Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:6405

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-08-2016
Datum publicatie
10-08-2016
Zaaknummer
200.156.668
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partijen zijn gehuwd geweest. De man vordert verdeling van de huwelijksgemeenschap. De vrouw heeft haar gewone woon- en verblijfplaats in België. De vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van de vordering van de man moet ontkennend worden beantwoord.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2016/116 met annotatie van mr. dr. I. Sumner
FJR 2016/72.5

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.156.668

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 358246)

arrest van 9 augustus 2016

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats]

appellant,

hierna: de man,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] , België,

geïntimeerde,

hierna: de vrouw,

advocaat: mr. P.C. Smit.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 28 mei 2014 dat de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 22 augustus 2014

- de memorie van grieven d.d. 1 maart 2016,

- de memorie van antwoord d.d. 24 mei 2016.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De beoordeling van de grieven en de vordering

3.1

In deze zaak gaat het om het volgende. Partijen zijn gehuwd geweest. Bij beschikking van de rechtbank Almelo van 11 januari 2012 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage op 31 januari 2012. De man heeft de Nederlandse nationaliteit en de vrouw de Belgische. Ten tijde van het huwelijk woonden partijen in Nederland. Vast staat dat de vrouw ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding in eerste aanleg op

12 oktober 2013 in België haar gewone woon- of verblijfplaats had.

3.2

De man heeft in eerste aanleg gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap te gelasten op de wijze zoals vermeld in de dagvaarding en de vrouw te veroordelen tot betaling van € 13.112,94, alsmede tot het afgeven van een bankafschrift waaruit het saldo van de bankrekening van de KBC bank ten name van de vrouw blijkt, zulks op straffe van een dwangsom, en de vrouw te veroordelen binnen zeven dagen na de afgifte van het betreffende bankafschrift aan de man de helft van het saldo per 31 januari 2012 te verstrekken en voorts de vrouw te veroordelen in de (na)kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De vrouw heeft in eerste aanleg de exceptie van onbevoegdheid ingeroepen. De rechtbank heeft zich in het bestreden vonnis in het bevoegdheidsincident onbevoegd verklaard kennis te nemen van de vordering van de man in de hoofdzaak, de man veroordeeld in de kosten van de procedure van het incident, en de kostenveroordeling in het incident uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3.3

De man is met één grief in hoger beroep gekomen. Hij stelt dat de rechtbank ten onrechte zijn beroep op artikel 9 sub c van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv) heeft afgewezen en zich onbevoegd heeft verklaard om kennis te nemen van de vordering in de hoofdzaak. Hij vordert dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en dat het hof zal bepalen dat de rechtbank Midden-Nederland bevoegd is van zijn vordering kennis te nemen.

3.4

Aan zijn beroep op artikel 9 sub c Rv heeft de man het volgende ten grondslag gelegd. Hij stelt dat niet van hem gevergd kan worden dat de zaak aan de rechter in België ter beoordeling wordt voorgelegd. De onaanvaardbaarheid voor het procederen in België blijkt niet uitsluitend om proceseconomische redenen, maar ook (zo begrijpt het hof het betoog van de man) omdat partijen ten tijde van de huwelijkssluiting in Nederland woonden en gedurende hun hele huwelijk in Nederland hebben gewoond. Ook is de echtscheiding in Nederland uitgesproken en heeft de echtscheidingsrechter een Nederlandse notaris benoemd ten behoeve van de verdeling van de tussen partijen bestaande huwelijksgoederengemeenschap. De man wijst er voorts op dat de vrouw in eerste aanleg volledig inhoudelijk heeft gereageerd op het door de man in de hoofdzaak gestelde.

3.5

De vrouw voert gemotiveerd verweer. Zij voert aan dat er geen sprake is van een situatie waarin van de man niet kan worden gevergd zich te wenden tot de rechtbank in Antwerpen (België). Er is haars inziens geen sprake van een situatie waarin een behoorlijke rechtsgang in België redelijkerwijs niet gewaarborgd is. Zij wijst erop dat zij de Belgische nationaliteit heeft en dat zij, nadat zij de echtscheiding heeft afgewikkeld, zij is teruggekeerd naar België. Uit het feit dat de vrouw inhoudelijk heeft gereageerd op de door de man ingestelde vordering kan niet worden afgeleid dat sprake is van instemming met het voeren van een procedure in Nederland. Zij is dan ook van oordeel dat geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 9 sub c Rv. Zij vraagt het hof het bestreden vonnis te bekrachtigen en de man te veroordelen in de proceskosten, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.

3.6

Vast staat dat de Nederlandse rechter in deze zaak geen rechtsmacht toekomt op grond van verdragen en EU-verordeningen en evenmin op grond van de artikelen 2 tot en met 8 Rv en 9 onder a. en b. Rv.

3.7

In artikel 9 sub c Rv is bepaald dat indien aan de Nederlandse rechter niet op grond van de artikelen 2 tot en met 8 Rv rechtsmacht toekomt, hij niettemin rechtsmacht heeft indien een zaak die bij dagvaarding moet worden ingeleid voldoende met de rechtssfeer van Nederland verbonden is en het onaanvaardbaar is van de eiser te vergen dat hij de zaak aan het oordeel van een rechter van een vreemde staat onderwerpt (zogenoemde forum necessitatis).

3.8

Het hof stelt het volgende voorop. In de Memorie van Toelichting Herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg (Kamerstukken II, 1999-2000, 26855, nr. 3 p. 41-42) is met betrekking tot het toepassingsgebied van artikel 9 sub c Rv, in de Kamerstukken aangeduid als artikel 1.1.8., het volgende overwogen:

“Gedacht moet weer worden aan gevallen van oorlog of natuurrampen, of wanneer om andere redenen te voorzien is dat voor het verkrijgen van een vonnis in andere landen een inspanning zou moeten worden geleverd die niet kan worden gevergd. De formulering in onderdeel c dient restrictief te worden opgevat, gezien ook de gebezigde bewoording («onaanvaardbaar» en «vergen»). De omstandigheden moeten door de aanlegger worden gesteld en, in geval van betwisting, bewezen. De formulering is noodzakelijkerwijs wat vaag. Het gaat steeds om een beoordeling van de omstandigheden van het geval. Voor een grote onderneming kan het anders liggen dan bijvoorbeeld voor een particulier persoon. Bovendien is het niet de bedoeling dat hiermee langs een omweg een (verkapt) forum actoris wordt geschapen. Er zij op gewezen dat het bij de in onderdeel c bedoelde grond wel zo moet zijn dat de zaak voldoende met de rechtssfeer van Nederland verbonden is. (…)

Toch zal niet steeds als de onmogelijkheidstoets negatief uitvalt, aanvaardbaar zijn dat de eiser gedwongen wordt in het buitenland zijn procedure te voeren. Situaties in landen waar weliswaar een bevoegde rechter te vinden is, maar waar aan het behoren tot een bepaalde deelgroep van de bevolking ernstige beperkingen in het maatschappelijk verkeer zijn verbonden, doen zich nog zeer regelmatig voor. Wanneer deze gevolgen zodanig zijn, dat in feite voor leden van die groep een behoorlijke rechtsgang redelijkerwijs niet gewaarborgd is, kan niet van de eiser gevergd worden dat hij zijn procedure aldaar ter plaatse moet voeren met een voor hem niet neutrale rechtsgang (vergelijk HR 20 januari 1984, NJ 1984, 751). Ook is te denken aan gevallen van in Nederland opengevallen

nalatenschappen van buitenlandse erflaters, waarbij in Nederland woonachtige erfgenamen om hun geslacht of hun religie een discriminerende behandeling kunnen verwachten. In zulke gevallen kan onderdeel c rechtsmacht geven. Omdat de Nederlandse rechtsmacht enger kan worden begrensd wanneer geen sprake is van absolute onmogelijkheid doch slechts van ernstige bezwaarlijkheid van procederen elders, eist onderdeel c naast de onaanvaardbaarheid van de noodzaak zich tot de

rechter van een vreemde staat te wenden het bestaan van een voldoende binding met de Nederlandse rechtssfeer. Vanzelfsprekend zal de rechter op dit punt grote terughoudendheid in acht hebben te nemen, zoals ook naar voren komt uit het in de aanhef blijkende uitzonderingskarakter van artikel 1.1.8. Voldoende binding met Nederland is in ieder geval aanwezig als de eiser in Nederland zijn gewone verblijfplaats heeft. In artikel 1.1.8, onder c, ligt dan ook tevens in bepaalde omstandigheden de handhaving van het in het huidige artikel 126, derde lid, Rv neergelegde forum actoris, zij het met de beperking dat het onaanvaardbaar is van de eiser te vergen dat hij zich tot een buitenlandse rechter richt. (…)”

3.9

Het hof constateert dat het geschil tussen partijen in sterke mate verbonden is met de Nederlandse rechtssfeer: de man heeft de Nederlandse nationaliteit, partijen zijn in Nederland gehuwd in gemeenschap van goederen, de echtscheiding is in Nederland uitgesproken en de rechter heeft ten behoeve van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap een Nederlandse notaris aangewezen. Het hof is echter van oordeel dat tegen de achtergrond van het bepaalde van artikel 9 sub c Rv, zoals hiervoor onder 3.8 vermeld, niet voldaan is aan het vereiste dat het onaanvaardbaar is van de man te vergen dat hij het geschil ter zake van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap aan het oordeel van de Belgische rechter onderwerpt. Gelet op de terughoudendheid die de rechter dient te betrachten en de in de geciteerde passages van de Memorie van Toelichting genoemde voorbeelden, waarin van onaanvaardbaarheid in de hier bedoelde zin sprake zou kunnen zijn, zijn de door de man aangevoerde gronden/feiten, ook al zouden deze worden bewezen, onvoldoende zwaarwegend om tot een ander oordeel te komen. Daarbij komt dat gesteld noch gebleken is dat de rechtsgang bij de Belgische rechter niet met voldoende waarborgen is omkleed en niet voldaan wordt aan de in artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden genoemde vereisten.

3.10

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van de man. Zijn grief faalt.

4 De slotsom

4.1.

Nu de grief van de man faalt zal het hof het bestreden vonnis bekrachtigen.

4.2

Als de in het ongelijk gestelde partij zal het hof de man veroordelen in de kosten van de procedure in hoger beroep. De kosten van de procedure aan de zijde van de vrouw zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 308,-

- salaris advocaat € 894,- (1 punt x tarief II)

Totaal € 1.202,-

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 28 mei 2014;

veroordeelt de man in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de vrouw vastgesteld op € 308,- voor verschotten en op € 894,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, M.L. van der Bel en M.H.H.A. Moes en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 9 augustus 2016.