Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:6589

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-08-2016
Datum publicatie
24-08-2016
Zaaknummer
200.128.177/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De in eerste aanleg gedaagde partij is een vennootschap. De rechtbank wijst de vordering tegen gedaagde af. De eisers komen vervolgens tijdig in hoger beroep. Na het uitbrengen van de appeldagvaarding is de geïntimeerde vennootschap door een juridische fusie opgehouden te bestaan. De verkrijgende vennootschap is vervolgens door een zuivere splitsing, gesplitst in twee verkrijgende vennootschappen. Namens geïntimeerde wordt een van de verkrijgende vennootschappen aangewezen als de partij die de door appellanten gepretendeerde vordering zou hebben verkregen en tegen wie derhalve dient te worden doorgeprocedeerd. Appellanten betogen dat het voor hen onduidelijk is jegens wie zij hun vordering geldend moeten maken en of die vennootschap wel solvabel is om de vordering te voldoen. In het procedurele debat dat vervolgens ontstaat wordt ook de hoofdelijke aansprakelijkheid na splitsing (artikel 2:234t BW) betrokken. Het hof oordeelt dat de door geïntimeerde aangewezen vennootschap de vennootschap is tegen welke de procedure in hoger beroep moet worden voortgezet.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 334t
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2016-0225
JOR 2017/62
AR 2016/2483
NJF 2016/417
V-N Vandaag 2016/2084
V-N 2016/51.19
JOR 2017/62

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.128.177/01

(zaaknummer rechtbank Leeuwarden 111632 / HA ZA 11-277)

arrest van 16 augustus 2016 in het incident tot schorsing ex art. 225 Rv en tot hervatting ex art. 227 Rv in de zaak van:

1 [appellant1] ,

wonende te [A] ,

2. [appellante2],

wonende te [A] ,

3. [appellant3],

wonende te [B] ,

4. [appellant4],

wonende te [C] ,

voorheen beherende vennoten in Trend en Tuin v.o.f., laatstelijk gevestigd te Sneek,

appellanten,

tevens verweerders in het incident,

in eerste aanleg: eisers,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten] c.s.,

advocaat: mr. D.M. Bos, kantoorhoudend te Sneek,

tegen

Intres Financial Services B.V.,

gevestigd te Hoevelaken,

geïntimeerde,

tevens eiseres in het incident,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: IFS,

advocaat: mr. P. van der Sluis, kantoorhoudend te Leeuwarden.

1 Het verdere verloop van het hoger beroep

1.1

Het hof heeft op 3 maart 2015 inzake de incidentele vorderingen een tussenarrest gewezen. De inhoud van dat arrest wordt hier als herhaald en ingelast beschouwd.

1.2

Vervolgens heeft IFS een akte houdende overlegging producties genomen.

1.3.

Daarop hebben [appellanten] c.s. een antwoordakte genomen (ex art. 227 Rv).

1.4.

IFS heeft de stukken overgelegd voor arrest en arrest in het incident gevraagd.
Het hof heeft de zaak voor arrest geplaatst.

2 De verdere beoordeling inzake het incident

2.1

Het gaat in dit incident om het volgende. [appellanten] c.s. hebben in eerste aanleg Intres Financial Services (IFS) gedagvaard. Deze vennootschap heeft op grond van artikel 2:311 lid 1 BW opgehouden te bestaan doordat zij samen met onder meer Intres B.V. betrokken was bij een fusie in de zin van artikel 2:309 BW, waarbij Intres B.V. de verkrijgende rechtspersoon was. Deze fusie vond plaats bij akte van 11 februari 2013.

2.2

Vervolgens is op 12 februari 2013 een akte van zuivere splitsing verleden, waarbij Intres B.V. is gesplitst in de zin van artikel 2:334a lid 2 BW in twee verkrijgende rechtspersonen te weten Euretco B.V. (hierna: Euretco) en Euretco Finance B.V. (hierna: Euretco Finance). Op grond van artikel 2:334c lid 1 BW is Intres B.V. op gehouden te bestaan.

2.3

Voorts is bij de genoemde splitsing een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Intres II B.V. (hierna: Intres II) opgericht, die bij de splitsing van Intres B.V. eveneens als verkrijgende rechtspersoon is aangemerkt.

2.4

In het onderstaande wordt Euretco ook aangeduid als de verkrijgende vennootschap I, Euretco Finance als de verkrijgende vennootschap II en Intres II als de verkrijgende vennootschap III.

2.5

Bij de splitsing is het gehele vermogen van Intres B.V. overgegaan op de drie onder 2.2 en 2.3 genoemde verkrijgende rechtspersonen. De akten van fusie en de akte van splitsing zijn door IFS in het geding gebracht. Aan de akte van splitsing is gehecht een beschrijving van de wijze waarop het vermogen overgaat op de verkrijgende rechtspersonen (het voorstel tot zuivere splitsing).

2.6

Onder punt 4 van “het voorstel tot zuivere splitsing” is vermeld:
“De beschrijving aan de hand waarvan nauwkeurig kan worden bepaald welke vermogensbestanddelen van de Splitsende Vennootschap zullen overgaan op de Verkrijgende Vennootschap I, de Verkrijgende Vennootschap II en de Verkrijgende Vennootschap III is als
Bijlage E aan dit voorstel gehecht (“Beschrijving”).”

2.7

De onder 2.6 genoemde Bijlage E (hierna: Beschrijving) is eveneens overgelegd (productie 3). Voor zover hier relevant is in de beschrijving onder 2 onder meer het volgende vermeld:

“Alle activa en passiva die behoren tot het onder “financiële dienstverlening” en het “centraal betalen”. Hieronder wordt begrepen de factuurverwerking ten behoeve van derden, de voorfinanciering van facturen van aangesloten leveranciers aan de afnemers door de Splitsende vennootschap en de verkrijgende vennootschap II, bevoorschotting en factoring.

(…)
Op de Verkrijgende Vennootschap II gaan over alle rechten en verplichtingen uit bestaande rechtsverhoudingen met betrekking tot centrale betaling, waaronder begrepen maar niet beperkt tot de Accessoire Rechten. In de overdracht zijn tevens begrepen leveringen die zijn ontstaan in het kader van de centrale betaling.
Voor zover de Splitsende Vennootschap het eigendomsrecht heeft van aan haar aangesloten geleverde zaken, gaat de eigendom van deze zaken eveneens over op de Verkrijgende Vennootschap II

2.8

IFS heeft onder verwijzing naar de hiervoor beschreven stukken, met name de onder 2.7 genoemde “Beschrijving” aangevoerd dat daaruit volgt dat de door [appellanten] c.s. gestelde schuld van IFS aan [appellanten] is overgegaan op Euretco Finance. [appellanten] c.s. hebben gesteld dat die overgang van de schuld niet volgt uit de overgelegde stukken en in het bijzonder niet uit de daarin opgenomen passages van de “Beschrijving” waarnaar zijdens IFS is verwezen. Voorts wijzen [appellanten] c.s. erop dat zij zich daardoor er niet van kunnen vergewissen dat de verkrijgende rechtspersoon voldoende waarborgen biedt tot verhaal van haar vordering. Ten slotte maken [appellanten] c.s. er bezwaar tegen dat zij niet in de gelegenheid zijn gesteld op grond van artikel 2:334l lid 1 BW binnen de daarvoor bepaalde termijnen in verzet te komen tegen de splitsing.

2.9

Het hof overweegt dienaangaande het volgende. Tussen partijen staat vast dat sprake is van geldige notariële akten van fusie en splitsing. Nu gesteld noch gebleken is dat de fusie en de splitsing om andere redenen niet geldig tot stand zijn gekomen en aan de rechter geen vordering tot vernietiging van de splitsing is voorgelegd, geldt dat het hof in het onderhavige procesrechtelijke incident tot schorsing en hervatting (artikel 225 en 227 Rv) heeft uit te gaan van de rechtsgeldigheid van de fusie en de splitsing.

2.10

Daarmee is IFS door de fusie opgehouden te bestaan en is de door [appellanten] c.s. gestelde schuld van IFS onder algemene titel overgegaan op Intres. Vervolgens is als gevolg van de zuivere splitsing ook Intres opgehouden te bestaan.

2.11

Aangaande de vraag op welke vennootschap de schuld van Intres is overgegaan geldt het volgende. Aan [appellanten] c.s. kan worden nagegeven dat de tekst van de bij de akte van splitsing behorende ‘Beschrijving’ (zie hiervoor onder 2.7) niet uitblinkt in duidelijkheid. De omstandigheid dat Euretco Financial Services zelf heeft verklaard dat zij de rechtsopvolger van Intres is, gekoppeld aan de omstandigheid dat het gehele vermogen van Intres is overgegaan op de door splitsing verkrijgende rechtspersonen en binnen de Beschrijvingen de verkrijging door Euretco Financial Services het meest lijkt aan te sluiten op een verbintenis waarop [appellanten] c.s. hun rechtsvordering wensen te baseren (de gestelde verbintenis is immers herleidbaar tot een vorm van financiële dienstverlening door destijds IFS). Daar komt bij dat [appellanten] c.s., anders dan zij betogen, door de aanwijzing van Euretco Financial Services niet worden benadeeld in hun verhaalsmogelijkheden.

2.12

In artikel 2:334t BW is immers bepaald dat de verkrijgende rechtspersonen aansprakelijk zijn tot nakoming van de verbintenissen van de gesplitste rechtspersoon ten tijde van de splitsing, met welke aansprakelijkheid een hoofdelijke aansprakelijkheid is bedoeld. Hoewel de leden 3 en 4 deze hoofdelijke aansprakelijkheid enigszins beperken, kunnen [appellanten] c.s., ingeval hun vordering jegens Euretco Financial Services wordt toegewezen en deze de daaruit voortvloeiende verplichting niet zou nakomen, zich evenzeer verhalen op de vermogens van de andere verkrijgende vennootschappen en daarmee op het gehele vermogen van Intres en in het verlengde daarvan het gehele vermogen van IFS.

2.13

Naar het oordeel van het hof is er derhalve voldoende duidelijkheid om Euretco Financial Services aan te wijzen als opvolgende procespartij en worden [appellanten] c.s. als gevolg van voormelde fusie en splitsing niet benadeeld.

2.14

Daar het incident is veroorzaakt en opgeworpen zijdens IFS en de stukkenwisseling in het incident vooral een gevolg is geweest van de onduidelijkheid in de (pas in het incident overgelegde) stukken, zal ongeacht de uitkomst van het hoofdgeding IFS worden veroordeeld in de kosten van het incident voor zover gevallen aan de zijde van [appellanten] c.s. (1 punt, tarief VI)

3 Verdere beoordeling in de hoofdzaak

3.1

[appellanten] c.s. zijn als appellanten gehouden een afschrift van het volledige procesdossier in eerste aanleg in het geding te brengen. Nu zij aan deze verplichting niet hebben voldaan en ook in hun memorie van grieven voor een belangrijk deel naar die producties verwijzen, stelt het hof hen in de gelegenheid het volledige procesdossier in eerste aanleg alsnog bij akte in het geding te brengen.

3.2.

Omdat het hof er vanuit gaat dat EFS wel beschikt over alle productie in eerste aanleg, zal de zaak tevens worden verwezen voor memorie van antwoord aan de zijde van EFS.

3.3

Iedere verdere beslissing in de hoofdzaak zal worden aangehouden.

De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

in het incident

bepaalt dat de zaak welke aanvankelijk in hoger beroep aanhangig is gemaakt jegens IFS, zal worden voortgezet jegens Euretco Financial Services (hierna: EFS) waarbij in alle volgende processtukken EFS als geïntimeerde zal worden aangemerkt;

veroordeelt EFS in de kosten van het incident en begroot deze voor zover gevallen aan de zijde van [appellanten] c.s. op (1 punt, tarief II) € 894,-;

in de hoofdzaak

verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 13 september 2016 voor akte aan de zijde van [appellanten] c.s. zoals bedoeld in rechtsoverweging 3.1 alsmede voor memorie van antwoord aan de zijde van EFS;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mr. M.E.L. Fikkers, mr. L. Groefsema en mr. G. van Rijssen, en is uitgesproken door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 16 augustus 2016.