Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:6594

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-08-2016
Datum publicatie
24-08-2016
Zaaknummer
200.152.515/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overeenkomst tot overdracht van activa en passiva van een onderneming. Uitleg overeenkomst aan de hand van de Haviltex-maatstaf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/2491

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.152.515/01
(zaaknummers rechtbank Overijssel C/08/144302/ HA ZA 13-605

arrest van 16 augustus 2016

in de zaak van

de vennootschap onder firma

[appellante] en Zn. VOF,

gevestigd te [A] ,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. A.H.J. Damminga, kantoorhoudend te Zwolle,

tegen

BMB Noord B.V.,

gevestigd te Groningen,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

hierna: BMB,
advocaat: mr. P. van Wijngaarden, kantoorhoudend te Groningen.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van
20 november 2013 en 21 mei 2014van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:
- de dagvaarding in hoger beroep 7 juli 2014;
- de memorie van grieven (met producties);
- de memorie van antwoord;
- akte van [appellante] (met productie)
- antwoordakte van BMB.

2.2

[appellante] heeft de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd waarop het hof arrest heeft bepaald.

2.3

De vordering van [appellante] luidt:

bij arrest uitvoerbaar bij voorraad te verklaren
"te vernietigen het door de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, tussen partijen gewezen vonnis d.d. 21 mei 2014 en opnieuw rechtdoende de conventionele vorderingen van [appellante] (met uitzondering van de vorderingen als omschreven onder 5 en 6 van het petitum van de inleidende dagvaarding) alsnog toe te wijzen, zulks met veroordeling van BMB in de kosten van dit geding en van de kosten van de procedure in eerste aanleg, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na betekening van het te dezen wijzen arrest - en voor het geval voldoening van de proceskosten binnen genoemde termijn niet plaatsvindt - de proceskosten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf meerbedoelde termijn voor voldoening, alsmede datgene wat ingevolge het te wijzen arrest dient te worden voldaan te vermeerderen met een bedrag terzake ten bedrage van € 131,00 dan wel indien betekening plaatsvindt, van € 199,00."

3 De vaststaande feiten

3.1

De rechtbank heeft onder 2 (2.1 tot en met 2.3) van haar vonnis van 21 mei 2014 een aantal feiten vastgesteld waartegen geen grief is gericht en waarvan ook niet anderszins is gebleken dat deze vaststelling onjuist is. Voor zover het hof deze feiten in hoger beroep van belang acht, en tevens rekening houdend met hetgeen verder is komen vast te staan, gaat het daarmee om het volgende.

3.2

Bij "overeenkomst tot overname van de activa en passiva" d.d. 19 mei 2011 (hierna: de overeenkomst) heeft [appellante] per 20 mei 2011 aan BMB verkocht de destijds tot de onderneming van [appellante] (hierna: de onderneming) behorende materiële vaste activa, voorraad, onderhanden werk, bestaande duurovereenkomsten en het recht op de handelsnaam "Schildersbedrijf [appellante] ". Voor zover van belang vermeldt de overeenkomst het volgende:
"Artikel 3: Koopprijs en betaling
1. De voorlopige koopprijs van het Verkochte is als volgt opgebouwd:
Materiële vaste activa € 60.000, --
Goodwill € 35.000, --
Voorraad € 5.000, --
Schatting onderhanden werk € 55.000, --
---------------------
Voorlopige koopprijs € 155.000, --
(Zegge: eenhonderd vijfenvijftigduizend euro)
2. De materiële vaste activa zijn weergegeven op Bijlage 1 bij deze Overeenkomst. De boekwaarde van deze materiële vaste activa is het uitgangspunt geweest voor het bepalen van de koopprijs van deze materiële vaste activa, doch op een aantal punten gecorrigeerd naar de marktwaarde.
3. De koopprijs van de voorraad is door Partijen vastgesteld op de waarde die Koper hieraan toerekent, rekening houdend met de bruikbaarheid van deze activa door Koper ingevolge diens ISO certificering.
4. Partijen zijn overeengekomen dat Koper een gedeelte van de voorlopige koopprijs ad € 105.000, -- vóór of uiterlijk op Overnamedatum zal overmaken. Partijen zijn overeengekomen dat een bedrag groot € 15.000,-- door Koper zal worden bijgeschreven op een door Verkoper daartoe aangewezen bank- of girorekening. Het resterende bedrag ad € 90.000,-- zal door Verkoper worden gestort op de derdengeldenrekening van Lambeck Harms notarissen te Groningen met nummer [00000] .
5. Partijen komen overeen dat de betaling van het resterende gedeelte van de voorlopige koopprijs ad € 50.000,-- afhankelijk is van de behaalde omzet in 2011 en 2012.
Indien en voor zover de omzet van de Onderneming in 2011 minimaal € 650.000,- (zegge: zeshonderdvijftigduizend euro) bedraagt, zal Koper uiterlijk op 31 januari 2012 € 25.000,- aan Verkoper overmaken. Indien de omzet in 2012 minimaal € 650.000,- (zegge: zeshonderdvijftigduizend euro) bedraagt, zal Koper uiterlijk op 31 januari 2013, het resterende gedeelte van de koopprijs ad € 25.000,- aan Verkoper overmaken, onverlet of de voorgeschreven omzet in 2011 wel of niet is behaald.
6. De omzet bedoeld in lid 5 van dit artikel wordt als volgt samengesteld:
Voor 2011:
- De omzet door Verkoper behaald tot en met Overnamedatum, waarbij de omzet tot en met 6 mei 2011 € 171.601,— (zegge: éénhonderdéénenzeventigduizendzeshonderdéén euro) bedraagt, vermeerderd met:
- het totaalbedrag exclusief BTW van de facturen verzonden (door Koper) die betrekking hebben op activiteiten van de Onderneming in het jaar 2011, ongeacht of deze facturen in het jaar 2011 zelf verzonden worden.
Voor 2012:
- het totaalbedrag exclusief BTW van de facturen verzonden (door Koper) die betrekking hebben op activiteiten van de Onderneming in het jaar 2012, ongeacht of deze facturen in het jaar 2011 zelf verzonden worden.
(...)
Artikel 6. Duurverplichtingen
(...)
4. Bedragen aangaande duurverplichtingen in de meest ruime zin des woords die door Verkoper zijn voldaan betrekking hebbend op de periode na Overnamedatum zullen door Koper aan Verkoper worden voldaan. Bedragen aangaande deze duurverplichtingen die door Koper worden voldaan betrekking hebbend op de periode tot Overnamedatum zullen door Verkoper aan Koper worden voldaan. Hiertoe zal eveneens op uiterlijk op 31 december 2011 een afrekening worden opgemaakt, waarvan betaling tussen Koper en Verkoper binnen een maand nadien zal plaatsvinden. Het voorgaande laat onverlet dat Partijen gedurende de periode voor 31 december 2011 zoveel mogelijk bedragen zullen verrekenen."

3.3

Van de voorlopige koopsom van € 155.000,- heeft BMB € 105.000,- aan [appellante] betaald.

3.4

Bij e-mailbericht van 9 februari 2012 heeft [appellante] , voor zover van belang, het volgende aan BMB medegedeeld:
Hierbij de afrekening van de overlopende posten 2011
Het nog openstaande bedrag € 4713,56 zal door ons in week 7 op de ons bekende rekening overgemaakt worden.

Tevens zullen wij onze accountant verzoeken na controle van de administratie u betreffende de afrekening hiervan schriftelijk te informeren.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[appellante] heeft in conventie – verkort weergegeven - gevorderd BMB te veroordelen tot:
a. ter zake van de eerste tranche van € 25.000,- van het niet voldane deel van de koopsom aan [appellante] te betalen € 16.923,50, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 1 februari 2012,
b. ter zake van de tweede tranche van € 25.000,- van het niet voldane van de koopsom primair aan [appellante] te betalen een bedrag van € 25.000,-, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 1 februari 2013, subsidiair binnen drie weken na betekening van het vonnis aan een door [appellante] aan te wijzen accountant inzage te geven in de administratie met betrekking tot [appellante] BV ter vaststelling van de met de Onderneming behaalde omzet over 2012, zulks op straffe van een dwangsom,
c. ter zake van leasekosten aan [appellante] te betalen € 3.354,40, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 1 maart 2013,
d. ter zake van buitengerechtelijke incassokosten aan [appellante] te betalen € 1.815,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding,
e. binnen drie weken na betekening van het vonnis aan [appellante] een uitdraai c.q. back-up van de administratie van de onderneming van [appellante] en Zn V.o.f. aanwezig op de server van BMB te verstrekken dan wel [appellante] in de gelegenheid te stellen op het bedrijf van BMB zelf daarvan een uitdraai c.q. back-up te maken, zulks op straffe van een dwangsom,
f. de proceskosten.

4.2

BMB heeft in reconventie – verkort weergegeven – gevorderd [appellante] te veroordelen aan BMB te voldoen een bedrag van € 8.076,50, vermeerderd met de wettelijke handelsrente hierover vanaf 1 maart 2013 met veroordeling van [appellante] in de kosten.

4.3

De rechtbank heeft de vorderingen van [appellante] in conventie afgewezen en de vordering van BMB gedeeltelijk (tot € 4.722,10) toegewezen. In zowel conventie als reconventie met veroordeling van [appellante] in de proceskosten.

5 De beoordeling van de grieven en de vordering

5.1

Centraal staat de vraag welke betekenis toekomt aan de woorden ‘de omzet van de onderneming’ in artikel 3 van de overeenkomst. De grieven 1 tot en met 4 betreffen alle de bij die uitleg te hanteren maatstaf en de vervolgens te geven uitleg. De grieven 5 tot en met 8 bouwen daarop voort. De grieven lenen zich daarmee voor gezamenlijke beoordeling.

5.2

[appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte de Haviltex-maatstaf hanteert, omdat het begrip ‘omzet’ is gedefinieerd in artikel 3 lid 6 van de overeenkomst. Dit betoog faalt omdat het eraan voorbij ziet dat ook de betekenis van artikel 3 lid 6 dient te worden vastgesteld door interpretatie van de daarin gebruikte bewoordingen en wordt niet ontkomen aan een bij die uitleg te hanteren maatstaf.

5.3

Het hof overweegt aangaande het voor de uitleg te hanteren criterium het volgende. Naar vaste rechtspraak kan de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. (HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158). In praktisch opzicht is de taalkundige betekenis die de bewoordingen, gelezen in de context van dat geschrift als geheel, in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, bij de uitleg van dat geschrift vaak wel van groot belang (HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427, NJ 2005, 493). Het gaat in de onderhavige zaak om de uitleg van een overeenkomst waarbij een onderneming is verkocht.

5.4

In artikel 3 van de overeenkomst worden de afzonderlijke activa opgesomd waarvan de overgang op BMB is beoogd, te weten:
a. Materiele vaste activa;
b. Goodwill;
c. Voorraad;
d. Schatting onderhanden werk.

5.5

Het omstreden begrip “omzet van de onderneming” in artikel 3 lid 5 van de overeenkomst is vooral van belang in verband met de waardebepaling van het onderhanden werk genoemd onder d. Blijkens de eerste volzin van het vijfde lid van artikel 3 gaat het immers om de omzet over de jaren volgend op de overgang van de onderneming (2011 en 2012). De waarde van het onderhanden werk post is in de overeenkomst gesteld op € 55.000,-.

5.6

In artikel 2 lid 2 van de overeenkomst is, voor zover hier van belang, bepaalt:
“Het Verkochte bestaat uit de volgende elementen:
• (...)
• (...)
• Onderhandenwerk als genoemd in Bijlage 2;
• (...)”

5.7

In artikel 1 lid 3 is het volgende bepaald:
“De Bijlagen bij deze Overeenkomst vormen één geheel met deze Overeenkomst en zijn onlosmakelijk daarmee en met elkaar verbonden. Een verwijzing naar deze Overeenkomst omvat derhalve automatisch tevens een verwijzing naar deze Bijlagen.”

5.8

In bijlage 2 is op briefpapier van [appellante] onder de aanhef “Onderhanden werk 2011” een lijst met namen van klanten genoemd met daarachter telkens een bedrag. Het totaal van deze bedragen is € 55.000,-, wat overeenstemt met het in de overeenkomst bij het onderhanden werk genoemde bedrag van € 55.000,-.

5.9

Het achtergehouden deel van de koopprijs lijkt te zijn gerelateerd aan de post “Schatting onderhanden werk”, zoals omschreven in bijlage 2. De verschuldigdheid van (het grootste deel van) dat bedrag is afhankelijk gesteld van de voorwaarde omschreven in artikel 3 lid 5 van de overeenkomst, te weten het realiseren van een bepaald niveau van omzet. Zulks is begrijpelijk daar het onderhandenwerk (in de hier gebruikte definitie) per datum overname (20 mei 2011) de door partijen verwachte omzet voor 2011 en in het verlengde daarvan voor 2012 was. Er is derhalve in de overeenkomst een rechtstreeks verband gelegd tussen de op 19 mei 2011 (datum ondertekening overeenkomst) geschatte omvang van het onderhanden werk en de verwachte omzet in 2011 en 2012.

5.10

In het licht van het vorenstaande lijkt het omzetbegrip in die voorwaarde te moeten worden begrepen. Een complicerende factor daarbij is dat partijen niet zijn overeengekomen dat de op bijlage twee genoemde omzet van € 55.000,- dienen te realiseren maar het in de voorwaarde genoemde veel hogere bedrag van minimaal € 650.000,-. Niet zonder meer duidelijk is hoe de discrepantie tussen die twee bedragen moet worden begrepen. Ook de stellingen van BMB (zie haar conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie onder 3 en 4) lijken aansluiting te zoeken bij een omzetbegrip dat de gehele omzet (inclusief die van klanten verkregen via BMB) gerealiseerd door [appellante] is bedoeld. Hoewel verschillende verklaringen voor deze discrepantie denkbaar zijn, werken partijen die niet uit.

5.11

Daar, naar het oordeel van het hof, voor een goede uitleg van de overeenkomst duidelijkheid op het hier genoemde punt wezenlijk is, terwijl dit de kern van de rechtsstrijd raakt, zal het hof een comparitie van partijen gelasten.

6 Slotsom


Alvorens verder te beslissen, zal het hof eerst een comparitie van partijen gelasten ter verkrijging van inlichtingen als bedoeld onder 5.9 en 5.10 en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden. Alle overige beslissingen zullen worden aangehouden.

7 De beslissing

bepaalt dat partijen deugdelijk vertegenwoordigd, samen met hun advocaten zullen verschijnen voor het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof
mr. G. van Rijssen, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan het Wilhelminaplein 1 te Leeuwarden op een nader door deze te bepalen dag en tijdstip, om inlichtingen te geven en opdat kan worden onderzocht of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden;

bepaalt dat partijen de verhinderdagen van partijen en hun advocaten in de maanden september tot en met november 2016 zullen opgeven op de roldatum van dinsdag
30 augustus 2016, waarna dag en uur van de comparitie (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;

bepaalt dat indien een partij ter comparitie nog een proceshandeling wenst te verrichten en/of producties in het geding wil brengen, zij ervoor dient te zorgen dat aan het hof en de wederpartij schriftelijk wordt meegedeeld wat de inhoud is van de ter comparitie te verrichten proceshandeling (voorzien van stukken) en indien een partij ter comparitie nog producties in het geding wenst te brengen dat zij daarvan goed leesbare afschriften aan het hof en de wederpartij dient over te leggen, in beide gevallen uiterlijk veertien dagen voorafgaand aan de zitting;

verstaat dat de advocaat van [appellante] uiterlijk twee weken voor de verschijning zal plaatsvinden een kopie van het volledige procesdossier ter griffie van het hof doet bezorgen, bij gebreke waarvan de advocaat van BMB alsnog de gelegenheid heeft uiterlijk één week voor de vastgestelde datum een kopie van de processtukken over te leggen.

Alle overige beslissingen worden aangehouden.

Dit arrest is gewezen door mr. G. van Rijssen, mr. I. Tubben en mr. O.E. Mulder en is uitgesproken door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 16 augustus 2016.