Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:6539

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-04-2016
Datum publicatie
16-08-2016
Zaaknummer
AV-nummer: 273-16
Rechtsgebieden
Penitentiair strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Bezwaarschrift ex artikel 2:27 WETS gegrond. Strafonderbreking.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de veroordeelde op 21 april 2016 twee derde gedeelte van de aan hem opgelegde vrijheidsbenemende straf zal hebben ondergaan. De veroordeelde zou derhalve – behoudens bijzondere omstandigheden - op deze datum aan aanmerking komen voor strafonderbreking. Het in gang zetten van de procedure tot overdracht van de (verdere) tenuitvoerlegging van de aan veroordeelde opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf op grond van de WETVVS zal tot een (aanmerkelijke) overschrijding van deze termijn leiden. Gelet op gang van zaken, het tijdsverloop en het kennelijk ontbreken van bijzondere omstandigheden die zich tegen strafonderbreking verzetten, acht het hof een dergelijke termijnoverschrijding in deze zaak onredelijk, mede in aanmerking nemende de door de verdediging gestelde omstandigheid -hetgeen door het openbaar ministerie overigens niet is betwist- dat de medeveroordeelden die in een eerder stadium naar Roemenië zijn overgebracht inmiddels al in het kader van de voorwaardelijke invrijheidsstelling op vrije voeten zijn gesteld.

Het een en ander brengt het hof tot het oordeel dat de minister bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot de voorgenomen beslissing tot overdracht aan Roemenië van de (verdere) tenuitvoerlegging van de aan veroordeelde opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2016/214
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

AV-nummer: 273-16

Beslissing d.d. 14 april 2016

De kamer van het hof, bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie, heeft te beslissen op het bezwaarschrift op grond van artikel 2:27, derde lid, van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (WETVVS), op 16 februari 2016 ingekomen ter griffie van dit hof, van de veroordeelde:

[naam veroordeelde] ,

geboren op [1987] te [geboorteplaats] (Roemenië),

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Ter Apel,

hierna te noemen: de veroordeelde.

Het bezwaarschrift is gericht tegen het voornemen van de Minister van Veiligheid en Justitie (hierna: de minister) om de uitspraak waarbij aan veroordeelde een gevangenisstraf is opgelegd aan Roemenië toe te zenden, met het oog op (verdere) tenuitvoerlegging aldaar.

Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:

- de voorgenomen beslissing van de Minister van Veiligheid en Justitie van 27 januari 2016;

- het bezwaarschrift van 15 februari 2016, ingekomen ter griffie van het hof op 16 februari 2016;

- de door de raadsvrouw ter zitting overgelegde pleitnota.

Het hof heeft ter zitting van 7 april 2016, met bijstand van een tolk in de Roemeense taal, gehoord de veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. E.J. van der Stel, advocaat te Haarlem, en de advocaat-generaal, mr. A.H.J.M. Damen.

Overwegingen

Onherroepelijke uitspraak van de Nederlandse strafrechter

De veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Limburg van 16 april 2013 in de zaak met parketnummer 03/700960-12 ter zake van het medeplegen van zware mishandeling, het medeplegen van het opzettelijk iemand van zijn vrijheid beroven en beroofd houden en diefstal voorafgegaan van geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van voorarrest. Dit vonnis is onherroepelijk geworden op 19 september 2013.

Het standpunt van de veroordeelde en zijn raadsvrouw

De veroordeelde en zijn raadvrouw hebben bezwaar gemaakt tegen de verdere tenuitvoerlegging van de aan veroordeelde opgelegde gevangenisstraf in
Roemenië. Daartoe hebben zij aangevoerd dat:

  • -

    niet is gebleken dat de minister zich ervan heeft vergewist dat de tenuitvoerlegging in de staat van tenuitvoerlegging kan bijdragen aan de maatschappelijk re-integratie van veroordeelde in die staat. De veroordeelde is geboren in Roemenië, maar woonde sinds lange tijd in Duitsland, waar nu ook nog zijn vrouw en drie kinderen blijven en hij ook heeft gewerkt. De beoogde goede terugkeer in de maatschappij zou bij overdracht naar Roemenië niet worden bereikt;

  • -

    De veroordeelde heeft inmiddels bijna tweederde van zijn gevangenisstraf uitgezeten. De verwachting is dat -indien het WETVVS-verzoek naar Roemenië wordt ingestuurd- het nog zeer lange tijd zal duren eer Roemenië hier mee instemt. De veroordeelde zou in dat geval pas tegen het einde van zijn gevangenisstraf worden overgedragen aan Roemenië, waardoor er überhaupt geen ruimte voor het land van herkomst is om nog aan re-integratie te doen. Dit klemt des te meer nu de medeveroordeelden in deze zaak al veel eerder zijn ‘overgedragen’ aan Roemenië en inmiddels sinds enkel maanden weer op vrije voeten zijn. De veroordeelde zou, indien hij in aanmerking was gekomen voor de voorwaardelijke invrijheidsstelling, reeds op 21 april 2016 op vrije voeten komen. Indien de WETVVS-procedure niet wordt voortgezet, komt de veroordeelde in aanmerking voor strafonderbreking.

  • -

    Gelet op deze feiten en omstandigheden kan niet worden gezegd dat de minister bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de voorgenomen beslissing tot strafoverdracht in het kader van de WETVVS heeft kunnen komen.

Het bezwaar dient derhalve gegrond te worden verklaard.

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft de volgende aspecten in aanmerking genomen:

  • -

    Aan de formele voorwaarden voor overdracht op grond van de WETVVS is voldaan;

  • -

    Veroordeelde is ongewenst verklaard in Nederland en kan derhalve in Nederland niet resocialiseren. De veroordeelde heeft meer binding met Roemenië dan met Nederland. Uit de inleidende rechtsoverwegingen van het Kaderbesluit 2008/909 volgt dat de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat, wanneer hij zich er van vergewist of de tenuitvoerlegging van de sanctie in de tenuitvoerleggingsstaat zal bijdragen aan de reclassering van de veroordeelde, rekening dient te houden met factoren als zijn verbondenheid met de tenuitvoerleggingsstaat, meer bepaald met de overweging of het voor hem de plaats is waarmee hij familiale, taalkundige, culturele, sociale, economische of andere banden heeft. In het kaderbesluit wordt met de staat waar de gevonniste persoon “woont”, de staat bedoeld waarmee hij verbonden is uit hoofde van een gewone verblijfplaats en onder meer familiale , sociale of professionele banden.

  • -

    De vrouw en kinderen van de veroordeelde wonen in Duisburg (Duitsland). Overbrenging van de veroordeelde zou de afstand tussen zijn plaats van detentie en zijn gezin (aanmerkelijk) vergroten en zijn recht op ‘family life’ zoals bedoeld in artikel 8 EVRM op de tocht zetten;

  • -

    In deze zaak ligt de datum voor voorwaardelijke invrijheidsstelling op 21 april 2016. Het in gang zetten van de overdrachtsprocedure zal tot een (aanmerkelijke) overschrijding van deze termijn leiden. Bij beëindiging van de WETVVS-procedure zal de veroordeelde per de VI-datum in aanmerking kunnen komen voor strafonderbreking zodat hij Nederland per direct kan verlaten en zich bij zijn gezin zal kunnen voegen;

  • -

    Gelet op deze feiten en omstandigheden kan niet worden gezegd dat de minister bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de voorgenomen beslissing tot strafoverdracht in het kader van de WETVVS heeft kunnen komen.

Het bezwaar dient derhalve gegrond te worden verklaard.

Het oordeel van het hof

De voorwaarden

Op grond van art. 2:27 lid 4 WETVVS heeft het hof de vraag te beantwoorden of de minister bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de voorgenomen beslissing heeft kunnen komen.

Het hof zal eerst nagaan of aan de formele voorwaarden is voldaan.

Artikel 2:24 WETVVS luidt als volgt:

Een Nederlandse rechterlijke uitspraak kan aan de uitvoerende lidstaat worden gezonden, met het oog op de tenuitvoerlegging aldaar, indien:

  • -

    a. de veroordeelde zich in Nederland of in de uitvoerende lidstaat bevindt; en

  • -

    b. de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat met de toezending heeft ingestemd, tenzij deze instemming niet vereist is; en

  • -

    c. de veroordeelde om de toezending heeft verzocht of daarmee heeft ingestemd, tenzij deze instemming niet vereist is; en

  • -

    d. Onze Minister zich ervan heeft vergewist, al dan niet na overleg met de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat, dat de tenuitvoerlegging in de uitvoerende lidstaat kan bijdragen aan de maatschappelijke re-integratie van de veroordeelde in die staat.

Ad a. De veroordeelde - die de Roemeense nationaliteit heeft - bevindt zich in Nederland.

Ad b. Op grond van artikel 2.25 WETVVS is er sprake van een geval waarin de instemming van Roemenië niet is vereist. De veroordeelde is immers onderdaan van de uitvoerende lidstaat en bij beschikking van de staatsecretaris van Veiligheid en Justitie, d.d. 13 december 2013, ongewenst verklaard.

Ad c. Uit art. 2:26 WETVVS blijkt dat de instemming van de veroordeelde in dit geval niet is vereist. De veroordeelde is immers onderdaan van de uitvoerende lidstaat en bij beschikking van de staatsecretaris van Veiligheid en Justitie, d.d. 13 december 2013, ongewenst verklaard.

Ad d. Van overleg met de bevoegde autoriteiten van Roemenië blijkt niet. Bij de stukken bevindt zich een afschrift van een beschikking tot ongewenstverklaring van veroordeelde. Uit deze stukken valt onder meer af te leiden – voor zover in dit verband van belang - dat veroordeelde geboren en getogen is in Roemenië, hij geen vaste woon-of verblijfplaats heeft in Nederland en hij de Nederlandse taal niet, althans onvoldoende machtig is maar wel de Roemeense taal. Zijn naaste familie is in Duitsland woonachtig. De veroordeelde zelf heeft aangegeven naar Duitsland te willen gaan zodat hij zich bij zijn familie kan voegen.

Uit het dossier blijkt dat de minister heeft onderzocht of het strafrestant in Duitsland zou kunnen worden ondergaan. De Duitse autoriteiten hebben daar echter negatief op beslist.

Het hof acht bij de beoordeling of de minister tot de voorgenomen beslissing heeft kunnen komen daarnaast het volgende van belang.

Artikel 40a van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting luidt als volgt:

1. Aan de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000, kan strafonderbreking voor onbepaalde tijd worden verleend.

2. Indien een vrijheidsstraf van ten hoogste drie jaren is opgelegd, kan strafonderbreking worden verleend nadat tenminste de helft van de straf is ondergaan. Indien een vrijheidsstraf van meer dan drie jaren is opgelegd, kan strafonderbreking worden verleend nadat tenminste twee derde gedeelte van de straf is ondergaan.

3. De strafonderbreking gaat in op het moment dat de vreemdeling Nederland daadwerkelijk heeft verlaten.

4. Aan de strafonderbreking wordt de voorwaarde verbonden dat de vreemdeling niet naar Nederland terugkeert. Indien de vreemdeling de voorwaarde, bedoeld in het derde lid, niet naleeft, wordt de tenuitvoerlegging van de straf hervat.

Uit de stukken blijkt dat aan veroordeelde bij brief van 23 juli 2015 is bericht over de negatieve beslissing van de Duitse autoriteiten. Vervolgens is eerst op 27 januari 2016 de veroordeelde in kennis gesteld van het voorgenomen besluit om de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf aan Roemenië over te dragen. Uit de stukken blijkt verder dat in april 2014 met veroordeelde is gesproken over de mogelijkheid van strafonderbreking op grond van genoemd artikel 40a als alternatief traject voor de toezending van de veroordelende uitspraak en het certificaat op grond van Kaderbesluit 2008/909. Uit de stukken blijkt niet waarom deze weg niet is gevolgd.

Het is het hof (op grond van mededelingen van de kant van het ministerie buiten deze zaak) ambtshalve bekend dat, indien de overdracht van de (verdere) tenuitvoerlegging van de aan een ongewenst verklaarde veroordeelde opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf op grond van de WETVVS niet mogelijk is (gebleken), er naar gestreefd wordt de veroordeelde in aanmerking te doen komen voor strafonderbreking zoals bedoeld in artikel 40a van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting en - naar het hof heeft begrepen - de strafonderbreking, behoudens bijzondere omstandigheden, ook daadwerkelijk te verlenen.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de veroordeelde op 21 april 2016 twee derde gedeelte van de aan hem opgelegde vrijheidsbenemende straf zal hebben ondergaan. De veroordeelde zou derhalve – behoudens bijzondere omstandigheden - op deze datum aan aanmerking komen voor strafonderbreking. Het in gang zetten van de procedure tot overdracht van de (verdere) tenuitvoerlegging van de aan veroordeelde opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf op grond van de WETVVS zal tot een (aanmerkelijke) overschrijding van deze termijn leiden. Gelet op gang van zaken, het tijdsverloop en het kennelijk ontbreken van bijzondere omstandigheden die zich tegen strafonderbreking verzetten, acht het hof een dergelijke termijnoverschrijding in deze zaak onredelijk, mede in aanmerking nemende de door de verdediging gestelde omstandigheid -hetgeen door het openbaar ministerie overigens niet is betwist- dat de medeveroordeelden die in een eerder stadium naar Roemenië zijn overgebracht inmiddels al in het kader van de voorwaardelijke invrijheidsstelling op vrije voeten zijn gesteld.

Het een en ander brengt het hof tot het oordeel dat de minister bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot de voorgenomen beslissing tot overdracht aan Roemenië van de (verdere) tenuitvoerlegging van de aan veroordeelde opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf .

Beslissing

Het hof:

Verklaart het bezwaar gegrond.

Aldus gedaan door

mr. J.A.W. Lensing als voorzitter,

mr. Y.A.J.M. van Kuijck en mr. M. Keppels als raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. C.M.M. van der Waerden als griffier,

en op 14 april 2016 in het openbaar uitgesproken.