Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:6753

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-08-2016
Datum publicatie
29-08-2016
Zaaknummer
200.161.552/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzekeringszaak. Assurantietussenpersoon is tekort geschoten in zijn verplichting zorg te dragen voor het sluiten van een verzekeringsovereenkomst voor een plezierjacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/2510

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.161.552/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 2351070/13-11894)

arrest van 23 augustus 2016

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser in de hoofdzaak, gedaagde in het incident,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. L.S. Slinkman, kantoorhoudend te Hoogezand,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. A.H.H.M. Roelofs, kantoorhoudend te Nuland.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 16 februari 2016 hier over.

1.2

Op 31 mei 2016 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden. Het hiervan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich bij de stukken.

1.3

Vervolgens heeft het hof arrest bepaald op het voor die zitting overgelegde procesdossier.

2 De vaststaande feiten

2.1.

De door de kantonrechter in rechtsoverweging 1 (1.1. tot en met 1.8.) van het vonnis van 14 oktober 2014 als vaststaand weergegeven feiten zijn tussen partijen niet in geschil. Aangevuld met wat voorts nog onweersproken is gesteld, staat voor zover in hoger beroep nog van belang het navolgende vast.

2.2.

[geïntimeerde] is werkzaam als assurantietussenpersoon.

2.3.

[appellant] heeft op 10 juni 2010 [geïntimeerde] telefonisch verzocht om een verzekering af te sluiten voor zijn boot, een Motorcruiser Cascaruda 930 SAK (hierna: de boot). [geïntimeerde] heeft in dat gesprek voorlopige dekking toegezegd. [appellant] had reeds eerder een boot (een "Beenhakker") via [geïntimeerde] bij Bruns ten Brink doen verzekeren.

2.4.

[geïntimeerde] heeft de bevestiging van de voorlopige dekking van de boot op

14 juni 2010 aan [appellant] gemaild. In de kop van de mail staat vermeld:
"Van: [geïntimeerde] [e-mailadres]
Verzonden: maandag 14 juni 2010 6:19
Onderwerp: ((Pleziervaartpolis WA Casco Opt) t.n.v. [appellant] Bijlagen: 20100614060350-Y_voorlopige dekking pleziervaartpolis.doc."

Op het bewijs van Voorlopige dekking Pleziervaartpolis staat onder meer vermeld:

"Ingangsdatum 03-10-2010

(…)

Ingangsdatum/wijzigingsdatum 10-06-2010

Condities Pleziervaart WA/Casco

Motorgegevens

Merk/type Hannemag

(…)

Voorwaarden Algemene voorwaarden Pleziervaartpolis.

Bijzonderheden

De geldigheid van deze voorlopige dekking eindigt bij aanbieding van de polis of het polisaanhangsel.

Overigens behoudt de maatschappij zich het recht voor deze voorlopige dekking tussentijds te beëindigen."

2.5.

De voorlopige dekking was ondergebracht bij verzekeraar Bruns ten Brink.

2.6.

Op 15 juni 2010 07:20 uur heeft [geïntimeerde] per e-mail een offerte voor een pleziervaartuigverzekering bij verzekeraar Alpha aan [appellant] doen toekomen. In de e-mail staat vermeld "Bijgaand doen wij u al toekomen een de offerte t.b.v. uw boot, Dit in navolging van onze eerdere e-mail met voorlopige dekking."

2.7.

[appellant] heeft op 17 juni 2010 21.35 uur via de website van [geïntimeerde] schade aan de boot gemeld. Als polisnummer staat het nummer vermeld dat is genoemd in de begeleide email bij het bewijs van voorlopige dekking [polisnr. 1] ). Bij schadedatum is vermeld: 15 juni 2010 en bij toedracht: "Wierpot Verstopt".

2.8.

Het aanvraagformulier voor de verzekering bij verzekeraar Alpha is met de datering 18 juni 2010 door [appellant] aan [geïntimeerde] toegezonden. [geïntimeerde] heeft dit formulier op

22 juni 2010 ontvangen.

2.9.

Bij e-mail van 22 juni 06.24 uur van [geïntimeerde] aan [appellant] met als onderwerp "Schade op polisnummer [polisnr. 2] t.n.v. [appellant] " bevestigt [geïntimeerde] , onder meer, de ontvangst van de schademelding en deelt hij mee een expertisebureau ingeschakeld te hebben om de omvang en oorzaak van de geleden schade vast te stellen.

2.10.

[geïntimeerde] heeft op 22 juni 2010 [expertisebedrijf] (hierna [expertisebedrijf] ) opdracht gegeven de schade te beoordelen. [expertisebedrijf] heeft op 28 juni 2010 een rapport uitgebracht. Op de eerste pagina van het rapport staat het polisnummer [polisnr. 1] . [expertisebedrijf] geeft als schadeoorzaak: "De aanzuiging van het koelwatersysteem is verstopt geraakt, hierdoor is de motor oververhit geraakt en heeft de koppakking het begeven." De reparatiekosten zijn door hem begroot op € 2.701,30 inclusief BTW.

2.11.

Bij brief van 1 maart 2011 van [geïntimeerde] aan [appellant] schrijft [geïntimeerde] : "(…)Betreffende het dossier eerst het volgende:

- in eerste instantie heeft u een voorlopige dekking aangevraagd, daarna vraagt u echter eerste weer

een kosten opgave aan, ons telefonisch onderhoud op 14-06-2010 hierbij hebben wij u aangegeven dat

hiermee ook de voorlopige dekking kwam te vervallen.

- Op 15-06-2010 doen wij u om 07:20 uur toekomen

- Deze offerte opend /c.q. leest u op 17-06-2010 om 16:34 uur, zie bijlage

- Het daarbij behorende aanvraagformulier ontvangen wij welke gedateerd is op 18-06-2010,

zie bijlage

- Hiervoor ontvangen wij echter op 17-06-2010 van u een schade melding met als schade datum 15-06-2010, zie bijlage.

Deze data's hebben vraagtekens gezet over de gehele procedure, over de correctheid van de aanvraag ofwel schademelding.

Van belang voor de schadebeoordeling is ook het volgende:

In het ontvangen rapport, zie bijlage, wordt aangegeven dat de schade is veroorzaakt door een verstopping van het koelwatersysteem, hetgeen de oorzaak is door dat deze niet gecontroleerd en onderhoud aan verricht is. Hier is dus sprake van onvoldoende zorg aan de verzekerde zaken, zoals beschreven in artikel 17.5. zie bijlage.

Gezien bovenstaande wordt uw schadeclaim afgewezen.

Tevens heeft de verzekeraar te kennen gegeven uw polis direct ingaande te beëindigen, tevens is door ons bedongen dat over de afgelopen periode geen premie zal worden gevorderd.

Wij zijn bereid om voor u elders een verzekering aan te vragen, de daarbij verschuldigde premie zal door ons bij u niet in rekening worden gebracht. Indien u van dit aanbad gebruik wenst te maken verzoeken wij u ons dit binnen 7 dagen na heden te bevestigen. (…)"

2.12.

Bij brief van 22 april 2011 heeft [appellant] bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van zijn claim.

2.13.

Bij brief van 22 november 2011 schrijft [expertisebedrijf] aan [geïntimeerde] in aanvulling op zijn rapportage van 28 juni 2010:

"(…)Het was een rommelig geheel, niet opgeruimd en onoverzichtelijk, de voortstuwing bestond uit een omgebouwde (gemariniseerde) dieselmotor van het merk Hanomag waarvan het bouwjaar onbekend was.

Mogelijkerwijs zou dit met de schade te maken kunnen hebben, het wekte niet de indruk dat er regelmatig onderhoud was gepleegd aan de voorstuwingsinstallatie, het was geen net en opgeruimd geheel, wat een veilige vaart zou moeten garanderen. (…)"

2.14.

[appellant] heeft in het kader van de afwijzing een klacht ingediend bij

het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (hierna: Kifid). Op 30 oktober 2012 heeft de Ombudsman, mr. [X] , een (niet bindend) oordeel ter zake van deze klacht gegeven inhoudende de aanbeveling dat [geïntimeerde] de schade aan [appellant] zal vergoeden zoals door de expert is vastgesteld.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1.

[appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling aan hem tot een bedrag van € 2.701,30 inclusief btw in hoofdsom en te vermeerderen met rente, een bedrag van € 357,- aan buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. [appellant] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat hij schade heeft geleden aan zijn boot, maar deze niet wordt vergoed, ondanks dat [geïntimeerde] in zijn hoedanigheid van assurantietussenpersoon aan hem heeft bevestigd dat de verzekering voorlopige dekking bood en de schade onder de polis gedekt was.

3.2.

[geïntimeerde] heeft bij incidentele conclusie gevorderd dat de rechtbank Noord-Nederland zich onbevoegd verklaart om van het geschil kennis te nemen. In de hoofdzaak heeft [geïntimeerde] gesteld dat de voorlopige dekking was ingetrokken en de boot niet was verzekerd op het moment dat de schade ontstond. In het geval dat de voorlopige dekking wel van kracht was geweest, zou op grond van de polisvoorwaarden, de betreffende schade van dekking zijn uitgesloten, aldus [geïntimeerde] .

3.3.

De kantonrechter heeft het beroep op onbevoegdheid afgewezen en [geïntimeerde] in de kosten van het incident veroordeeld. In de hoofdzaak heeft de kantonrechter geoordeeld dat ten tijde van het ontstaan van de schade de boot door intrekking van de voorlopige dekking niet was verzekerd en dat van onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] geen sprake was. De kantonrechter heeft de vordering van [appellant] afgewezen.

4 De beoordeling van de grief en de vordering

4.1.

[appellant] heeft één grief geformuleerd tegen het eindvonnis van de kantonrechter.
De grief, die inhoudt in dat de kantonrechter de vordering van [appellant] ten onrechte heeft afgewezen, legt het geschil in de hoofdzaak in volle omvang aan het hof voor.
vordert vergoeding van de schade aan zijn boot. Hij heeft aangevoerd dat [geïntimeerde] op 10 juni 2010, als assurantietussenpersoon, namens de verzekeraar voorlopige dekking heeft verleend voor de thans gevorderde schade en dat deze dekking nog steeds van kracht was op het moment dat de schade ontstond (15 juni 2010). Nu de door [geïntimeerde] namens de verzekeraar gedane toezegging tot verlenen van voorlopige dekking blijkbaar niet bij de verzekeraar is aangemeld, is [geïntimeerde] tekort geschoten in zijn contractuele verplichtingen jegens [appellant] , dan wel heeft hij onrechtmatig jegens hem gehandeld, en dient hij de schade te vergoeden die [appellant] hierdoor heeft geleden, aldus [appellant] .

4.2.

[geïntimeerde] heeft gesteld (i) dat hij de voorlopige dekking die namens de verzekeraar was verleend heeft ingetrokken en dat daarom ten tijde van het schadevoorval geen verzekering meer van kracht was en (ii) dat ook indien wel een verzekering van kracht zou zijn geweest geen dekking zou zijn verleend, (a) omdat de onderhavige schade het gevolg was van onvoldoende onderhoud en (b) wegens het ontbreken van de originele scheepsmotor. Deze feiten zouden ieder voor zich op basis van de polisvoorwaarden tot uitsluiting van dekking hebben geleid, en dit leidt tot de conclusie dat [appellant] geen schade heeft geleden, stelt [geïntimeerde] .

4.3.

De stelplicht en de bewijslast van de onder (i) en (ii) gestelde feiten, rusten conform de hoofdregel van artikel 150 Rv op [geïntimeerde] .

4.4.

Met betrekking tot (i) heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat hij de voorlopig verleende dekking op 14 juni 2010 heeft ingetrokken. Reden hiervoor vormde het feit dat [appellant] telefonisch contact met hem had opgenomen en in dat gesprek te kennen gaf een offerte van (eventueel) een andere verzekeraar dan Bruns ten Brink te willen ontvangen. [geïntimeerde] heeft daarop aan [appellant] te kennen gegeven dat hij dan de voorlopige dekking moest intrekken, omdat niet duidelijk was of de boot bij Bruns ten Brink zou worden verzekerd en/of dit via [geïntimeerde] zou lopen. Hij heeft de intrekking vervolgens per e-mail van 14 juni 2010 17.02 uur aan [appellant] bevestigd, en uit de leesbevestiging van 20.34 uur, blijkt dat [appellant] van de intrekking op de hoogte was, aldus [geïntimeerde] .

4.5.

[appellant] heeft weersproken dat voornoemd gesprek heeft plaatsgevonden, alsmede dat de beweerdelijke e-mail aan hem is verzonden. Volgens [appellant] zijn de e-mail en de leesbevestiging gemanipuleerd. [appellant] heeft voorts weersproken dat hij om een offerte van een andere verzekeraar heeft gevraagd.

4.6.

Het hof overweegt als volgt. De door [geïntimeerde] genoemde e-mail en leesbevestiging van dezelfde datum zijn in afschrift door [geïntimeerde] overgelegd in de procedure bij het Kifid (mgv productie 1 en 2). Een afschrift van de "dezelfde" e-mail en de leesbevestiging zijn ook overgelegd in de procedure bij de kantonrechter (productie 3 bij cva). De producties vertonen echter een aantal opmerkelijke verschillen. In de procedure bij het Kifid staat in de leesbevestiging als jaartal "201" vermeld (mvg prod 2.). De Ombudsman heeft hierover een opmerking gemaakt in zijn beslissing van 30 oktober 2012. [geïntimeerde] heeft vervolgens in de procedure bij de kantonrechter bij conclusie van antwoord van 17 mei 2013 "dezelfde" leesbevestiging overgelegd, maar nu met het (juiste) jaartal "2010" (cva prod. 3). Bij de Kifid toegezonden mail stond dat de (aan [appellant] gerichte e-mail) afkomstig zou zijn van [appellant] en ook dat is in de bij de kantonrechter overgelegde email gewijzigd in: "van [geïntimeerde] <info@ enz". Luidt bij het Kifid het onderwerp van de verzonden e-mail waarop de leesbevestiging ziet "intrekken voorlopige dekking". De leesbevestiging zoals overgelegd in de procedure bij de kantonrechter heeft als onderwerp: "(Pleziervaartpolis WA Casco Opt) t.n.v. [appellant]

4.7.

De verklaring, zoals door [geïntimeerde] ter zitting is afgelegd, dat er sprake is van een wijziging (update) van het systeem die heeft geleid tot voornoemde veranderingen in de mails overtuigt het hof niet.

Daarnaast merkt het hof op dat [geïntimeerde] in zijn mail van 15 juni 2010 (rov. 2.6.) waarin de offerte wordt verzonden op geen enkele wijze refereert aan de intrekking van de voorlopige dekking en slechts meldt "Dit in navolging van onze eerdere e-mail [hof: enkelvoud] met voorlopige dekking." Hetgeen een verwijzing lijkt naar de e-mail van 14 juni 06.09 uur

(rov. 2.4.). Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het hof van oordeel dat [geïntimeerde] er niet in is geslaagd aan te tonen dat de voorlopige dekking voor de schademelding is ingetrokken. [geïntimeerde] zal niet worden toegelaten tot verdere bewijslevering nu een voldoende gespecificeerd bewijsaanbod ontbreekt en het hof geen aanleiding ziet om [geïntimeerde] ambtshalve een bewijsopdracht te verstrekken.

4.8.

Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat op 15 juni 2010 ten tijde van de schademelding de voorlopige dekking niet was ingetrokken. Een eventuele latere intrekking regardeert [appellant] niet. De toepasselijke polisvoorwaarden "Voorlopige dekking Pleziervaartpolis" zijn bij conclusie van antwoord als productie 2 overgelegd. [geïntimeerde] heeft gesteld (ii) dat de verzekeraar dekking zou hebben afgewezen door een beroep te doen op (a) artikel 9 (Algemene verplichtingen) van de polisvoorwaarden, omdat er sprake zou zijn van onvoldoende onderhoud aan de boot, dan wel op (b) artikel 31.3 van de polisvoorwaarden wegens het ontbreken van de originele scheepsmotor.

4.9.

[geïntimeerde] heeft zijn stelling dat er sprake was van onvoldoende onderhoud niet nader met feiten en omstandigheden onderbouwd, maar enkel verwezen naar de melding van [appellant] dat wierpot verstopt zat (rov. 2.7.) en dat in het expertiserapport staat vermeld dat de boot een rommelige indruk maakte (rov. 2.13.). Die omstandigheden kunnen zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet dienen ter onderbouwing van het gestelde gebrek aan onderhoud. Temeer nu [appellant] heeft aangevoerd dat de boot net bij een erkend bedrijf was opgehaald, de wierpot voor het varen was leeggemaakt en mogelijk als gevolg van rotzooi in het water tijdens het varen verstopt is geraakt. In het (aanvullend) expertiserapport wordt niet gesproken over gebrek aan onderhoud. Aan bewijslevering komt het hof dan ook niet toe.

4.10.

De stelling van [geïntimeerde] dat er tevens uitsluiting van dekking zou zijn geweest omdat dat de originele motor ontbrak, wordt door [appellant] weersproken. Het expertiserapport spreekt van een omgebouwde (gemariniseerde) Hanomag motor, volgens [appellant] is dit een volstrekt gebruikelijke motor die bij de bouw van de boot is aangebracht. Nu een bewijsaanbod van [geïntimeerde] terzake ontbreekt komt het hof aan bewijslevering niet toe.

4.11.

Op grond van het vorenstaande oordeelt het hof dat [geïntimeerde] niet tijdig heeft meegedeeld dat de voorlopige dekking was ingetrokken en dat op 15 juni 2010 [appellant] er van mocht uitgaan dat sprake was van een toereikende verzekering en de door hem geleden schade onder de door hem overgelegde polis was gedekt. [geïntimeerde] heeft vervolgens ten onrechte bewerkstelligd dat de door hem vertegenwoordigde verzekeraar geen daadwerkelijke dekking heeft verleend. De schade die [appellant] daardoor heeft geleden en die is begroot op € 2.701,30 dient [geïntimeerde] aan hem te vergoeden. Als ingangsdatum van de wettelijke rente over de hoofdsom geldt 15 juni 2010, de dag waarop de schade is ontstaan. Voorts zullen worden toegewezen de gevorderde buitengerechtelijke kosten, nu zij op de voet van artikel 6:96 lid 2 BW voor vergoeding in aanmerking komen en het gaat om redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte.

Slotsom

4.12.

De grief slaagt, zodat het bestreden vonnis, voor zover gewezen in de hoofdzaak zal worden vernietigd. Het hof zal, opnieuw rechtdoende, de vordering van [appellant] toewijzen op de wijze als in het dictum vermeld.

Het hof zal [geïntimeerde] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van beide instanties veroordelen.

4.13.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] zullen (in de hoofdzaak) worden vastgesteld op € 300,82 voor verschotten en op € 175,- voor salaris gemachtigde (1 punt).

4.14.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op € 403,77 voor verschotten en op € 1.264,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (2 punten/tarief I: € 632,-).

De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland van

14 oktober 2014 voor zover gewezen in de hoofdzaak en doet in zoverre opnieuw recht;

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant] tot een bedrag van € 2.701,30 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2010 tot aan de dag van voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant] tot een bedrag van € 357,- aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met de wettelijke rente vanaf

2 september 2013;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [appellant] wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 175, - voor salaris gemachtigde overeenkomstig het liquidatietarief en op € 300,82 voor verschotten, en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 1.264,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 403,77 voor verschotten;

te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en -voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. I. Tubben, mr. J.H. Kuiper en mr. M.M.A. Wind en is uitgesproken door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 23 augustus 2016.