Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:6687

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-08-2016
Datum publicatie
19-08-2016
Zaaknummer
21-001065-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewezen verklaard - aan de hand van bewijsoverwegingen met betrekking tot het daderschap van de verdachte - is (onder meer) het medeplegen van afpersing van een kassalade van twee medewerksters van een cafetaria.

Opgelegd is een gevangenisstraf van drie jaren, met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001065-16

Uitspraak d.d.: 19 augustus 2016

Tegenspraak

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 15 februari 2016 met het parketnummer 18-830073-15 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling met het parketnummer 18-040858-13, in de strafzaak van

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,

thans verblijvende in de penitentiaire inrichting Veenhuizen, gevangenis Esserheem te Veenhuizen.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 5 augustus 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende - zo begrijpt het hof - dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen en de verdachte ter zake van het onder 1, ten eerste en het onder 2 ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering na voorwaardelijke veroordeling zal toewijzen.

De advocaat-generaal heeft de schriftelijke vordering na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman,

mr. D.C. Vlielander, ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangevoerd.

Het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht

Het hof zal het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht om proceseconomische redenen vernietigen en zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 1 oktober 2014, te [plaats 1] , (althans) in de gemeente [plaats 1] , bij cafetaria " [naam] ", gevestigd aan de [adres] aldaar, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld de medewerker(s) [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een kassalade (inhoudende ongeveer 462,- euro), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), immers heeft hij, verdachte en/of (met) zijn mededader;

- die cafetaria betreden en/of

- ( daarbij) zichtbaar een (slagers)mes getoond en/of

- met dat/een (slagers)mes op de toonbank geslagen en/of getikt en/of

- woorden hebben geroepen als: "Dit is een overval, geef de kassa";

en/of


hij op of omstreeks 1 oktober 2014, te [plaats 1] , (althans) in de gemeente [plaats 1] , bij cafetaria " [naam] ", gevestigd aan de [adres] aldaar, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een kassalade (inhoudende ongeveer 462,- euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

immers heeft hij, verdachte en/of (met) zijn mededader

- die cafetaria betreden en/of

- ( daarbij) zichtbaar een (slagers)mes getoond en/of

- met dat/een (slagers)mes op de toonbank geslagen en/of getikt en/of

- woorden hebben geroepen als: "Dit is een overval, geef de kassa".

2.
hij op of omstreeks 13 januari 2014 te [plaats 2] , in elk geval in Nederland, een scooter (met kenteken [kenteken] ) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voornoemde scooter wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

Het hof heeft de in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten verbeterd.

De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs voor de onder 1 ten laste gelegde overval

De verdachte heeft bij de politie, ter terechtzitting van de rechtbank en ter terechtzitting van het hof telkens ontkend betrokken te zijn geweest bij het onder 1 aan hem ten laste gelegde. De verdediging heeft ter terechtzitting van het hof vrijspraak van dat ten laste gelegde feit bepleit, op een aantal gronden die het hof hieronder zal beoordelen.

Het hof gebruikt de verklaringen die de verdachte en de medeverdachte hebben afgelegd tegen de politie-inlichtingen-inwinner niet als bewijsmiddel.

Hetgeen de verdediging heeft aangevoerd met betrekking tot de toelaatbaarheid en de bewijswaarde van die verklaringen behoeft daarom geen bespreking.

Op 1 oktober 2014 is de cafetaria [naam] aan de [adres] in [plaats 1] overvallen door twee mannen, waarbij twee medewerksters van de cafetaria onder bedreiging van een groot mes de kassalade van de cafetaria hebben moeten afgeven aan de daders.

Het dragende bewijs voor de betrokkenheid van de verdachte berust op verklaringen hierover die de ex-vriendin van de verdachte, [getuige] , heeft afgelegd bij de politie en bij rechter-commissaris. Over de bewijswaarde van deze verklaringen overweegt het hof - in respons op hetgeen de verdediging ter terechtzitting van het hof heeft aangevoerd - het volgende.

De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaringen die door [getuige] zijn afgelegd niet als bewijs kunnen worden gebruikt omdat [getuige] na de beëindiging van de relatie die zij had met de verdachte een rekening met hem te vereffenen had (in figuurlijke zin). Aldus had zij een onzuiver motief om over hem te verklaren zoals zij heeft gedaan.

Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden dat [getuige] niet naar waarheid heeft verklaard bij de rechter-commissaris. Het hof kent in dit kader belangrijke betekenis toe aan de omstandigheid dat uit het politie-onderzoek blijkt dat [getuige] aanvankelijk in het geheel niet heeft willen meewerken aan het politie-onderzoek naar de overval en dat zij - naar is op te maken uit de gegevens van haar telefonische communicatie naar een telefoon die de verdachte in gebruik had - de verdachte in een vroeg stadium nog heeft willen waarschuwen voor de opsporingsactiviteiten van de politie.

Dat past niet bij een door de verdediging verondersteld wraakmotief van [getuige] .

Er zijn omstandigheden aanwezig op grond waarvan het hof de nodige behoedzaamheid zal betrachten bij het gebruik van haar verklaringen als bewijs. Vast staat namelijk dat zij in het politieverhoor op 19 mei 2015 een onjuiste aanduiding heeft gegeven van het moment van terugkeer van de verdachte naar haar huis na de overval (namelijk vóórdat de overval heeft plaatsgevonden, in plaats van nadien). Vast staat eveneens dat [getuige] bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat de verdachte tegen haar heeft gezegd dat hij papiergeld, namelijk biljetten van vijftig euro, in de cafetaria heeft laten vallen. Dit gegeven vindt echter geen concrete bevestiging in de verklaringen van de medewerksters van de cafetaria, die hebben verklaard te hebben gezien of gehoord dat de daders muntgeld lieten vallen. Medewerkster [slachtoffer 2] heeft bovendien verklaard dat het papiergeld niet uit de kassalade kan vallen doordat het erin vastgeklemd zit middels metalen klippen.

Vast staat eveneens dat bij de overval op de cafetaria geen gebruik is gemaakt van een vuurwapen of van een daarop gelijkend voorwerp. [getuige] heeft echter bij de rechter-commissaris en in een politieverhoor verklaard dat de verdachte tegen haar heeft gezegd dat hij toen een pistool bij zich had en zij heeft verklaard dat zij heeft aangenomen dat de verdachte toen een pistool bij zich had.

De door [getuige] in een politieverhoor beschreven camouflage van de verdachte en de medeverdachte met behulp van make-up, waardoor zij er uit zagen als clowns, vindt geen bevestiging in de signalementen die van de beide overvallers zijn verstrekt door de medewerksters van de cafetaria en vindt evenmin concreet bevestiging in de foto-afdrukken van camerabeelden van die overval.

Bij de politie heeft [getuige] verklaard dat zij niet meer weet wat er bij haar thuis werd besproken voordat ze de overval gingen plegen en dat ze het geld (de buit van de overval) “eigenlijk” niet heeft gezien. Bij de rechter-commissaris heeft [getuige] echter verklaard dat de verdachte een kwartier vóór de overval aan haar heeft verteld dat hij een overval zou gaan plegen en dat zij weet dat hij daadwerkelijk een overval had gepleegd en dat zij daar van uit is gegaan, omdat hij daarna met geld terugkwam.

Gelet op al deze omstandigheden is het hof van oordeel dat onderdelen van de verklaringen van [getuige] onjuistheden, vergissingen dan wel ongefundeerde aannames van haar bevatten. Dat gegeven is voor het hof aanleiding om met de nodige behoedzaamheid gebruik te maken van haar verklaringen, in die zin dat het hof onderdelen van haar verklaringen uitsluitend als bewijs zal gebruiken indien en voor zover die onderdelen ondersteuning vinden in bewijs uit andere bron.

Met inachtneming van het bovenstaande heeft het hof acht geslagen op het volgende.

[getuige] heeft bij de rechter-commissaris verklaard over hetgeen de verdachte haar heeft verteld over het proppen van de kassalade in een plastic tas en het daarbij uit de kassalade op de grond vallen van een deel van het geld in de cafetaria. Dit gegeven vindt bevestiging in hetgeen de medewerksters van de cafetaria daarover hebben verklaard.

Voorts betrekt het hof in de bewijsvoering hetgeen [getuige] bij de rechter-commissaris heeft verklaard over de broek die de verdachte droeg toen hij van huis ging om de overval te plegen, te weten een zwarte joggingbroek met een streep erop, alsmede over zijn (bivak)muts die zij nadien heeft aangetroffen in het wasgoed. Dit gegeven vindt bevestiging in de signalementen die de medewerksters van de cafetaria hebben gegeven van één van de daders en daarnaast in de foto-afdrukken van de camerabeelden van de overval.

Hetgeen [getuige] aldus heeft verklaard over de onhandige handelwijze van de verdachte en de medeverdachte in de cafetaria met de kassalade en over de door de verdachte gebruikte kleding, betreft naar het oordeel van het hof specifieke informatie met betrekking tot het daderschap van de verdachte nu [getuige] die informatie niet uit berichtgeving in de media over de overval kan hebben verkregen. De informatie bestaat vooral uit daderinformatie, afkomstig van de verdachte, namelijk waar het de onhandige handelwijze met de kassalade in de cafetaria betreft. [getuige] heeft op 17 april 2015 bij de rechter-commissaris verklaard dat zij op het internet geen beelden van de overval heeft gezien en dat zij uitsluitend een berichtje over de overval heeft gelezen op RTV Noord.

In haar verklaringen bij de politie en bij de rechter-commissaris plaatst [getuige] de verdachte (anders dan verdachte zelf verklaart) op de avond van de overval in [plaats 1] . Ook dit onderdeel van haar verklaring wordt ondersteund door bewijs uit andere bron.

Op grond van de telecommunicatiegegevens staat immers vast dat een telefoon die door de verdachte werd gebruikt, op 1 oktober 2014 meerdere telefoonmasten in [plaats 1] heeft aangestraald.

Het hof gaat er, op grond van hetgeen de verdachte ter terechtzitting van het hof heeft verklaard over zijn gebruik van die telefoon, van uit dat de verdachte toen de enige gebruiker van die telefoon is geweest. Immers, de verdachte heeft ter terechtzitting van het hof verklaard dat hij die telefoon gedurende enkele maanden in gebruik heeft gehad. Later, toen de verdachte ter zitting werd geconfronteerd met de aanstraling in [plaats 1] , heeft hij verklaard dat hij zijn telefoon op 1 oktober 2014 had uitgeleend, maar dat hij niet kon aangeven aan wie hij de telefoon had uitgeleend. Het hof acht dit laatste deel van de verklaring van de verdachte over het uitlenen van de telefoon op de pleegdatum echter niet geloofwaardig.

De door hem gebruikte telefoon plaatst hem dan in [plaats 1] op de dag van de overval.

Daarmee is dan tevens het door de verdachte en de verdediging aangevoerde alibi van de verdachte, inhoudende dat hij op die dag niet in [plaats 1] maar in [plaats 2] was, ontkracht.

Op grond van het bovenstaande verwerpt het hof de bewijsverweren van de verdediging.

Bewezenverklaring

Op grond van wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat ten laste gelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, ten eerste en 2 aan hem ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1:
hij op 1 oktober 2014, te [plaats 1] , in de gemeente [plaats 1] , bij cafetaria " [naam] ", gevestigd aan de [adres] aldaar, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld de medewerkers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een kassalade, inhoudende ongeveer 462,- euro, toebehorende aan [slachtoffer 3] , immers heeft hij, verdachte met zijn mededader:

- die cafetaria betreden en

- daarbij zichtbaar een slagersmes getoond en

- met dat slagersmes op de toonbank getikt en

- woorden geroepen als: "Dit is een overval, geef de kassa".

2:
hij op 13 januari 2014 te [plaats 1] een scooter, met kenteken [kenteken] voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van voornoemde scooter wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1, ten eerste bewezen verklaarde levert op:

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

opzetheling.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van de bewezen verklaarde delicten en de omstandigheden waaronder die delicten zijn begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Het hof heeft hierbij in het bijzonder acht geslagen op het volgende.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van twee vermogensdelicten.

De verdachte heeft door het medeplegen van afpersing van de kassalade financiële schade en overlast toegebracht aan de eigenaar van de cafetaria en heeft de medewerksters van de cafetaria een angstig moment bezorgd. Hij heeft er daarnaast blijk van gegeven weinig respect te hebben voor de eigendomsrechten van een ander.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan opzetheling van een scooter en daardoor geprofiteerd van het door een ander gestolen goed.

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof voorts gelet op het de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 12 juli 2016, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van het plegen van vermogensdelicten, waaronder afpersing en diefstallen met een geweldscomponent.

Deze eerdere bestraffingen hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw vermogensdelicten te plegen.

Voorts heeft het hof rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die naar voren komen in de door het Leger des Heils over de verdachte uitgebrachte rapporten van 13 maart 2015 en 20 mei 2016, en zoals die ter terechtzitting zijn gebleken.

Het hof is op grond van het bovenstaande en uit een oogpunt van normhandhaving en ter vergelding van de door de verdachte begane strafbare feiten met de rechtbank van oordeel dat passend en noodzakelijk is de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van voorarrest.

Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat in aanmerking genomen de oriëntatiepunten van het LOVS en de in dat licht beoordeelde wijze van uitvoering van de overval er geen aanleiding is om tot een hogere straf dan door de rechtbank opgelegd te komen.

De raadsman van de verdachte heeft in het kader van het door hem gevoerde strafmaatverweer geen zodanig bijzondere of relevante feiten of omstandigheden aangevoerd dat het hof de oplegging van een gevangenisstraf van kortere duur aangewezen acht. Ook overigens is het hof niet gebleken van dergelijke feiten of omstandigheden.

Gelet op deze strafoplegging is het bepaalde in artikel 67a, derde lid van het Wetboek van Strafvordering niet van toepassing en wijst het hof het verzoek van de verdediging tot opheffing van de voorlopige hechtenis van de verdachte, welk verzoek op het in dat wetsartikel neergelegde anticipatiegebod is gebaseerd, af.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 11 oktober 2013 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van tweeëntwintig dagen, parketnummer

18-040858-13. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14g, 57, 63, 312, 317 en 416 van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften zijn toegepast zoals deze golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, ten eerste en

2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, ten eerste en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Groningen van 11 oktober 2013, parketnummer 18-040858-13, te weten van:

gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Het hof wijst het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis af.

Aldus gewezen door

mr. K. Lahuis, voorzitter,

mr. G.M. Meijer-Campfens en mr. A. van Holten, raadsheren,

in tegenwoordigheid van H. Kingma, griffier,

en op 19 augustus 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Lahuis is niet in staat dit arrest te ondertekenen.