijde geheel of gedeeltelijk op te zeggen], hetzij een voorstel kan doen tot beperking of vereenvoudiging van het werk”.

6.7

In de redactie van het artikel ligt besloten dat in het derde lid genoemde waarschuwing dient plaats te vinden voorafgaand aan de prijsverhoging; immers, alleen dan kan de opdrachtgever nog invulling geven aan de mogelijkheden waartoe de waarschuwing dient. Het hof stelt vast dat [appellant1] niet voorafgaand aan het afvoeren van de grond naar [J] [geïntimeerde] daarvan in kennis heeft gesteld, noch van de (aanzienlijke) extra kosten die daaruit zouden voortvloeien. Ter zake ontbreekt derhalve een waarschuwing als bedoeld in het derde lid van artikel 7:753 BW.

6.8

De stelling van [appellanten] c.s. (in de toelichting op grief I) dat de mededeling in het e-mail bericht van 30 november 2011, dat pas tijdens het uitgraven precies kan worden beoordeeld hoe de grondgesteldheid is en of er rommel in de grond zit, een voldoende waarschuwing inhoudt als bedoeld in artikel 7:753 lid 3 BW omdat daaruit blijkt dat er mogelijk sprake is van een kostenverhogende omstandigheid, wordt verworpen. Het hof deelt de opvatting van de kantonrechter dat die mededeling zo weinig concreet en van algemene aard is dat deze niet kan worden aangemerkt als een waarschuwing als bedoeld in het derde lid van artikel 7:753 BW; een dergelijke mededeling biedt te weinig aanknopingspunten voor een opdrachtgever om te kunnen beslissen of hij al dan niet gebruik zal/kan maken van de in het derde lid genoemde mogelijkheden (waartoe de waarschuwing hem in de gelegenheid dient te stellen).

6.9

[appellanten] c.s. hebben verder aangevoerd (in de toelichting op grief I) dat pas op 16 februari 2012 tijdens het ontgraven duidelijk was hoe het precies zat met de grondgesteldheid en dat alles voor de werkzaamheden van 17 februari 2012 (het plaatsen van de kelder) al was geleverd, geregeld en ingepland. Door in die situatie [geïntimeerde] op 17 februari 2012 te informeren hebben zij in hun opvatting (opnieuw) voldaan aan hun waarschuwingsplicht. Ook die stelling wordt verworpen.
Naar het hof begrijpt betogen [appellanten] c.s. dat zij in de omstandigheden van het geval zo spoedig mogelijk hebben gewaarschuwd voor de kostenverhoging als voor hen mogelijk was. Die stelling ziet eraan voorbij dat, zoals hiervoor al is overwogen, van een tijdige waarschuwing in de zin van het derde lid van artikel 7:753 BW geen sprake meer is, indien die waarschuwing pas plaats vindt nadat de kostenverhoging zich reeds heeft voorgedaan.
Het hof merkt hierbij op dat [appellanten] c.s. ook niet hebben toegelicht waarom zij niet al op 16 februari 2012, nog voordat de grond was afgevoerd, [geïntimeerde] hebben geïnformeerd.

6.10

[appellanten] c.s. richten zich in grief III tegen de overweging van de kantonrechter in rechtsoverweging 4.10 van het vonnis, dat door [appellanten] c.s. niet is gesteld en onderbouwd dat een mogelijkheid van de opdrachtgever om kosten te beperken door de overeenkomst op te zeggen dan wel het werk te beperken, illusoir was. In hun toelichting op deze grief voeren [appellanten] c.s. aan dat het keuzemoment voor het al of niet beperken van de kosten voor [geïntimeerde] als opdrachtgever al veel eerder lag.
Naar het hof begrijpt willen [appellanten] c.s. hiermee (subsidiair) betogen dat op 16 februari 2012, bij de ontdekking van de vervuiling, geen waarschuwingsplicht (meer) op [appellant1] rustte op, omdat het doel waarvoor de waarschuwing dient –het bieden aan de opdrachtgever van de mogelijkheden genoemd in het derde lid van artikel 7:753 BW- reeds illusoir was, gelet op de omstandigheid dat al op 17 februari 2012 de kelder geplaatst zou worden en alles daarvoor al geregeld was. Een dergelijke stelling wordt verworpen.

In de eerste plaats heeft [geïntimeerde] al bij de comparitie verklaard dat als zij (hof: [geïntimeerde] en haar partner) tijdig zouden zijn ingelicht, zij zeker zouden hebben afgezien van de bouw van de kelder.

[appellanten] c.s. hebben niet gemotiveerd aangevoerd dat en waarom die optie op 16 februari 2012 niet meer reëel was. De omstandigheid dat op 16 februari 2012 alle voorbereidingen voor het plaatsen van de kelder al getroffen waren, sluit zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet uit dat het voor [geïntimeerde] opportuun kan zijn geweest om af te zien van het daadwerkelijk plaatsen van de kelder.
Daar komt bij dat de omstandigheid dat er maar één dag zat tussen het ontgraven van de grond en het plaatsen van de kelder berustte op een, naar het hof aanneemt, eigen planning van [appellant1] . [appellanten] c.s. hebben niet inzichtelijk gemaakt dat en waarom [appellant1] die werkzaamheden zo dicht op elkaar heeft gepland. Daarmee dient die omstandigheid voor haar rekening te worden gelaten en onthief die planning haar niet van haar verplichting om [geïntimeerde] te waarschuwen en om haar (vervolgens) desgewenst nog enige gelegenheid te bieden om zich te beraden over mogelijkheden om de extra kosten te beperken. Het hof neemt daarbij nog in aanmerking dat uit de e-mail van [appellant1] van 30 november 2011 kan worden afgeleid dat [appellant1] zich toen in ieder geval bewust is geweest van de mogelijkheid dat er bij het ontgraven van de grond nog verrassingen zouden kunnen opduiken. Dat [appellant1] vervolgens in haar planning van de werkzaamheden geen ruimte heeft gelaten om daarop in te kunnen spelen, leidt dan nog niet tot het vervallen van de waarschuwingsverplichting. De omstandigheid dat het voldoen aan die waarschuwingsverplichting (wellicht) praktische problemen gaf, dient daarbij voor rekening en risico van [appellant1] te worden gelaten.

6.11

Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot het oordeel dat [appellanten] c.s niet hebben voldaan aan hun waarschuwingsplicht als bedoeld in het derde lid van artikel 7:753 BW en dat niet is gebleken van feiten een omstandigheden die met zich brengen dat het beroep dat [geïntimeerde] daarop heeft gedaan niet aanvaard kan worden.

6.12

De grieven in principaal appel falen aldus. Het bestreden vonnis zal derhalve worden bekrachtigd en [appellanten] c.s. zullen in de proceskosten in hoger beroep worden veroordeeld, uitvoerbaar bij voorraad.
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten

-

- griffierecht

308,00

totaal verschotten

308,00

en voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief:

1 punt x € 894,- (tarief II)

894,-

In incidenteel appel

6.13

[geïntimeerde] heeft haar grief gericht tegen het oordeel van de kantonrechter (in rechtsoverweging 4.3.) dat, gelet op het door [geïntimeerde] aan [appellant1] ter beschikking gestelde rapport van [G] , op [appellant1] geen specifieke, voorafgaande waarschuwingsplicht rustte en dat de in de zwaardere verontreiniging dan verwacht gelegen kostenverhoging ook niet aan [appellant1] kan worden toegerekend.

6.14

Bij deze grief heeft [geïntimeerde] echter geen belang, omdat deze er niet toe strekt dat het vonnis van de kantonrechter (geheel of ten dele) wordt vernietigd. De kwestie die [geïntimeerde] in haar grief aan de orde stelt zou in het kader van de devolutieve werking van het appel zonodig aan de orde zijn gekomen indien in het principale appel de grieven zouden zijn geslaagd. Nu die grieven niet slagen, gaat de het hof verder voorbij aan een nadere beoordeling van de door [geïntimeerde] in haar incidentele grief aan de orde gestelde kwestie.

6.15

Aangezien het incidentele appel derhalve nodeloos is ingesteld, zal [geïntimeerde] worden veroordeeld in de kosten van de procedure in het incidentele appel, welke kosten worden vastgesteld op ½ x € 894,- = € 447,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

In principaal appel

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Leeuwarden, locatie Leeuwarden van 8 november 2013;

veroordeelt [appellanten] c.s. in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 894,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 308,- voor verschotten;

verklaart dit arrest (voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft) uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af;

In incidenteel appel

verstaat dat [geïntimeerde] geen belang heeft bij haar grief

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellanten] c.s. vastgesteld op € 447,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief.

Dit arrest is gewezen door mr. G. van Rijssen, mr. D.J. Buijs en mr. O.E. Mulder en is uitgesproken door de rolraadsheer in aanwezigheid van de griffier op 2 februari 2016.