Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:6747

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-08-2016
Datum publicatie
02-09-2016
Zaaknummer
16/00046
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2015:7340, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:1246
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Aftrek giften. Betalingen aan ashram in India. Vertrouwensbeginsel. Belastingtelefoon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2016-2154
V-N Vandaag 2016/1912
V-N 2016/60.1.3

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummer 16/00046

uitspraakdatum: 23 augustus 2016

Uitspraak van de zevende enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 26 november 2015, nummer AWB 15/1299, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Den Haag (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is voor het jaar 2011 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 39.741 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 21. Aan heffingsrente is daarbij een bedrag berekend van € 268.

1.2

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de aanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 26 november 2015 ongegrond verklaard.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Tot de stukken van het geding behoort, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.

1.6

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 augustus 2016 te Arnhem. Daarbij is verschenen en gehoord belanghebbende, bijgestaan door [A] , alsmede [B] namens de Inspecteur, bijgestaan door mr. drs. [C] .

1.7

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende heeft in haar aangifte IB/PVV voor het jaar 2011 € 10.201 aan periodieke giften in aftrek gebracht.

2.2

Belanghebbende heeft per bank betalingen gedaan aan een ashram in India. Van de betalingen heeft belanghebbende kwitanties ontvangen.

2.3

Aan belanghebbende is met dagtekening 16 juni 2012 een voorlopige aanslag opgelegd conform de ingediende aangifte.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of bij belanghebbende het in rechte te beschermen vertrouwen is gewekt dat de betalingen aan de ashram in India aftrekbare giften zijn.

3.2

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij aan twee gesprekken met de Belastingtelefoon het vertrouwen mag ontlenen dat de giften aftrekbaar zijn. Voorts verwijst belanghebbende naar de voorlopige aanslag, waarin de aftrek is geaccepteerd.

3.3

De Inspecteur bestrijdt het standpunt van belanghebbende.

3.4

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.

3.5

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraken van de Inspecteur, en tot vermindering van de aanslag en de beschikking heffingsrente naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 29.540 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 21.

3.6

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

4.1

Belanghebbende voert aan dat zij in 2010 aan de Belastingtelefoon heeft gevraagd of giften aan een ashram in India aftrekbaar waren. Tijdens het eerste telefoongesprek is zij gewezen op de mogelijkheid om via een notariële akte schenkingen te doen. Daarop heeft belanghebbende gebeld met de notaris die het transport van haar woning had verzorgd. De notaris vertelde belanghebbende dat het dan moest gaan om periodieke schenkingen, wat belanghebbende niet wilde. Daarop heeft belanghebbende opnieuw met de Belastingtelefoon gebeld en gevraagd of eenmalige betalingen aan een ashram in India aftrekbare giften waren. Daarop is bevestigend geantwoord. Indien haar was geadviseerd dat de betalingen via een in Nederland gevestigde Mandir met een ANBI-registratie hadden moeten worden gedaan, had zij dit zo gedaan. De Inspecteur verwijst naar de passages over giften in de dialoogondersteuning van de Belastingtelefoon en acht niet aannemelijk dat aan belanghebbende is meegedeeld dat giften aan een ashram in India zonder ANBI-registratie aftrekbaar zijn. Aan de aan belanghebbende opgelegde voorlopige aanslag kan evenmin vertrouwen worden ontleend (HR 17 januari 2003, nr. 37463, ECLI:NL:HR:2003:AF2996).

4.2

Het Hof is van oordeel dat belanghebbende, op wie de bewijslast rust, tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, niet aannemelijk heeft gemaakt dat bij haar het in rechte te beschermen vertrouwen is gewekt dat giften aan een in India gevestigde ashram aftrekbaar zijn. Het Hof acht, gelet op de citaten uit de dialoogondersteuning die de Inspecteur in het verweerschrift in hoger beroep heeft opgenomen, niet aannemelijk dat, zoals belanghebbende stelt, de afkorting “ANBI” en/of de term “algemeen nut beogende instelling” in een gesprek over een gift aan een buitenlandse instelling niet zou(den) zijn genoemd. De aftrek van artikel 6.32, eerste lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001 is sinds 2010 beperkt tot giften aan deze instellingen. Dat belanghebbende uit het tweede gesprek heeft begrepen dat de giften aftrekbaar zijn, is niet voldoende.

4.3

In het onder 4.1 bedoelde arrest heeft de Hoge Raad, voor zover van belang, geoordeeld dat in het algemeen de inspecteur niet ertoe verplicht is bij de vaststelling van een aanslag in de IB/PVV een zelfde standpunt in te nemen als ten grondslag ligt aan een ten aanzien van dezelfde belastingplichtige vastgestelde voorlopige aanslag. Aan een zodanige gebondenheid staan aard en wijze van totstandkoming van een voorlopige aanslag in de weg. De voorlopige aanslag schept slechts een grondslag voor het doen van vooruitbetalingen op de definitieve belastingschuld en hij pleegt - in overeenstemming met de desbetreffende wettelijke voorschriften - te worden vastgesteld aan de hand van niet of slechts zeer globaal door de inspecteur gecontroleerde gegevens. Bij de vaststelling van een voorlopige aanslag ligt een grondig onderzoek van de zijde van de belastingadministratie derhalve niet voor de hand. Dit is slechts anders indien de belastingplichtige een aangelegenheid uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de inspecteur heeft voorgelegd en hij bovendien op grond van bijkomende omstandigheden redelijkerwijs kan aannemen dat de inspecteur met betrekking tot die aangelegenheid weloverwogen een standpunt heeft ingenomen. De enkele omstandigheid dat, nadat een belastingplichtige een aangelegenheid uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde heeft gesteld, een voorlopige aanslag wordt opgelegd overeenkomstig het door hem daarover ingenomen standpunt, is op zichzelf onvoldoende reden voor een uitzondering als hier bedoeld.

4.4

Dat belanghebbende de aftrek van giften aan de ashram te India uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de Inspecteur heeft voorgelegd, is niet gebleken. Het Hof voegt hieraan voor de volledigheid toe dat voorleggen aan de Belastingtelefoon, wat hiervan verder zij, niet is gelijk te stellen met voorleggen aan de Inspecteur. Het Hof behoeft dan niet te onderzoeken of belanghebbende op basis van bijkomende omstandigheden redelijkerwijs kon aannemen dat de Inspecteur over de giftenaftrek een weloverwogen standpunt had ingenomen.

4.5

De slotsom luidt dat het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt en dat de Inspecteur de aftrek terecht heeft geweigerd.

4.6

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. Nu het Hof ook overigens niet is gebleken dat de bepalingen met betrekking tot de heffingsrente onjuist zijn toegepast, is het hoger beroep ook in zoverre ongegrond.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Dongen, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. N.G.U. Wasch als griffier.

De beslissing is op 23 augustus 2016 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, Het lid van de enkelvoudige belastingkamer,

(N.G.U. Wasch)

(A. van Dongen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 23 augustus 2016

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij:

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.