Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:6398

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-08-2016
Datum publicatie
10-08-2016
Zaaknummer
200.129.612
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid in civiele vordering na bestuursrechtelijke procedure; reikwijdte formele rechtskracht.

Verhouding Faillissementswet en Wet op primair onderwijs (WPO)

Wetsverwijzingen
Faillissementswet
Faillissementswet 20
Faillissementswet 23
Faillissementswet 35
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 80
Wet op het primair onderwijs
Wet op het primair onderwijs 91
Wet op het primair onderwijs 106
Wet op het primair onderwijs 110
Wet op het primair onderwijs 163
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2016-0294
JOR 2016/351 met annotatie van mr. M.F. Nolen
AR 2016/2362
RI 2016/96

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.129.612

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 324379)

arrest van 9 augustus 2016

in de zaak van

mr Alice van der Schee, in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van

Stichting Jenaplanonderwijs ‘De Regenboog’,

kantoorhoudend te Utrecht,

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: de curator,

advocaat: mr. M.E.G. Murris,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

Gemeente Stichtse Vecht,

zetelend te Maarssen,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: de gemeente,

advocaat mr J. Bootsma.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 26 januari 2016 hier over. De in dat arrest bepaalde comparitie van partijen heeft plaatsgehad op 1 juni 2016.

Na afloop van de comparitie heeft het hof op verzoek van partijen arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten.

2.1

De gemeente is de opvolger van de gemeente Maarssen.

2.2

Op 7 november 1985 is de vereniging Vereniging voor Jenaplan Onderwijs Maarssen opgericht, hierna: de vereniging. De vereniging had als doel het geven van basisonderwijs volgens het jenaplanmodel.

2.3

Op of omstreeks 3 oktober 1986 heeft de vereniging bij notariële akte grond in eigendom verkregen van de gemeente. Op deze grond heeft de vereniging een schoolgebouw gerealiseerd, dat is gefinancierd door de gemeente en waarvan de vereniging de eigenaar is, hierna: het schoolgebouw.

2.4

Op 9 februari 2010 is de rechtsvorm van de vereniging omgezet in een stichting en is de naam gewijzigd in Stichting Jenaplanonderwijs Maarssen, hierna: de stichting.

2.5

Bij vonnis van 1 december 2011 is de stichting in staat van faillissement verklaard.

2.6

Bij brief van 2 december 2011 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente, hierna: het college van B&W, de curator een akte in de zin van artikel 110 lid 1 Wet op het primair onderwijs (hierna: WPO) ter ondertekening aangeboden waarin verklaard wordt dat de stichting met ingang van 1 januari 2012 blijvend het gebruik van het schoolgebouw voor het geven van onderwijs beëindigt en dat met de inschrijving van deze akte in het kadaster de gemeente het juridisch eigendom van het schoolgebouw verkrijgt. De curator heeft te kennen gegeven deze akte niet te zullen ondertekenen.

2.7

Vanaf 24 december 2011 zijn de activiteiten van de stichting beëindigd.

2.8

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft bij brief de stichting aangeschreven dat de bekostiging van de door de stichting in stand gehouden basisschool de Regenboog te Maarssen, met ingang van 1 januari 2012 wordt gestaakt.

2.9

Op 22 december 2011 heeft het college van B&W de gedeputeerde staten (hierna: GS) verzocht op grond van artikel 110 lid 2 WPO te besluiten dat de stichting met ingang van 1 januari 2012 blijvend zal ophouden haar gebouw en terrein voor de school te gebruiken omdat sprake is van een geschil over de toepassing van artikel 110 lid 1 WPO.

2.10

Op 6 maart 2012 heeft GS een besluit ex artikel 110 lid 2 WPO genomen dat de stichting met ingang van 24 december 2011 blijvend heeft opgehouden het schoolgebouw voor de school te gebruiken.

2.11

Op 19 april 2012 heeft de curator tegen dit besluit bezwaar ingediend.

2.12

Op 4 september 2012 heeft GS besloten haar besluit van 6 maart 2012 in stand te laten.

2.13

De curator heeft tegen dit laatste besluit beroep ingesteld bij de rechtbank, afdeling bestuursrecht. Bij uitspraak van 8 juli 20131 is dat beroep ongegrond verklaard.

2.14

Bij uitspraak van 4 juni 20142 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (RvS) de door de curator aangevallen uitspraak van 8 juli 2013 bevestigd. Deze uitspraak is op 6 juni 2014 ingeschreven in de openbare registers.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

De curator heeft in eerste aanleg kort samengevat gevorderd een verklaring voor recht (i) dat de curator bij uitsluiting bevoegd is over het schoolgebouw te beschikken, (ii) dat de vervreemding of bezwaring van het schoolgebouw niet getroffen wordt door nietigheid ex artikel 106 lid 2 WPO en (iii) dat de gemeente althans het college van B&W geen beroep kan doen op de artikelen 106, 110 en 163 WPO. Voorts heeft de curator gevorderd (iv) de gemeente een verbod met dwangsom op te leggen op grond van artikel 110 lid 4 WPO een inschrijving in de openbare registers te doen. Ten slotte vorderde de curator de veroordeling van de gemeente in de proceskosten.

3.2

De rechtbank heeft bij vonnis van 3 april 2013 de vorderingen afgewezen met veroordeling van de curator in de proceskosten en nakosten.

4 De vorderingen in hoger beroep

4.1

In hoger beroep vordert de curator, na wijziging van eis, dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en opnieuw recht doende, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. zal verklaren voor recht dat het eigendomsrecht op de onroerende zaak, kadastraal bekend als MAARSSEN B 5496, toekomt aan de gefailleerde Stichting Jenaplanonderwijs ‘De Regenboog’, en ook aan haar blijft toekomen zolang mr. Alice van der Schee, in haar hoedanigheid van curator van Stichting Jenaplanonderwijs ‘De Regenboog’, geen gebruik maakt van haar exclusieve bevoegdheid om het eigendomsrecht op de onroerende zaak over te dragen aan een derde;

II. zal verklaren voor recht dat de overdracht van het eigendomsrecht op de onroerende zaak, kadastraal bekend als MAARSSEN B 5496, of het bezwaren hiervan met een zakelijk recht, door mr. Alice van der Schee, in haar hoedanigheid van curator van Stichting Jenaplanonderwijs ‘De Regenboog’, niet wordt getroffen door nietigheid wegens het ontbreken van toestemming van het college van burgemeester en wethouders in de zin van artikel 106 lid 2 WPO;

III. zal verklaren voor recht dat de Gemeente Stichtse Vecht dan wel haar college van burgemeester en wethouders jegens een derde, die het eigendomsrecht op de onroerende zaak, kadastraal bekend als MAARSSEN B 5496, van mr. Alice van der Schee, in haar hoedanigheid van curator van Stichting Jenaplanonderwijs ‘De Regenboog’, heeft verkregen, geen beroep kan doen op de artikelen 106, 110 en 163 van de WPO, en subsidiair

IV. zal verklaren voor recht dat de Gemeente Stichtse Vecht door de herkrijging van het eigendomsrecht op de onroerende zaak, kadastraal bekend als MAARSSEN B 5496 voor een bedrag van € 142.359,86, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, ongerechtvaardigd is verrijkt ten opzichte van Stichting Jenaplanonderwijs ‘De Regenboog’, dan wel dat zij dit bedrag onverschuldigd heeft ontvangen;

V. de gemeente zal veroordelen in de kosten van beide instanties alsmede de nakosten.

4.2

In het incidenteel hoger beroep beroept de gemeente zich op de niet-ontvankelijkheid van de curator in haar vordering omdat, kort gezegd, voor dit geschil een bijzondere, bestuursrechtelijke rechtsgang bestaat die exclusief moet worden gevolgd.

5 De beoordeling van de grieven

Het incidenteel hoger beroep: de ontvankelijkheid

5.1

De gemeente betoogt evenals in eerste aanleg dat de curator niet-ontvankelijk is in haar vorderingen omdat daarvoor een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang bestaat, die exclusief moet worden gevolgd, zoals ook is gebeurd. Voor zover de curator wel ontvankelijk zou worden verklaard in haar vorderingen, stuiten deze af op hetgeen de RvS in de onder 2.14 genoemde uitspraak heeft beslist, omdat daaraan formele rechtskracht toekomt, aldus de gemeente.

5.2

Het hof overweegt dat de vorderingen van de curator zoals hiervoor weergegeven

(4.1) ertoe strekken vast te stellen (primair) dat het eigendomsrecht op het schoolgebouw aan de stichting toekomt, dat een vervreemding of bezwaring door de curator niet wordt getroffen door nietigheid ex artikel 106 lid 2 WPO en dat de gemeente jegens de curator geen beroep kan doen op het bepaalde in de artikelen 106, 110 en 163 WPO, en (subsidiair) dat de gemeente door herkrijging van het eigendomsrecht ongerechtvaardigd is verrijkt of onverschuldigd is betaald. Dit betreft vaststellingen die tot de taak van de civiele rechter behoren en geen geschillen die aan de bestuursrechter kunnen worden voorgelegd. De bestuursrechter immers kan, voor zover hier van belang, slechts oordelen over de rechtmatigheid van het besluit van GS over het blijvend opgehouden gebruik van het gebouw voor de school. In de tussen partijen over deze kwestie bij de bestuursrechter gevoerde procedure stond dan ook enkel de rechtmatigheid van dat besluit van GS ter discussie. Dat dit uiteindelijk heeft geleid tot de inschrijving van de uitspraak in de openbare registers en daarmee mogelijkerwijs tot eigendomsverkrijging door de gemeente op grond van het bepaalde in artikel 110 lid 4 WPO, maakt dat niet anders. Immers, de curator betwist nu juist de rechtsgeldigheid van die eigendomsverkrijging op grond van civiel- en faillissementsrechtelijke bepalingen. Het staat haar vrij dat in een civielrechtelijke procedure te laten toetsen. Dat betekent dat de curator in haar vorderingen kan worden ontvangen. Het principaal hoger beroep faalt in zoverre.

5.3

Daarop voortbordurend overweegt het hof het volgende ten aanzien van de vraag

- aan de orde gesteld tijdens de comparitie van partijen - of en in hoeverre de beslissing van de bestuursrechter meebrengt dat de civiele rechter aan (de gevolgen van) die beslissing is gebonden. De uitspraak van de bestuursrechter brengt mee dat het besluit van 6 maart 2012 van GS, waarin is beslist ‘dat het bevoegd gezag (de stichting, hof) overeenkomstig artikel 110, tweede lid, van de WPO, met ingang van 24 december 2011 blijvend heeft opgehouden het gebouw en het terrein voor de school te gebruiken’, zowel wat betreft zijn inhoud als wat betreft de wijze van totstandkoming met de desbetreffende wettelijke voorschriften en algemene rechtsbeginselen in overeenstemming is (HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO1802, NJ 2011/89). Dat besluit heeft daarmee formele rechtskracht gekregen. De formele rechtskracht betreft dus uitsluitend dat besluit, niet de uitspraak van de bestuursrechter. Het beginsel van de formele rechtskracht brengt niet mee dat de burgerlijke rechter bij de beoordeling van een kwestie die niet de geldigheid van het besluit betreft, is gebonden aan de inhoudelijke overwegingen die ten grondslag liggen aan het oordeel van de bestuursrechter over dat besluit. Zie Hoge Raad 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:661, rechtsoverweging 4.5.2. Het betoog van de gemeente dat de zaak die tot dat arrest van de Hoge Raad heeft geleid een onteigeningsprocedure betrof, waarin de wetgever een bewuste keuze heeft gemaakt voor een duaal stelsel (beoordeling rechtmatigheid besluit en vervolgens vaststelling van de schade), en dat dit arrest daarom niet relevant is voor de onderhavige zaak, deelt het hof niet nu het argument van het duale stelsel in het arrest (rechtsoverweging 4.5.3) enkel ten overvloede wordt genoemd. Het vorenstaande brengt mee dat het hof bij de beoordeling van de vorderingen van de curator in hoger beroep zal uitgaan van de formele rechtskracht van het besluit van GS van 6 maart 2012, maar zich niet gebonden acht aan de inhoudelijke overwegingen van de RvS die ten grondslag liggen aan het oordeel over dat besluit. De stelling van de gemeente dat de bestuursrechter al heeft geoordeeld over de vraag naar de eigendom van de school, dat door inschrijving van de uitspraak de eigendom al is overgegaan en dat dat in deze procedure niet kan worden teruggedraaid, deelt het hof dan ook niet.

5.4

Het incidentele hoger beroep faalt derhalve.

Het principaal hoger beroep

5.5

De curator voert twee grieven aan tegen het bestreden vonnis. Kort gezegd komt het geschil tussen partijen neer op de vraag of het faillissement van de stichting verhindert dat de eigendom van de grond en het gebouw, nadat die niet meer voor het beoogde doel worden gebruikt, op grond van artikel 110 WPO (‘het economisch claimrecht’) teruggaan naar de gemeente. De gemeente stelt zich op het standpunt dat dat het geval is (inmiddels is de in 2.14 genoemde uitspraak van de RvS ingeschreven in het openbaar register van het kadaster, waardoor de gemeente volgens artikel 110 lid 4 laatste zin WPO de eigendom zou hebben verkregen). De curator weerspreekt dat standpunt.

5.6

In grief I betoogt de curator dat de in de WPO beschreven wijze van eigendomsovergang niet kwalificeert als een andere in de wet beschreven wijze van eigendomsovergang als bedoeld in artikel 3:80 lid 3 BW, waarvoor geen geldige titel, beschikkingsbevoegdheid en levering vereist zijn. Omdat deze wel nodig zijn, volgt uit de artikelen 20, 23 en 35 Fw dat de grond en het schoolgebouw niet op de door de gemeente voorgestane wijze aan de boedel kunnen worden onttrokken. De inschrijving van het onherroepelijke besluit van GS heeft dus geen effect volgens de curator.

5.7

Het hof overweegt als volgt. Het juridisch fixatiebeginsel, neergelegd in artikel 20 Fw, houdt in dat de boedel het gehele vermogen van de gefailleerde schuldenaar ten tijde van de faillietverklaring omvat. Nu de stichting althans haar rechtsvoorgangster de grond (en de daarop gebouwde school) in eigendom heeft verkregen en nog steeds had op het moment van faillietverklaring (1 december 2011), vallen de grond en het gebouw op grond van artikel 20 Fw in beginsel in de boedel. Goederen van derden, zoals geleende, gehuurde, geleasete of onder eigendomsvoorbehoud of huurkoop verkregen goederen, moet de curator aan de rechthebbenden afgeven. De vraag die thans voorligt is of met een beroep op de bepalingen in de WPO ten aanzien van het economisch claimrecht van de gemeente, de grond en het gebouw aan de boedel kunnen worden onttrokken.

5.8

De WPO regelt onder meer de huisvesting van scholen, waarin wordt voorzien door de gemeente (artikel 91 WPO) en die wordt betaald uit publieke middelen. Teneinde de belangen van de overheid als geldverstrekker goed te beschermen kent de WPO een aantal beperkingen ten aanzien van het gebruik van het eigendom van de grond en het (daarop te bouwen) gebouw door ’het bevoegd gezag’ (in dit geval de stichting/het schoolbestuur). Het is niet wenselijk geacht dat die volledig in vreemde handen komt en daar een winstobject van wordt gemaakt. Die achtergrond en doelstelling van de WPO brengen mee dat weliswaar bij aanvang de eigendom van grond en schoolgebouw overgaan naar het bevoegd gezag, maar dat die eigendom aanzienlijke beperkingen kent. Zo mag een schoolbestuur de grond noch het gebouw vervreemden of belasten met een beperkt zakelijk recht zonder toestemming van de gemeente. Een dergelijke vervreemding of belasting is volgens de WPO nietig. Ook zijn de mogelijkheden tot verhuur beperkt. Tegenover het schoolbestuur als juridisch eigenaar staat de gemeente als economisch eigenaar. Het schoolbestuur komt de waarde van de onroerende zaak niet toe. De waarde zal doorgaans ook niet zijn opgenomen op de balans in de jaarrekening van het bestuur. Niet gebleken is dat dat hier anders is.

Verder heeft de wetgever willen verankeren dat, nadat de onderwijsbestemming is komen te ontvallen, de grond en het gebouw weer in eigendom toevallen aan de gemeente. Artikel 110 WPO bepaalt dat wanneer GS een besluit neemt dat het bevoegd gezag blijvend heeft opgehouden het gebouw of terrein voor de school te gebruiken en dat besluit (na beroep bij de bestuursrechter) onherroepelijk is geworden, het besluit dan wel de uitspraak wordt ingeschreven in de openbare registers. Door de inschrijving verkrijgt de gemeente de eigendom, aldus artikel 110 vierde lid, laatste volzin WPO. In het bestreden vonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat deze wijze van verkrijging van de eigendom past in het wettelijke systeem van boek 3 BW. De curator bestrijdt dat.

5.9

Op grond van artikel 3:80 lid 3 BW kunnen goederen onder bijzondere titel worden verkregen door overdracht, door verjaring en door onteigening, en voorts op de overige in de wet voor iedere soort aangegeven wijzen van rechtsverkrijging. Te denken valt hierbij onder meer aan: natrekking, occupatie, vinderschap, schatvinding, samensmelting/zaaksvorming en vruchttrekking. Ook buiten het burgerlijk wetboek bestaan wettelijk aangewezen wijzen van verkrijging van goederen: het auteursrecht (dat wordt verkregen door vervaardiging van het voorwerp van het auteursrecht), het octrooirecht (dat wordt verkregen door verlening van het octrooi), het merkrecht (dat wordt verkregen door gebruik en inschrijving van het merk). Daarnaast bestaan er verkrijgingen met een publiekrechtelijk karakter, zoals de verbeurdverklaring op grond van het strafrecht of ruilverkaveling op grond van de Landinrichtingswet. Uit de Parlementaire geschiedenis Boek 5, p. 17, valt voorts af te leiden dat het vereiste dat voor elke verkrijging een wettelijke grondslag moet bestaan, niet betekent dat de wijze van verkrijging uitdrukkelijk in de wet moet worden genoemd. Voldoende is dat zij impliciet uit het systeem van de wet kan worden afgeleid.

5.10

In het licht van het voorgaande valt naar het oordeel van het hof niet in te zien waarom de in het vierde lid van artikel 110 WPO genoemde wijze van eigendomsverkrijging niet onder de ‘op de overige in de wet voor iedere soort aangegeven wijzen van rechtsverkrijging’ als bedoeld in artikel 3:80 lid 3 BW zou vallen. De omstandigheid dat in de wetsgeschiedenis van de WPO geen verwijzing naar artikel 3:80 BW is te vinden en ook in de over de WPO verschenen literatuur en jurisprudentie iedere verwijzing naar dit artikel ontbreekt, zoals de curator stelt, is daarvoor onvoldoende. Uit het gegeven dat de juridische levering van een school (door de gemeente aan het bevoegd gezag) door de Hoge Raad fiscaalrechtelijk als een overdracht (te weten in de zin van de Wet op de Omzetbelasting) werd gezien, valt evenmin af te leiden dat voor de in het vierde lid van artikel 110 WPO genoemde wijze van eigendomsverkrijging (wanneer de school niet meer als zodanig wordt gebruikt) ook een overdracht - en dus levering krachtens een geldige titel door een beschikkingsbevoegde - is vereist. De verwijzing door de curator naar de voorlopers van het huidige artikel 110 WPO (te weten artikel 83, vijfde lid van de Lager Onderwijswet van 1920 en artikel 73 en 88 van de Wet op het basisonderwijs) ter onderbouwing van de stelling dat levering is vereist, volgt het hof niet. Voor zover dat al uit de tekst van die artikelen moet worden afgeleid (het hof ziet daarvoor onvoldoende reden, nu slechts gesproken wordt van een overschrijving van de beslissing in de openbare registers waardoor de eigendom overgaat) geldt dat in dit geval het huidige artikel 110 WPO van kracht is, op grond waarvan de gemeente de eigendom verkrijgt door inschrijving van het onherroepelijke besluit van GS.

De curator heeft verder nog gewezen op de memorie van toelichting op artikel 88h van de Interimwet op het speciaal onderwijs, waarin wordt opgemerkt dat de verklaring van GS kan fungeren als titel voor de eigendomsoverdracht tussen het bevoegd gezag en de gemeente, hetgeen volgens de curator duidt op het vereiste van overdracht en dus levering. Bij de totstandkoming van de huidige wet(tekst) heeft de wetgever volgens de curator geen principieel andere weg willen volgen zodat, zo begrijpt het hof de stelling van de curator, ook in de huidige situatie ervan moet worden uitgegaan dat overdracht en levering nog steeds zijn vereist. Ook daarin volgt het hof de curator niet. De tekst van artikel 110 lid 4 WPO spreekt van overdracht noch levering. Voor zover daarmee al een andere weg zou zijn ingeslagen door de wetgever is dat, ook zonder dat daarvoor een uitleg in de parlementaire geschiedenis is gegeven, op zichzelf niet ondenkbaar. In ieder geval is bij gebreke van een nadere toelichting door de curator alsook andere concrete aanknopingspunten, die gesteld noch gebleken zijn, het voorgaande onvoldoende om aan te nemen dat, ondanks de eenduidige tekst, overdracht en levering zijn vereist.

5.11

De conclusie is dan ook dat niettegenstaande artikel 20 Fw de grond en het gebouw als gevolg van eigendomsverkrijging door de gemeente op grond van artikel 110 lid 4 WPO aan de boedel kunnen worden onttrokken. Ook de andere door de curator genoemde bepalingen uit de faillissementswet staan hieraan niet in de weg, omdat in dit geval dus voor de eigendomsovergang geen beschikkingsbevoegdheid en levering zijn vereist.

5.12

Het hof voegt daaraan nog toe dat de bijzondere achtergrond en de doelstelling van de WPO (zoals kort geschetst in 5.8) op grond waarvan de stichting weliswaar eigenaar was, maar welke eigendom aan beperkingen onderhevig is, rechtvaardigen dat de bepalingen van de faillissementswet - dat de grond en het gebouw in de failliete boedel vallen en in beginsel te gelde gemaakt kunnen worden ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers -, door de bepalingen in de WPO opzij gezet worden. Wanneer dat anders zou zijn zou dat tot gevolg hebben dat een faillissementssituatie de gezamenlijke schuldeisers meer rechten zou geven dan wanneer geen sprake zou zijn van een faillissement. In dat geval immers zouden de schuldeisers zich evenmin kunnen verhalen op de grond en het gebouw.

5.13

Nu de eigendom succesvol is overgegaan naar de gemeente (door inschrijving van de uitspraak waarmee het besluit van GS onherroepelijk is geworden) en dus geen deel meer uitmaakt van de failliete boedel, kan de curator reeds daarom de grond en het gebouw niet meer vervreemden. Grief II hoeft daarom niet meer besproken te worden.

5.14

Tot slot overweegt het hof dat de vordering uit onverschuldigde betaling dan wel ongerechtvaardigde verrijking niet toewijsbaar is omdat - dat staat vast - de stichting geen eigen middelen heeft aangewend ter bekostiging van de school. Dat, zoals de curator heeft gesteld, ‘de koopsom’ voor de grond volledig in mindering is gebracht op het investeringsbudget dat door het Rijk aan de school was toegekend, maakt dat niet anders. De curator verwijst in dit verband naar een brief van de gemeente aan GS van 27 december 2011, waarin is vermeld dat de hoogte van het bouwkrediet was gebaseerd op een overeenkomstig de vergoedingen, die de gemeente voor de stichting van de school van het rijk ontvangt, berekend maximaal investeringsbudget. Het bedoelde budget is dus weliswaar ten behoeve van de stichting van de school toegekend, doch niet aan (de rechtsvoorganger van) de stichting maar aan de gemeente. De stelling dat de stichting een eigen aanspraak op deze gelden had, acht het hof onvoldoende onderbouwd. Van een betaling uit eigen middelen is ook in dit opzicht dus nooit sprake geweest, zodat ook na verlies en verkrijging van eigendom van de grond en het gebouw door de stichting respectievelijk de gemeente geen sprake is van verarming van de stichting dan wel verrijking van de gemeente. Van ongerechtvaardigde verrijking van de gemeente is ook overigens geen sprake: met de eigendomsherkrijging op grond van artikel 110 WPO is slechts bereikt dat de grond en het gebouw, die uit publieke middelen zijn bekostigd, na de beëindiging van het gebruik door de stichting voor de school terugkeren in handen van de overheid. Daarop stuit het beroep op artikel 6:212 BW af. Van betaling van een koopsom voor de grond zonder dat daarvoor een rechtsgrond bestond, is gelet op het voorgaande ook geen sprake. Voor een vordering op grond van artikel 6:203 BW bestaat dus ook geen grond.

6 De slotsom

6.1

Zowel in het principaal hoger beroep als in het incidenteel hoger beroep falen de grieven, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

6.2

Als de overwegend in het ongelijk te stellen partij zal het hof de curator in de kosten van het principaal hoger beroep veroordelen. De gemeente zal als de in het ongelijk gestelde partij in het incidenteel hoger beroep de kosten daarvan moeten dragen.

De kosten voor de procedure in principaal hoger beroep aan de zijde van de gemeente zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 683

- salaris advocaat € 1.788 (2 punten x tarief II)

Totaal € 2.471

De kosten voor de procedure in incidenteel hoger beroep aan de zijde van de curator zullen worden vastgesteld op € 894 (½ X tarief II)

6.3

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten in het principaal hoger beroep toewijzen zoals hierna vermeld.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 3 april 2013,

veroordeelt de curator in de kosten van het principaal hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de gemeente vastgesteld op € 683 voor verschotten en op € 1.788 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening,

veroordeelt de curator in de nakosten, begroot op € 131, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68, in geval de curator niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening,

veroordeelt de gemeente in de kosten van incidenteel hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de curator vastgesteld op € 894 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief,

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.J.H.G. Bronzwaer, H.L. Wattel en A.S. Gratama en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 9 augustus 2016.

1 ECLI:NL:RBMNE:2013:3153

2 ECLI:NL:RVS:2014:2025